Het aanbod van arbeid is gelijk aan de omvang van de beroepsbevolking.
De beroepsbevolking is het aantal mensen tussen 15 en 65 jaar dat meer dan 12 uur per week wil en kan werken. (Niet alleen de mensen met een baan)
Bij een geboorteoverschot worden er per jaar meer mensen geboren dan er sterven
Bij een migratieoverschot vestigen zich meer mensen in Nederland dan dat er uit Nederland vertrekken.
Als de bevolking elk jaar toeneemt, zullen er ook steeds meer mensen werk zoeken. Een stijging van de bevolking leidt dus tot een toename van het aanbod van arbeid.
Het aanbod van arbeid neemt af als mensen langer leerplichtig zijn.
VUT = vrijwillig vervroegde uittreding.
De uitkering van Vutters wordt betaald uit de VUT-premies die werknemers van hun brutoloon en werkgevers uit de winst betalen.
Afschaffing van de VUT betekende een toename van het arbeidsaanbod. Oudere werknemers blijven dan tot hun 65ste werken en blijven dus tot de beroepsbevolking behoren.
Tegenwoordig bieden steeds meer vrouwen zich aan op de arbeidsmarkt.
Arbeidsparticipatie = arbeidsdeelname
Doordat veel mensen langer onderwijs blijven volgen neemt het aanbod van arbeid af.
Er komen meer vrouwen op de arbeidsmarkt door de mogelijkheid van kinderopvang en deeltijdwerk.
Flexibele werktijden = Mensen zijn vrij om zelf momenten te kiezen waarop ze willen beginnen en stoppen met werken.
Ondernemingen en overheid zijn vragers naar arbeid.
Werknemers zijn bieders van arbeid.
Bij conjuncturele factoren gaat het om het totaal aan bestedingen (vraag)
Bij structurele factoren gaat het om de manier van produceren (aanbod)
Hoge arbeidskosten remmen de vraag naar arbeid af en lage arbeidskosten stimuleren de vraag naar arbeid.
Als lagere arbeidskosten leiden tot een lager nettoloon, dan daalt de koopkracht van de werknemers en dat is nadelig voor ondernemingen.
De arbeidsproductiviteit is de productie per werknemer per tijdseenheid.
Als de APT stijgt, zijn er minder werknemers nodig voor dezelfde productieomvang.
Op de lange termijn kan de vraag naar arbeid toenemen:
Minder kosten, hogere afzet, betere concurrentiepositie, dan moeten er meer producten geproduceerd worden en zijn er meer werknemers nodig.
Een stijging van de arbeidskosten per product remt de vraag naar arbeid.
Een daling van de arbeidskosten per product stimuleert de vraag naar arbeid.
In veel bedrijfstakken is sprake van arbeidsduurverkorting (adv). Meestal komt dat neer op verkorting van de werkweek, roostervrije dagen, vervroegde uittreding van flexibele pensionering.
Adv veroorzaakt een afname van de arbeidsproductiviteit. De vraag naar arbeid neemt dus toe.
Bij adv stijgen meestal de loonkosten per product. Die stijging kan worden opgevangen door bedrijfstijdverlenging.
Bij een deeltijdbaan ben je meestal in vaste dienst en werk je op vaste tijden in de week.
Bij flexibel werken heb je een tijdelijk contract of ben je oproepkracht of uitzendkracht.
De werkgelegenheid = de vraag naar arbeid.
Werkeloosheid is het verschil tussen de vraag en het aanbod van arbeid.
Geregistreerde werkloosheid is het totaal aantal mensen zonder werk dat bij een Centrum voor Werk en Inkomen staat ingeschreven als werkzoekende en direct beschikbaar is voor een baan van minstens 12 uur per week.
Twee manieren om de omvang van werkloosheid te meten:
- Gegevens van de CWI’s. Alle geregistreerde werkelozen worden bij elkaar opgeteld.
- Gegevens van het CBS. Het CBS gebruikt een Enquête.
Verborgen werklozen zijn de mensen die niet geregistreerd zijn als werklozen, maar wel betaald werk willen doen:
- Huisvrouwen
- Jongeren
- WAO’ers
Zwart werk = informele sector (het wordt niet door het CBS geregistreerd)
Vacatures zijn openstaande banen.
Als de bestedingen dalen, brengen ondernemingen minder producten voort en is er minder personeel nodig. Als daardoor de vraag naar arbeid lager is dan het aanbod van arbeid, is er sprake van conjunctuurwerkloosheid.
