Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 1t/m4

Beoordeling 10
Foto van fransje
  • Samenvatting door fransje
  • 4e klas vwo | 2200 woorden
  • 27 oktober 2019
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 10
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Hoofdstuk 1: kiezen



Mensen wegen voortdurend alternatieven tegen elkaar af en maken keuzes.




  • Sommige beslissingen zijn van invloed op de verdere levensloop, maar veel beslissingen zijn minder ingrijpend.



Zowel bij consumeren als bij investeren worden producten aangeschaft.




  • Door eindgebruiker aangeschaft = consumptie

  • Kapitaalgoederen aangeschaft door een bedrijf = investeren



Het probleem is dat je niet alles kunt kopen wat je zou willen.




  • Relatieve schaarste: als er een offer of inspanning moet worden gegeven om het te verkrijgen. Kost geld. (economie)

  • Absolute schaarste: als er gebrek aan is. Vrije goederen. (dagelijks)Een product is schaars als er een offer of inspanning moet worden geleverd om het te verkrijgen.

    • Goederen waarvoor geen schaarse middelen worden opgeofferd, bijvoorbeeld lucht, noemen we vrije goederen.





De budgetlijn geeft alle verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden aan bij een bepaald budget




  • Verandering budget: evenwijdige verschuiving

  • Verandering 1 van de prijzen: verandering van de helling



De waarde van datgene dat we opofferen om iets te verkrijgen, noemen we opofferingskosten.




  • Geld, tijd, energie



In de speltheorie (bijvoorbeeld het gevangenen dilemma) gebruiken we een aantal begrippen en regels die het spel beschrijven




  • Spelers

    • De spelers nemen de beslissingen, dit kunnen personen zijn, maar ook bedrijven, overheden, clubs, etc.

    • Bij een coöperatief spel werken spelers samen, bij een niet-coöperatief beconcurreren zij elkaar.



  • Informatie

    • Wat de spelers van elkaar weten

    • Symmetrische informatie: spelers weten evenveel



  • Strategie

    • Een speler kan in verschillende situaties terechtkomen waarbij elke situatie kan vragen om een andere keuze of actie

    • Dominante strategie: de strategie die het meeste oplevert, ongeacht de strategie van een ander

    • Coöperatieve strategie(tit-for-tat): waarin de een precies hetzelfde doet als de ander.



  • Uitbetaling

    • De verwachte opbrengst van een strategie

    • De hoogte van de uitbetaling wordt weergegeven in een tabel;

      • Uitbetalingsmatrix

      • Opbrengstenmatrix

      • Resultatenmatrix



    • Evenwicht

      • Bij het oplossen van een spel theoretische situatie zoeken we naar evenwicht.

      • Voorspelling van de uitkomst van het spel

      • Nash-evenwicht: hierbij kunnen de spelers hun opbrengst niet verbeteren door alleen zelf van strategie te veranderen.







In een gevangenendilemma kan een coöperatieve samenwerking ontstaan als spelers worden gebonden aan een afspraak. Dit werkt alleen, als beide spelers er belang bij hebben zich aan de afspraak te houden.





Hoofdstuk 2



Wanneer ouders in loondienst zijn ontvangen ze van de werkgever een financiële vergoeding (bijvoorbeeld voor kinderopvang). Ook de overheid draagt bij.




  • inkomensafhankelijk: verdienen de ouders een hoog inkomen dan is de bijdrage van de overheid laag, maar verdienen ze weinig dan is de bijdrage van de overheid groot.



De overheid betaald ook kinderbijslag.




  • De hoogte hiervan hangt af van de leeftijd van het kind.



Stroomgrootheid is een wekelijks of maandelijks binnenkomende geldstroom.




  • Zakgeld, loon

  • De uitgaven vormen een uitstroom van geld, dat zijn ook stroomgrootheden



Een voorraadgrootheid wordt gemeten op een bepaald moment.



Hoe inkomens zijn verdeeld over personen, kun je in beeld brengen met een Lorenzkromme of Lorenzecurve. Let op: in de curve staan gecumuleerde getallen.



Er zijn verschillende mogelijkheden om ieders bijdrage vast te stellen.




  • Iedereen draagt hetzelfde bedrag bij.

  • Iedereen betaalt hetzelfde percentage van het inkomen.

  • Het percentage dat iemand betaalt, stijgt naarmate het inkomen hoger is.



