De komende twee weken zijn 'seksweken' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


ADVERTENTIE
Geslaagd? Doneer je verslagen We zijn heel trots op je, supergoed gedaan. Waarschijnlijk ga je Scholieren.com nu voorgoed verlaten. Wil je ons nog bedanken voor 4, 5 of 6 jaar trouwe dienst? Upload dan nu al je verslagen en samenvattingen voor de generaties scholieren die na jou strijden voor dat diploma.

Nu uploaden

Hoofdstuk 11

Lenen leidt tot geringere consumptiemogelijkheden in de toekomst.

Je kan vrijwillig sparen, bijvoorbeeld voor een auto. Maar ook gedwongen sparen, bijvoorbeeld voor je pensioen.

 

Probleem van de vergrijzing: Als het aantal gepensioneerden relatief toeneemt, zullen de werkende jongeren een groter deel van hun inkomen moeten afstaan aan ouderen. Daarentegen hebben de ouderen wel vermogen opgebouwd, wat weer doorgegeven word aan de jongeren.

Besteedbaar inkomen: het budget na aftrek van belastingen en sociale premies en bijtelling van subsidies.

Een budgetlijn geeft alle combinaties van twee goederen weer die een huishouden maximaal kan kopen.

Door te lenen kan je meer besteden en verschuift de lijn naar rechts. Door te sparen wordt er bezuinigd op de bestedingen, de budgetlijn verschuift naar links.

Intertemporele ruil: wanneer toekomstige consumptie naar voren gehaald word en andersom.

 

Een intertemporele budgetlijn geeft alle combinaties weer van maximale huidige en toekomstige consumptie, als wordt gespaard en/of geleend.

Het levensloopinkomen is het totale inkomen dat in de loop van de tijd wordt verdiend.

Om de consumptie in een bepaalde periode te vergroten, heb je twee opties:

1.Sparen: Hierdoor vergroot je je toekomstige consumptie ten koste van de huidige consumptie. Je spaart je gehele huidige inkomen, wanneer de intertemporele budgetlijn kruist met de verticale as. De toekomstige consumptie wordt dan maximaal. De maximale toekomstige consumptie is dan gelijk aan: Ct = Yt + Yh + RYh. 50.000 + 40.000 + 40.000 x 0,25 = 100.000

Door te sparen neemt je huidige consumptie af met bijvoorbeeld 10.000, maar je toekomstige consumptie neemt met meer dan 10.000 toe, door de rente.

2.Lenen: Hierdoor vergroot je je huidige consumptie ten koste van de toekomstige consumptie. Je leent je gehele toekomstige inkomen, wanneer de intertemporele budgetlijn kruist met de horizontale as. De huidige consumptie wordt dan maximaal. De maximale huidige consumptie is dan gelijk aan: Ch = Yh + Yt : (1+r) 40.000 + 50.000 : 1,25 = 80.000. In deze formule is Yt : (1+r) de contante waarde.

Door te lenen neemt je huidige consumptie wel toe met bijvoorbeeld 10.000, maar je toekomstige consumptie neemt met meer dan 10.000 af, door de rente.

 

Een verandering van de rentestand heeft gevolgen voor de welvaart van de consument.  Door een rentedaling brengt de het gespaarde geld minder op, hij krijgt immers minder rente voor het geld. Voor een lener nemen de bestedingsmogelijkheden toe, hij moet namelijk minder rente betalen. Daarnaast beïnvloed een wijziging in het levensloopinkomen de welvaart.

 

Rente is de prijs die moet worden betaald voor een lening.

Voor degene die de lening verstrekt, is de rente een vergoeding. Voor de consument is de rente de vergoeding voor het uitstel van consumptie of de prijs voor het ‘naar voren halen’ van de consumptie.

De nominale rente is het rentepercentage dat over een bepaalde lening moet worden betaald.

 

Als het om de consumptie gaat, wordt de verandering van het algemeen prijspeil weergegeven met het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie of de consumentenprijsindex. Een stijging van de CPI noemen we inflatie, een daling noemen we deflatie.

De reële rente bepaald in welke mate we in de toekomst meer of minder goederen en diensten kunnen aanschaffen.

De reële rente is de nominale rente gecorrigeerd voor de verandering van het algemeen prijspeil.

Indexcijfer reële rente = (Indexcijfer nominale rente : consumentenprijsindex ) x 100

De reële rente is een verwachting, omdat we de toekomstige inflatie niet kennen.

De financiële levenscyclus.      à

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 12
Sparen betekent dat de particuliere consumptie nu kleiner is dan wanneer het hele inkomen geconsumeerd word. Besparingen maken het mogelijk dat andere sectoren van de economie zoals de overheid en ondernemingen hun uitgaven groter kunnen laten zijn dan hun inkomsten. Gezinsbesparingen worden via banken doorgegeven aan de overheid en het bedrijfsleven. Door besparingen verandert in feite de samenstelling van de huidige productie. Er worden minder consumptiegoederen voorgebracht. Maar het bedrijfsleven wordt nu wel in staat geld te investeren: kapitaalgoederen aan te schaffen. Ook kan de overheid meer uitgeven dan haar belastingontvangsten bedragen door een beroep te doen op particuliere besparingen.

Het economisch proces: stroomgrootheden: per tijdseenheden, bijvoorbeeld het inkomen.
De economische structuur, de productiefactoren: voorraadgrootheden: op een bepaald moment gemeten, bijvoorbeeld de beroepsbevolking.

Kapitaalgoederen: goederen die bestemd zijn om andere goederen en diensten voort te brengen.
Kapitaalgoederen zijn hetzelfde als consumptiegoederen, alleen worden ze bedrijfsmatig gebruikt, voorbeelden: auto's, computers.
Het BBP: de jaarlijkse productie binnen de grenzen van een land
De totale productie van kapitaalgoederen heeft een tweeledig doel:

  • De vervanging van versleten of verouderde kapitaalgoederen. Dit zijn vervangingsinvesteringen. 
  • Door uitbreiding van de kapitaalgoederenvoorraad. Dit is vaak bedoeld om de productiecapaciteit te laten toenemen. Dit zijn uitbreidingsinvesteringen.

De totale productie van kapitaalgoederen zowel ter vervanging als ter uitbreiding noemen we bruto-investeringen.

 

We kunnen arbeid omschrijven als een geheel van productieve kennis en vaardigheden. We duiden deze bekwaamheden aan met de term ‘menselijk kapitaal’ of ‘human capital’.

Gedurende je hele leven doe je kennis en vaardigheden op. Als je studeert, zie je af van huidig inkomen en consumptie, bijvoorbeeld je college kosten en de aanwending van je tijd. Het geld had je voor consumptieve doeleinden kunnen gebruiken en de studietijd had je kunnen besteden aan werk. Al deze kosten samen vormen de opofferingskosten van de investering in human capital.

 

Onderwijs heeft ook een signaalfunctie. Het diploma dat je na het voltooien van je studie ontvangt, geeft aan dat je over bepaalde bekwaamheden beschikt. Onderwijs maakt hogere lonen mogelijk, onder meer door de hogere arbeidsproductiviteit van goed opgeleide mensen. Aan de andere kant zijn de kosten van onderwijs erg hoog.

 

Een belangrijk economisch argument voor de financiering van een groot deel van de onderwijskosten door de gemeenschap hangt samen met het grote belang van onderwijs voor de economische groei. Onderwijs verbetert de kwaliteit van de productiefactor arbeid. Onderwijs richt zich vooral op het verwerven en ontwikkelen van nieuwe inzichten. Hierdoor komt de door het onderwijs opgedane kennis niet alleen ten goede van degene die het onderwijs gevolgd heeft van de instelling die de goedopgeleide werknemer in dienst neemt, maar van de hele samenleving. Dit verschijnsel noemen we de externe effecten van het onderwijs.

