Samenvatting economie, behandelde stof uit Havo-4.



Hoofdstuk 1.

§1.3

Geld = algemeen aanvaard ruilmiddel.

Geld = ongedifferentieerde koopkracht.



Functies van geld:

1. ruilmiddel -> kopen

2. oppotmiddel -> opzij leggen

3. rekenmiddel -> waarde bepalen



Soorten geld:

1. munten/bankbiljetten = CHARTAAL GELD

2. overschrijven = GIRAAL GELD



Munten komen van het Rijk.

Bankbiljetten komen van de Centrale Bank (CIRCULATIEBANK)



§1.4 Instellingen.

Overheid: maakt wetten



- C.B.S. = Centraal Bureau voor de Statistiek.

- C.P.B. = Centraal Plan Bureau.



Werkgeversorganisatie -> bedrijven belang

Werknemersorganisatie -> arbeiders belang

Samen heet dit sociale partners.



- SER: geeft de overheid advies.

- EU: Supranationale organisatie binnen Europa.



§1.5

De Nederlandse economie is een open economie.

Open = we drijven veel handel met het buitenland.

- Procentueel veel export en import.



Vrijhandel = geen invoerbelemmeringen

Protectie = wel invoerbelemmeringen



§1.6

In je lichaam stroomt bloed.

In de economie stroomt geld.



Markt = hier ontmoeten de vragers en aanbieders elkaar.



Consumptiemarkt = die van consumenten goederen.



§1.7

Marktmechanisme = prijs ontstaat door vraag en aanbod.

Prijs



€1000 A



€500



€0



1 2 3 hoeveelheid



Als er meer vragers zijn, ligt de vraaglijn meer naar rechts en is de evenwichtsprijs hoger.



€500 is de evenwichtsprijs.



Schaarste is vraag:aanbod -> dit is relatief, je deelt op iets.



De vraag naar goederen is doorgaans erg groot, want mensen willen het liefst zoveel mogelijk hebben.

Om dit af te remmen hebben goederen een prijs.

Vanwege deze prijs moet je kiezen wat je koopt.



Hoe hoger de prijs, hoe hoger de schaarste.

De prijs stijgt als het aanbod daalt af als de vraag stijgt.



In situatie 1 is P=€2,00

De vraag stijgt waardoor de vraag naar rechts verschuift. De prijs stijgt en zeekraal wordt schaarser.



P A











H



Micro is één consument.

Micro is één bedrijf.

Micro is één product.



Meso is een aantal bedrijven samen (bedrijfstak)

Als het gaat over de prijsvorming van een product, dan is micro als je let op één product en meso als je let op de bedrijfstak.



§1.9

Schaarste is een relatief begrip.

Zeldzaam is een absoluut begrip.

Relatief = ten opzichte van.



Schaarste = spanning tussen de aangeboden hoeveelheid en de vraag.



Hoofdstuk 2.

§2.1

Consumeren = winkelwagen volladen (kopen)

Dus niet: opeten/gebruiken



Consumeren = kopen om in een behoefte te voorzien door gezinnen.

Kopen = kiezen, want je hebt meer behoeften dan middelen.



Consumptie:

1. middelen

2. mode

3. reclame

4. behoeften



§2.2

Sparen = inkomen dat overblijft na consumptie en na belasting afdracht.

S= inkomen – C – B.



Vrijwillig S (=besparingen)

Gedwongen S -> bijv. pensioenpremie opzij leggen.



Besparing – krediet (=lening)



Spaargeld gaat naar banken.

Pensioenpremie gaat naar pensioenfonds.

Verzekeringen gaat naar verzekeringsmaatschappij.

Deze drie ontvangen het gedwongen spaargeld en lenen dat uit. Deze instellingen heten institutionele beleggers.



§2.3

Consumentisme -> verdedigen van consumenten belang.

Waarom is dat nodig?

1. De producten zijn technisch zo ingewikkeld dat je aan de buitenkant niet kunt zien of het goed van kwaliteit is.

2. Omdat er prijsafspraken (benzine) of monopolies (NS, 9% duurder) zijn.

3. Tegenwoordig zijn er veel kunstmatige stoffen in het voedsel dat ongezond kan zijn.



Consumentenbond:

- vergelijkend warenonderzoek

- juridische hulp



Overheid heeft de warenwet gemaakt.

Warenwet: verplichte keuring van levensmiddelen.



Toelichting onderste regel blz. 26.

Gezinnen kopen aandelen enz.

Bedrijven kopen aandelen enz.

Dit zijn particuliere beleggers.



Verzekeringen kopen aandelen enz.

Pensioenfondsen kopen aandelen enz.

Dit zijn institutionele instituten.



§2.4

Wetten om consument te beschermen:

1. Producenten aansprakelijkheid

De fabriek moet de schade dan betalen.

Bijv. glas in jam -> maagbloeding -> €… betalen.

2. Warenwet

Fabrieken moeten producenten laten keuren door de keuringsdienst van waren. Bijv. slagerij moet vlees koelen op 1°C.

