Hoofdstuk 10



Een internationaal betaalmiddel noemt men sleutelvaluta.



Het systematische overzicht van alle economische transacties met het buitenland in een jaar noemt men de betalingsbalans, die onderverdeeld is in 5 rekeningen. 1: goederenrekening 2: dienstenrekening 3: inkomstenrekening 4: kapitaalrekening 5: goud- en deviezenrekening.

Die eerste 3 samen noemen we de lopende rekening. De dienstenrekening en de inkomensrekening samen noemt men het onzichtbare verkeer.

De goederenrekening heet ook wel handelsbalans. Op deze rekening staat de waarde van de invoer en uitvoer van goederen. Dat noemt men het zichtbare verkeer. In Nederland hebben we meestal een overschot op de goederenrekening, dat komt mede door het uitgevoerde aardgas.





De verhouding tussen de invoer en de uitvoer geeft men weer met het dekkingspercentage. Dat is de waarde van de goederenuitvoer, uitgedrukt in procenten van de goedereninvoer.



Men spreekt van een actieve handelsbalans als we meer uit- dan invoeren en er een overschot is in het goederenverkeer, het dekkingspercentage is dan hoger dan 100.

Bij een dekkingspercentage van onder de 100 is er sprake van een passieve handelsbalans. Men voert meer goederen in dan uit.



Op de dienstenrekening zijn vervoer en reisverkeer de 2 grootste posten. Bij vervoersdiensten een groot overschot tegenover een ong. even groot tekort in het reisverkeer.



Op de inkomensrekening staan primaire inkomens (arbeidsinkomens en kapitaalopbrengsten als rente en dividend) en inkomensoverdrachten (betalingen door Nederland aan de EU en omgekeerd).



Op de kapitaalrekening boekt men de in- en uitvoer van vermogens die voortvloeien uit internationale inversterings-, beleggings,- en krediettransacties. Voorbeelden van invoer van kapitaal zijn: een buitenlandse onderneming breidt een vestiging in Nederland uit, buitenlandse beleggers kopen Nederlandse aandelen.



Als de Nederlandse beleggers verwachten dat de dollar binnenkort duurder zal worden, kunnen zij proberen voordeel te behalen door voor korte tijd geld in de VS te belegen. Er ontstaat dan een tijdelijke kapitaaluitvoer uit Nederland. Men noemt deze beleggingen speculatief kapitaalverkeer.





Het saldo van de lopende rekening plus het saldo van de kapitaalrekening vormen het totale overschot of tekort op de betalingsbalans.



De verandering van de officiële reserves staat als salderingspost op de goud- en deviezenrekening. Men houd daarmee de totaaltelling van de betalingsbalans links en rechts gelijk.



Een toename van de officiële reserves boekt men aan de uitgavenkant van de betalingsbalans en een vermindering aan de ontvangstenkant. Daardoor is er altijd een formeel evenwicht op de betalingsbalans. Zegt niets over de betalingsbalans.



Er is sprake van materieel evenwicht wanneer per saldo het goud- en deviezenbezit niet verandert. Dat is het geval als de lopende rekening en de kapitaal rekening elkaar in evenwicht houden. Dit zegt wel iets over de betalingsbalans.



Er is fundamenteel evenwicht als de lopende rekening en het structurele kapitaalverkeer samen in evenwicht zijn.



De belangrijkste oorzaken van een tekort op de betalingsbalans.

1. Als de lonen en de prijzen in het binnenland snellen stijgen dan bij de handelspartners, zegt men dat de concurrentiepositie van de Nederlandse ondernemingen achteruit gaat.

2. Er is in het binnenland overbesteding; de vraag naar goederen en diensten overtreft de productiecapaciteit. In zo’n situatie wilt men meer kopen dan er is, en dus kopen we meer ingevoerde producten.

3. Als er onderbesteding is in landen waarheen we veel exporteren. In het buitenland kopen de consumenten dan minder dan voorheen. De uitvoer loopt daardoor terug.

4. Een oorzaak van structurele aard is de technische ontwikkeling, waardoor de aanbodverhoudingen tussen de landen veranderen. Sommige landen lopen voorop in ontwikkelingen.

5. Veel landen met grote buitenlandse schulden (debiteurenlanden), zij moeten n.l. hoge bedragen aan rente en aflossing betalen.

6. Incidentele oorzaken, zoals rampen en oorlogen.



De verhouding tussen de prijzen van goederen die een land uitvoert en de prijzen van goederen die het invoert, word weergegeven met de ruilvoet.

Ruilvoet = indexcijfer v.h. prijspijl van de export x 100

indexcijfer v.h. prijspijl van de import



David Ricardo heeft met de wet van de comparatieve kostenverschillen uitgelegd onder welke omstandigheden het ruilen voordeel brengt. Zie par. 10.4 blz. 183/184 voor uitleg.