 

Van een extern effect is sprake wanneer de handelingen van iemand de welvaart van een ander  beïnvloeden, zonder dat dit uitdrukkelijk de bedoeling is.

Positieve externe effecten: wanneer de welvaart van de niet-betrokkenen toeneemt.

Negatieve externe effecten: wanneer de welvaart van de niet-betrokkenen afneemt.

 

Gebeurt de emigratie door het beter opgeleide deel van de bevolking, dan verliest in de regel het ‘thuisland’ en wint het ‘gastland’. We spreken in dit verband van de ‘vlucht van menselijk kapitaal’  of ‘brain drain’. In het ontvangende land is dan sprake van ‘brain gain’. Dit is ook mogelijk binnen een land, bijvoorbeeld tussen steden.

 

Vooral ondernemingen laten zien dat er eerst zal moeten geïnvesteerd voordat een opbrengst kan worden genoten.

Een balans is een opstelling van de bezittingen, schulden en het eigen vermogen van een onderneming op een bepaald tijdstip. Op een balans staan voorraadgrootheden.

 

Activa, Bezittingen

Eigen vermogen en vreemd vermogen, Passiva

1. Vast kapitaal: gebouw, auto.

1. Eigen vermogen

2. Vlottend kapitaal: voorraad.

2. Lang vreemd vermogen: hypothecaire lening.

3. Liquide middelen: kasgeld, tegoed          bankrekening.

3. Kort vreemd vermogen: crediteuren, bank.

 

Een resultatenrekening is een overzicht van de opbrengsten en kosten en het daaruit voortvloeiende resultaat over een bepaalde periode. Op een resultatenrekening hebben we te maken met stroomgrootheden.

 

De resultatenrekening geeft een overzicht van het in een bepaalde periode behaalde resultaat. Dit resultaat is het verschil tussen de omzet en de kosten van de omzet.

Sommige kosten worden niet feitelijk betaald, maar op een bepaalde manier berekend. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de afschrijvingskosten.

Over de behaalde winst moet inkomstenbelasting en sociale premies worden betaald. Daarnaast zal de eigenaar voor zijn pensioen moeten gaan sparen.

Veel kleine zelfstandigen verdienen een inkomen dat weinig hoger is dan het wettelijk minimumloon. En wanneer we rekeninghouden met de opofferingskosten resteert vaak een negatief resultaat. Bovendien hebben we te maken met de risico’s van het bedrijf, het bedrijf zal met de tijd mee moeten gaan.

 

Hoofdstuk 13

Een spaarder moet vertrouwen hebben dat zijn opgebouwde spaargeld na 40 jaar nog voldoende is om zo’n 10 tot 20 jaar van te kunnen leven, op het niveau dat de ‘spaarder’ zich had voorgesteld. Dit vertrouwen wordt beïnvloed door:

  • Het internationale politieke klimaat;
  • De nationale politiek;
  • Het economisch klimaat;
  • De financiële instellingen.

 

Zelfs al zit alles mee, dan kunnen er zich omstandigheden voordoen waardoor het niet of nauwelijks mogelijk is voor een voldoende pensioen te sparen, bijvoorbeeld omdat je niet voldoende verdiend.

Om deze problemen op te lossen heeft ons land twee instituties:

1.Een verplichte pensioendeelname: iedereen die in loondienst is moet deelnemen in een pensioenfonds. En betaalt dan een premie en ontvangt vanaf de pensioengerechtigde leeftijd ene uitkering in het pensionfonds.

2.Een basispensioen: in principe ontvangt iedereen die in Nederland woont vanaf het 65e jaar een uitkering op grond van de AOW.

 

In de meeste OESO-landen zijn pensioenen wettelijk geregeld. Deze regelingen houden het volgende in:

  • De verplichte deelname aan een pensioenfonds.
  • Een van staatswege verstrekt basispensioen: het staatspensioen (AOW) legt een ‘bodem’ in de pensioen regelingen.

 

Een pensioenregeling zorgt voor een inkomen nadat door het bereiken van een bepaalde leeftijd (in Nederland 65 jaar) het inkomen uit arbeid wegvalt. Wil je een pensioenkering krijgen, dan moet tijdens het werkzame leven voldoende ‘pensioenrechten’ zijn opgebouwd. Dit komt erop neer, dat gedurende een aantal jaren een deel van het inkomen als pensioenpremie is afgedragen aan een pensioenfonds. Dit fonds beheert de ontvangen premies zodanig, dat bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd voor de rest van het leven van de gerechtigde een pensioenuitkering kan worden verstrekt.

 

Bij eindloon werd het pensioen bepaald op 70% van het laatstverdiende loon. Bij middelloon wordt het pensioen bepaald over het gemiddelde loon dat wordt verdiend over de gehele loopbaan.

 

De meeste pensioenfondsen financieren hun uitkeringen via het kapitaaldekkingsstelsel. De bedrijfspensioenen worden dan bij elkaar gespaard. De pensioenpremie die de werknemer maandelijks betaalt, wordt door het pensioenfonds belegd. De pensioenpremie is zo vastgesteld, dat de gespaarde premie plus de inkomsten uit beleggingen groot genoeg zijn om de 65-plusser gedurende de rest van zijn leven het overeengekomen pensioen uit te betalen.

Het kapitaaldekkingsstelsel  houdt dus in dat iedere werknemer zelf voor zijn eigen pensioen spaart. Bij de vaststelling van de hoogte van het pensioenpremie wordt onder meer rekening gehouden met:

  • Het inkomen waarop het pensioen is gebaseerd;
  • De levensverwachting van de pensioengerechtigde;
  • De looptijd van de beleggingen;
  • Het rendement dat het pensioenfonds met zijn beleggingen denkt te maken.

 

Wanneer werknemers vinden dat het bedrijfspensioen niet voldoende is, kunnen zij sparen voor een extra pensioenuitkering, vaak via een levensverzekering. Dit noemen we aanvullend pensioen.

 

De basis van het Nederlandse pensioenstelsel wordt gevormd door de uitkeringen op grond van de AOW. Deze wet bepaalt, dat ‘iedereen in Nederland ongeacht de nationaliteit verzekerd is tegen de financiële gevolgen van ouderdom’. De hoogte van dit pensioen is voor alleenstaanden 70% en voor gehuwden ieder 50% van het nettominimumloon. Om voor de volledige uitkering in aanmerking te komen, moet men wel tussen het 15e en 65e jaar verzekerd zijn geweest.

 

De AOW is een basispensioen. Dat wil zeggen, dat de AOW voor iedereen die vijftig jaar verzekerd is geweest een minimumpensioenuitkering wordt verzorgt. Het is uiteraard de bedoeling dat daarnaast tijdens het werkzame leven deelgenomen wordt in een bedrijfspensioenfonds en/of dat door sparen zelf voor voldoende aanvullend pensioen gezorgd wordt.

 

Hoewel de AOW voorziet in een pensioenuitkering, is de financiering van de AOW wezenlijk anders dan de financiering van ‘gewone’ pensioenuitkeringen (van bedrijfspensioenfondsen). De AOW wordt gefinancierd door de AOW-premie van een bepaald jaar zo vast te stellen, dat uit deze premie de AOW-uitkeringen van hetzelfde jaar kunnen worden betaald. De premieontvangsten worden dus direct gebruikt voor het betalen van de uitkeringen. Zo wordt de uitkering omgeslagen over de werknemers. We noemen dit een omslagstelsel. In zo’n stelsel vindt een overheveling van inkomen plaats van degenen die werken naar degenen die met pensioen zijn.

