Hoofdstuk 1: Beschrijvende Economie



1.1: Economie is overal



Privatisering: het afstoten van taken door de overheid.



De regering wil de bereikbaarheid van de steden vergroten door de infrastructuur te verbeteren: d.w.z nieuwe wegen, spoorwegtraject enz.



Door langdurige werkloosheid wordt het telkens moeilijker om ergens weer te werken.



Beschrijvende economie: de beschrijving van personen en organisaties.



Theoretische economie: de nadruk ligt op het bestuderen van oorzaken en gevolgen van verschijnselen, zoals de werkloosheid & het achterblijven van de ontwikkelingslanden





1.2: Consumenten en hun organisaties



Consumptiegoederen: de goederen die consumenten kopen.



Stoffelijke consumptiegoederen: een fiets, fles cola, trui, broek.



Onstoffelijke consumptiegoederen: bezoekje aan de bioscoop, taxi rit.



Dit noemen we diensten.



Primaire consumptiegoederen: voedsel, kleding, huisvesting: de dingen die nodig zijn om een goed leven te kunnen leiden.



Luxe consumptiegoederen: vakanties, videorecorders, radio.



Duurzame consumptiegoederen: goederen die geruime tijd worden gebruikt.



We kunnen consumptiegoederen dus op 3 manieren indelen:



in stoffelijke en onstoffelijke goederen





in primaire en luxe goederen



in duurzame en niet duurzame goederen



Consumentisme: het streven van de consumenten voor een gelijke strijd tussen ondernemingen en consumenten.



Consumentenbond: een vereniging met ruim 500.000 leden.



Consumentengids: het maandblad van de bond, waarin er geschreven wordt over de kwaliteit en de prijzen van producten.



Productinformatie: op het geproduceerde middel moet de samenstelling staan.



1.3: Regelingen om de consument te beschermen



De overheid beschermt de belangen v.d consumenten met verschillende regelingen:



dwingend rechtelijke regeling algemene voorwaarden



regeling consumentenkoop: regelt de rechter van een consument als het gekochte product niet aan zijn / haar verwachtingen voldoet.



productaansprakelijkheid: consumenten kunnen de schade die zij ondervinden door het gebruik van een product verhalen op de producent.



warenwet: regelt het toezicht op de kwaliteit van met name voedselproducten.



colportagewet: beschermt de consumenten tegen te opdringerige verkoopmethoden van ondernemingen.



wet misleidende reclame: verbiedt reclame die onjuiste informatie bevat.



Verder is de positie van de consument versterkt omdat consumenten collectief tegen een consument kunnen procederen.



Merit-goederen: goederen waarvan de overheid het gebruik stimuleert. Voor deze goederen geeft de overheid subsidies. (bibliotheken, musea, natuurgebieden)



Demerit-goederen: goederen waarvan de overheid het gebruik wil ontmoedigen.



De overheid heft op deze producten hoge accijnzen zodat de consument er een hoge prijs voor moet betalen. (alcohol, sigaretten)



1.4: Ondernemingen



Productie: het geschikter maken van goederen voor het gebruik.



Tot de productiefactoren behoren:



natuur: grond, delfstoffen en bossen.



arbeid: alles wat mensen met lichamelijke en geestelijke inspanning verrichten.



kapitaal



Kapitaalgoederen: machines, gebouwen, transportmiddelen.



Specialisatie: zich toeleggen op de productie van 1 of enkele soorten goederen.



Ambachtsbedrijf: als de productie voornamelijk uit handwerk bestaat.



Afzetgebied: het gebied tot waar ondernemingen kunnen verkopen.







1.5: Geld



Geld: geld is elk algemeen aanvaard ruilmiddel.



Chartale geld: de bankbiljetten en munten.



Girale geld: bankrekeningen.



Rekening courant tegoeden: bankrekeningen.



We onderscheiden 3 functies van geld:



ruilmiddel: geld zorgt voor een soepel verloop van het ruilverkeer.



rekeneenheid: we rekenen in geld.



oppotmiddel: geld achter de hand houden voor onvoorziene gebeurtenissen.



Fiduciair geld: men vertrouwt erop dat we met de bankbiljetten in omloop kunnen betalen.



Nominale waarde: de waarde die op het biljet of munt vermeld staat.



Stoffelijke waarde: de kosten van het stukje papier of de munt.



Er is 1 bank in ons land die het alleenrecht heeft om bankbiljetten in omloop te brengen.



Dat is De Nederlandsche Bank. DNB wordt ook wel circulatiebank genoemd.



1.6: Banken



Een belangrijke activiteit van banken is het verstrekken van leningen of krediet.



1.7: De Nederlandsche Bank



DNB is opgericht in 1814 door koning Willem I.



Monopolie: alleenrecht.



Bij de bankwet van 1948 is DNB genationaliseerd. (aandelen in hand van de staat)



Taken van DNB:



de waarde van de gulden stabiliseren.



bankbiljetten uitgeven.



geldverkeer met het buitenland bevorderen.



toezicht uitoefenen op alle in Nederland gevestigde banken.



optreden als bankier van de staat.



optreden als bankier van de particuliere banken.



Interne waarde: de koopkracht van de gulden in Nederland.



Externe waarde: de waarde van de gulden t.o.v de Duitse mark.



Circulatiebank: DNB is circulatiebank omdat zij de bankbiljetten uitgeeft.



Ook is DNB bankier van de banken omdat alle banken bij haar een rekening aanhouden en in geval van nood een beroep op haar kunnen doen.



Ze is ook staatsbank omdat het rijk een rekening bij haar heeft.





1.8: De overheid



Overheid in enge zin: de centrale overheid in Den Haag. (Het Rijk)



Overheid in ruime zin: de overheid in Den Haag, de provincies en de gemeenten.



Collectieve sector: de overheid in ruime zin plus de instellingen die onze sociale wetten uitvoeren.



De collectieve sector wordt ook wel publieke sector genoemd.



Particuliere sector: het bedrijfsleven en de consumptiehuishoudingen.







Overheid in Enge zin



Overheid in ruime zin Gemeenten



Lagere overheden



Collectieve sector Provincies











Sector sociale zekerheid







Miljoenennota: de minister van Financien biedt op de derde dinsdag van september aan het parlement de miljoenennota aan. Hierin staat de begroting voor het volgende jaar.







1.9: Centraal Planbureau en Centraal Bureau voor de statistiek



Macro-economische verkenning (CPB): de voorspelling voor het volgende jaar.



Centraal economisch plan (CBS): een veel uitgebreidere voorspelling voor het lopende jaar.



Statistisch jaarboek (CBS): cijfermatige gegevens over de werkgelegenheid en prijsstijging van het afgelopen jaar.



Nationaal product: wat alle Nederlanders verdienen in een jaar.



Bruto Binnenlands Product: wat alle Nederlandse samen verdienen in 1 jaar.



Nationale Rekeningen: weergave van de betalingen in een land in een jaar.







1.10: Internationale Handel



Vrijhandel: de invoer en uitvoer van producten zonder enige belemmering.



Protectie: landen proberen op allerlei manieren import vanuit het buitenland te weren.



Protectie kan in verschillende vormen plaatsvinden, namelijk door:



invoertarieven: overheid heft belasting op de invoer van een product.



quotering: slechts een beperkte hoeveelheid van een product mag het land in.



non-tarifaire belemmeringen: extreem hoge kwaliteitseisen.



De wereldhandel vindt voor het grootste deel tussen 3 blokken plaats:



VS, Canada en Mexico



EU



Japan



G7: VS, Duitsland, Japan, Groot Britannie, Frankrijk, Italie en Canada.







1.11: Samenwerking tussen landen



Economische integratie: landen werken op verschillende manieren samen.



vrijhandelsgebied: landen kunnen vrij invoeren.



douane-unie: lidstaten kennen niet alleen onderlinge vrijhandel, maar ook een gemeenschappelijke handelspolitiek.



gemeenschappelijke markt: er is behalve vrij verkeer van goederen ook vrij verkeer van personen en geldkapitaal. (De EU)



economische unie: de gemeenschappelijke markt wordt aangevuld met gemeenschappelijke economische politiek.



monetaire unie: de lidstaten gebruiken 1 gemeenschappelijk geldsoort.





1.12: Ontwikkelingslanden



Ontwikkelingslanden hebben de volgende kenmerken:



een laag inkomen per hoofd van de bevolking



weinig industrialisatie



geringe economische groei



de exportopbrengsten worden verkregen met de uitvoer van 1 of slechts een beperkt aantal grondstoffen



achterstand op het gebied van onderwijs en kennis







1.13: Ontwikkelingssamenwerking



Ontwikkelingshulp kan in verschillende vormen worden gegeven:



financiele hulp: schenkingen van geld of leningen tegen zachte voorwaarden.



technische hulp: het zenden of opleiden van deskundigen.



voedselhulp: voedsel geven.



Multilaterale hulp: verloopt via internationale organisaties, zoals de VN.



Bilaterale hulp: rechtstreeks van land tot land.



Gebonden hulp: het gevende land geeft hulp onder voorwaarden.



Programmalanden: bepaalde landen die op het programma staan van een land om geholpen te worden.



Volgens de wereldbank zijn deze factoren van grote betekenis van derdewereldlanden.



investeren in mensen door de nadruk op scholing en gezondheidszorg.



onderwijsvriendelijk economisch klimaat, goed prijsmechanisme.



betere plek in de wereldeconomie door vrij verkeer van goederen, kapitaal, mensen en kennis.





1.14: Economische kringloop



Sectoren van de economie: ondernemingen, banken, overheid, buitenland.



Markten voor consumptiegoederen



Geld gekochte aangeboden betaling voor



consumptie consumptie consumptie



goederen goederen goederen





Consumptiehuishoudingen Ondernemingen





Loon pacht aangeboden arbeid, gekochte diensten geld



Winst interest grond en kapitaal van prod. factoren





Markten voor diensten van productiefactoren



1.15: Prijsvorming op markten



markt: het geheel van de vraag naar en het aanbod van een goed of dienst.



concrete markten: de Albert Cuyp.



Abstracte markten: de markt voor wasmiddelen, arbeidsmarkt, kapitaalmarkt.



Evenwichtsprijs: als de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid van een goed aan elkaar gelijk zijn bij dezelfde prijs.