De bijdrage die ieder levert aan de pot kun je vergelijken met een belastingheffing. Er worden gezamenlijke uitgaven mee betaald.

Wat overblijft van het inkomen kan ieder naar eigen keuze besteden.




  • besteedbaar inkomen



nivellering




  • als de relatieve of procentuele inkomstenverschillen als gevolg van de herverdeling kleiner worden

  • de verhouding tussen hoge en lage inkomens worden kleiner

  • gunstiger voor lage inkomens



denivellering   




  • als de relatieve of procentuele inkomstenverschillen als gevolg van de herverdeling groter worden

  • de verhouding tussen hoge en lage inkomens worden groter



Inkomen consumeren is het ruilen van geld tegen goederen die in een bepaalde behoefte voorzien.



Sparen is het niet-besteden van het inkomen.




  • Consumptie wordt uitgesteld

  • Ruil wordt verplaatst naar de toekomst

  • Ruilmiddel -> bewaarmiddel

  • Vermogen wordt opgebouwd

  • Ruilen over de tijd



Lenen




  • het tegenovergestelde van sparen.

  • Wie zijn consumptie betaalt met geleend geld, ruilt ook over de tijd

  • Het moment van de koop wordt vervroegd.

  • Het geld is nog niet verdiend terwijl er toch al wordt geconsumeerd.

  • De consument die geld leent, gebruikt ruilmiddelen die niet van hemzelf zijn en die hij later zal moeten teruggeven. Voor deze consument ontstaat een schuld.



Bij de keuze of je moet sparen of lenen, spelen de opofferingskosten een rol.





Hoofdstuk 3



Al de tijd, geld en moeite die het kost om een transactie tot stand te brengen, noemen we transactiekosten. De koop en verkoop is een ruiltransactie, of kortweg ruil.




  • Bij een ruil worden eigendomsrechten



Als alle onvoorziene gebeurtenissen in een contract zijn opgenomen, noemen we het contract een volledig contract.



Ook heeft de overheid regels opgesteld om de transactiekosten te beperken.




  • Ze stellen de kwaliteitseisen en veiligheidseisen aan producten.



Veel mensen kiezen voor zekerheid en zijn risicomijdend of risicoavers.



Als de ene partij informatie heeft die dan andere partij niet heeft, is de informatie asymmetrisch verdeeld.




  • een koper het tegengestelde selecteren van wat hij wil selecteren.

    • averechtse (tegengestelde) selectie of adverse selection.

    • Garantie verstrekken en een goede reputatie bijvoorbeeld zouden dat kunnen oplossen.





De verzekerden betalen premie aan de verzekeringsmaatschappij die daarmee het risico overneemt. Uit de premies betaalt de verzekeraar de schadeclaims van de gedupeerden en zijn overige kosten. Iedereen is wettelijk aansprakelijk voor de schade die hij toebrengt aan anderen. Het risico, dat de wettelijke aansprakelijkheid (WA) met zich meebrengt, is verzekerbaar via een WA-verzekering.




  • Voor bestuurders van motorvoertuigen is deze verzekering verplicht.



Het tweede risico, het toebrengen van schade aan een eigen voertuig, is ook verzekerbaar.




  • Deze verzekering is niet verplicht. Wie deze verzekering erbij neemt, is allrisk verzekerd.



Premie = kans op schade x de gemiddelde hoogte van de verwachte schade.



Als een verzekeraar een polis verkoopt, weet hij niet hoe groot het risico is dat hij met de verzekerde in huis haalt. De verzekerde kent dat risico veel beter.




  • De klanten die weinig schade claimen, noemen we de goede risico’s en de veel-claimers de slechte risico’s.



De verzekeraar wil de goede risico’s hebben, maar uiteindelijk gebeurt het tegendeel, zijn selectie is averechts.




  • Slechte risico’s zeggen dat ze goede risico’s zijn, waardoor de premies te laag worden en de verzekering verlies maakt.

  • De verzekering maakt de premies duurder, waardoor de goede risico’s weggaan

    • De verzekering houdt alleen slechte risico’s over





Averechtse selectie kan worden bestreden met een vrijwillig eigen risico.




  • Verzekerde draait zelf op voor het eerste deel van het schadebedrag.



De bonus-malusregeling komt veel voor bij autoverzekeringen.




  • automobilisten die geen of weinig schade veroorzaken, krijgen een korting (bonus) krijgen op de premie

  • automobilisten die veel schade veroorzaken, moeten extra premie (malus) betalen.