 

Besparingen worden belegd – in aandelen, (staats)obligaties, gewoon op een spaarrekening, of er wordt gebruikgemaakt van ingewikkelde belegginsconstucties – vooral met het doel de toekomstige spaarpot te vergroten. Die pot moet steeds groot genoeg zijn om de pensioenuitkeringen te kunnen blijven betalen. Wanneer dit niet het geval is, kan de pensioenfonds ervoor kiezen om de premies te verhogen of de uitkeringen te verlagen.

 

Bij uitkeringen gebaseerd op het omslagstelsel zoals de AOW kan de financiering van de uitkeringen in gevaar komen, als het aantal personen dat de premie betaalt gering wordt in vergelijking tot het aantal uitkeringstrekkers. Dit gevaar is de laatste tijd steeds meer toegenomen door de vergrijzing.

Van vergrijzing is sprake wanneer de gemiddelde leeftijd van de bevolking stijgt.

 

De relatief oude bevolking trekt niet alleen haar sporen door het pensioenstelsel, maar drukt ook haar stempel op de zorguitgaven.

De afhankelijkheidsratio geeft het aantal 65-plussers in procenten van het aantal 20-65-jarigen weer. Rond 2000 stond de afhankelijkheidsratio op ongeveer 22%. Tegenover elke pensioengerechtigde stonden dus 5 jongeren.

 

Hoofdstuk 14

Belastingheffing kan zowel een herverdeling van de huidige consumptie inhouden als een verschuiving van de huidige consumptie naar de toekomst.

De herverdeling door belastingheffing wordt onder meer veroorzaakt doordat de belastingbetaler zijn besteedbaar inkomen ziet afnemen. Als de ontvangen belastingen gebruikt worden om mensen met een zeer laag inkomen een uitkering te verstrekken, wordt ‘inkomen overgedragen van de belastingbetaler naar de ontvanger van de uitkeringen’. En wanneer de belastingbetalingen worden gebruikt voor de voorzieningen van collectieve goederen is er sprake van verschuiving van consumptie van individu naar gemeenschap. De belastingbetaler kan immers minder goederen kopen, maar daar staat tegenover dat er meer goederen voor de gemeenschap ter beschikking komen.

Worden de ontvangen belastingen ‘opgepot’, dan is er sprake van een verschuiving van de huidige consumptie naar de toekomst. Ook als de ontvangen belastingen worden gebruikt om de overheidsschuld af te lossen, hebben we te maken met en intertemporele ruil. De belastingen worden immers in het heden ontvangt, terwijl de schuld in het verleden is aangegaan.

 

De politiek met betrekking tot het overheidssaldo beïnvloedt de verdeling tussen particuliere en collectieve consumptie en de veredeling tussen huidige en toekomstige productie en consumptie.

Het overheidssaldo is het verschil tussen de overheidsontvangsten en de overheidsuitgaven.

De overheidsontvangsten omvatten onder meer belastingen en sociale premies.

De overheidsuitgaven zijn de uitgaven aan de overheidsconsumptie, overheidsinvesteringen en inkomensoverdrachten.

 

Als de overheidsuitgaven groter zijn dan de overheidsontvangsten, spreken we van een overheids- of begrotingstekort. Het tekort zal op de een of andere manier moeten worden gefinancierd, bijvoorbeeld lenen op de kapitaalmarkt. Door deze lening kan de overheidsschuld toenemen. De overheid kan haar toekomstige ontvangsten vergroten door extra belastingen op te leggen, waardoor de voorgenomen overheidsuitgaven niet worden aangetast. Particulieren zullen daarentegen hun toekomstige bestedingen moeten beperken.

 

Beperkt de overheid haar uitgaven tot onder het niveau van haar ontvangsten, dan is er sprake van een overheids- of begrotingsoverschot. De overheid kan dit geld sparen, of ermee aflossen.

Door de geringere overheidsschuld hoeven in de toekomst minder aflossingen en rentebetalingen te worden voldaan. Bij dezelfde overheidsontvangsten resteert dan meer geld om uit te geven aan de overige overheidsuitgaven. Zo betekent een overheidsoverschot overheveling van productie van het heden naar de toekomst.

 

De overheid kan bij een begrote overheidstekort kiezen voor een belastingverhoging of het plaatsen van een staatslening. Een belastingverhoging beperkt de huidige particuliere consumptie. De lening beperkt de door de toekomstige belastingverhoging de toekomstige particuliere consumptie. Door extra belasting te heffen wordt een begrotingstekort vermeden Door te lenen zal in de toekmost waarschijnlijk extra belasting nodig zijn.

 

De overheidsschuld wordt als last ervaren, als deze de nationale productie aantast. Een geringere productie betekent immers geringere consumptieve mogelijkheden voor de huidige en de toekomstige generatie.

 

Om te beoordelen of de overheidsschuld een last is, bekijken we wat er gebeurt wanneer we de omvang van de overheidsschuld niet toeneemt. Als het bedrag van de rentebetaling volledig wordt gefinancierd uit een extra belastingheffing, vormt de overheidsschuld niet per se een last.

Als echter een deel van de overheidsschuld in buitenlandse handen is, vloeit met de rentebetaling een deel van de binnenlandse koopkracht naar het buitenland. Worden deze gelden vervolgens niet in Nederland besteed dan neemt de ceteris paribus de nationale productie af. De overheidsschuld is dan wel een last.

 

De rentebetaling op de overheidsschuld kan dus een verschuiving in de besteedbare inkomens veroorzaken, doordat de belastingbetaler niet altijd dezelfde is as de renteontvanger. Ook moeten we ons realiseren, dat er aan de belastingheffing altijd een onvermijdelijk verlies kleeft.

 

De toekomstige generaties zijn ‘erfgenamen’. Zij erven de verbeterde infrastructurele voorzieningen en daardoor verbeterde productie- en inkomensmogelijkheden. Maar zij erven ook behalve de mogelijk grotere belastingaanslag de rentebetalingen en aflossingen op de overheidsschuld.

 

De onvermijdbare welvaartsverliezen van belastingheffing worden vergroot wanneer de belastingtarieven worden verhoogd. Dergelijke nadelen kunnen worden vermeden door belastingtarieven constant te houden. De belastingtarieven worden dan alleen verhoogd in geval van nood. Op langere termijn betekent dit, dat de overheid wordt geconfronteerd met perioden waarin de belastingopbrengsten sterker groeien dan de overheidsuitgaven en perioden waarin de belastingopbrengsten juist langzamer groeien.

Deze ontwikkelingen hangen samen met de verschijnselen ‘groei’ en ‘conjunctuur’.

Er zijn perioden waarin de groei van het BBP sneller toeneemt dan de gemiddelde groei op langere termijn. Evenzo zijn er perioden dat deze groei langzamer gaat. We noemen deze versnellingen en vertragingen in het groeitempo het conjunctuurverschijnsel.

 

Als er geen sprake is van een nieuw beleid, liggen de overheidsuitgaven voor de komende jaren vast. De overheid heeft immers langdurige contracten aangegaan. Voor haar taken benodigde inkomsten liggen hierdoor eveneens voor vele jaren vast. Mede op grond van deze inkomsten zijn de tarieven van de belastingen en sociale premies vastgesteld. Alle partijen in de samenleving weten dan waar ze aan toe zijn en kunnen hun gedrag daar op af stemmen.

 

Op langere termijn kunnen zich perioden voordoen waarin de groei van het BBP tegenvalt of mee valt. We hebben dan te maken met een laagconjunctuur en een hoogconjunctuur. Gegeven de constante tarieven voor belastingen en sociale premies en de vastgelegde overheidsuitgaven , zullen in periode van laagconjunctuur de belasting- en premieontvangsten tegenvallen. Er kan dan een begrotingstekort ontstaan.

