Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... de coronacrisis heeft een grote impact op jongeren. Wij zijn benieuwd hoe jij ermee omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫

Doe mee


ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

Hoofdstuk 5 Produceren voor de markt.
5.1
Je hebt verschillende ondernemingsvormen bijvoorbeeld;
-eenmanszaak = als een onderneming één eigenaar heeft, spreken we van een eenmanszaak.
-vennootschap onder firma (VOF)= een aantal mensen/vennoten brengen arbeid en vermogen in. Alle mensen zijn gelijk, dus niemand is de baas.
- je hebt ook nog besloten en naamloze vennootschap. Daar zijn de aandeelhouders de eigenaar, maar die zijn niet verantwoordelijk voor de mogelijke verliezen van de BV/NV.
Ondernemingsvormen Eenmanszaak VOF BV en NV


Eigendom Eigenaar Vennoten Aandeelhouders
Leiding Eigenaar Vennoten Door aandeelhouders aangestelde personen
Aansprakelijkheid Eigenaar met zijn/haar hele vermogen Vennoten met hun hele vermogen BV en NV zijn rechtspersoon
5.2
de balans en resultaten rekening van een onderneming zijn heel belangrijk. Daaraan kun je zien of het goed of slecht gaat met een bedrijf.
Het verschil tussen een balans en een resultaten rekening is dat op een balans geen kosten en opbrengsten staan, die wel op een resultaten rekening staan.
Op een balans staat en debiteuren kant en een crediteuren kant.
Links debet en rechts credit. Aan de debet kant staat BV.:
· Grond