    • De bonus of malus wordt bepaald door het aantal jaren dat iemand schadevrij rijdt en dus geen beroep (no-claim) heeft gedaan op de verzekering.





Bij WA-verzekeringen worden verschillende instrumenten tegelijk gebruikt om de averechtse selectie te beperken.




  • Er wordt eerst een basispremie vastgesteld die afhankelijk is van de nieuwwaarde van de auto en het aantal gereden kilometers per jaar.

  • Vervolgens wordt gedifferentieerd naar regio of stad waar de automobilist woont. Deze gedifferentieerde premies worden uiteindelijk ook nog gecombineerd met een bonus-malussysteem.





Averechtse selectie kan ook worden voorkomen door dwang van de overheid.




  • Bij sociale verzekeringen is het gebruikelijk dat de overheid mensen verplicht zich te verzekeren en zijn verzekeraars verplicht iedereen te accepteren.

  • Omdat bij deze collectieve dwang ook de goede risico’s zich moeten verzekeren, kan de gemiddelde premie laag blijven.



Als iemand zich roekelozer gaat gedragen omdat hij de schade niet zelf hoeft te betalen, is dat een voorbeeld van een moral hazard probleem.




  • Hiervoor gebruiken we in het Nederlands de termen moreel wangedrag, moreel gevaar en moreel risico.

  • De verzekerden kunnen moreel zelfs zover wegzakken, dat ze schade claimen zonder iets kwijt te zijn. In dat geval is er sprake van oplichting.



Ook tegen moral hazard hebben verzekeraars zich gewapend.




  • Dat kan door invoering van een eigen risico of door een bonus-malusregeling.

  • Een ander middel om moreel wangedrag te beperken, is de invoering van een maximum vergoeding.



De principaal is de opdrachtgever en de agent voert de opdracht uit.



De pech met de gezondheid en andere pech die iemand kan hebben, wordt opgevangen door het stelsel van sociale zekerheid.




  • Deze verzekering is verplicht.



Het stelsel van sociale zekerheid bestaat uit verzekeringen en voorzieningen. Voorzieningen worden niet betaald uit premies, maar uit de belastingen. De bijstand, het vangnet van de sociale zekerheid, is een voorziening. De bijstand is geregeld in de WWB, de Wet Werk en Bijstand.




  • Iemand die onvoldoende inkomen of vermogen heeft om in zijn bestaan te voorzien, kan in zijn gemeente een bijstandsuitkering aanvragen.



Voor de sociale verzekeringen worden premies betaald. Bij de sociale verzekeringen onderscheiden we werknemersverzekeringen en volksverzekeringen.




  • De volksverzekeringen gelden voor iedereen

  • De werknemersverzekeringen alleen voor mensen in loondienst.



Andere sociale verzekeringen dekken de kosten van geneeskundige zorg (AWBZ) of kinderen (AKW). Bij sociale verzekeringen is de premie inkomensafhankelijk. Bij de meeste volksverzekeringen krijgt iedereen dezelfde uitkering.



De volksverzekeringen zijn:




  • AOW: Algemene Ouderdomswet

  • Wlz: wet langdurige zorg

  • Anw: Algemene nabestaandenwet

  • AKW: Algemene kinderbijslagwet



Als een werknemer onvrijwillig werkloos wordt, kan hij een tijdje in de WW komen. Als hij ziek wordt, is de werkgever volgens de ziektewet verplicht hem maximaal twee jaar loon door te betalen. Voor jongeren met een handicap is er een variant op de WIA:




  • Wajong, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.



De verhouding tussen het aantal uitkeringsgerechtigden en het aantal mensen dat belasting en premie betaalt, noemen we de inactieven / actieven-ratio




  • i/a-ratio.

  • De inactieven zijn de mensen in de AOW, WW, Anw, ZW, WIA, Wajong of de Bijstand.

  • De actieven zijn de werkzame personen van 15 jaar en ouder.



i/a-ratio= inactieven/actieven x 100



De overheid vindt echter dat iedereen toegang moet hebben tot basale zorg. Daarom heeft de overheid zorgverzekeraars een acceptatieplicht opgelegd. Deze dekt de kosten voor de huisarts, de medicijnen en de specialistische hulp, het zogenaamde basispakket. Kinderen tot 18 jaar zijn gratis verzekerd.



De premie bestaat uit twee gedeelten. De verzekerde betaalt een gedeelte van de premie rechtstreeks aan de verzekeraar




  • nominale premie.