In perioden van hoogconjunctuur daarentegen nemen de belasting- en premieontvangsten sneller toe dan de overheidsuitgaven en kan een begrotingsoverschot ontstaan. Dit overschot kan worden gebruik om een lening af te lossen.

Door dergelijke langetermijnfinanciering van de overheidsuitgaven is voor de terugbetaling van de lening geen extra belastingheffing nodig.

 

Hoofdstuk 15

Op perfect werkende markten zorgt het prijsmechanisme ervoor dat de gevraagde en aangeboden hoeveelheid van een bepaald product met elkaar overeenstemmen.

De prijsveranderingen zorgen ervoor dat vraag en aanbod weer gelijk is.

 

Prijsverlagingen gevolgen:

  • Lagere winstmarges, er moet op de kosten gelet worden
  • Interne bezuinigingen
  • Grotere koopkracht van de huishoudens

 

Prijsverlagingen komen door:

  • Toetreding van nieuwe aanbieders
  • Het vergroten van een marktaandeel of verbetering van de concurrentiepositie.

 

Door zich toe te leggen op specifieke delen van de markt, kan de ‘kleine’ zaak wellicht overleven.

De overheid zorgt voor goederen en diensten die het bedrijfsleven niet kan of wil produceren. De overheid stuurt het prijsmechanisme:

  • Subsidies
  • Belastingen

Er moet namelijk voorzien worden in collectieve goederen.

 

Individuele goederen: goederen die splitsbaar zijn in eenheden die aan individuele personen kunnen worden verkocht

Bij collectieve goederen werkt het prijsmechanisme niet. Collectieve goederen zijn namelijk niet splitsbaar in individueel leverbare eenheden.

Rivaliteit

We spreken van rivaliserende consumptie als het gebruik door de een, ten koste gaat van de ander, bijvoorbeeld een supermarkt product.

Niet rivaliserende consumptie is als het gebruik door de een, de consumptie van de ander niet beperkt, bijvoorbeeld tv en radio uitzendingen.

Uitsluitbaarheid

Het gebruik van een product of dienst is slechts voorbehouden aan één bepaalde persoon of groep personen (supermarkt). Er is ook een mogelijkheid jezelf uit te sluiten, bijvoorbeeld vegetarische mensen.

Niet uitsluitbare consumptie: producten die voor iedereen ter beschikking is, bijvoorbeeld het milieu.

Individuele goederen zijn rivaliserend en uitsluitbaat.

Collectieve goederen zijn niet-rivaliserend en niet-uitsluitbaar.

Meeliftgedrag: wanneer je gebruik maakt van een bepaald product, zonder daarvoor bij te dragen aan de productiekosten.

Budgetmechanisme: volk -> vertegenwoordigers -> voorstellen -> uitvoering. Als iedereen het ermee eens is, word er gesproken van consensus.

Nadeel:

De volksvertegenwoordiging beslist, de belastingen worden door de betaler betaald.

Pressiegroepen geven alleen gehoor aan bepaalde aspecten, niet aan het hele beleid van de politieke partij.

 

Externe effecten: de onbedoelde gevolgen van het streven naar welvaart door de één voor de welvaart van de ander.

Positieve externe effecten vergroten de welvaart voor een ander. Negatieve effecten verlagen de welvaart van een ander.

Private kosten: de kosten die ondernemingen maken om een product te maken en op de markt te brengen (aanbodcurve).

Maatschappelijke kosten: wanneer rekeningen wordt gehouden met de negatieve externe effecten.

Maatschappelijk optimum: waar de vraag de maatschappelijke lijn kruist.

Die lijn bereik je door heffingen en maximumproducties.

Consumenten kunnen ook negatieve externe effecten meebrengen.

 

Coase-theorama: de partijen die betrokken zijn bij negatieve-externe effecten kunnen door onderhandeling een oplossing vinden. Hierbij moet rekening gehouden worden met wettelijke beperkingen en het pareto-optimum (voorbeeld bakker en huisarts).

 

Belangrijk bij onderhandelen:

 Duidelijkheid over eigendomsrechten

Lage transactiekosten

Voldoende middelen om “af te kopen”

 

Maatschappelijk verantwoord ondernemen: een ondernemingsstrategie die op lange termijn streeft naar een optimale combinatie van het economisch rendement, die gevolgen voor de mensen binnen en buiten de onderneming en de effecten op het natuurlijk leefmilieu.

 

Profit: winst en omzet, shareholders value.

People: sociale aspecten, zowel binnen als buiten het bedrijf.

Planet: milieuzorg.

 

Hoofdstuk 16

De speltheorie bestudeert het gedrag van beslissers in situaties waarin de ondernomen acties elkaar wederzijds beïnvloeden en bepalend zijn voor elkaars resultaten.

 

Het prisoners dilemma (gevangenendilemma)

Imperfecte informatie: De verdachten weten niet van elkaar welke beslissing de ander neemt.

http://www.acting-man.com/blog/media/2014/11/prisoners_dilemma.jpgBeide verdachten streven naar de beste uitkomst en houden daarbij rekening met de waarschijnlijke beslissing van de ander. Dit leidt er in de afbeelding hiernaast toe dat beide verdachten zullen bekennen en dus tot een gevangenisstraf van 5 jaar.

 

Belangrijk bij een gevangenendilemma is dat beide verdachten dus niet kunnen samenwerken. En dat beide partijen rekening moeten houden met het gedrag van de ander.

 

Een dominante strategie is de strategie die een van beide partrijen het beste resultaat oplevert, onverschillig van de keuze van de andere partij.

In dit geval is de dominante strategie dus om te bekennen. Bekennen levert in dit geval namelijk altijd het beste resultaat op.

 

Van een Nash-evenwicht is sprake wanneer iedere deelnemer aan een ‘spel’ zijn actie - gegeven de acties van andere deelnemers - zó kiest dat zijn resultaat optimaal is.

 

Het pareto-optimum: een bepaalde situatie is optimaal, als niemand zijn resultaat kan verbeteren, zonder dat het resultaat van de ander afneemt. Het Pareto-optimum is in dit geval niet bekennen – niet bekennen. Er is namelijk geen andere strategie die voor beiden een beter resultaat oplevert.

 

Gevangenendilemma’s kenmerken zich door een niet-optimaal resultaat voor alle betrokkenen. Ze kunnen hun beslissingen namelijk niet op elkaar afstemmen. Coöperatief gedrag geeft een beter resultaat dan niet-coöperatief gedrag.

Een manier om coöperatief gedrag te bereiken kan collectieve dwang zijn. De overheid kan een bepaald gedrag afdwingen, denk maar eens aan de belastingen en verkeersregels.

 

Regels van een gevangenendilemma:

  • Wanneer coöperatief gedrag onmogelijk is, dan zullen beiden ‘bekennen’ en komt er een niet optimaal resultaat tot stand.
  • http://www.policonomics.com/wp-content/uploads/Battle-of-the-sexes2.jpgAls er wel sprake is van coöperatief gedrag, dan zullen beiden kiezen voor ‘niet bekennen’ en is er sprake van een pareto-optimaal resultaat.

 

In de afbeelding hiernaast is sprake van een meervoudig evenwicht. De keuze van het koppel om te shoppen heeft als uitkomst 3. Maar de keuze om te gaan boxen heeft ook een uitkomst van 3. Deze optimale situaties kunnen alleen opgelost worden door nieuwe elementen toe te voegen. Bijvoorbeeld de reistijd, de prijs etc.