1.16: Economische orde



Economische orde: de manier waarop het economisch leven in een land is georganiseerd.



In een centraal geleide economie regelt de centrale overheid het economisch leven tot in de details. Alle onderneming zijn collectieve eigendom.



Ondernemingen hebben zelf geen vrijheid om te beslissen wat ze produceren.



Vrije markteconomie: de prijzen van de goederen spelen een belangrijke rol, de overheid bemoeit zich minder met de economie en ondernemingen hebben vrijheid.



Prijsmechanisme: prijzen komen tot stand op markten.



Gemengde economische orde: voor een deel bepaalt de overheid de omvang en de samenstelling van de productie in een land, maar ook zijn ondernemingen gedeeltelijk vrij.







1.17: De Nederlandse overlegeconomie



Georienteerde economie: de particuliere sector laat zich mede leiden door de doeleinden van de overheid.



Sociaal-Economische Raad (SER): hier kan de overheid advies vragen over belangrijke beslissingen. De SER bestaat uit 33 leden, 11 kroonleden, 11 vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en 11 van werknemersorganisaties.







VNO-NCW: Verbond van Nederlandse Ondernemingen - Nederlands Christelijk Werkgeversbond. (een belangrijke organisatie)



Werknemerorganisaties



FNV: Federatie Nederlandse Vakbeweging



CNV: Christelijk Nationaal Vakverbond



MHP: Middelbaar en Hoger Personeel.







Vakcentrales: overkoepelende organisaties van vakbonden.



Categorale vakbonden: vakbonden die niet bij een vakcentrale zijn aangesloten.



Centraal akkoord: als de werknemerscentrales en de werkgeverscentrales overeenstemming met elkaar bereiken in de Stichting van de Arbeid.



Dit akkoord bevat richtlijnen voor de CAO over arbeidsvoorwaarden.











Hoofdstuk 2: Grondbegrippen




2.1: Schaarste en keuzes



De economische kant van het gedrag van de mensen is dat zij altijd moeten kiezen.



Alle goederen zijn schaars: de hoeveelheid goederen is altijd beperkt t.o.v de behoeften. De schaarste dwingt ons om economische keuzes te maken.



Economie: bestudeert de verschijnselen die samenhangen met de schaarste.







2.2: Schaarste en welvaart



Schaars en zeldzaam is niet hetzelfde.



Voorbeeld: brood is geen zeldzaam goed. Het is wel schaars.



Het brood is verbouwd en gemalen, de bakker heeft moeten werken en zijn oven moeten kopen, hoe meer de bakker brood bakt, des te minder taarten hij kan maken.



Op de grond die nodig is voor het verbouwen van brood kan men geen huizen bouwen.



Alternatief aanwendbaar: dat iets voor verschillende doeleinden kan worden gebruikt.



Welvaart: de mate van behoeftebevrediging, voorzover deze afhankelijk is van het omgaan met schaarse middelen.







2.3: Collectieve sector en particuliere sector



Er zijn een paar grote verschillen tussen de overheid en een onderneming in de particuliere sector:



de productie van de overheid hoeft niet kostendekkend te zijn



bij de overheid beslist men over het inzetten van de schaarse middelen met behulp van het budgetmechanisme.



Een particuliere onderneming let vooral op de winstgevendheid.



Het prijsmechanisme staat centraal in een particuliere onderneming.



Prijsmechanisme: de prijzen en prijsverhoudingen bepalen welke goederen de ondernemingen in welke hoeveelheden zullen produceren.



Budgetmechanisme: voor alle overheidsactiviteiten wordt de hoogte van de toegestane uitgaven vastgesteld.



Politici: kamerleden en ministers.



Ambtenaren zullen vaak streven naar een sterkere positie van de afdeling waar ze werkzaam zijn.



Pressiegroepen: vakbonden, organisaties van werkgevers of de milieubeweging.







2.4: Collectieve goederen



Zuiver collectieve goederen: iedere Nederlander heeft er profijt van. De overheid produceert zelf deze goederen. Wij betalen deze goederen via de belasting.



Voorbeeld: de dijken die ons beschermen tegen de zee.



Quasi-collectieve goederen: mensen kunnen wel individueel betalen.



Voorbeelden: onderwijs en het wegennet (tolwegen).



De overheid levert ook een groot aantal:



Zuiver individuele goederen: de afnemers betalen deze goederen naar de mate waarin zij ze gebruiken.



Voorbeelden: Gas, water en elektriciteit.



Privatiseren: overheidsactiviteiten worden overgeheveld naar de particuliere sector.



Men hoopt dat de productie efficienter wordt of dat de kwaliteit verbeterd.





2.5: Micro, meso en macro



micro-economie: de economie van het kleine, bv. Op welke wijzen 1 consumptiehuishouding haar inkomen besteedt.



Allocatie: het inzetten van de productiemiddelen bij de verschillende productiemogelijkheden.



Meso-economie: een bepaalde bedrijfstak, bv. chemische industrie of de bouw.



Ook bepaalde sectoren, zoals agrarische sector vallen onder meso-economie.



Macro-economie: bestedingen die de ondernemingen gezamenlijk doen voor het kopen van machines en materialen, of de consumptie van alle consumenten samen.



Bruto Binnenlands Product: de totale productie in een land in 1 jaar.



Bedrijfseconomie: houdt zich vooral bezig met wat er gebeurt binnen de muren van een onderneming.



Commerciele economie: men let vooral op de positie van de onderneming op inkoop en verkoop markten.



2.6: Modellen



Een model geeft een versimpelde weergave van de werkelijkheid.



Hierdoor krijgen we een beter inzicht in de verschijnselen die te maken hebben met schaarste. Een model beschrijft de werkelijkheid nooit volledig.



Analytisch model: als men een model ontwerpt om de werkelijkheid nader te onderzoeken.



Beleidsmodel: bekijkt hoe door ander beleid het BBP zal veranderen.



2.7: Economische orde en economische politiek



In Nederland kennen wij een vrije prijsvorming op markten.



In onze gemengde economische orde ontwikkelt zich een samenspel tussen overheid en bedrijfsleven.



Het voeren van economische politiek blijft een belangrijke taak van de overheid.



2.8: Economische politiek



Economische politiek: het beinvloeden van het economisch leven door de overheid en monetaire autoriteiten.



De belangrijkste onderdelen van economische politiek zijn:



monetair beleid: het voeren van een monetair beleid behorot in ons land tot de taken van DNB. DNB is eigendom van de staat maar een onafhankelijke instelling.



inkomenspolitiek: als de overheid invloed probeert uit te oefenen op de hoogte en de verdeling van de inkomens in Nederland door belastingtarieven te wijzigen.



mededelingsbeleid: heeft als doel de onderlinge concurrentie van ondernemingen in goede banen te leiden.



Prijsbeleid: de minister van Economische zaken kan maximum en minimum prijzen instellen voor goederen.



milieubeleid: de overheid probeert het verontreinigen van lucht en water en het vervuilen van onze omgeving tegen te gaan.







Een waarderingsoordeel berust altijd op een overtuiging.



Zijnsoordeel: oordelen van constaterende aard.



Voorbeeld: de belastingopbrengsten zullen lager worden als de economische groei vermindert.



Ze hoeven niet altijd waar te zijn.



Hoofdstuk 3: Consument en loonvorming



3.1: Loon en salaris



loon: het inkomen uit arbeid.



Pacht/huur: het geld dat eigenaren ontvangen door grond en gebouwen te verhuren.



Interest: de vergoeding voor het spaargeld dat mensen beleggen.



Aan de eigenaren van een onderneming betaalt men een deel van de gemaakte winst: het dividend.



Nominale loon: het geldbedrag dat iemand ontvangt door te werken.



Reele loon: hoeveel goederen er voor het nominale loon gekocht kunnen worden.



Het reele loon hangt af v.d prijzen v.d goederen waaraan men zijn inkomen besteedt.



Prijscompensatie: aanpassing van de nominale lonen aan de gestegen prijzen.



Van het brutoloon houdt de werkgever loonbelastingen en premies voor sociale verzekeringen in.



Nettoloon: wat overblijft na de loonbelastingen en premies voor sociale verzekeringen.



De loonkosten die een werkgever moet betalen voor een werknemer bedragen meer dan het brutoloon. (ondernemingen betalen zelf een deel van premies van soc. Verzek.)



Wig: het verschil tussen de loonkosten voor de werkgever en het nettoloon van de werknemer.



3.2: Consumentenprijsindex



indexcijfers: getallen waarmee je de ontwikkeling van een grootheid in de loop v.d tijd weergeeft.



Voorbeeld: fles cola kost in 1998 f 3,00 en in 1999 f 3,30



Bereken het prijsindexcijfer voor 1999



1998 noem je het basisjaar en stel je op 100, 1999 is het beschouwde jaar.



330 : 300 x 100 = 1,1 x 100 = 110



Enkelvoudig indexcijfer: het prijsindexcijfer voor een goed.



Samengesteld prijsindexcijfer: de ontwikkeling van een aantal prijzen in de loop v.d tijd met een indexcijfer weergegeven.



Consumentenprijsindex: geeft de gemiddelde prijsontwikkeling weer van alle consumptiegoederen die in het huishoudboekje v.d consument voorkomen.



Wegingsfactor: kijken hoeveel procent van het inkomen de consumenten aan goederen uitgeeft.



3.3: Psychologische aspecten van het consumentengedrag



Consumptiepioniers: consumenten die als eerst nieuwe goederen willen aanschaffen.



Character merchandising: het verkopen van allerlei goederen door middel van de combinatie met een stripfiguur. (Dit is vooral voor kinderen)







3.4: Kopen op afbetaling



Kopen op afbetaling komt veel voor, vooral bij grote aankopen zoals een auto.



Het afbetalingskrediet is een dure kredietvorm.



Dit komt omdat het risico voor de kredietgever groot is en de administratiekosten hoog zijn.



Effectieve rente: de rente die je werkelijk moet betalen.



Ontsparen: dat er meer consumptief wordt besteed dan iemands inkomen bedraagt.







3.5: De personele inkomensverdeling



personele inkomensverdeling: de verdeling van het nationaal inkomen over de personen in een land.



Inkomensverschillen kunnen ontstaan door verschil in verantwoordelijkheid, opleiding, leeftijd, inspanning.







