Hoofdstuk 4 en 5 Begrippen en belastingstencil

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 359 woorden
  • 5 april 2004
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
H4
Inkomstenbelasting: iedereen die inkomsten heeft, moet dit betalen.
Collectieve lastendruk: het totaal ontvangsten van de collectieve sector in percentages van het nationaal inkomen.
Collectieve sector: de overheid rijksoverheid en gemeenteraad en sociale verzekeringsfondsen.
Directe belastingen: als de betalingsplicht en belastingdruk op dezelfde persoon rust.
Eigen woning forfait: box 1: iedereen met eigen woning moet inkomen X percentage van waarde van woning doen.
Progressieve belastingen: als er in verhouding meer belasting moet worden betaald naarmate het inkomen stijgt.

Volksverzekeringen: basisverzekeringen die voor het hele volk gelden.
Werknemersverzekeringen: verzekering voor werknemers in het speciaal.

H5:
Arbeidsproductiviteit: waarde van de geproduceerde goederen gedeeld door de benodigde hoeveelheid arbeidsuren.
Contingentering: kwantitatieve beperkingen (restricties)
Dumping: exporteren van goederen tegen lagere prijs dan de productiekosten.
Export: uitvoer verkoop aan het buitenland
Import: invoer aankopen van goederen.
Infrastructuur: alle transportverbindingen in een land.
Invoerquote: de waarde van de goederen en dienstinvoer in procenten van het nationaal product.
Prohibitieve invoerrechten: als de invoerrechten zo hoog worden gesteld, dat importen onmogelijk worden gemaakt.
Protectie: bescherming van een eigen bedrijvigheid tegen concurrentie in het buitenland.

Retorsie: wanneer een land de importen beperkt als vergelding voor importbeperkingen.
Uitvoerquote: de waarde van goederen en diensten uitvoer in procenten.
Valuta: een muntsoort.
Vrijhandel: wanneer er geen belemmeringen zijn van de internationale handel.

Belastingen stencil:

Directe belastingen: loon en inkomstenbelasting, en werkgever heeft loonheffing.

Inkomensindeling:
Box 1: inkomen werk en woning: eigen woningforfait.
Aftrekposten zijn:
· reisaftrek openbaar vervoer
· fietsaftrek
· hypotheekrente
· persoonsgebonden uitgaven.
· Uitgaven kinderopvang.
Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang = wanneer iemand ten minste 5% bezit van het aandelenvermogen van een BV of NV
Box 3: inkomen uit sparen en beleggen.
Word berekend op basis van het gemiddeld vermogen van de belastingplichtige in een jaar.
Bepaalde onderdelen van bezittingen en schulden worden niet meegerekend: eigen woning huisraad auto en caravan en groene beleggingen.
Voor het vaststellen van de verschuldigde vermogens rendementsheffing word niet uitgegaan van de werkelijke ontvangen interesten en dividenden, maar wordt uitgegaan van een fictief vast rendement.

Vennootschapsbelasting: een directe belasting naast de loon en inkomstenbelasting.

Het schijventarief: de schijven 1 en 2 zijn opgebouwd uit inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. In de schijven 3 en 4 word uitsluitend belasting geheven.

Marginale tarieven: de percentages waarvoor iedere inkomensschijf wordt belast.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.