In de vorige situaties werd het spel niet herhaald. Een ‘foutieve’ beslissing kon later niet meer hersteld worden. Als het spel nu wel weer steeds wordt herhaald, kan de keuze van een speler in de volgende ronde door de andere speler worden afgestraft of beloond. Met herhaalde spelen worden lange termijn relaties geanalyseerd.

 

Met behulp van de speltheorie kunnen we aantonen dat er onder bepaalde voorwaarden een prijsoorlog uitbreekt. Ook kunnen we laten zien onder welke voorwaarden er juist géén prijsoorlog ontstaat. Aanbieders gaan zich dan gedragen alsof er een prijskartel is.

 

We bekijken een bijzondere vorm van het oligopolie: het homogeen duopolie.  Beide aanbieders hebben gelijke producten en een gelijk marktaandeel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hier komt wel een Nash-evenwicht tot stand, maar het is niet optimaal. Hier is er dus ook weer sprake van een gevangenendilemma.

 

Je spreekt van een simultane beslissing wanneer de twee partijen hun beslissing tegelijk nemen, zodat pas na het nemen van de beslissing, zij op de hoogte zijn van de beslissing van de ander. Dit kan leiden tot een reële dreiging. Door deze dreiging is het mogelijk dat het bestaande prijsniveau zal worden gehandhaafd. Er ontstaat dan prijsstarheid op de hoogte van de beginprijs.

 

Voor de buitenwereld lijkt het nu of er een kartelafspraak is gemaakt. Doordat dit voortvloeit uit de aard van de marktvorm, kan de NMA of de EU er niets aan doen.

 

Gezien de dreigende reactie van de concurrent houden zij zich aan deze ‘hoge prijs’. We spreken dan van zelfbinding. Zolang de dreiging van een prijsoorlog geloofwaardig is, ontstaat door de zelfbinding coöperatief gedrag, dat voor beide partijen een beter resultaat oplevert dan een prijsoorlog.

 

Beslissingen kunnen ook sequentieel (na elkaar) genomen worden. Er wordt dan direct gereageerd op de door een partij genomen beslissing. Dit heeft tot gevolg dat de partijen bij het nemen van hun beslissingen, zich goed moeten voorbereiden op een tegenreactie.  Je ziet gevolgen van zelfbinding, de een past zijn beslissingen aan aan de ander.

 

In deze oligopolie-achtige situatie, waarin beide ondernemingen steeds weer met de consequenties van elkaars beslissingen worden geconfronteerd, houden deze ondernemingen elkaar in toom en vermijden de concurrentie aan te gaan. Wanneer het verleidelijk wordt de prijzen te verlagen of de productie te veranderen, straft de dreiging dit later weer af. Bij herhaalde spelen kan men zo een Nash-evenwicht bereiken, zonder in de val van het gevangenendilemma te lopen.

 

 SAMENVATTEND:

Als partijen steeds weer met elkaar worden geconfronteerd, is de uitkomst van de te nemen beslissingen vaak moeilijk te voorspellen. We kunnen te maken krijgen met niet-coöperatief gedrag dat kan leiden tot een gevangenendilemma, maar we zien ook coöperatief gedrag. Omdat genomen beslissingen net alleen het te behalen resultaat maar ook nog de te nemen beslissingen beïnvloeden, zijn de overwegingen op grond waarvan partijen een beslissingen nemen van groot belang. Hier bij spelen onder meer een rol:

  • De reputatie van een ander.
  • Hoe geloofwaardig is zijn handelen?
  • Is de dreiging zo reëel dat. Wanneer men zich niet meer coöperatief opstelt (zelfbinding), de ander ‘terugslaat’.
  • De sociale normen.

Hoofdstuk 17

Bij een prijsvorming tussen twee partijen, kunnen de vragers en aanbieders vaak uitwijken. Bij de cao-onderhandelingen is dit een ander verhaal.

Een monopolist bepaalt zijn prijs op grond van MO=MK.

Bij het verlopen van een patent komen andere producenten op de markt die de prijs zullen verlagen tot de MK, hierdoor komt de monopolie positie in gevaar. Als de kopers zich gaan verenigen, krijgt de monopolist een monopolistische klant tegenover zich. Beide partijen, aanbieder en vrager, kunnen dan gaan onderhandelen over de hoogte van de prijs van bijvoorbeeld het betreffende medicijn. De onderhandelingen gaan dan over een lagere prijs en een daarbij behorend groter aanbod. Daarmee wordt het surplus van de monopolist verkleind en het consumentensurplus vergroot. De uitkomst van de onderhandelingen is ongewis en afhankelijk van ieders onderhandelingsmacht.

Bilateraal monopolie: een monopolist die tegenover zich een andere monopolist treft.

 

Van relatie-specifieke investeringen spreken we, wanneer een bepaalde investering het gevolg is van een tussen twee of meer partijen afgesloten contract. De partij die de investering heeft gepleegd, is vatbaar voor beroving. Het berovingsprobleem kan zich voordoen als een onderneming ten behoeve van een bepaalde klant grote en specifieke investeringen heeft moeten doen, als gevolg waarvan de klant gunstiger voorwaarden kan bedingen. Beroving is het uitbuiten van de afhankelijkheid van de andere partij.

 

Verzonken kosten vormen dat deel van de constante kosten dat niet kan worden terugverdiend bij gedwongen verkoop, omdat voor dit deel van de investering de waarde in een alternatieve aanwending nihil is. De verzonken kosten is het verschil tussen de nieuwprijs en de tweedehandsopbrengst en de uitgaven die niet konden worden terugverdiend.

Sunk cost fallacy: hoe hoger de verzonken kosten, des te moeilijker het is om een bepaalde activiteit te stoppen, waardoor er vaak nog meer word uitgegeven.

Lage verzonken kosten maken het gemakkelijker voor een onderneming om tot de bedrijfstak toe te treden. En hoe hoger de verzonken kosten zijn des te moeilijker het is om uit te treden.

 

Met de verkoop van een product worden de beloningen voor de productiefactoren verdiend.

Productiefactor          Beloning

Natuur

   Pacht

Arbeid

   Loon en of salaris

Kapitaal

   Rente

Ondernemerschap

   Winst

Een duurder wordende productiefactor zal op termijn deels worden vervangen door een relatief goedkopere.

 

Een cao (collectieve arbeidsovereenkomst) is een overeenkomst binnen een bedrijfstak over de voorwaarden waaronder arbeid wordt verricht.

Cao’s worden afgesloten door verenigingen van werknemers (vakbonden) en werkgevers of verenigingen van werkgevers. Een cao geldt steeds voor een bepaalde bedrijfstak of een voor één bepaalde onderneming. Vakbonden zijn verenigen van werknemers in (meestal) een bepaalde bedrijfstak. De vakbonden zijn op hun beurt weer aangesloten bij vakcentrales, bijvoorbeeld de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) en het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV). Behalve de bij deze twee centrales aangesloten bonden kennen we ook categorale bonden. Deze bonden zijn niet bij een bepaalde vakcentrale aangesloten en houden zich hoofdzakelijk bezig met de belangen van een bepaalde categorie werknemers. De meeste verenigingen van werkgevers zijn bij werkgevercentrales.

 

Het bestaan van een cao vermindert de transactiekosten van het afsluiten van een arbeidsovereenkomst.

Vakbonden geven bij cao-onderhandelingen vaak aan waarop zij ‘inzetten’ en werkgevers reageren daar vaak op met het benadrukken van de ‘onhaalbaarheid’ van de vakbonden. Bij deze onderhandelingen spelen geloofwaardigheid en dreiging een belangrijke rol. Zo heeft de vakbond te maken met de geloofwaardigheid naar de leden én de onderhandelingspartners. Een dreiging van werkonderbrekingen of stakingen moet ook geloofwaardig zijn.