Voor Lorenz-Curve zie je eigen aantekeningen.







3.6: Primaire, secundaire en tertiaire inkomensverdeling



De personele inkomensverdeling kunnen we onderscheiden in:



primaire inkomensverdeling: de verdeling voordat belastingen en sociale premies zijn geheven en sociale uitkeringen en subsidies zijn ontvangen.



secundaire inkomensverdeling: wanneer wel rekening is gehouden met de herverdeling van de inkomens door belastingen, premies, uitkeringen en subsidies.



De secundaire is een stuk minder ongelijk dan de primaire.



Dit komt doordat de hogere inkomens meer belasting betalen.



Inkomensnivellering: als de personele inkomensverschillen zijn verkleind.



Tertiaire inkomensverdeling: overheidsdiensten, vele groepen in de samenleving maken hier gebruik van.



Vermogen: iemand persoonlijke bezittingen minus zijn schulden.







3.7: De progressie inkomensbelasting



Een belasting waarmee iedereen te maken krijgt is de inkomensbelasting.



Het is progressief, naarmate het inkomen hoger is, des te hoger het belastingpercentage.



Aftrekposten die veel voorkomen zijn pensioenpremies, studiekosten en giften.



Ook hypotheekrente is een belangrijke aftrekpost.



Voor belastheffing geldt:



Belastbaar inkomen = bruto jaarinkomen - de aftrekposten.



Belastingvrije som: een deel van het inkomen waarover geen belasting betaald hoeft te worden.



Het inkomen waarover je belasting moet betalen bereken je als volgt:



Alle inkomsten uit arbeid en bezit opgeteld



Af de aftrekbare bedragen



Belastbaar inkomen



Af: belastingvrije som



Belastbare som







Belastingdruk: de belastingen uitgedrukt in een percentage van het belastbaar inkomen



Het belastingpercentage dat van toepassing is op het extra inkomen dat iemand gaat verdienen heet het marginale tarief.



Als er inflatie is maakt de overheid de verzwaring van de belastingdruk ongedaan.







3.8: Sociale zekerheid



Voor de sociale verzekeringen moeten we premies betalen.



Deze worden betaald door werkgever / werknemer en soms een beetje v.d overheid.



De uitgaven voor de sociale verzekeringen worden rechtstreeks door de overheid betaald.



De sociale verzekeringen worden ingedeeld in:



Volksverzekeringen: gelden voor iedereen



Werknemersverzekeringen: alleen van toepassing op mensen in loondienst.







Inkomstenderving Gezondheidszorg Pensioen en kinderbijslag







WW ZW AAW WAO ZFW AWBZ AOW AWW AKW







Afkortingen



AAW = Algemene ArbeidsongeschiktheidsWet AOW = Algemene Ouderdomswet



AWBZ = Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten



AWW = Algemene Weduwe- en Wezenwet AKW = Algemene KinderbijslagWet



WAO = Wet op de Arbeidsongeschiktsheidsverzekering



WW = Werkloosheidswet ZFW = Ziektefondswet ZW = Ziektewet



Omslagstelsel: de werkenden betalen via premieheffing het bedrag dat voor ouderdomsuitkeringen nodig is.



Kapitaaldekkingsstelsel: iedere individuele werknemer vormt eigen reserve om de ouderdomsuitkering te betalen.



3.9: Sociale-Verzekeringswetten



De sociale verzekeringswetten kunnen we in 3 groepen verdelen:



Wetten die betrekking hebben op het wegvallen van inkomen.



de werkloosheidswet, garandeert werknemers minimaal een half jaar een uitkering. Duur v.d uitkering hangt af van iemand arbeidsverleden.



De wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (WULBZ)



Door deze wet is de werkgever verplicht minimaal 70% van het loon aan een ziek geworden werknemer door te betalen.



Bij langer dan 52 weken ziek komt ie in aanmerking voor WAO uitkering.



Wetten die de kosten van medische verzorging betreffen.



De ziektenfondsenwet (ZFW) heeft tot doel de verzekerden te voorzien van medische verzorging.



De algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) verzekert de geneeskunde risico's die niet via het ziekenfonds of de ziektekostenverzekeraar gedekt zijn.



Wetten die het ouderdoms en nabestaandenpensioen regelen:



De Algemene OuderdomsWet (AOW) garandeert alle Nederlanders vanaf 65 jaar een inkomen.



De Algemene Nabestaandenwet (ANW) zorgt voor uitkering als een kostwinner overlijdt. De uitkering is afhankelijk van het inkomen.







3.10: Problemen in de sociale zekerheid



Mogelijkheden om te bezuinigen:



Bevorderen dat er minder uitkeringen komen, d.m.v het terugdringen van ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Dit heet ook wel het volumebeleid.



Tegengaan van oneigenlijk gebruik v.d sociale zekerheid door strengere controle, eenvoudigere regels en hogere boetes.



De koppeling loslaten, waardoor de uitkeringen minder stijgen dan de lonen in het bedrijfsleven.







Negatieve selectie: gezonde mensen gaan bij andere verzekeringen tegen een lagere premie, dit leidt ertoe dat de andere mensen bij een hogere premie moeten, waardoor die weer bij een lagere premie zullen gaan. Hierdoor blijven de minst gezonde mensen over die de hoogste premies moeten betalen. (ofzo)



Opportunistisch gedrag: mensen gaan zich risicovoller gedragen omdat ze verkerd zijn.





Hoofdstuk 4: Ondernemingen



4.1: Van ruil naar handel



Arbeidsproductiviteit: de productie per werker in een periode.



Transactiekosten: de kosten van het ruilverkeer.



Specialisatie: een onderneming of werknemer gaat zich toeleggen op het produceren van 1 of slechts enkele soorten goederen.



Specialisatie kan op drie manieren plaatsvinden:



externe arbeidsverdeling: de een maakt schoenen, ander radioapparatuur.



interne arbeidsverdeling: de ene werknemer is directeur, ander boekhouder.



Geografische arbeidsverdeling: arbeidsverdeling tussen landen of regio's, in Spanje zijn er sinasappels kwekers, in Nederland bollenkwekers.







4.2: De bedrijfskolom



In een bedrijfskolom wordt weergegeven welke weg een goed aflegt van oerproducent tot consument.



Elke regel van de bedrijfskolom noem je een geleding of bedrijfstak.



Integratie: een samenvoeging van twee opeenvolgende geledingen.



Differentiatie: als er een bedrijfskolom bij komt.



Parallellisatie: een onderneming gaat aanverwante activiteiten uit een andere bedrijfskolom erbij doen.



Branchevervaging: een uitgebreide vorm van parallellisatie.







4.3: Indelingen van ondernemingen (1)



Er zijn 4 criteria volgens welke ondernemingen kunnen worden ingedeeld:



het product of de producten die zij voortbrengen.



de eigendom en aansprakelijkheid.



particuliere of staatseigendom.



de omvang.



1: Indeling naar product: ondernemingen worden gerekend tot de:



Primaire sector: onderneming die hun producten vrijwel rechtstreeks van de natuur krijgen (landbouw, mijnbouw, bosbouw, visserij)



Secundaire sector: alle industriele ondernemingen. (ze verwerken grondstoffen tot eindproducten)



Tertiaire sector: banken, handel, verzekeringen, accountants, vervoersmaatschappijen.



De commerciele dienstverlenende ondernemingen.



Quartaire sector: de niet commerciele dienstverlening (bejaardenzorg, ziekenhuizen)



2: Eigendom en aansprakelijkheid: Ondernemingen kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld:



eenmanszaak: eigendom en leiding is in handen van 1 persoon. De eigenaar is met zijn hele vermogen aansprakelijk voor de schulden v.d onderneming. Ook prive bezit kan worden overgenomen als hij schulden niet kan betalen.



vennootschap onder firma: 2 of meer mensen gezamenlijk leiding en eigendom. Ze zijn allemaal met prive vermogen aansprakelijk voor schulden.



Commanditaire vennootschap: 2 soorten eigenaars, de beherende en de stille vennoten. De beherende heeft de leiding. De beherende is met prive vermogen aansprakelijk voor schulden. De stille alleen met het geld dat het in de onderneming steekt.



NV: de eigenaars zijn de aandeelhouders. De aandelen van een NV zijn vrij verhandelbaar op de effectenbeurs.



BV: Een BV heeft vaak kleine groep aandeelhouders en kan niet op de beurs worden verkocht.



Coöperatieve vereniging: een groep ondernemers, gezamenlijk eigendom van een onderneming. Leden alleen aansprakelijk voor bedrag van deelname in ond.



Raad van Commissarissen: bekijkt of het beleid van de directie wel goed is en of de onderneming genoeg winst maakt.



4.4: Indelingen van ondernemingen (2)



3: Particuliere eigendom of staatseigendom



Veruit de meeste ondernemingen zijn eigendom van particulieren.



Het doel van deze ondernemingen is winst behalen.



Als een onderneming staatseigendom is, komt de bediening van het publiek op de eerste plaats.



4: Omvang van de onderneming



Men kan onderneming meten naar: omzet, aantal werknemers, aantal vestigingen, balanstotaal of de omvang van aandelenvermogen.



Ondernemingsraad: verplicht bij ondernemingen met meer dan 35 werknemers, de gekozen vertegenwoordigen de werknemers. Directies moeten ermee overleggen.







4.5: Groei en concentratie



Interne groei: de onderneming bereikt van binnenuit een grote productie.



Als een onderneming productiefactoren uitbreidt kunnen er schaalvoordelen/nadelen komen.



Schaalvoordelen: medewerkers kunnen zich meer specialiseren op taken waar ze het beste bij passen.



Schaalnadelen: werk kan eentonig worden, onderneming wordt bureaucratischer.



Externe groei: het groeiproces komt tot stand door het overnemen van andere ondernemingen.



Fusies zijn gericht op 2 dingen:



het benutten van schaalvoordelen



het benutten van synergie: voordelen door een betere combinatie van middelen.







4.6: Grote concerns



Concern: een groep ondernemingen, bestaande uit een moedermaatschappij (holding company) en een aantal dochtermaatschappijen.



Holding company: bezit de aandelen van de dochtermaatschappijen.



