Rechtsvorm/ondernemingsvorm: De juridische vorm die aan een onderneming wordt gegeven. Zo wordt duidelijk bij wie de eindverantwoordelijkheid ligt bij schuld.

Geen rechtspersoonlijkheid: Geen scheiding tussen bezittingen en schulden van de onderneming en die van de eigenaar.
VOF/Eenmanszaak.

Wel rechtspersoonlijkheid: Duidelijke scheiding tussen de eigenaars en het eigenlijke bedrijf. Aandeelhouders niet persoonlijk aansprakelijk en lopen maar een bepaald risico.
NV/BV

* Eenmanszaak:
De eigendom berust bij één persoon en is dus hoofdelijk aansprakelijk.
* Vennootschap Onder Firma:
Twee firmanten of meer. Deze lopen wel persoonlijk het risico, maar de schade blijft beperkt doordat het risico verdeeld is.
* Naamloze Vennootschap:
De eigendom ligt bij aandeelhouders. Wel splitsing eigenaar/leiding, maar aandelen verhandelbaar op effectenbeurs. Strikte scheiding tussen het vermogen van de aandeelhouders en het bedrijfsvermogen.
* Besloten Vennootschap:
Bijna gelijk aan NV, alleen zijn de aandelen van dit bedrijf niet vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Het bestaat uit een vast aantal aandeelhouders, een gesloten groep. De overdracht van aandelen kan alleen aan een beperkte groep plaatsvinden. Geen publicatieplicht.

Bedrijfskolom: De opeenvolging van economische activiteiten die nodig zijn om een bepaald product te maken.
Bedrijfstak: Alle bedrijven die zich in dezelfde fase in de bedrijfskolom bevinden.

Integratie: kortere kolom.
Differentiatie: langere kolom, extra schakel.
Parallellisatie: bedrijfskolom wordt breder door uitbreiding bedrijf. Branchevervaging.
Specialisatie: concentreert zich op één bepaald soort. Kolom wordt dunner.

Concentratie: Het verschijnsel dat beslissingen over de productie van goederen en diensten door een steeds kleiner aantal bedrijven worden genomen. =>

Fusie en overname: Fusie: als twee ongeveer gelijkwaardige partners besluiten op te gaan in een nieuwe rechtspersoon. Overname: Als een onderneming de meerderheid van de aandelen van een andere onderneming verkrijgt. Kan vorming van concern tot gevolg hebben.

Concern: een bundeling van bedrijven die binnen een grotere eenheid als dochter of kleindochter hun plaats hebben. Het vindt plaats door middel van de holding company structuur. Een holding company bezit meer dan 50 % van de aandelen van een ander bedrijf en daarmee de zeggenschap. Als de dochter op haar beurt weer meer dan 50 % van de aandelen in een derde bedrijf heeft, kan de holding company ook daar macht uitoefenen.

Motieven voor schaalvergroting:
· Kostenvoordelen: Samenvoeging van functies en het ontslaan van werknemers scheelt in kosten.
· Risicospreiding: Door andere producten te gaan produceren zijn ze minder afhankelijk van de grillen van de markt.
· Toelevering: Door integratie, zal de toelevering of de afzet van producten beter kunnen worden gegarandeerd.
· Toegang tot vermogensmarkt: Banken kiezen sneller voor krediet bij grotere bedrijven.
· Research: Door onderzoek naar nieuwe mogelijkheden kan het bedrijf zijn marktaandeel handhaven.

Kartel: Samenwerkingsvorm tussen juridisch zelfstandige ondernemingen met het doel de concurrentie te beperken.
Prijskartel, Productiekartel, Rayonkartel, Voorwaardenkartel.

Mededingingswet: Verbiedt het bestaan van Kartels en andere vormen van misbruik van economische machtsposities. De NMA wil de concurrentie in Nederland bevorderen.

Balans:
Overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald tijdstip.
Voorraadgrootheden:
Ze zijn op een bepaald tijdstip te meten.

Activa Passiva
Vaste Activa:Zijn langdurig bruikbaar.Vlottende activa:Kunnen binnen een jaar in geld omgezet worden · Voorraden:..· Liquide Middelen: Betalingsmiddelen die gelijk gebruikt kunnen worden. Kasgeld&Banksaldo .· Debiteuren: Vorderingen op afnemers. Ze zijn je iets schuldig. Eigen Vermogen:Aandelenvermogen/Reserves.Langlopende Schulden:Schulden die niet binnen een jaar hoeven te worden afbetaald.Kortlopende Schulden:Binnen een jaar afbetaling. · Crediteuren: Schuld aan de leverancier.· Belastingschulden:..

Solvabiliteit: verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen.
{ Eigen Vermogen : Totale Vermogen } X 100 %

Liquiditeit: verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden.
{ Vlottende Activa : Kortlopende Schulden }

Resultatenrekening:
Overzicht van opbrengsten en kosten en de daaruit voortvloeiende winst of verlies over een bepaalde periode.
Stroomgrootheden:
Alleen meetbaar over een bepaalde periode, niet op een bepaald tijdstip.

Kosten: Opbrengsten:
Winstsaldo:{ Omzet – Totale Kosten } Verliessaldo

Toegevoegde waarde/Productie:
{ Omzet – Onderlinge Leveringen }

Model:
Gestileerde weergave van een deel van de werkelijkheid. (opbrengsten, kosten, doelstellingen, winst) met het doel meer inzicht krijgen in de werkelijkheid.

Opbrengsten:
TO = pq => TO = Totale Opbrengsten, p = prijs van product, q = afzet.

Kosten:
Arbeid, diensten van andere bedrijven, producten die bij andere bedrijven worden ingekocht.
Constante kosten = zijn kosten die op korte termijn vastliggen en onafhankelijk zijn van de geproduceerde hoeveelheid. ( interest, afschrijvingen, huur, pacht, verzekering, energie, loon van leidinggevend personeel).
Variabele kosten = zijn kosten die op korte termijn aan veranderingen onderhevig zijn en die afhangen van de geproduceerde hoeveelheid. (grondstofkosten, onderdelen die besteld worden, energiekosten, loon van oproepkrachten.) Lijn gaat door oorsprong en is lineair.
Bij uitbreiding van de capaciteit, nemen de constante kosten toe.
TK = TVK + TCK.
TK = aq + TCK

Gemiddelde kosten:
Kosten per stuk ofwel kosten per eenheid eindproduct.
GCK = TCK / q
GVK = TVK/ q
GTK = TK/q
GTK = GVK + GCK

TW = TO – TK
TW = pq – aq – TCK.

Bij kostendekking = TO = TK (break-even punt) TW = 0

Maximaal marktaandeel:
Marktaandeel = (omzet van het betreffende bedrijf : omzet op de totale markt) x 100 %

Continuïteit:
Afzetten van de maximale winst of maximaal marktaandeel en kiezen voor een bescheiden winst, uitsluitend met het doel het bedrijf en daarmee verbonden de werkgelegenheid en het ondernemersinkomen te laten voortbestaan.

Spanningen tussen Doelstellingen:
De doelstellingen van een bedrijf komen wel/niet in overeenstemming met de doelstellingen die anderen hebben.

Proportioneel: rechtevenredig
Progressief: stijging meer dan evenredig
Degressief: Stijging minder dan evenredig.

Q TVK:GVK x Q GVK:Bekend GCK:CK : Q TK:Q x GTK GTK:GVK + GCK

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.