 

Op landelijk niveau overleggen organisaties van werkgevers en werknemers (en de overheid) over de sociale en economische politiek. Dit zogenaamde voorwaardenscheppend overleg gebeurt binnen de Stichting van de Arbeid. Jaarlijks proberen de cao-onderhandelaars een afspraak te maken over de arbeidsvoorwaarden. We spreken in dit verband van een centraal akkoord, dat het uitgangspunt kan zijn voor de daaropvolgende onderhandelingen binnen de bedrijfstakken. Op dat lagere niveau sluiten de vakbonden en werkgevers cao’s af. (Figuur 17.2)

 

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan de cao algemeen verbindend verklaren, wanneer hij een afgesloten cao van belang vindt voor de hele bedrijfstak. Dat houdt in dat de cao voor alle werkgevers en werknemers in de bedrijfstak geldt: óók voor de niet-georganiseerde werkgevers en werknemers. Zo’n algemeenverbindendverklaring gebeurt vrijwel altijd.

 

De economische basis van de Europese Unie is de interne markt, die alle EU-landen omvat en de gemeenschappelijke munt (de euro) die in het merendeel van de EU-landen is ingevoerd.

Kenmerken van een interne markt (gemeenschappelijke markt):

  • Vrij verkeer van goederen; geen invoerrechten of invoerquota toegestaan.
  • Vrij verkeer van arbeid; iedere EU burger mag in een ander EU land werken.
  • Vrij verkeer van kapitaal; kapitaalverkeer tussen lidstaten mogen geen beperkingen hebben.

 

In 1952, verdrag van Parijs, de EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal), België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland deden mee. Doel was een vrij verkeer van kolen en staal en aanverwante producten. Bij tenuitvoerlegging van het verdrag kreeg de Hoge Autoriteit – het uitvoerend orgaan van de EGKS – een aantal supranationale bevoegdheden. Dat wil zeggen dat op bepaalde gebieden de landsregeringen ondergeschikt waren aan de Hoge Autoriteit.

 

In 1958, verdrag van Rome, zes de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). Euratom heeft als doel het bevorderen van vreedzame toepassingen van kernenergie. Met de EEG werd een douane-unie ingesteld. Op den duur zou een gemeenschappelijke markt tot stand komen. De EEG werd een succes: in 1968 werden douanerechten (heffingen bij invoer van goederen) tussen de deelnemende landen volledig afgeschaft, waardoor een vrij verkeer van goederen werd verwezenlijkt.

 

 

In 1991, verdrag van Maastricht, de EG (Europese Gemeenschap). Het verdrag van Maastricht is het verdrag dat de Europese Unie betref en trad in 1993 in werking. Het vrije verkeer van kapitaal, goederen en arbeid was vrijwel gerealiseerd. Intussen werd gewerkt aan de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie (EMU), waarvan de principes in het verdrag van Maastricht waren vastgelegd. De ‘vijftien’ werkten hierbij aan de vervanging van de nationale munten door één munt: de euro. Met de totstandkoming van de Europese Centrale Bank (ECB) in 1999 werd daarvoor de eerste stap gezet. In 2002 hebben twaalf deelnemende landen de eigen munten en bankbiljetten vervangen door euromunten en eurobankbiljetten. Sindsdien hebben meer landen de euro ingevoerd.

 

Sinds het Verdrag van Maastricht hebben de drie gemeenschappen (EGKS, EEG en Euratom) inclusief de nieuwe beleidsterreinen, waaronder EMU en het gemeenschappelijk buitenlands veiligheidsbeleid, een overkoepelde naam: de Europese Unie (EU).

 

In 2003, verdrag van Nice, maakte het mogelijk dat nieuwe staten tot de Unie konden toetreden. In 2004 werd de EU uitgebreid met de toetreding van tien nieuwe staten, waarvan acht uit Midden- en Oost Europa.

 

In 2007, verdrag van Lissabon, vormt samen met een aantal wijzingen en aanvullingen op het Verdrag van Rome en Maastricht de wettelijk basis van de EU. In het verdrag is ruimte gemaakt voor het stemmen met een gekwalificeerde meerderheid in de Europese Raad. Hierdoor is de wetgevende macht van het Europese Parlement versterkt.

 

Intergouvernementeel: dat de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid bij de nationale regeringen ligt. Organen van de EU:

  • De Raad van Ministers of de Europese Raad, is het hoogste orgaan van de Unie. Iedere regering wordt door één minister vertegenwoordigd. De samenstelling van de Raad wisselt afhankelijk van het onderwerp: landbouw, financiën etc.
  • De Europese Commissie is het dagelijks bestuur van de Europese Unie. De leden zijn onafhankelijk ten opzichte van de regeringen. De belangrijkste taken:

1.De zorg voor nakoming van de verdragen; de Commissie moet erop toezien dat iedereen de verdragen naleeft. Zo nodig kan de Commissie een lidstaat die een van de verdragen heeft geschonden, ‘adviseren’ de genomen maatregel ongedaan te maken.

2.Het recht van initiatief; de Commissie heeft bijvoorbeeld wetgeving voorbereid die de toetreding van een aantal nieuwe lidstaten tot de Europese Unie in 2004 mogelijk maakte.

  • Europees parlement wordt rechtstreeks gekozen door de inwoners van de lidstaten, bestaat uit politieke groeperingen.
  • Het hof van Justitie waakt over de juiste toepassing van de verdragen.

 

Het parlement of de commissie kan een voorstel doen. Het parlement bekijkt het voorstel en wijzigt het als het nodig is. De raad kijkt vervolgens nog naar het voorstel en kan dit aannemen of verwerpen. Als het parlement een bepaald voorstel van de commissie verwerpt, kan het voorstel niet aangenomen worden ook al staat de raad achter het voorstel.

 

Hoofdstuk 18

Wanneer kopers en verkopers beschikken over alle relevante informatie, zowel de ‘goede’ als de ‘slechte’ informatie, spreken we van symmetrische informatie. Bij symmetrische informatie krijg je een markt van ‘goede’ auto’s en een markt van ‘slechte’ auto’.

 

Symmetrische informatie leidt tot een optimale situatie:

  • De kopers krijgen wat zij willen voor de prijs die zij bereid zijn te betalen.
  • De verkopers zijn tevreden met de ontvangen prijs en kunnen hun aanbod kwijt.

Je spreekt van asymmetrische informatie wanneer één van beide marktpartijen over meer informatie beschikt dan de andere marktpartij.

Asymmetrische informatie kan ertoe leiden, dat op de markt een averechtse selectie van het aanbod plaatsvind. Als gevolg van averechtse selectie verdrijven ‘slechte’ risico’s de ‘goede’ risico’s van de markt.

 

Asymmetrische informatie leidt tot een suboptimale situatie:

  • De kopers treffen op de markt eigenlijk niet wat ze willen hebben.
  • De verkopers kunnen slechts een deel van hun aanbod kwijt.

 

Risico is de kans dat een bepaalde gebeurtenis zich voordoet. Als het mogelijk is, hebben mensen de neiging risico’s te vermijden, dit noem je risicoaversie. Risicoaverse mensen kiezen voor de ‘zekerheid’ boven de ‘kans’.