3. Colportagewet

Dit betekent dat bedrijven niet te veel mogen opdringen.

Bijv. Dutchtone belt om 22.00 uur om een abonnement aan te smeren.

4. Wet misleidende reclame

Bijv. Honda zegt dat de motor 130 CC is, terwijl die 120 CC is.

5. Wet algemene voorwaarden

Dat betekent dat de beweringsvoorwaarden redelijk moeten zijn.

Bijv. in de kleine lettertjes mag niet staan “als de magnetron niet werkt, repareren we alleen tegen €1000.



§2.5

Gezinnen verdienen y.

Y is het primaire inkomen dat verdiend wordt door:

- te werken: loon

- een eigen zaak: winst

- een lap grond: pacht

loon + winst + pacht = y (=nationaal inkomen)



Wat is secundair inkomen?

- Geld dat je overhoudt nadat je belasting + sociale premies betaald hebt.

- Of een uitkering krijgen.



Totaal primair inkomen van elk Nederlands gezin is gelijk van totaal secundair inkomen want wat de één geeft, krijgt de ander.



Voorbeeld.

Ruissen verdiende vorig jaar €2.000

Ruissen verdient nu €2.200

a. Hoeveel steeg zijn nominaal loon? 10%

(nominaal = in geld gerekend (bedrag))

b.Stijgt zijn reëel loon met meer of minder dan 10%?

Reëel is koopkracht, in goederen geen eten. Door inflatie kan hij minder dan 10% extra kopen.

c. Stijgt het reëel met 6%?

Nee, want dit mag niet: 10%-4% = 6%. Procenten mag je niet aftrekken.

d. Hoe dan?

Procenten verbind je aan elkaar met indexen.

Index koopkracht = index nominaal inkomen: index prijs x 100.

Koopkracht = hoeveel geld: prijs = 2000:20 = €100

110:104 x 100 = 105,8

5,8% meer koopkracht.



§2.6

Berekening van het gewogen gemiddelde van de prijzen.

Art. groep Weg. Factor Prijs index groep

Voeding 500 120

Wonen 300 90

Rest 200 100

1000 107

1001 1/2x120+3/10x90+2/10x100 = 107.



§2.7

4 meisjes hebben zakgeld.

Linda heeft €10 -> eerste subtotaal is €10.

Andrea heeft €15 -> tweede subtotaal is €25.

Johanneke heeft €7 -> derde subtotaal is €32.

Gertrude heeft €18 -> vierde subtotaal is €50.

De armste …/25% heeft …/14% (7/50) van het totaal.

De armste … 50% heeft …/34% van het totaal.

De armste …75% heeft …64% van het totaal.

De armste …100% heeft 100% van het totaal.

In de grafiek kun je dat tekenen als volgt:



% deel

van 100

ink. 64 -



34 -



14 -





| | | |

25% 50% 75% 100%



Nivelleren = het beleid van de overheid om de Lorenz-kromme minder krom te maken.



Sociale verzekeringen: De mensen betalen premie, de overheid niks.

Sociale voorzieningen: De overheid betaalt, de mensen niks.

Volksverzekeringen: De werknemers betalen.

Solidariteitsprincipe, AOW: Premie, maar iedereen kan een uitkering krijgen.

Werknemersverzekering: De werknemers betalen premie en alleen zij krijgen een uitkering (ww). Premie = profijtbeginsel.



Kapitaaldekkingsstelsel: sparen voor jezelf. Voorbeeld: Nu iedere maand pensioenpremie betalen, later pensioenuitkering.



Omslagstelsel: De uitkeringen die bepaalde mensen krijgen, worden omgeslagen over werkenden (die zelf geen uitkering hebben)



§2.11

Mogelijke problemen ten opzichte van sociale zekerheid.

1. Opportunistisch gedrag

Gelegenheidsgedrag. De gelegenheid maakt de dief.

Voorbeeld: een werknemer waar geen werk voor is, meldt zich in overleg met de baas ziek en krijgt uitkering Ziektewet. Oplossing: betere controle.

2. Veel mensen zitten in een sociale wet. Dat kost veel sociale premies. Door koppeling is bovendien gegarandeerd dat je uitkering mee stijgt met je loon.

Verleidelijk om niet te gaan werken. Oplossing: ontkoppelen.



Hoofdstuk 3.

§3.1

Bedrijven hebben kosten van de productiefactoren.

Produceren -> combineren van productiefactoren.



§3.2

Bedrijven hebben transacties (=handeling met andere bedrijven of gezinnen) Dus aan kosten heeft een bedrijf:

1. de eigen productiefactoren uitbetalen.

2. de transactiekosten met anderen.

Bijv. inkooptransactie, reclamekosten, vervoerskosten, informatiekosten (telefoon, internet etc.)



§3.3

Door specialisatie kan een bedrijf op kosten besparen.

Specialisatie: je richten op bepaalde producten of bewerkingen ervan.

Want:

1. Je profiteert van productie op grote schaal. Voorbeeld: 10.000 kilo friet bakken is goedkoper dan 5000 kilo friet + 5000 kilo vis.