Maatregelen tegen conjunctuurwerkloosheid:
- Consumptie verhogen
- Overheidsuitgaven verhogen
- Export verhogen
6 oorzaken van structuurwerkloosheid:
- Verslechtering van de internationale concurrentiepositie
- Lage scholingsgraad
- Arbeidsongeschiktheid
- Geringe mobiliteit en slechte arbeidsbemiddeling
- Frictiewerkloosheid
- Seizoenswerkloosheid
Scholing maakt innovatie mogelijk.
Innovatie is het ontwikkelen van nieuwe en/of verbeterde producten en productieprocessen (bijv. automatisering)
Niet iedereen kan doen waar hij/zij goed in is:
- Geschikte werknemers willen niet verhuizen om een baan te krijgen als ze het in hun vertrouwde omgeving naar hun zin hebben.
- Geschikte werknemers veranderen niet van baan als ze daarvoor moeite moeten doen, terwijl het onzeker is of ze er in netto-inkomen op vooruitgaan.
Frictiewerkloosheid = De eerste tijd waarin je werkloos bent.
Als je een baan aanneemt, teken je als werknemer een arbeidsovereenkomst met je werkgever. Dat heet een individuele arbeidsovereenkomst.
Een CAO wordt afgesloten door de vakbonden en de werkgeversorganisaties binnen één bedrijfstak.
Primaire arbeidsvoorwaarden zijn afspraken die met financiële tegemoetkomingen te maken hebben.
Secundaire arbeidsvoorwaarden zijn afspraken die niks met geld te maken hebben.
Loonstijging kan de volgende vormen hebben:
- Prijscompensatie: de lonen stijgen met een percentage dat gelijk is aan het percentage waarmee de kosten van levensonderhoud stijgen.
- Initiële loonstijging: een extra loonstijging ‘bovenop’ de prijscompensatie, die hoger is dan de prijsstijging in dat jaar.
- Incidentele loonstijging: een loonstijging voor bepaalde werknemers vanwege bijvoorbeeld promotie of overwerk.
- Winstdelingsregelingen: de werknemers delen mee in de winst die de onderneming behaald heeft.
Secundaire arbeidsvoorwaarden betreffen bijvoorbeeld arbeidsduurverkorting, vakantiedagen, werktijd en scholingsmogelijkheden.
Flexi-arbeid betekend dat je alleen voor een bepaalde periode en/of voor bepaalde klussen in dienst wordt genomen.
De overheid kan de mensen stimuleren om ergens te gaan wonen waar werk is, bijvoorbeeld:
- met verhuiskostenregelingen: de verhuiskosten van mensen die dichterbij hun werk gaan wonen, zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting.
- door de vervoerskosten te verlagen: de kosten voor het woon-werkverkeer zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting en de werkgever mag er belastingvrije vergoedingen voor geven.
- door de infrastructuur te verbeteren: de woon- en werkplaatsen worden dan beter bereikbaar.
De overheid kan mensen die hun baan verliezen, opnieuw aan een baan helpen:
- Via om-, her- en bijscholing
- Door beloningsverschillen te vergroten: schaarse of goede werknemers hoever minder belasting te betalen.
Om het zoeken/aanbieden van werk aantrekkelijker te maken, kan de overheid de volgende financiële prikkels geven:
- Het vergroten van het verschil tussen lonen en uitkeringen
- Fiscale voordelen, bijv. aftrekbaarheid voor de inkomstenbelasting van de kosten van het openbaar vervoer enz.
- Een verlaging van het minimumloon
- Arbeidskostensubsidies voor werkgevers, waardoor zij werknemers toch winstgevend kunnen laten werken.
Bij een tijdelijk tekort aan arbeidskrachten kan een bedrijf:
- werknemers overwerk laten doen;
- uitzendkrachten inschakelen;
- buitenlandse werknemers aantrekken.
Een langdurig tekort aan arbeidskrachten kan bestreden worden door:
- arbeidsbesparende innovatie
- flexibele pensionering
- kinderopvang
- deeltijdwerk
- immigratie
Niveau Akkoord Werknemers Werkgevers
Stichting v/d arbeid centraal akkoord (richtlijnen voor CAO) vakcentrales (FNV, CNV) werkgeverscentrale (VNO, NCW)
Bedrijfstak CAO (primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden) Vakbonden (ambtenaren, industrie, vervoer enz.) Werkgeversbonden
Loonkost per product = Loonkost / Arbeidsproductiviteit
REACTIES
1 seconde geleden