 

Een verzekering is een mogelijkheid om – tegen betaling van een premie – gecompenseerd te worden voor een financieel verlies. Er zijn hierbij twee partijen:

  • De verzekerde loopt een bepaald financieel risico, dat hij wil verminderen. Hij spreekt dan met de verzekeraar af, dat deze hem geheel of gedeeltelijk schadeloosstelt, als een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt. Voor deze afspraak betaalt de verzekerde aan de verzekeraar een verzekeringspremie.
  • De verzekeraar ontvangt de verzekeringspremie en betaalt het afgesproken bedrag onder bepaalde voorwaarden uit.

 

De hoogte van de verzekeringspremie wordt onder meer bepaald door het onzekere voorval (de mogelijkheid dat er ‘niets’ gebeurd), de verzekerde som (het bedrag waarvoor men verzekerd is), een marge voor kosten en een marge voor de winst.

Door verzekeren wordt het risico niet verminderd. De mogelijke financiële schade wordt beperkt.

 

Zonder verzekering

Er is een kans van  1:1000 dat de woning geheel afbrandt. Daarnaast heb je een kans van 999:1000 dat er niets gebeurd en nog steeds 300.000 euro bezit. Op basis van beide kansen samen is je financiële situatie: (1:1000) x 0 + (999:1000) x 300.000 = 299.700 euro.

Met verzekering

Met verzekering ben je 0,15%  van 300.000 euro (=450) kwijt aan de premie. Daartegenover staat dat je ingeval van brand te schade volledig vergoed krijgt. Je financiële situatie is dan:

300.000 – 450 = 299.550 euro.

 

Zonder verzekering bezit je dus minder dan met verzekering. Als je uitsluitend naar de waarde van je bezit kijkt, is niet-verzekeren het voordeligst. Risicoaversie leidt ertoe dat vaak wordt gekozen voor een verzekering, ondanks de kosten die daaraan verbonden zijn.

 

Belangrijk is de verscheidenheid van de risico’s. Bij een gespreid risico is het onwaarschijnlijk, dat alle verzekerden tegelijk door dezelfde calamiteit worden getroffen. Zolang dat het geval is, is een risico verzekerbaar. 

 

De noodzaak van verzekeren is heel persoonlijk. Iedere volwassene is op grond van de zorgverzekeringswet verplicht een zorgverzekering af te sluiten.

 

Iedere bezitter van een motorrijtuig moet een Wettelijke Aansprakelijkheid verzekering hebben afgesloten. Deze WA-verzekering betekend dat degene die schuldig is aan het toebrengen van schade aan de ander, deze schade moet vergoeden.

 

De hoogte van de verzekeringspremie hangt af van de soort verzekering, de waarde van het goed en het aantal schadevrije jaren in het verleden. Daarnaast speelt de kans een belangrijke rol. Naarmate er meer verzekerden met hetzelfde risico zijn, nadert de jaarlijkse schade de statistische kans op schade.

 

Een verzekering is alleen mogelijk wanneer het risicodraagvlak van de verzekering groot genoeg is. Hieruit kan je leiden dat er vaak een premie wordt geheven die vrijwel overeenkomt met de kans op schade.

Solidariteit is de mate waarin risico’s worden gedeeld met anderen. Hierbij worden ook verschillende risico’s met elkaar gedeeld.

Verzekeringsmaatschappijen zullen proberen de ‘slechte’ risico’s te beperken en de ‘goede’ risico’s aan te trekken. ‘Goede’ risico’s worden aangetrokken door een lage premie, ‘slechte’ risico’s worden geweerd door hoge premies.

 

Sommige verzekeringen zijn verplicht, denk maar eens aan de Algemene Ouderdomswet. In de AOW is de premie voor iedereen gelijk en ook de hoogte van de uitkering is voor iedereen gelijk. Zo zorgt de overheid voor een groot risicodraagvlak. De verzekeringsmaatschappijen moeten iedereen accepteren en iedereen moet zich verzekeren. Zo is het ook onmogelijk om onderscheid te maken tussen de ‘goede’ en ‘slechte’  risico’s. Een ander voorbeeld van een verplichte verzekering is de basisziektekostenverzekering.

Van een eigen risico is sprake als de verzekerde een deel van de schade zelf betaalt. Door een eigen risico te nemen, wordt er een ‘signaal’ afgegeven aan de verzekeraar, die nu weet dat hij met een ‘goed’ risico te maken heeft. Tegenover elk eigen risico staat een premiekorting, waardoor de premieontvangsten van de verzekeringsmaatschappij afnemen. Dit kan leiden tot hogere premies, wat weer kan leiden tot hogere eigen risico’s. Zowel ‘goede’ als ‘slechte’ risico’s zullen zo afzien van een verzekering. Op deze manier kan selectie door middel van eigen risico’s de verzekeringsmarkt aantasten. Eigenlijk is voor een verzekering waarbij solidariteit van groot belang is, het verplicht voorschrijven van dekking én premie op de lange duur de beste optie voor alle groepen verzekerden.

 

Er zijn bepaalde vormen van verzekering waarbij de verzekeraar ondanks de kosten tóch informatie verzamelt over de verzekerde, bijvoorbeeld bij de aanvullende verzekeringen van de ziektekostenverzekering. Voor de acceptatie door de verzekeringsmaatschappij kunnen vragen worden gesteld over onder meer de medische geschiedenis.

De verzekeringsnemer kan door ‘signaling’ informatie geven over het risico dat de verzekeraar loopt. Voorbeelden van signaling zijn een eigen risico, niet roken en veel sporten.

 

Bij nalatig gedrag stellen mensen zich bloot aan extra risico’s, omdat zij menen geen financieel risico te lopen.

Nalatig gedrag of moreel wangedrag vergroot het risico voor de verzekeringsmaatschappij. Een verzekering kan daarom een moreel gevaar (moral hazard) in zich houden. Het gedrag van de verzekerde veranderd, omdat hij toch geen financieel risico loopt.

Om dit probleem op te lossen, kunnen verzekeraars kiezen voor het verplicht opleggen van een eigen risico. Het idee is daarbij dat wanneer de verzekerde zelf een deel van de schade draagt, hij zorgvuldiger handelt dan wanneer de verzekeraar alle kosten draagt. Het verplichte eigen risico dient dus niet als ‘signaal’ voor een goed risico, maar om het nalatig gedrag in te dammen.

 

Een wettelijke aansprakelijkheid is een verplichte verzekering van auto’s. De WA-verzekering werkt naar twee kanten:

1.De verzekerde valt niet in armoede. Zonder deze verzekering zou het gevolg een jarenlang beslag op een gedeelte van het inkomen voor een huishouden kunnen zijn.

2.Het slachtoffer is ‘zeker’ van zijn schadevergoeding.

 

We kunnen twee oorzaken onderscheiden, waardoor een huishouden het risico loopt tot armoede te vervallen:

1.Verlies van inkomen; bijvoorbeeld bij ontslag, een faillissement, invaliditeit en ouderdom.

2.Bijzondere financiële lasten; ziekte invaliditeit en ouderdom kunnen tot onmogelijk op te brengen uitgaven leiden. Deze kunnen vaak niet door het gemiddelde huishouden worden betaald.

 

In principe kan iedereen zich verzekeren tegen de risico’s van verlies van inkomen of van grote financiële lasten. In praktijk blijkt dit echter voor de meeste huishoudens een onmogelijke opgaaf. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • De kosten van verzekeringen; het totaalbedrag aan premies voor verzekeringen is zó hoog dat dit vooral door mensen met een laag inkomen niet te betalen is. Zij zullen zich slecht verzekeren.
  • Het risico van averechtse selectie; vooral jonge, gezonde mensen zullen bijvoorbeeld geneigd zijn zich niet te verzekeren tegen ziektekosten. Het gevolg is dat alleen de slechte risico’s zich proberen te verzekeren. Dit leidt tot hogere premies voord deze slechte risico’s waardoor het voor hen moeilijker wordt zich te verzekeren.
  • Verscheidenheid en risicodraagvlak; een verzekering is alleen mogelijk als er voldoende verscheidenheid is tussen de te lopen risico’s. Wanneer bepaalde groepen niet aan de verzekering meedoen, kan er ok onvoldoende risicodraagvlak ontstaan. Er zijn dan te weinig verzekerden, waardoor de verzekering vrijwel onbetaalbaar wordt.  