De dochtermaatschappijen verzorgen de productie. (werkmaatschappijen)



Franchising: mensen mogen een bedrijfsnaam gebruiken maar moeten zich wel aan een hoop regels houden en ze moeten daar producten inkopen.



Kartel: afspraken tussen ondernemingen uit eenzelfde bedrijfstak met het doel de concurrentie te beperken.



Multinationals: ondernemingen die hun afzet over veel landen hebben verspreid.



Voordelen: ze kunnen daar produceren waar de arbeid of grondstoffen goedkoop zijn.







4.7: Vijandige overname



Hier valt nix over samen te vatten.



4.8: Informatietechnologie



Mechanisatie: het invoeren van machines.



Automatisering: door de ontwikkeling van computers is het mogelijk geworden de bediening en besturing van machines automatisch te laten plaatsvinden.



4.9: De marketingmix



Marketingmix: Ondernemingen proberen op de markten hun positie te handhaven.



De marketingmix bestaat uit 4 onderdelen:



productiebeleid: omvat de keuze van het aantal producten dat de onderneming maakt en de eigenschappen ervan.



distributiebeleid: de wijze waarop men de goederen verkoopt.



reclamebeleid: bekendheid geven aan een product, de voorkeur van de consumenten verstevigen.



prijsbeleid: welke prijs de onderneming gaat vragen voor hun product.





productdifferentiatie: hoe men de producten gaat onderscheiden van die van de concurrenten.



Innovatieconcurrentie: het ontwikkelen van nieuwe producten, de ondernemingen concurreren met elkaar.



Afzetkanalen: waar men de goederen verkoopt.



Logistiek: de goederen moeten op de juiste tijd op de juiste plaats zijn.



4.10: De markt veroveren



Penetratiepolitiek: eerst een lage prijs zodat ze veel verkopen, dan een iets hogere prijs zodat de verkopen winstgevend worden.



Productiecapaciteit: de maximale hoeveelheid productiemiddelen die een onderneming kan inzetten.



Afroompolitiek: eerst een hoge prijs, alleen een kleine groep kan die hoge prijs betalen, pas na een tijdje lagere prijs zodat anderen het gaan kopen.



De afroompolitiek gebruikt men als de productiecapaciteit nog klein is.



4.11: Jaarstukken



Deze vat ik niet samen omdak er geen zin meer in heb.





Economie samenvatting Hoofdstuk 5







5.1: Arbeid







Formele sector: al het verrichte arbeid dat het CBS registreert.



Informele sector: alles wat het CBS niet registreert, zoals vrijetijdswerk, huishouding, zwart werk.



Voor zwart werk hoeft de ontvanger geen loonbelasting en sociale premies af te dragen.



Wig: het verschil tussen de brutoloonkosten voor de werkgever en het nettoloon.









Formele sector: wit







Betaald Informele sector: zwart





Arbeid





Onbetaald Informele sector







5.2: Indeling van arbeid







Geschoolde arbeid: arbeid waarvoor je een goede opleiding hebt gehad.



Ongeschoolde arbeid: werk dat je kan doen zonder dat je er een



opleiding voor nodig hebt.



Hoofdarbeid: ontwerpers van reclames, secretaresses van een directie, docenten in het onderwijs.



Handarbeid: naaisters in ateliers, diamantbewerkers en automonteurs.



Uitvoerende arbeid: de werknemers voeren de opdrachten uit die door de leiding zijn gegeven.



Leidinggevende arbeid: degene die opdrachten geven.



Delegeren: taken overlaten aan lager geplaatsten in een organisatie.



Emancipatie: de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen in de samenleving en in het arbeidsproces.



5.3: Arbeidsvreugde



Arbeidsvreugde: het plezier dat je in je werk hebt, arbeidsvreugde hangt af van de werkplek, apparatuur, werktijden, schone ruimtes.



Flexibele werktijden: zelf beslissen op welke tijden je werkt.



Parttime: niet de hele week werken maar een paar dagen.



Duobaan: 2 personen bezetten samen 1 arbeidsplaats.





5.4: Aanbod van arbeid







Arbeidsmarkt: de markt waarop arbeid wordt gevraagd door de overheid en het bedrijfsleven.



Werknemer: geniete een bescherming door de sociale wetgeving, zijn verzekerd van inkomen tijdens ziekte en werkloosheid.



Ondernemers zijn niet verzekerd van inkomen tijdens ziekte en werkloosheid, ze moeten de premie geheel zelf betalen.



Startende ondernemers: jonge mensen die toch een gok wagen om een eigen onderneming te beginnen.



Beroepsbevolking: mensen die langer dan 12 uur per week werken, die tussen de 15 en 64 jaar zijn en ook de mensen zonder baan maar die wel werk zoeken.



Beroepsbevolking bestaat uit 2 groepen:



de afhankelijke beroepsbevolking: de werknemers en werklozen.



de niet afhankelijke beroepsbevolking: zelfstandige ondernemers, boeren, mensen met eigen bedrijf.



Leerplichtwet: als je nog geen 15 bent moet je full time naar school.



Bevolkingsaanwas: migratie overschot + geboorteoverschot.



Participatiegraad: beroepsbevolking uitgedrukt als een percentage van de potentiele beroepsbevolking.







5.5: Vraag naar arbeid







De vraag naar aanbod staat tegenover het aanbod van arbeid.



Personeelsadvertenties: mensen worden uitgenodigd om te solliciteren naar functies.



Arbeidsbureaus: spelen een bemiddelende rol tussen vraag en aanbod.



Uitzendbureaus: dit gaat meestal om tijdelijke arbeidskrachten, bij deze bureaus zijn heel veel mensen ingeschreven die tijdelijk werk zoeken.



Headhunters: mensen die andere bedrijven langsgaan op zoek naar goede werknemers die voor hun bedrijf willen komen werken.







5.6: De Arbeidsmarkt







CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomsten, hier worden dingen zoals het loon besproken.



Primaire arbeidsvoorwaarden: loon, arbeidstijd.



Secundaire arbeidsvoorwaarden: vakantieregelingen, pensioenregelingen, apparatuur.



Vakbonden: werknemers van 1 of meer bedrijfstakken hebben zich georganiseerd, ze vertegenwoordigen de werknemers. En organiseren acties om hun doelen te bereiken.





5.7: De loonvorming op de arbeidsmarkt







Initiele loonstijging: koopkracht van de lonen zal met een bepaald percentage of bedrag stijgen.



Incidentele loonstijging: loonstijging die je krijgt doordat je bijvoorbeeld bevorderd wordt naar een hogere functie.



Modale werknemer: de “gemiddelde” werknemer.



Vrije beroepen: artsen, advocaten, architecten. Hun tarieven worden vastgesteld samen met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.



Trendbeleid: het volgen van de loonontwikkeling in de marktsector.







5.8: Deelmarkten van de arbeidsmarkt







Jeugdwerkgarantiewet: jongeren tussen de 16 en 21 jaar die langer dan 6 maanden werkloos zijn, garandeert hun een tijdelijke baan.



Wet gelijke behandeling: deze wet zorgt dat de achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt minder wordt.



Positieve actie: een vrouw krijgt de voorkeur boven een man wanneer zij voor een functie een geschikte kandidaat is.



Een volwassen werknemer van 23 jaar of ouder mag niet minder verdienen dan het minimumloon.







5.9: Werkloosheid







Werkloosheid: als het aanbod van arbeid groter is dan de vraag spreekt men van werkloosheid.



Niet-Geregistreerde werkloosheid: mensen die een baan zouden willen hebben maar er toch van af zien omdat er toch geen werk te vinden is. (jongeren en gehuwde vrouwen bijvoorbeeld)



Verborgen werkgelegenheid: het zwart werk en het overwerk.



Hysterese: als iemand lang werkloos is veroudert zijn vroegere werkervaring.



5.10: Oorzaken van werkloosheid







Conjuncturele werkloosheid: sommige werknemers raken overbodig doordat ondernemingen minder te doen hebben.



Structurele werkloosheid: er zijn te weinig arbeidsplaatsen ten opzichte van de beroepsbevolking, dit kan komen door te weinig investeringen van ondernemingen, dienstverlening en infrastructuur.



Kwantitatieve structurele werkloosheid: aantal arbeidsplaatsen is te klein ten opzichte van de beroepsbevolking.



Kwalitatieve structurele werkloosheid: arbeidsplaatsen verminderen door nieuwe techniek.



Herscholen/bijscholen: als iemand niet meer nodig is voor een bepaald beroep, moet diegene ander werk zoeken, en dus opnieuw dingen leren.



Productinnovatie: productvernieuwing.







5.11: Bestrijding van conjuncturele werkloosheid







Onderbesteding: het algemeen tekort aan vraag.



Productiecapaciteit: het productievermogen



Onderbezetting: dit komt door onderbesteding.







5.12: Bestrijding van structurele werkloosheid







Structurele werkloosheid kan worden bestreden door te bevorderen dat er meer arbeidsplaatsen komen. Het bevorderen van investeringen is van belang, omdat daardoor de productiecapaciteit groter wordt.



Door lagere loonkosten zullen bedrijven meer investeren omdat de winsten van de ondernemingen stijgen.







5.13: Bestrijding van werkloosheid door korter werken







Herindeling van beschikbare arbeidsplaatsen op meerdere manieren:



VUT (Vervroegde Uittreding), iemand gaat eerder met pensioen dan met 65 jaar.



verkortingen van de werkweek, door kortere werktijd zijn er meer mensen nodig.



deeltijdwerk, een werknemer bezit slechts voor een deel een arbeidsplaats.



langere vakanties, meer snipperdagen, flexibelere werktijden.







5.14: Andere oorzaken van werkloosheid







Frictiewerkloosheid: voor het zoeken van een nieuwe baan is tijd nodig.



Seizoenswerkloosheid: In bepaalde jaargetijden is er meer vraag naar werk dan in andere jaargetijden.





HOOFDSTUK 6





Geld: Ongedifferentieerde koopkracht die algemeen, door iedereen, wordt aanvaard.



Nominale waarde: De waarde die op een munt vermeld staat



Intrinsieke waarde: De waarde aan goud of zilver die de munt bevat, stoffelijke waarde



Bankbiljetten: Ontvangstbewijzen die zich in bankbiljetten ontwikkeld hebben



Credit Cards: Veel betalingen worden nu ook gedaan met Credit Cards.