Een aantal argumenten voor protectie:

Infant industry, aanpassing door tijdelijke bescherming, werkgelegenheids-argument, bescherming van de binnenlandse industrie, bescherming tegen lage-lonenlanden, exportdiversificatie, anti-dumping.



Infant industry-argument; het argument van de opvoedende bescherming (10.6 blz. 186/187).



Protectie:



Soms moet bedrijfstak de gelegenheid krijgen zich met tijdelijke bescherming aan te passen. Dat geldt vooral als er bijzondere moeilijkheden zijn.



Men noemt dikwijls het werkgelegenheidsargument en het argument van de bescherming van de binnenlandse industrie. Door scherpe internationale concurrentie kunnen binnenlandse bedrijfstakken zich soms moeilijk handhaven. Daardoor kan ook de werkgelegenheid in gevaar komen.Nog een argument is het argument van de lage lonen. De concurrentie uit lagelonenlanden vindt men dan oneerlijk.



De verbreding van de samenstelling van het exportpakket noemt men exportdiversificatie.

Met het anti-dumpingsargument wilt een land voorkomen, dat het buitenland beneden de kostprijs producten gaat invoeren en verkopen.



Men spreekt van ‘ad valorem’-invoerrechten als de hoogte van het invoerrecht een percentage bedraagt van de waarde van de ingevoerde goederen. Specifieke invoerrechten berekent men op basis van bijv. het gewicht van een goed.



Een invoercontingenten of quotum houdt in dat de invoer aan een grens is gebonden. Een bepaalde hoeveelheid of waarde bijv.



Bij exportsubsidies geeft de overheid aan bepaalde bedrijfstakken zekere voordelen ter ondersteuning van hun concurrentiepositie.



Wanneer de autoriteiten de koersvorming volledig aan de vraag overlaten spreken we van flexibele of zwevende wisselkoersen. Omdat de centrale banken bij een dergelijk systeem niet ingrijpen in de koersvorming, noemt men volledig flexibele wisselkoersen ook wel clean float. In werkelijkheid grijpen de centrale banken meestal wel in. In dat geval is er sprake van beheerst zweven (dirty float of managed float). Een koersstijging bij flexibele wisselkoersen noemen we appreciatie van een valuta. Een koersdaling noemen we depreciatie.



De EU heeft in het kader van het Europese Monetaire Stelsel (EMS) gekozen voor vaste wisselkoersen. Dwz dat wel schommelingen in de koersen voorkwamen, maar binnen een beperkt toegestane ruimte. Deze ruimte noemde men de bandbreedte. De afgesproken waarden van de verschillende Europese valuta’s noemde men spilkoersen.



Bandbreedte marge naar boven spilkoers

marge naar beneden



Een verhoging van de spilkoers noemen we revaluatie, een verlaging van de spilkoers devaluatie.



Als Frankrijk een hoger inflatietempo heeft dan Nederland bij een vaste wisselkoers, is de reële wisselkoers van de gulden t.o.v. de Franse franc gedaald. Op den duur zal een devaluatie van de Franse franc moeten plaatsen.



Om met de monetaire unie te mogen meedoen, moeten landen voldoen aan de convergentiecriteria van het verdrag van Maastricht uit 1991:

1. Inflatie moet niet hoger zijn dan 1,5% boven de inflatie van de 3 EU-landen met de laagste inflatie.

2. Begrotingstekort moet lager zijn dan 3% van het bbp. Overheidsschuld moet lager zijn dan 60% dan het bbp.

3. Rente op langlopende staatsobligaties mag niet boven 2% van de 3 EU-landen met de laagste inflatie.

4. Wisselkoers moet stabiel zijn.

De Europese Centrale Bank (EBC) bepaald het monetaire beleid en het wisselkoersbeleid voor de euro.

Om te garanderen dat de lidstaten die zijn toegetreden tot de EMU ook daarna financieel een goed overheidsbeleid blijven voeren, is het stabiliteitspact gesloten.

De Eurodollarmarkt ontstond doordat de Sovjetunie en andere Oostbloklanden hun dollartegoeden niet meer in de VS maar in Europa gingen aanhouden.

Internationale liquiditeiten zijn betaalmiddelen die iedereen internationaal kan gebruiken.



Naast de dollar en het goud kennen we als internationaal betaalmiddel ook de bijzondere trekkingsrechten (SDR).



De lidstaten van de EU hebben voor hun onderlinge geldverkeer nog een vierde internationale liquiditeit gecreëerd, de Ecu, (European currency unit). Vergelijkbaar met die van de SDR’s.



De dept-service-ratio is de rente en aflossing als percentage van de exportopbrengsten.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.