 

De sociale zekerheid omvat alle wettelijke regelingen die voorzien in de gevolgen van inkomensderving en bijzondere financiële lasten.

Sociale verzekeringen

Sociale voorzieningen

Verzekering: er wordt alleen een uitkering verstrekt als de verzekerde gebeurtenis zich voordoet.

Behoeften: er is alleen een uitkering als daar noodzaak voor is, gezien de financiële situatie.

Van toepassing voor: de betreffende sociale verzekeringswet bepaalt welke groepen uit de bevolking verzekerd zijn.

Van toepassing voor: iedereen

Financiering: de financiering van de uitkeringen gebeurt uit de premies.

Financiering: de financiering van de uitkeringen gebeurt uit de belastingen

Algemeen: de sociale voorzieningen zijn een soort ‘vangnet’. Ze zijn alleen van toepassing voor personen die geen beroep kunnen doen op een sociale verzekering of onvoldoende middelen van bestaan hebben.

 

Sociale zekerheidswetten die tot doel een inkomensgarantie bieden:

Werkloosheid. Wanneer iemand onvrijwillig werkloos word, kan diegene aanspraak maken op een uitkering op de grond van de Werkloosheidwet (ww). De ww is een werknemersverzekering: alleen mensen in loondienst zijn verzekerd tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. De duur van de ww-uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden.

Van werklozen wordt verwacht dat zij alles doen om weer werk te krijgen. Dit betekend dat ze zich als werkzoekende moeten laten registreren en mee moeten werken aan re-integratie.

Ziekte. In geval van ziekte is de werkgever verplicht gedurende maximaal 104 weken het loon door te betalen. Wettelijk is de betaling minimaal 70% van het loon, maar in veel cao’s is er meer geregeld. Aan deze doorbetaling zijn wel voorwaarden verbonden.

Wordt het ziekteverzuim veroorzaakt door zwangerschap, een faillissement of loopt het arbeidscontract af? Dan kan er geen aanspraak gemaakt worden op de loondoorbetaling. In zulke gevallen geldt de Ziektewet (zw). Iedere werknemer is ‘verzekerd’ van een zw-uitkering, maar hoeft geen premie te betalen.

Arbeidsongeschiktheid. De eerste twee jaar komt een werknemer in ‘ziekte’. Na die twee jaar krijgt de langdurige zieke te maken met de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op grond van deze wet krijgt de langdurige zieke een uitkering. Tijdens een keuring wordt vastgesteld wat de mogelijkheid op herstel is. Hierbij wordt vooral gekeken naar de ‘verdiencapaciteit’. Er wordt bepaald wat de werknemer met de beperkingen door ziekte en/of handicap nog wel kan en wat diegene daarmee kan verdienen.

  • Mensen met een ‘loonverlies’ van minder dan 35% worden niet als arbeidsongeschikt bestempeld. Deze werknemers blijven gewoon in loondienst bij hun huidige werkgever. 
  • In de gevallen met een ‘loonverlies’ van 35 tot 80% wordt aan de werknemer een uitkering verstrekt en worden maatregelen genomen om de werknemer weer in het arbeidsproces te laten terugkeren.
  • Is er geen of een geringe kans op herstel en is bij eventuele werkhervatting de inkomensachteruitgang ten minste  80%, dan wordt een uitkering van 70% van het laatstverdiende loon verstrekt.

Hoewel de wia een werknemersverzekering is, wordt de premie geheel door de werkgevers gedragen. Net als bij ziekte is de gedachte hierachter de werkgevers te stimuleren en ervoor te zorgen dat werknemers zo lang mogelijk hun werk kunnen blijven doen of zo snel mogelijk weer terugkeren in het arbeidsproces.

Ouderdom. Een bedrijfspensioen kan alleen door werknemers in een periode van 40 jaar worden opgebouwd. Zelfstandigen zullen een particuliere verzekering moeten nemen.

Iedereen van 65 jaar of ouder ontvangt een aow-uitkering (algemene ouderdomswet) die gelijk is aan 70% van het nettominimumloon. De aow is een volksverzekering. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ontvangen de verzekerden een (gedeeltelijke) aow-uitkering.

De aow voorziet in een basispensioen voor iedereen die daarvoor in aanmerking komt. De aow wordt in hoofdzaak gefinancierd uit de premies die de werkenden betalen (omslagstelsel).

 

We moeten bij bijzondere financiële lasten denken aan de kosten van geneeskundige behandeling, medicijnen en verzorging, die het gevolg zijn van ziekte, invaliditeit en ouderdom. Deze kosten behoren in eerste instantie tot het terrein van de particuliere verzekeringen. We krijgen dan te maken met de zorgverzekeringswet (zvw). Financiële risico’s die niet via de zorgverzekering kunne worden gedekt, zoals de kosten van een langdurig verblijf in een verpleegtehuis, vallen onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (awbz). De awbz behoort tot de volksverzekeringen.

 

Iedereen in Nederland is verplicht een zorgverzekering af te sluiten. In de zorgverzekeringswet (zvw) is wettelijk vastgelegd waarop de verzekerden recht hebben. Dit is het zogenaamde basispakket. Op vrijwillige basis kunnen aanvullende verzekeringen worden afgesloten.

 

In de zorgverzekeringswet zien we de verschillende aspecten van verzekeren terug, zoals het risicodraagvlak, de solidariteit en signaling. Het risicodraagvlak inde zorgverzekering is zo groot mogelijk, door iedereen in Nederland te verplichten zich te verzekeren. De solidariteit komt tot uiting in de premieheffing. De premie bestaat namelijk uit een vast bedrag plus een inkomensafhankelijke bijdrage. Er is zo sprake van solidariteit tussen personen met een hoog inkomen en personen met een laag inkomen. Het vaste premiebedrag wordt overigens vastgesteld door de verzekeringsmaatschappij, die hiermee een concurrentie middel heeft. Door te kiezen voor een eigen risico kan een verzekeringnemer niet alleen op de premie besparen, maar ook aangeven dat hij een goed risico is.

 

In Nederland hanteren we als maatstaf voor het minimuminkomensiveau het nettominimumloon. De belangrijkste oorzaak van geen of onvoldoende inkomen is langdurige werkloosheid. Het gebruik dat een werkloze werknemer van de Werkloosheidwet kan maken, is immers beperkt. Iedereen die niet voldoende in het eigen onderhoud kan voorzien en ook geen beroep kan doen op een sociale verzekeringswet, kan in aanmerking komen voor de bijstand. De bijstand is een laatste redmiddel voor mensen die buiten eigen schuld niet voldoende in hun bestaan kunnen voorzien.

De Wet werk en bijstand (wwb) heeft als uitgangspunt dat iedereen zo veel mogelijk in het eigen onderhoud moet voorzien. Voor de bijstandontvanger is het zelf zoeken naar werk verplicht. Dat betekent onder meer dat diegene zich als werkzoekende moet inschrijven bij een werkbedrijf. In overleg met het werkbedrijf wordt gekeken welke mogelijkheden er zijn om zo snel mogelijk weer aan de slag te gaan of eventueel een opleiding te volgen. 

 

(sorry, de afbeeldingen konden er niet bij geupload worden)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.