Het andere deel, de inkomensafhankelijke bijdrage, wordt door de belastingdienst geheven over het inkomen. Van die heffing stort de belastingdienst een deel in het zogenaamde vereveningsfonds.




  • Dat fonds keert bedragen uit aan de verzekeraar met risicovolle klanten.



Verzekeraars met veel oudere verzekerden en chronisch zieken ontvangen een bijdrage uit het vereveningsfonds. Ongelijkheden in het klantenbestand worden zo gladgestreken (verevend of vereffend).




  • Ook de ziekte kosten van kinderen jonger dan 18 jaar worden uit het vereveningsfonds betaald.



Bij werknemers wordt de inkomensafhankelijke bijdrage betaald door de werkgever, de zogenaamde werkgeversheffing. Zelfstandigen en gepensioneerden moeten de inkomensafhankelijke bijdrage zelf betalen.





Hoofdstuk 4



Op de arbeidsmarkt kun je kijken welke banen op je studie aansluiten, wat je leuk vind en wat de mogelijkheid is. Vragers en aanbieders ontmoeten elkaar hier. De arbeidsmarkt is geen concrete markt maar een abstracte markt. Werkgevers zijn de vragers, ze vragen om arbeiders. De vraag bestaat uit twee delen:




  • Voorziene vraag: vraag naar iedereen die werkt.

  • Openstaande vraag: Vragen op bepaald personeel.



Het aanbod bestaat uit iedereen die wil en kan werken. Dit is de beroepsbevolking.



De belangrijkste arbeidsvoorwaarden staan in een collectieve arbeidsovereenkomst (cao).



Vakbonden streven naar goede arbeidsvoorwaarden voor de werknemers. Koopkracht speelt daarbij een rol.




  • Als die daalt gaat het gemiddelde prijsniveau omhoog: inflatie.

  • Vakbonden willen dan een loonstijging. Om dit te berekenen gebruik je indexcijfers.



Formule van het indexcijfer van de koopkracht:




  • RIC = NIC / PIC * 100

  • RIC= reëel index cijfer (koopkracht)

  • NIC= nominaal index cijfer (loon)

  • PIC(CPI)=prijs index cijfer (inflatie).



De middelen waarmee geproduceerd wordt heten productiefactoren: kapitaal, arbeid, natuur en ondernemingschap. Als je het inkomen van alle inwoners van een land bij elkaar optelt heb je het nationaal inkomen.



Niet al je inkomen/winst mag je houden.




  • Een deel moet je aan de overheid geven. Wat overblijft heet het nettoloon.

  • Loonheffing bestaat uit twee delen: loonbelasting en premie zorgverzekering. De loonheffing die in het brutoloon wordt ingehouden heet de voorheffing.



Berekening loonheffing




  1. Bepaal het bruto jaarinkomen. Met vakantiegeld en premievergoeding. Er zijn aftrekposten die je van de inkomensheffing mag aftrekken.

  2. Je houdt het belastbaar inkomen. Hiermee wordt de loonheffing berekend, door belastingschijven.

  3. Er zijn ook nog heffingskortingen, een bedrag in mindering. Iedereen krijgt sowieso heffingskorting (2001,-). Daarnaast zijn er ook nog andere kortingen.



De overheid past bij de loonheffing een aantal beginselen toe: draagkrachtbeginsel; hoe meer inkomen hoe meer belasting. Dit zorgt voor nivellering.



Met het gemiddelde heffingspercentage kun je berekenen hoeveel cent je per euro afdraagt.



De inkomensheffing bestaat uit belastingen en premies voor de volksverzekeringen. De belasting die de overheid int, heten de algemene middelen.



Als je inkomen spaart, bouw je vermogen op. Druk je het totale inkomen uit in procenten van het vermogen, dat vind je het rendement op het vermogen.




  • Inkomen uit vermogen in procenten van dat vermogen noem je rendement over vermogen.



Hier wordt ook belasting uit geheven. Deze belasting heet vermogensrendementsheffing.



Inkomens die worden verdiend zijn:




  • loon, winst, huur, rente en pacht.

    • Dit zijn primaire inkomens: ze zorgen voor productieproces.



  • Als je werkloos of arbeidsongeschikt bent, krijg je een sociale uitkering, overdrachtsinkomens.

    • Hierover moet degene ook belasting betalen. Het uiteindelijke inkomen heet secundair inkomen of besteedbaar inkomen.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.