Standaardmunt: De beschreven vorm, waarin gouden munten als betaalmiddel in omloop zijn



Goud kernstandaard: de goudvoorraad is grotendeels opgeslagen bij de circulatie bank.



Papierenstandaard: sinds 1936 de vaste verhouding tussen de gulden en een hoeveelheid goud werd verbroken. 1936 afschaffing goudstandaard.



Deviezen: buitenlandse geldsoorten die gebruikt worden voor het doen van internationale betalingen



Bretton Woods: waar westerse landen afspraken maakten aan het eind van de WO2 over een vaste band tussen goud en de gulden



Sleutelvaluta: belangrijke valuta's zijn sleutelvaluta's zoals de dollar en yen



Giraal geld: bestaat uit direct opvraagbare tegoeden bij banken, waarmee men door middel van overschrijving kan betalen (Credit Card, Pin Pas)



Dagafschrift: regelmatig ontvangen de rekeninghouders van de banken een dagafschrift waarop alle veranderingen (mutaties) in het tegoed staan vermeld.



Maatschappelijke geldhoeveelheid: al het girale geld en het chartale geld dat in handen is van het publiek. Het publiek is iedereen behalve geldscheppende instellingen



Substitutie: de omzetting van chartaal geld in giraal geld (of omgekeerd)



Geldschepping: vergroting van de maatschappelijke geldhoeveelheid



Geldvernietiging: verkleining maatschappelijke geldhoeveelheid



Transformatie: het omzetten van `niet geld' in geld



Termijndeposito: een tegoed dat niet tot de maatschappelijke geldhoeveelheid behoord



Kredietverlening: belangrijke vorm van geldschepping (wederzijdse schulaanvaarding)



Ondernemer leent geld bij bank, bank stelt bedrag in vorm van rekening courant beschikbaar de ondernemer kan dan met dit tegoed langs de girale weg zijn leveranciers betalen.



Liquiditeit: het vermogen om aan de normale opvragingen van de rekening houders te voldoen. Met kijkt dus naar het kasgeld van die bank.



Solvabiliteit: het vermogen om eventuele terugbetaalde kredieten uit eigen middelen op te vangen



Primaire liquiteitenmassa: Als het chartale en girale geld dat niet in handen is van de geldscheppende instellingen, de maatschappelijke geldhoeveelheid dus, noemen we de primaire liquiditeitenmassa, ook wel M1



Secundaire liquiditeiten: zijn kortlopende vorderingen van het publiek op geldscheppende instellingen, die op korte terimijn zonder veel kosten en koersverlies op grote schaal in binnenlands geld kunnen worden omgezet. (kortetermijndeposito's, spaargelden)



Binnenlandse liquiditeitenmassa: bestaat uit de primaire liquiditeite plus de secundaire liquiditeitenmassa. De binnenlandse liquiditeitenmassa wordt M3 genoemd. M3 - korte spaartegoeden wordt M2 genoemd.



Transactiemotief: Het grootste deel van de kasvoorraden en de banktegoeden waarover het publiek beschikt, is bestemd voor de betaling van transacties. We zeggen dan dat men geld in kas of op een rekening courant heeft vanwege het transactiemotief.



Actieve kassen: transactiekassen. Met het geld in de actieve kassen oefenen de consumenten en de ondernemingen vraag uit. Het bedrag dat in de actieve kassen zit, hangt af van de hoogte van het bruto binnenlandsproduct.



Inactieve kassen: men geeft het geld nog niet direct uit, men heeft het opgepot. 2 redenen waarom ze oppotten: 1. voorzorgsmotief: geld achterhouden voor onvoorziene gebeurtenissen 2. speculatiemotief: stijging of daling aandelenkoersen verwacht, is dan beter om nog ff te wachten met beleggen. De hoogte van inactieve kassen is afhankelijk van de rente stand, rentestand hoger = minder geld in inactieve kas.



Oppotten: Wanneer consumenten of ondernemers geld overhevelen van de actieve kas naar de inactieve kas.



Ontpotten: geld uit de inactieve kas overbrengen naar de actieve kas



Omloopsnelheid geld: geeft aan hoeveel keer een geldeenheid gemiddeld in een jaar in andere handen overgaat (V)



Geldstroom: Als je de maatschappelijke geldhoeveelheid vermenigvuldigd met de omloopsnelheid van het geld, vind je het bedrag van alle betalingen die in een jaar gedaan zijn, dit is de geldstroom



Goederenstroom: Tegenover geldstroom staat goederenstroom, we nemen het gemiddelde van alle transacties en vermenigvuldigen deze met het aantal transacties. De uitkomst is de waarde van de goederenstroom in 1 jaar



Monetaire inflatie: stijging M * V



Monetaire deflatie: daling M * V



Monetair evenwicht: M * V constant



Verkeersvergelijking van Fisher: M * V = P * T , als M door geldschepping stijgt, is het mogelijk dat V daalt. De vergroting van de geldhoeveelheid verzandt da in de kleinere omloop snelheid van het geld.



Prijsinflatie: P (gemiddelde prijsniveau van de transacties) stijgt



Deflatie: geldstroom neemt af door geldvernietiging en/of oppotting. De geldvernietiging zal gevolg zijn van aflossingen op kredieten, terwijl er weinig nieuwe kredieten worden gevraagd.



Monetaristen: kleine groep economen die menen dat de aard en de omvang van de geldcirculatie een zelfstandige invloed op het economisch proces hebben. Bekendste: Friedman 1912 in 1976 Nobelprijs voor economie.



Geldgroeiregel: In elk land moet een centrale bank ervoor zorgen dat de geldhoeveelheid per jaar met niet meer dan een vast, laag percentage groeit.



Krapgeldpolitiek: alleen een reele toename van het BBP , een reele productieverhoging dus, die wordt veroorzaakt door de groei van de productiecapaciteit. Er komt dan alleen geld in omloop dat de reele verhongingen financiert (de stijging van T). Friedman en andere menen dat deze krapgeldpolitiek voldoende is om de problemen van inflatie en werkloosheid tegen te gaan.



Stagflatie: Een combinatie van inflatie en werkeloosheid, die in jaren zeventig veel voorkwam.



Monetaire financiering: geldscheppende instellingen vragen om geld te maken om de tekorten van de overheid te financieren, er wordt daardoor veel geld in omloop gebracht dat door niemand verdient is.



Verwachtingen monetaristen: Een soepel monetair beleid lokt de verwachting uit dat de prijzen zullen gaan stijgen. Lonen zullen dan ook gaan stijgen, die de productiviteit overtreffen. Daardoor ontstaat werkeloosheid, zodat in hun redenering werkloosheid en inflatie best samen kunnen gaan. Om werkloosheid te bestrijden moet men de geldgroeiregel toepassen.



Kosteninflatie: Loonstijgingen hoger dan productiviteit stijging.





HOOFDSTUK 7







Aandelen: anders dan bij obligaties geven deze geen recht op aflossing. Het geld wordt voor zeer lange tijd



aan de onderneming afgestaan en vormt daar een onderdeel van het eigen vermogen. Door verkoop kunnen



er wisselende aandeelhouders zijn. Als tegenprestatie ontvangen de aandeelhouders soms een percentage



van de winst (Dividend), maar bij verlies krijgen de aandeelhouders niets



Aandelenemissie: een onderneming geeft nieuwe aandelen uit.. Meestal bemiddelen banken hierbij



Bedrijfseconomisch toezicht: de DNB let erop dat de banken liquide en solvabel zijn. Een bank die



liquide is beschikt over voldoende kasmiddelen om aan de chartale opvragingen van het publiek te



voldoen. Een bank die solvabele is staat eventuele verliezen, bijvoorbeeld op haar kredietportefeuille,



uit eigen middelen op te vangen



Callopties: men probeert winst te maken door een koersstijging



Chartaal betalingsverkeer: (de munten en biljetten) De ECB bepaalt de hoeveelheid uit te geven



bankbiljetten en munten in de Eurozone. De feitelijke uitgifte kan zowel door de ECB als door de



nationale centrale banken worden verzorgd



Commissionair in effecten: transacties met effecten worden uitgevoerd door de banken of door



commissionairs in effecten. Dit zijn ondernemingen die in opdracht van hun klanten effecten kopen



of verkopen. Alleen banken en commissionairs die lid zijn van de Vereniging voor Effectenhandel



hebben toegang tot de beurs. Deze moet zorgen dat alles volgens strikte regels verloopt.



Daggeldlening: een krediet dat per dag kan worden opgezegd



Depositofaciliteit: vorm van Permanente faciliteiten. Kredietinstellingen met een liquiditeitsoverschot



kunnen hiervan gebruik maken. De rente hierover, de depositorente vormt de bodem voor de



geldmarktrente en is dus lager dan de refi-rente



Depositorente: rente van de depositofaciliteit. Deze rente vormt de bodem voor de geldmarktrente



en is dus lager dan de refi-rente



Effecten: obligaties, pandbrieven en aandelen



ECB: Europese Centrale Bank. Tak van de ESCB. De raad van Bestuur van de ECB besluit over het



monetaire beleid, de rente, in het eurogebied. De president ECB Wim Duisenberg



De primaire doelstelling is het handhaven van prijsstabiliteit in het Eurogebied. Zoals de koopkracht



en de interne waarde. Extern niet omdat het eurogebied als geheel een tamelijk gesloten economie is.



EMU: Economisch Monetaire Unie, 11 lidstaten: Nederland, Belgie, Duitsland, Frankrijk, Spanje,



Ierland, Italie, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal en Finland. Om deel te mogen doen aan de EMU,



moeten lidstaten voldoen aan een aantal voorwaarden, deze zijn vastgelegd in het Verdrag van Maastricht.



Na toetreding moet je, je houden aan het Stabiliteitspact.



ESCB: Europees Stelsel van Centrale Banken. Bestaat uit de Europese Centrale Bank (ECB) en de



centrale banken van alle 15 lidstaten van de Europese Unie. Belangrijkste besluitvormende orgaan is



de Raad van Bestuur van de ECB. Monetair beleid is in handen van het ESCB. Het doel is het



handhaven van prijsstabiliteit in de Euro zone. Hieronder verstaan we een stijging van de



geharmoniseerde consumptieprijzen met minder dan 2% op jaarbasis.



