Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Hoofdstuk 2 teveel geld maakt ongelukkig

Beoordeling 3.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 1146 woorden
  • 15 november 2012
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 3.3
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

H2 Te veel geld maakt ongelukkig


2.1 introductie


De oorzaak van hyperinflatie is bijna altijd dezelfde: te veel geld.


Geen productie en wel geld vormen de ingrediënten voor inflatie. De producten zijn er niet, de vraag wel en dus vliegen de prijzen omhoog. Meer geld heeft geen zin als er niet meer productie tegenover staat.



Monetair financieren: de overheid drukt geld bij.



2.2 De economische kijk: de vergelijking van Fisher


Fishervergelijking:


M x V = P x T


met m= geldhoeveelheid


v= omloopsnelheid


p= prijzen


t= transacties/aantal verhandelde goederen (reëel BBP)


Omzet: ook wel BBP


M x V = P x T à M stijgt, T stijgt ook.



Maar


Keynes zegt:


M x V = P x T à


M stijgt, T stijgt ook, maar V daalt.


Volgens hem is het effect van een toename van M dus vrij beperkt, want dit wordt tegengewerkt door


een daling van V.


Als mensen gaan oppotten, dan daalt V.




V staat voor omloopsnelheid, gaat die omhoog heet dat ontpotten, omlaag is oppotten.



Conjunctuur: onderbesteding, overbesteding; bestedingsgewicht.


Overbesteding: productiecapaciteit wordt volledig benut; bezettingsgraad = 100%. à aantal transacties kan niet meer toenemen.


Onderbesteding: productiecapaciteit wordt bijna niet benut; bezettingsgraad = < 100% à aantal transacties kan nu wel toenemen. M stijgt = T stijgt.



Keynes:


Y = C + I + O + E - M


Y:


hoogte nationaal inkomen


C: consumenten


I: investering


O: overbesteding


E:export


M:import




Onderbesteding:


C daalt, want mensen gaan sparen in onzekere tijden.


I daalt, want lage bezettingsgraad


E daalt, want protectionisme


M daalt, want protectionisme


2.3 Meer is minder


Geld bijmaken lost niets op. Maar à monetair financieren à overheden betalen hun   tekorten vaker met bijgemaakt geld. Meer geld betekend vaak een daling van de munt.




Transactiekosten: de kosten die nodig zijn om tot een transactie te komen / tijd en geld die het kost om iets te ruilen.



Spaargeld: geen geld, want je kunt er niet mee betalen



3 functies van geld:



  • ruil, transactie of betaalmiddel: geld om iets mee te kopen.

  • rekenmiddel(eenheid) of waardemeter: geld om aan te geven hoeveel iets waard is.

  • oppotmiddel: geld om later iets mee te kopen.



M


x V= P x T àT en V zijn volgens Fisher constant.



Volgens Keynes: V is afhankelijk van de rente (R).



2 conclusies:



1) M   à T   à P   = V  


2) Wereldhandel    = export   = BBP   = M   of V   door rente als M gelijk blijft.



Milton Friedman = Monetarist. Die zeggen dat V afhankelijk is van de kalender, niet van R zoals Keynes beweerde.



2.4 Wat is dat eigenlijk, geld?


Geld is alleen geld als je er overal alles mee kunt kopen.


Geld is een algemeen aanvaard betaalmiddel.



Chartaal geld: wordt uitgegeven door de ECB en bestaat uit munten en biljetten.


Giraal geld: staat op rekeningen bij particuliere banken (abm amro, rabobank etc.) (Chipknip wordt door de Nederlandse bank ook als girale geldhoeveelheid gezien; want een deel van je rekening courant staat op dat kaartje)


Spaarrekening is GEEN giraal geld!


2.5 De economische kijk: de wet van Gresham


Handgeslagen munten zijn niet goed want de intrinsieke waarde verschilde dan van muntstuk tot muntstuk waardoor ze het gingen omsmelten en winst behaalde.


Bad money drives good money wet van Gresham. Wanneer er meer vormen van geld circuleren die dezelfde nominale waarde bezitten, zal de betaling over het algemeen plaatsvinden in de geldsoort die intrinsiek het minste waarde bezit.


''Slecht geld verdrijft goed geld uit de circulatie.''



2.6 Waar komt het bankbiljet vandaan?


Drie verschijningsvormen van geld: biljetten, munten en girale rekeningen.


Intrinsieke waarde: de waarde van het materiaal waarvan het betaalmiddel gemaakt is.



DNB is naast circulatiebank ook de bank der banken.  Andere banken kunnen hier lenen als ze geld tekort komen, zo kan de DNB hun in de gaten houden.




2.7 Geldschepping vandaag de dag


De ECB is verantwoordelijk voor de interne waarde van de euro.


Kas: je kan niet meer uitgeven dan er in je kas staat. Geld in een kas is ook GEEN geldhoeveelheid.


Giraal kan je rood staan: je kunt meer uitgeven dan je bezit = geldschepping.



  • Geldschepping gebeurt door banken (MFI)

  • Bank met crediteuren in rekening courant (RC)( = MFI

  • Secundaire bank = geen MFI = spaarbank = kredietbemiddeling

  • Primaire bank = wel FMI = algemene bank = kredietverlening = geldschepping



                                      (kas +


tegoed ECB)


liquiditeitspercentage:   ---------------------------  = …%


                                          RC cliënten




Monetaire financiële instellingen (MFI): de geldscheppende


instellingen binnen de EMU;


            - de centrale bank: geeft bankbiljetten uit.



- het Rijk slaat munten


- particuliere banken maken het girale geld in de vorm van de rekening    courant.


Door branchevervaging is het takenpakket van banken uitgebreid (reizen boeken, verzekeringen aanvragen).



Vanwege dubbeltelling hoort de kas van de algemene banken niet bij de maatschappelijke geldhoeveelheid.


De maatschappelijke geldhoeveelheid is al het chartale + girale geld - het geld in handen van geldscheppende instellingen.



Balans:


kas (chartaal)                       Rekening-courant (giraal)



Het ponzi schema: beloofde winsten uit betalen met het geld dat werd binnen gebracht door nieuwe klanten. Gebruiken banken nu nog steeds. Manier van oplichten. Latere investeerders zijn de dupe.



2.8 Hoe particuliere banken geld maken


De kas en het geld op de rekening bij de centrale bank 'tegoed bij de centrale bank'  worden als dekking voor de rekening-courant gezien.



Bij wederzijdse schuldaanvaarding vergroten zowel de bank als de klant hun schuld  = de klant moet later terugbetalen, de bank moet altijd kunnen uitlenen.



Transformatie = niet-geld wordt omgezet in geld (stijging van maatschappelijke geldhoeveelheid), of andersom (geldvernietiging).


Substitutie = geld naar de bank brengen of er vanaf halen. Hierdoor verandert de samenstelling van de maatschappelijke geldhoeveelheid.



2.9 Financiële markten


De vermogensmarkt


geld- en de kapitaalmarkt


De Kapitaalmarkt



  • hypotheken

  • staatsobligaties


Aandelen en obligaties gaan langer mee en kunnen worden verkocht. Hier wordt gehandeld in leningen langer dan 12 maanden.


De geldmarkt


100,- rood staan om een paar schoenen te kopen is een voorbeeld van een geldmarkttransactie. Terugbetalen duurt korter dan een jaar.


Kortetermijnleningen


tussen geldscheppende instellingen behoren tot de geldmarkt in enge zin.


Er wordt gehandeld in leningen in minder dan 12 maanden.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.