Hoofdstuk 3

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vmbo | 645 woorden
  • 17 maart 2009
  • 15 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.1
  • 15 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Samenvatting hfst 3:
De kernvraag van dit hoofdstuk was:
Hoe kun je het beste rondkomen met je inkomen?
3.1 Op welke manier wordt het nettoloon van het brutoloon afgeleid?
Van je werkgever krijg je een overzicht waarop staat hoe het loon berekend is.
Zo'n overzicht heet een loonstrook.
Het brutoloon is het arbeidsinkomen dat een werkgever met een werknemer heeft afgesproken.
Op het brutoloon worden loonbelasting, verschillende premies en andere bijdragen ingehouden.
Daardoor krijg je netto minder in handen.

Voor sommige inhoudingen, zoals de bijdrage zorgverzekering, krijgen werknemers een vergoeding die bij het loon wordt opgeteld.
De loonbelasting wordt gebruikt voor de collectieve voorzieningen, zoals onderwijs, politie en wegenbouw.
Premies volksverzekeringen worden op het loon ingehouden om de sociale uitkeringen waarop iedere inwoner van Nederlands recht heeft, te kunnen betalen.
Op je loonstrook staan de loonbelasting en de premies volksverzekeringen onder de kop loonheffing.
Premies werknemersverzekeringen worden op het loon ingehouden om werklozen en arbeidsongeschikten een WW- of WIA-uitkering te kunnen verstrekken.
Door pensioenpremie te betalen spaar je voor je oude dag.
Ook de door werknemers te betalen zorgbijdrage wordt door werkgevers ingehouden op het loon.
Een werkgever is verplicht om aan werknemers een vergoeding te geven voor deze zorgbijdrage.
Werkgevers kunnen een gedeelte van het inkomen van een werknemer storten op een spaarrekening.
Dit heet: spaarloon.

De werknemer betaalt over dit bedrag minder belasting en premies.
Via de levensloopregeling kunnen werknemers een gedeelte van hun inkomen sparen voor periodes van onbetaald verlof.

3.2 Welke soorten inkomens kun je onderscheiden en waardoor worden inkomensverschillen veroorzaakt?
Je ontvangt loon of salaris, als je werknemer bent.
Andere voorbeelden van arbeidsinkomen zijn: honorarium, gage, courtage en royalty's.
Inkomsten uit bezit ontvang je als je spaargeld hebt (rente) of eigenaar bent van een eigen bedrijf (winst).
Eigenaren kunnen hun bezit verhuren.
De beloning hiervoor heet huur.
Overdragsinkomen is inkomen dat je van de overheid krijgt in de vorm van een uitkering.
Voorbeelden zijn kinderbijslag, studiefinacieen, huursubsidie en bijstand.
Inkomensverschillen ontstaan door verschillen in:
1 Opleiding
2 ervaring
3 leeftijd
4 verantwoordelijkheid
5 vraag en aanbod
6 prestatie
7 sekse, ras of geloof
8 zwaarte/ onaangenaamheid van het werk
9 risico
10 talent
Het gemiddelde inkomen per inwoner kun je berekenen door het totaal verdiende inkomen in Nederland te delen door het aantal inwoners van Nederland.

3.3 Hoe maak je een begroting van de inkomsten?
Een begroting is een schatting van je inkomsten en uitgaven.
Nadat je een begroting hebt gemaakt, maak je een budgetplan.
Bij budgetteren breng je evenwicht tussen je inkomsten en je uitgaven.
De begroting helpt je hierbij.

3.4 Hoe maak je een begroting van de uitgaven?
Er is een speciale instelling die advies geeft over de besteding van de huishoudfinanciën: de Stichting Nationaal Instituut voor Budget voorlichting, kortweg het NIBUD.
Het NIBUD verdeelt alle uitgaven in 3 categorieën: dagelijkse uitgaven, incidentele uitgaven en vaste lasten.
Dagelijkse uitgaven zijn huishoudelijke uitgaven.
Incidentele uitgaven zijn de niet-regelmatige uitgaven die niet van het huishoudgeld betaald kunnen worden.
Vaste lasten zijn uitgaven die op een vast tijdstip terugkomen.

3.5 Hoe bepaal je of je geld overhoudt of tekortkomt?
Als de verwacht uitgaven groter zijn dan de ontvangsten, heb je een begrotingstekort.
Je hebt een meevaller als de werkelijke uitgaven lager zijn dan de begrote uitgaven.
of als de werkelijke inkomsten hoger zijn dan de begrote.
Je hebt een tegenvaller als de werkelijke uitgaven hoeger zijn dan de verwachte, of als de werkelijke inkomsten lager zijn dan de verwachte.
Een structueel financiële meevaller/tegenvaller ontstaat als de inkomsten blijvend groter/kleiner of de uitgaven blijvend kleiner/groter zijn geworden.
Als het gaat om een tijdelijke meevaller/tegenvaller spreek je van een incidentele meevaller/tegenvaller.

3.6 Wat doe je als je geld te kort dreigt te komen?
Om tekorten te voorkomen, is het verstandig geld te reserveren voor grote uitgaven in de toekomst.
Als je geld te kort komt, zul je geld moeten lenen.
Maar als je in grote geldproblemen zit, moet je ongherroepelijk op je uitgaven bezuinigen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

Yo,
Ik wil graag iedereen helpen met deze link hier: http://www.percent.nl/Onlineleren/onlinelerenfiles/oefentoetsencdrom/toetsenGT.html
Dit is een link die je naar alle maak je eigen samenvattingen brengt en je de antwoorden geeft ;)

Veel plezier :D

11 jaar geleden