`fine-tuning' instrumenten: vorm van Open-markttransacties. Met deze instrumenten kan worden



ingesprongen op onverwachte veranderingen in de liquiditeitsverhoudingen op de geldmarkt.



Voorbeelden zijn: wederinkoop, deviezenwaps en termijndeposito's.



Geldmarkt: krediet op korte termijn. Deze kredieten hebben over het algemeen een looptijd tot een jaar.



Het onderdeel v/d geldmarkt waar de banken onderling kort krediet vragen en aanbieden noemt men



de geldmarkt in enge zin. Belangrijke krediet vorm op de geldmarkt is rekening courant krediet.



De algemene banken zijn zowel de vragers als aanbieders.



Geldscheppende instellingen: banken die meer krediet verlenen dan zij zelf aan geldmiddelen hebben



Giraal effectenverkeer: afwikkeling van effecten op de effectenbeurs. Als eigendomsbewijs ontvangt



de koper van effecten van zijn bank een afschrift, waarop staat hoeveel en welke effecten hij bezit



Girale betalingsverkeer: DNB overwerkt het interbancaire betalingsverkeer in een eigen geautomatiseerd



betalingssysteem, TOP genoemd. Sinds 1 januari 1999 is het betalingsverkeer van DNB gekoppeld aan



dat van andere centrale banken in de EU. Samen vormen zij het ESCB betalingsverkeerssysteem TARGET.



Ook banken kunnen hun geldmarkttransacties en andere grote grensoverschrijdende betalingen afwikkelen via TARGET



Groothandelsmarkt: grote marktpartijen ontmoeten elkaar op de effectenbeurs zoals institutionele beleggers.



Deze handel verloopt via beeldschermen.



Herfinancieringtransacties: vorm van open markttransactie. Deze transacties nemen het grootste



deel van de kredietverlening aan banken voor hun rekening. Kredietinstellingen ontvangen liquiditeiten



tegen afgifte van onderpand. De rente die zij hiervoor moeten betalen is de refi-rente.



2 herfinancieringacties: 1 met een looptijd van 2 weken en 1 van 3 maanden.



Institutionele beleggers: financiele instellingen die regelmatig grote bedragen beleggen.



De belangrijkste zijn: de pensioenfondsen en de levensverzekeringsmaatschappijen



Jaarverslag DNB: hierin geeft de president van de Bank onder meer zijn visie op de ontwikkeling



van de Nederlandse economie. Aan deze visie wordt veel belang gehecht door onder andere de regering,



financiele marktpartijen en ondernemingen



Jaarverslag ECB: de president van de ECB geeft onder meer zijn visie op de ontwikkeling van de



economie in het eurogebied.



Kapitaalmarkt: hier verhandelt men geld met een lange looptijd. Vermogensoverdrachten in de



vorm van waardepapieren, zoals schuldbekentenissen, obligaties en aandelen. De vragers zijn de



ondernemingen, consumenten en de overheid. De aanbieders zijn meestal de individuele spaarders



en institutionele beleggers



Kleinhandelsmarkt: particuliere beleggers act. Hier komen vraag en aanbod bij elkaar via de hoekman.



Kwartaalbericht DNB: hierin staat een cijfermat. analyse van de econ. situatie in het afgelopen kwartaal



Liquide bank: bank die beschikt over vold. Kasmidd. om aan de chartale opvrag. van het publ. te voldoen.



Lombardrente: rente van een marginale beleningsfaciliteit. Deze lombardrente lis hoger dan de



refi-rente en vormt de bovengrens van de geldmarktrente



Maandbericht ECB: wordt door beleidsinstanties en financiele marktpartijen meer waarde gehecht.



Hierin worden onder meer de economische ontwikkelingen in het eurogebied geschetst. Zowel van de



afgelopen maand als op langere termijn. En wordt een overzicht van de monetaire beleidsmaatregelen gegeven



Marginale beleningsfaciliteit: vorm van Permanente faciliteiten. Kredietinstellingen met een



liquiditeitstekort kunnen hierop beroep. Hierover moet Lombardrente betaald worden. Deze



Lombardrente is hoger dan de refi-rente en vormt de bovengrens van de geldmarktrente.



Niet-geldscheppende financiele instellingen: Hypotheekbanken, zoals de Westland-Utrecht of het



Bouwfonds voor Nederlandse Gemeenten. Deze verstrekken een hypothecaire lening, een hypothecaire



lening wordt verstrekt met onroerend goed, zoals grond of een huis, als onderpand. Een hypotheek



komt onder meer aan geldmiddelen door pandbrieven uit te geven aan spaarders.



Nederlandse banken: ABN-Amro, ING-bank, Postbank, Rabobank, VSB en SNS banken



Obligaties: schuldbek. van bijvb. F1000 nominaal, waarop meestal een vaste rente per jaar wordt vergoed



Onderhandse lening: de geldlener en de belegger sluiten rechtsreeks een leningsovereenkomst. Een



voordeel is dat er beter rekening kan worden gehouden met de behoeften v/d schuldenaar en dat men



sommige kosten kan vermijden, zoals provisie door banken, drukkosten van obligaties en administratiekosten



Optie: het recht om bijvoorbeeld een bepaald aandeel tegen een vooraf bepaalde koers, de uitoefenprijs,



op een van tevoren afgesproken datum te kopen of verkopen. Er zijn Put-opties en Call-opties



Pandbrieven: waardepapieren met een vaste rente, die na een bepaalde looptijd weer worden afgelost



Primaire markt: bij nieuw uit te geven effecten



Putopties: men probeert winst te maken door gebruik te maken van een koersdaling



Raad van bestuur v/d ECB: het belangrijkste besluitvormende orgaan van het ESCB. Deze bestaat uit de



zes directieleden van de ECB en de centrale bankpresidenten van de elf aan de EMU deelnemende EU-lidstaten.



Ze besluiten over het monetaire beleid en de rente in euro gebieden



Refi-rente: rente die door banken aan de ESCB moeten worden voldaan als ze van de ESCB lenen.



De hoogte van de rente wordt bepaald door de Raad van Bestuur van de ECB



Rekening-courantkrediet: vooral onderneming nemen zulke kredieten op bij de banken. De overheid



leent veelal kortlopend kasgeldleningen te sluiten of door schatkistpapier te plaatsen bij de banken



Schatkistpapier: bestaat uit schuldbekentenissen van de staat met een korte looptijd. Hiertoe behoren



ook de zogeheten Dutch Treasury Certificates (DTC's)



Schrijven: iemand die aandelen bezit kan op zijn positie ook calls schrijven: hij geeft dan aan een



derde tot een bepaalde datum het recht de aandelen te kopen tegen de uitoefenprijs.



Secundaire markt: de handel in bestaande effecten



Solvabele bank: een bank die in staat is eventuele verliezen, bijvoorbeeld op haar kredietportefeuille,



uit eigen middelen op te vangen.



Staatslening: de staat leent regelmatig geld op de kapitaalmarkt door de uitgifte van staatsobligaties



Stabiliteitspact: Na toetreding tot de EMU moeten de lidstaten zich hier aan houden. Hierin is onder



andere vastgelegd dat de begroting op middellange termijn vrijwel in evenwicht moet zijn of een klein



overschot moet vertonen



Structurele geldmarkttransacties: vorm van Open-markttransacties. Uitgifte of inkoop van ESCB-schuldbewijzen



Structuurtoezicht: is bedoeld om ongewenste machtsposities te voorkomen die door fusies van banken



kunnen ontstaan. Als een bepaalde bank een te grote machtspositie krijgt, bestaat het gevaar dat deze



bank haar macht gaat misbruiken door bijvoorbeeld te hoge tarieven voor haar diensten te vragen. Ook



kan een te grote marktpositie er toe doen leiden dat onaanvaardbare financiele risico's ontstaan. Dit



toezicht wordt in samenwerking met de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA) gedaan.



Toezicht op de wisselkantoren: dit toezicht is met name gericht op de handhaving van de integriteit van



deze kantoren. Daarmee houdt de Bank ook toezicht op de integriteit van het financiele bestel in het algemeen



Toezicht op het bankwezen: toezicht houden op de beleggingsinstellingen en de wisselkantoren. Dit wordt



uitgevoerd door DNB. Dit toezicht valt ineen in het bedrijfseconomisch toezicht en het structuur toezicht



Uitoefenprijs: een aandeel tegen een vooraf bep. koers op een van tevoren afgespr. datum te kopen of verkopen



Verdrag van Maastricht: economische voorwaarden waar aan voldaan moet worden als je lid wil worden van de



EMU. Deze voorwaarden betreffen de inflatie, de lange rente, de overheidsfinancien en wisselkoers. Na toetreding



moeten de lidstaten zich houden aan het Stabiliteitspact



Vermogensmarkt: geheel van vraag en aanbod van geld en krediet. Het is een zogenaamde abstracte markt,



waarmee wordt bedoeld dat je niet een concrete plaats kunt aanwijzen waar vraag en aanbod elkaar ontmoeten.



Deze markt bestaat uit een geldmarkt en kapitaalmarkt



Vermogensoverdracht: obligatielening, onderhandse lening en aandelen



Weekstaat ECB: geeft informatie over de ontwikkelingen op de geldmarkt. Op deze balans staan onder meer



rekeningen die een relatie weergeven tussen het ESCB en de banken. Je kunt hierbij denken aan



herfinancieringtransacties, `fine-tuning'-transacties, depositofaciliteiten en de marginale beleningsfaciliteiten.



Veranderingen in deze posten geven informatie over de/een verkrapping of verruiming op de geldmarkt







Nauw verbonden met de Effectenbeurs is de Europese Optiebeurs in Amsterdam.



De beurzen staan samen onder een bestuur.



Op de effectenbeurs is er onderscheid tussen de groothandelsmarkt en de kleinhandelsmarkt.



De belangrijkste publicaties van de ECB zijn:



het Jaarverslag



het Maandbericht



de Weekstaat



De belangrijkste publicaties van DNB zijn:



het Jaarverslag



het Kwartaalbericht



Éen van de hoofdtaken van DNB, is het bevorderen van een goede werking van het



betalingsverkeer. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen chartaal en giraal betalingsverkeer.



Het toezicht op het bankwezen, de beleggingsinstellingen en de wisselkantoren wordt uitgevoerd op nationaal



niveau en is in Nederland in handen van DNB. 2 soorten toezicht: Bedrijfseconomisch toezicht en het structuurtoezicht.