· Gebouwen
· Machines
· Voorraden
· Vorderingen (debiteuren)
· Kas, bank, giro
Aan de rechterkant de creditkant staat BV.:
· Aandelenvermogen
· Reserves
· Leningen
· Schulden aan leveranciers (crediteuren)
· Winst
De resultatenrekening wordt ook wel winst- en verliesrekening genoemd. Dat komt doordat er alles opstaat, zoals de kosten en opbrengsten die op een balans niet staan.
Op een resultatenrekening staan de opbrengsten van een onderneming bijvoorbeeld opbrengst uit verkoop en overheidssubsidies. Ook staan alle kosten die een onderneming maakt erop zoals: loon, grondstoffen, capaciteitskosten, energiekosten en overige kosten. Daaronder staat de winst, dat is dus de opbrengsten min de kosten.
5.4
de omvang en de productiviteit van de productiefactoren.
In het schema zie je waarvan de omvang en de productiviteit van elke productiefactor afhangen.
Productiefactor Omvang hangt af van Productiviteit hangt af van
Natuur Natuurlijke omgevingNatuurlijke hulpbronnen Uitputting natuurlijke hulpbronnenMilieuvervuiling
Arbeid Beroepsbevolking Scholing/ ervaring/arbeidsverdeling/ gezondheid
Kapitaal Investeringen Technische ontwikkeling
Ondernemersactiviteit Bereidheid om economische risico’s te nemen Kwaliteit van de ondernemersbeslissingen
Een belangrijk woord is innovatie, dat betekent letterlijk ‘vernieuwing’. Bij productinnovatie worden met succes nieuwe of verbeterde producten voortgebracht. Bij procesinnovatie wordt met succes gebruik gemaakt van nieuwe productietechnieken. Bijvoorbeeld:
-productinnovatie: discman, woningisolatie, mountainbike.
-procesinnovatie: lopende band, thuisbankieren, postorderbedrijven.
5.5
de wereld één markt
niet belangrijk!!! :-P
5.6
het break-evenpunt
je hebt verschillende soorten kosten die in een resultatenrekening staan. Hier de kosten en begrippen met de afkortingen:
· Totale opbrengst: TO
· Totale winst: TW
· Totale kosten: TK
· Totale variabele kosten: TVK
· Totale constante kosten: TCK
· Aantal verkochte eenheid product: Q
· Verkoopprijs per eenheid product: P
Een aantal formules om de soorten kosten uit te rekenen:
De totale kosten is gelijk aan de totale variabele kosten en de constante kosten samen. TK=TVK+TCK
De totale winst reken je uit door de totale opbrengst min de totale kosten te doen. TW=TO-TK.
Om de totale opbrengst uit te rekenen doe je het aantal verkochte eenheden product keer de verkoopprijs per eenheid product. TO=pxq.
Het break-evenpunt is het snijpunt van de TO-lijn en de TK-lijn. De break-evenomzet=de break-evenafzet x verkoopprijs.
Constante kosten zijn kosten die niet variëren met de productieomvang.
Variabele kosten zijn kosten die wel variëren met de productieomvang.
5.7
de vraag naar consumptiegoederen.
De volgende factoren bepalen de vraag van de consumenten naar een bepaald consumptiegoed.
· Preferenties: als mensen geen behoefte hebben aan een bepaald product, kopen ze het niet.
· Inkomen: van veel producten kopen mensen meer eenheden naarmate hun inkomen hoger is.
· Prijs van het product: van veel producten kopen mensen meer eenheden als de prijs van het product lager is.
· Prijzen van andere producten: er is verschil tussen goederen die elkaar kunnen vervangen en goederen die elkaar aanvullen.
· Aantal vragers: al er meer mensen zijn, zijn er ook meer mensen die een bepaald product kopen.
De (prijs)vraaglijn geeft weer hoeveel eenheden van een product worden gekocht bij uitlopende prijzen van het product.
5.8
de prijselasticiteit van de vraag.
De prijselasticiteit van de vraag rekenen we uit door:
E= prijselasticiteit.
E= procentuele verandering van het gevolg / procentuele verandering van de oorzaak.
Dus:
Ev+ procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid / procentuele verandering van de prijs.
Dat doe je door nieuw-oud te doen en dan / oud, en dat zet de daarboven en daaronder neer. Je moet wel nog x 100 dan doen om het aantal procenten te krijgen.
5.9
de prijsvorming op de markt.
De hebt twee soorten markten:
1. concrete markt: er is sprake van een duidelijk aanwijsbare geografische plaats waar vragers en aanbieders elkaar op vaste tijden ontmoeten.
2. abstracte markt: heeft geen duidelijk aanwijsbare plaats waar vragers en aanbieders elkaar op vaste tijden ontmoeten.
We kunnen het aanbod weergeven met een aanbodlijn en een aanbodfunctie.
Qa is het aantal wat aangeboden wordt.
5.10
het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Europese Unie.
Niet belangrijk!! :-P
5.11
macht op de markt.
Een kartel is een overeenkomst tussen zelfstandige ondernemingen om de onderling concurrentie te beperken.
Een prijskartel wordt vaak afgesproken om een product niet onder een bepaalde prijs te verkopen.
Bij een productiekartel stellen de ondernemingen onderling vast hoeveel eenheden van een product elke onderneming in een bepaalde periode mag voortbrengen. Dat wordt het totale aanbod op de markt beperkt, zodat de prijs hoog kan blijven.
5.12
vergroting van de macht op de markt.
Niet belangrijk!! :-P
5.13
de marketingmix.
De 4 p’s bij elkaar vormen de marketingmix. Dus dat zijn:
-prijsbeleid
-productiebeleid
-promotiebeleid
-plaatsbeleid
je hebt ook concentratie op de markt hier de sectoren ervan:
· schaaleffecten: hoe groter bedrijven worden, des te meer kunnen ze aan massaproductie doen.
· Innovatie: bedrijven die grote winsten maken, hebben veel geld beschikbaar voor product- en procesinnovatie.
· Planning: op de markt met veel kleine ondernemingen is het soms een komen en gaan van ondernemingen. Van grote ondernemingen zoals Shell kunne we niet voorstellen dat ze kunnen verdwijnen.
· Verstarring: de economische macht kan groot zijn, dat grote bedrijven ondanks schaaleffecten toch een hoge verkoopprijs vaststellen wegens het ontbreken van concurrenten.
Mededingingswetten= om gezonde concurrentieverhoudingen in stand te houden
Sociale wetten: om het wegvallen van inkomen op te vangen.
Milieuwetten: om het milieu te verbeteren en om vervolgens een schoon leefmilieu te behouden.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.