Het doel van het toezicht op de beleggingsinstellingen is:



een goede samenwerking van financiele markten



het beschermen van potentiele beleggers op de markten.



Ten slotte oefent de DNB toezicht op de wisselkantoren uit.



De middelen die de ECB heeft om de geldmarktrente te sturen:



Reserveverplichtingen: dienen om een structureel tekort op de geldmarkt tot stand te brengen. Krediet



instellingen zijn steeds voor een maand verplicht gemiddeld 2% van bepaalde passivaposten van hun balans



aan te houden bij een van de nationale centrale banken. Over deze reserve wordt een rentevergoeding



uitgekeerd die gelijk is aan de Refi-rente.



Open-markttransacties: zijn bedoeld voor het sturen van de rente, het beheersen van de



liquiditeitsverhoudingen en het afgeven van signalen over de koers van het monetaire beleid.



De belangrijkste vorm is herfinancieringtransacties. Hiernaast beschikt de ECB ook over de



zogenaamde `fine-tuning' instrumenten. Ook kan het ESCB structurele geldmarkttransacties uitvoeren.



Permanente faciliteiten: zijn ervoor om zeer kortlopende liquiditeiten te verschaffen of te onttrekken



en signalen af te geven over de algemene koers van het monetaire beleid. Het gaat hierbij om leningen



van maximaal 1 dag. Kredietinstellingen met een liquiditeitstekort kunnen beroep doen op de marginale



beleningsfaciliteit, waarover ze Lombardrente moeten betalen. Kredietinstellingen met een



liquiditeitsoverschot kunnen gebruik maken van de depositofaciliteit.



Een Europese geldmarkt ontstaat door banken in de euro zone gelijktijdig hun tekorten en overschotten



in elkaar passen. Dit resulteert uiteindelijk in een per saldo geldmarkttekort of -overschot voor de euro zone.



Bij een tekort zullen de banken van het ESCB moeten lenen. De rente die zij hiervoor moeten betalen heet



refi-rente en wordt bepaald door de Raad van Bestuur van de ECB.De Raad van Bestuur van de ECB bepaalt



daarnaast ook de hoeveelheid liquiditeiten die aan banken worden verstrekt. Op deze manier wordt ervoor



gezorgd dat er een structureel tekort is op de geldmarkt.



2 strategieen die de ECB hanteert voor prijsstabiliteit:



ze richten zich op de groei van de geldhoeveelheid.



Ze houden rekening met een aantal andere macro-economische en financiele marktvariabelen die informatie



verschaffen over de toekomstige inflatieontwikkeling



DNB heeft 3 kerntaken:



monetair beleid



toezicht op financiele instellingen



toezicht op girale en chartale betalingsverkeer



Sinds start EMU is het monetaire beleid in handen van het Europees Stelsel van Centrale Banken,



waarvan de DNB lid is. Ze streven niet meer naar een Stabiele Gulden, maar dragen bij aan een Stabiele Euro.



Behalve met kredietverlening houden de meeste banken zich bezig met veel verschillende activiteiten



op financieel terrein. Voorbeelden zijn:



de aan- en verkoop van vreemde valuta's



het kopen en verkopen van aandelen, obligaties, pandbrieven en andere waardepapieren voor clienten



de verzorging van girale betalingen tussen de rekeninghouders



het aantrekken van spaargelden



verzekeringen en vakantiereizen



De rentevergoeding op onderhandse leningen en obligaties is van versch. fact. afhankelijk, nml:



Het risico



De looptijd



De overdraagbaarheid





Economie samenvatting hoofdstuk 8





8.1: Functies van de overheid



In onze open en gemengde economie heeft de centrale overheid 3 functies:



De allocatiefunctie: beïnvloeden van wat er aan goederen en diensten in ons land wordt geproduceerd.



De verdelingsfunctie: het beïnvloeden van de inkomensverdeling.



De stabiliseringfunctie: het beheersen van de conjuncturele en structurele ontwikkeling van de economie.







Door het toedoen van de overheid veranderd de allocatie van de productiefactoren.



Allocatie: het inzetten van de productiefactoren bij verschillende productieprocessen.



Door de belasting, premieheffing en sociale uitkeringen oefent de overheid invloed uit op de verdeling van de besteedbare inkomens.



Primaire inkomensverdeling: de inkomensverdeling voordat rekening is gehouden met betaalde inkomsten, loonbelasting, premies en ontvangsten uit sociale uitkeringen.



Secundaire inkomensverdeling: nadat belastingen en premies zijn betaald en sociale uitkeringen zijn ontvangen. (minder ongelijk dan de primaire)



Inkomensnivellering: dat de personele inkomensverschillen kleiner worden na de herverdeling door belasting, premieheffingen en sociale uitkeringen en subsidies.



De overheid zal proberen de structurele kant van de economische ontwikkeling te stimuleren. Ook hebben ze aandacht voor de conjuncturele kant, het gaat hierbij om de bezetting van de productiefactoren in het algemeen en van de beschikbare arbeid.



Conjuncturele werkloosheid: als door een gebrek aan vraag van de consumenten niet alle mensen die willen werken aan de slag kunnen.



De overheid kan dit bestrijden door hun eigen bestedingen omhoog te doen, de belastingen omlaag of het geven van subsidies.



Als er overbesteding is remt de overheid de ontwikkeling door hogere belastingen te vragen of door de eigen bestedingen te verminderen.







8.2: De ontvangsten van de collectieve sector



De overheid in ruime zin heeft 2 belangrijke bronnen van inkomsten:



Belastingen



Niet-belastingmiddelen.



Al het geld dat de overheid krijgt, is afkomstig van de burgers en ondernemingen.



Er zijn twee soorten belastingen.



Directe belastingen. (loon- en inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en de vermogensbelasting)



Indirecte belastingen. (omzetbelasting, accijnzen en de bijzondere verbruiksbelasting.



Indirecte belastingen houden verband met bestedingen, ze heten ook wel kostprijsverhogende belastingen.



Tot de niet-belastingmiddelen behoren de aardgasopbrengsten, de winstuitkering door overheidsondernemingen en de opbrengst van boetes.



Retributies: heffingen voor diensten die de overheid aan de burgers verleent, zoals de afgifte van paspoorten. Er is een direct aanwijsbare tegenprestatie.



De premies voor de sociale verzekeringen vormen geen ontvangst voor de overheid, maar zijn een ontvangst van de collectieve sector.



De sociale premiedruk bedraagt 20%, dat betekent dat alle sociale premies bij elkaar 20% van het bruto binnenlands product zijn.



Collectieve lasten: Alle ontvangsten van de collectieve sector waar niet een direct aanwijsbare tegenprestatie tegenover staat, ze bestaan uit:







De belastingen



Sommige niet-belastingmiddelen



De sociale verzekeringspremies







8.3: Beginselen van belastingheffing



De volgende beginselen voor belastingheffing worden onderscheiden:



Draagkrachtbeginsel: iemand met een hoog inkomen betaalt naar verhouding meer belasting dan iemand met een laag inkomen.



Bevoorrechte verkrijging: over sommige inkomsten betaal je erg veel belasting omdat deze inkomsten met weinig inspanning zijn verkregen.



Profijtbeginsel: er wordt betaald voor iets en er staat een prestatie tegenover.



Welvaartsbeginsel: heeft betrekking op de schade die belastingheffing voor de groei kan betekenen.



Minste pijn en maximale realisatie: hebben betrekking op de uitvoering van de belastingheffing, het beginsel van de minste pijn houdt in dat men de belastingheffing zoveel mogelijk laat samenvallen met de inkomensverkrijging.



De maximale realisatie houdt in dat de belastingopbrengst voor de fiscus met zo weinig mogelijk kosten gepaard gaat.







8.4: Reacties op de druk van de collectieve lasten



Mensen proberen op verschillende manieren onder de belasting uit te komen:



Afwentelen: een ander laten betalen. (zoals de werkgever voor een gedeelte)



Ontduiken: dit is illegaal en gebeurd als iemand inkomsten voor de fiscus verzwijgt, zoals rente ontvangen op buitenlandse rekening of zwart werken.



Ontwijken: niet illegaal, op een geoorloofde manier de belastingbetaling te weten voorkomen, zoals door te tanken in een ander land om accijns te vermijden.



De Laffer-curve geeft weer hoeveel de belastingontvangsten veranderen bij een verandering van de belastingdruk.







8.5: De rijksbegroting



Rijksbegroting: een wetsvoorstel van de regering aan het parlement, het gaat over de uitgaven in het komende kalenderjaar en over de manier waarop de regering de uitgaven wil financieren.



Miljoenennota: deze bevat een samenvatting van de rijksbegroting.



In de macro economische verkenning staat de voorspelling voor het komende jaar.



Budgetrecht: de regering mag geen uitgaven doen als het parlement die niet van tevoren heeft goed gekeurd.



Overdrachtsuitgaven: zijn de uitkeringen die de overheid geeft aan werklozen, zieken en arbeidsongeschikten en subsidies aan ondernemingen.



Overheidsbestedingen: de overheid ontvangt hier een tegenprestatie, zoals de aanleg van nieuwe rijkswegen en de bouw van de Deltawerken.







Overdrachtsuitgaven (uitkeringen en subsidies)







Overheidsuitgaven



Overheidsinvesteringen



Overheidsbestedingen



Overheidsconsumptie (ambt.salarissen)







8.6: Het financieringstekort en de overheidsschuld



uitgaven

border: thin none Black; padding: 0.00mm 0.00mm 0.35mm 0.00mm; ">

ontvangsten -



begrotingstekort (=financieringsbehoefte)

border: thin none Black; padding: 0.00mm 0.00mm 0.35mm 0.00mm; ">

aflossing op staatsschuld -



financieringstekort







Begrotingstekort: geeft het totale bedrag weer dat het Rijk in het komende jaar zal moeten lenen. (Aflossing op staatsschuld optellen bij het financieringstekort)



Financieringstekort: laat zien met welk bedrag de staatsschuld in een jaar stijgt.



Staatsschuldquote: staatsschuld uitgedrukt als een & van het BBP.







8.7: Begrotingsbeleid



Anticyclische begrotingspolitiek: in de opgaande beweging van de conjunctuur haalt de overheid koopkracht uit het economisch leven, in de neergaande beweging verruimt de overheid de koopkracht.



Het is best lastig om deze politiek te voeren, want eigenlijk heeft men geen aanleiding om remmend op te treden als het goed gaat met de economie.



Bij het structurele begrotingsbeleid wordt aangesloten bij de aanbodzijde van de economie. Bij dit beleid ziet men de besparingen als een voorwaarde voor kapitaalvorming, de aandacht is vooral gericht op het capaciteitseffect van de investeringen.







8.8: De gewenste omvang van het overheidstekort



Behoedzaam begrotingsbeleid: er wordt uitgegaan van een bescheiden economische groei, zodat eerder meevallers dan tegenvallers te verwachten zijn.



In de gulden financieringsregel staat dat de overheid alleen geld mag lenen voor sommige investeringen, zoals de aanleg van wegen en spoorlijnen.



Consumptieve uitgaven moet de overheid zelf kunnen betalen.



Inflatiecorrectie: als er inflatie is, wordt de inkomstenbelastingtarieven aangepast.



Een lidstaat van de EU kan alleen deelnemen aan de EMU als:



Het financieringstekort niet hoger is dan 3% van het BBP.



De overheidsschuld maximaal 60% bedraagt van het BBP.



De inflatie minder is dan 1.5% hoger dan in de drie EU-landen met de geringste geldontwaarding.







8.9: De financiering van het tekort



De minis. van fin.kan op 3 manieren de middelen verkrijgen om het tekort te financieren:



lenen op de kapitaalmarkt door de uitgifte van staatsobligaties.



onderhands lenen op de kapitaalmarkt bij de institutionele beleggers.



kortlopend lenen op de geldmarkt.



De uitgifte van staatsobligaties loopt volgens het tendersysteem.



Tendersysteem: de belegger moet zelf opgeven tegen welke maximale koers hij de obligaties wil kopen.



Boven pari: koers van boven de 100%.



Het ministerie van financien betaalt na afloop van de inschrijving de uitgiftekoers.



Op deze wijze kan de staat soepel inspelen op de verhoudingen op de kapitaalmarkt.



De staat leent ook grote bedragen rechtstreeks bij de institutionele beleggers.



Als de OH voor korte tijd tekort aan liquide middelen heeft, kan ze naar de banken toe.



Vlottende schuld: de kortlopende schuld van de overheid.



Gevestigde schuld: de langlopende schuld van de overheid.



Consolidatie: een lening met een lange looptijd om een kortlopende schuld af te kunnen lossen.







8.10: De financien van gemeenten en provincies



Veel taken zijn gedelegeerd aan de lagere overheden.



Lagere overheden: gemeenten en provincies, ze zijn belast met de aanleg en het onderhoud van wegen, kosten van bibliotheken, zwembaden en buurthuizen.



De gemeenten hebben 3 bronnen van inkomsten:



Eigen heffingen.



Gemeentefonds.



Specifieke uitkeringen door de rijksoverheid.







De eigen heffingen bestaan uit:



Gemeentelijke belastingen (hondenbelasting, toeristenbelasting, onroerendezaak)



Diverse retributies, zoals rioolrechten, marktgelden en parkeergelden.



Gemeentefonds: in dit fonds wordt jaarlijks een vast percentage van alle belastinginkomsten van het Rijk gestort.



Specifieke uitkeringen ontvangen de gemeenten als vergoeding voor verplichte taken.





Economie samenvatting hoofdstuk 9





9.1: Economische groei in rijke landen



Het groeiproces staat vooral onder invloed van de ontwikkelingen van de techniek en het onderwijs. De uitgaven voor onderwijs beschouwt men tegenwoordig als een investering in menselijk `kapitaal' (human capital)



Een tweede belangrijke groeifactor is de technische ontwikkeling.



Hierdoor is het mogelijk geworden de bediening van machines te automatiseren.



Er zijn naast procesvernieuwingen of procesinnovaties ook productvernieuwingen of productinnovaties.







9.2: Endogene groeitheorie



De endogene groeitheorie verklaart dat de groei van de economie van binnenuit (endogeen) door het gedrag van ondernemers en werknemers die vernieuwingen ter hand nemen.



De groei is afhankelijk van het spaargedrag van de consumenten en van de investeringen.







9.3: Het Nederlandse groeibeleid



Belangrijke onderdelen van het groeibeleid zijn:



het beleid met betrekking tot de infrastructuur.



het arbeidskostenbeleid.



het technologiebeleid.



Men maakt onderscheid in harde (wegen, spoorlijnen, havens, tunnels) en zachte (telecommunicatie, elektronische snelweg) infrastructuur.



Ook het arbeidskostenbeleid is van belang.



Arbeidskostenbeleid: de overheid probeert bij te dragen tot een gematigde ontwikkeling van lonen en inkomens door een beroep te doen op de organisaties van werkgevers en werknemers en het verlagen van de belastingdruk en sociale premies.



Technologiebeleid: bevordering nieuwe technische ontwikkelingen door subsidies voor research en ontwikkeling.







9.4: Grenzen aan de groei



Grenzen aan de groei is een rapport van een aantal wetenschappers en zakenlieden.



Dit rapport vormt het resultaat van een studie naar de onderlinge afhankelijkheid van bevolkingsgroei, voedselproductie, industrialisatie en vervuiling in wereldverband.



Exponentiele groei: veronderstelling dat de groei zichzelf versterkt.







9.5: Duurzame ontwikkeling: groei en milieu



Duurzame ontwikkeling: zo omgaan met de schaarse middelen, dat het behoud van natuur en milieu voor de toekomst is verzekerd.



Broeikaseffect: door de toenemende concentratie CO2 in de atmosfeer leidt dit tot een geleidelijke verwarming van het aardoppervlak en de lagere luchtlagen.







9.6: Coase en het milieu



Volgens Coase kunnen de veroorzaker en ontvanger van negatieve externe effecten samen een oplossing vinden, zonder optreden van de overheid.



Een veronderstelling bij dit zogenoemde Coaste-theorema is dat de twee partijen elkaar zonder kosten kunnen vinden.



Transactiekosten: alle kosten waarmee een ruil of transactie gepaard gaat.



Voorbeelden van transactiekosten: onderhandelingskosten, informatiekosten.



Emissierechten geven ondernemingen de mogelijkheid om van een bepaalde stof een bepaalde hoeveelheid in de lucht, of in het water te lozen.





9.7: Economische groei in de arme landen



Bijna alle ontwikkelingslanden voldoen aan de volgende kenmerken:



Er is een laag inkomen per hoofd van de bevolking.



Er is in het algemeen weinig industrialisatie.



De economische groei is gering.



Het land krijgt zijn exportopbrengsten met de uitvoer van 1 of een beperkt aantal grondstoffen.



Op het gebied van onderwijs en kennis is er een achterstand.



Het lage inkomen per hoofd van de bevolking heeft tot gevolg dat er weinig wordt gespaard, hierdoor is er weinig of geen geld beschikbaar voor investeringen.



De investeringen moeten deze landen financieren door kapitaalinvoer.



De rente is hiervoor erg hoog, daardoor worden de landen steeds meer afhankelijk van kapitaalverschaffers.



Monocultuur: een zeer eenzijdige agrarische structuur.



In ontwikkelingslanden is de inkomensverdeling vaak erg ongelijk, een groot deel is arm en slechts een klein deel is rijk.



Al deze bovengenoemde factoren vormen een rem op de economie.



LDC = Less Developed Country's (armste)



NIC = New Industrialised Country's (Taiwan, Z-Korea)



OPEC = Organisation of Petroleum Exporting Country's (Irak, Koeweit)







De economische groei is laag omdat:



Er te weinig geld binnen komt.



Slecht opgeleide mensen.



Te weinig S Bedrijven geen geld om te I.



Slechte infrastructuur.







9.8: Hulp aan ontwikkelingslanden



Er zijn verschillende vormen van hulp, alles samen is 1% van Y.



Voedselhulp.



Geld



Technische hulp



Scholingsprogramma's



Medische hulp







Multilaterale hulp: hulp dat gegeven wordt via een internationale instelling.



Bilaterale hulp: van land tot land, soms voorwaarden aan de hulp.



Debt servicing: rente aflossing door ontwikkelingslanden.



Marktconform: succesvolle ontwikkelingslanden richten zich op de internationale markt.







Nog ff wat over innovaties…



Innovatie: het succesvol op de markt brengen van een nieuw product, of de introductie van een nieuwe productietechniek.



Bij productinnovatie kan ook gedacht worden aan financiele producten.



Als het input is, spreken we van procesinnovatie.



Basisinnovaties: introductie van auto is zo belangrijk dat het een basisinnovatie is.



Verbetersinnovaties: airbag, ABS, cruise control, stuurbekrachtiging.



Modeldifferentiatie is een voorbeeld van schijninnovatie.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

P.

P.

De rechte lijn in de grafiek geeft de inkomensverdeling weer waarbij alle personen hetzelfde inkomen ontvangen.

moet zijn:

De rechte lijn in de grafiek geeft de inkomensverdeling weer waarbij de inkomens gelijk verdeeld zijn over de bevolking.

14 jaar geleden

M.

M.

hoi Foolish

ik wou je als eerste bedanken voor de samenvatting die je op scholieren.com hebt gezet. ik had ook nog een vraagje: ik heb binnenkort een schoolexamen over economie (de kern van de economie) hoofdstuk 7 t/m 11, en ik wou vragen of je ook nog een samenvatting van hoofdstuk 10 en 11 hebt? en als je die hebt, zou je die dan aan mij willen mailen? ik ben al wel zelf begonnen met een samenvatting, maar als jij die hebt ben ik echt dankbaar en scheelt me dat heel veel werk.
alvast bedankt.

groetjes marieke

17 jaar geleden

E.

E.

Hey, ik vind dit een erg goede samenvatting. Ook die andere die je hebt gemaakt hoofdstuk 1tm 5 geloof ik. Erg knap!
Nu heb ik alleen een vraag, heb je toevallig ook een samenvatting van hoofdstuk 10tm 12? Of ben ik hem misgelopen?
Nou ja ik hoop dat je me hier mee wilt helpen,
alvast bedankt,
Evelien

16 jaar geleden