2. Je kunt inkoopkorting krijgen.

3. Werknemers krijgen meer routine.



Door arbeidsverdeling krijg je dit ook:

- Binnen het bedrijf.

- Tussen ondernemingen (specialisatie)

- Geografisch.



§3.4

Arbeidsverdeling leidt tot een hogere arbeidsproductiviteit (routine)



Goed leren: begrip arbeidsproductiviteit, blz.49.



Waardoor kan arbeidsproductiviteit nog meer stijgen?

1. bijscholing

2. mechanisatie, automatisering

3. arbeidsvreugde (motivatie)



Bij punt 2 heb je diepte investering. Dat zijn investeringen waardoor de arbeidsproductiviteit stijgt.



§3.5 Bedrijfskolom



Aardappelboeren



Frietfabrieken bedrijfstakkengeleding



Winkels



§3.6

Door verandering in de bedrijfskolom kunnen kosten veranderen.



Z.O.Z



INTEGRATIE



Aardappelkweker

+

Frietbakker



Winkels



DIFFERENTIATIE



Aardappelkwekers



Frietfabrieken



Verpakkingsbedrijf



Winkels



PARELLELISATIE



Friet/vis



Tegenstelling is SPECIALISATIE



Franse friet/ X



§3.7 indeling naar soort goed/dienst

1e sector: landbouw, bosbouw, visserij. Direct uit de natuur.

2e sector: industrie. Bewerkte goederen.

3e sector: hotel, vervoer, enz. Diensten met als doel winst.

4e sector: brandweer, politie, bejaardenhuis, school, stichting, W&D.

De 1e en 2e sector zijn goederen.

De 3e en 4e sector zijn diensten.



§3.8 Indeling naar rechtsvorm.

Eenmanszaak:

Eigenaar: één persoon.

Aansprakelijkheid: Zelf, ook met z’n privé vermogen (nadeel).

Belasting over winst: box 1: hoog tarief.

Firma:

Eigenaar: 2 of 3 personen.

Aansprakelijkheid: Zelf, ook voor de stommiteit van een ander en met je privé vermogen (nadeel)

Belasting over winst: box 1: hoog tarief.

Commanditaire vennootschap:

Eigenaar: Idem, maar nu heb je ook alleen geldschieters (stille vennoten)

Aansprakelijkheid: Idem, maar als je stille vennoot bent niet.

Belasting over winst: box 1: hoog tarief.

b.v:

Eigenaar: Aandeelhouders

Aansprakelijkheid: De b.v. is aansprakelijk, de aandeelhouders niet.

Belasting over winst: box 2: laag tarief.

n.v:

Eigenaar: Idem, maar nu weet ik niet wie.

Aansprakelijkheid: Idem.

Belasting over winst: Idem.



§3.9

Grote ondernemingen = verplicht bij de ondernemingsraad.



§3.10

Soorten concentratie:

Kartel: 2 bedrijven, blijft zo.

Fusie: 2 bedrijven, wordt 1.

Overname: Groot bedrijf neemt klein bedrijf over -> samensmelten.



§3.11

Concern = moeder met dochterondernemingen.



Moeder is bijv. Unilever



Iglo is een dochter



§3.12

Mechanisering: betere technieken

Automatisering: computer grotere rol geven

Dit zijn twee vormen van diepte-investeringen.



§3.13

Marketing: afstemmen op de consument door de 4 p’s in te vullen.

4 p’s:

1. productbeleid

2. plaatsbeleid (=distributie)

3. promotiebeleid (=reclame)

4. prijsbeleid



§3.14

Activa Passiva

Wat heb ik? Hoe heb ik dat betaald?

Vast: Eigen vermogen: €75 mln

Gebouwen: €100 mln



Vlottende: Vreemd vermogen:

Bankrekening: € 50 mln Geleend voor gebouwen: €80 mln

Voorrad: € 15 mln Crediteuren: €10 mln

€165 mln €165 mln



Crediteuren: iemand aan wie je nog geld moet betalen (op korte termijn)

Debiteuren: daar krijg je nog geld van

Liquiditeit: mate waarin ik in staat ben om mijn crediteuren te betalen



Ter beschikking

Te betalen



Ruim:

50 mln + 15 mln = 65/10 = 65%

10 mln



Eng:

50 = 500%

10



Formule van liquiditeit:

Kas + voorraden + debiteuren

Crediteuren



Solvabiliteit: mate waarin de zaak van mezelf is



Betaald uit E.V

wat heb ik aan activa?



= 75 x 100% = 45,5%

165



participatiegraad = beroepsbevolking x 100%

pot. beroepsbevolking



werkloosheidspercentage = werklozen x 100%

beroepsbevolking



werkgelegenheid = productie

arbeidsproductiviteit



Hoofdstuk 4.

§4.1 De arbeidsmarkt.

Op de arbeidsmarkt ontmoeten vraag en aanbod elkaar. Dit is abstract want het gaat over het geheel.



Arbeidsvraag = wordt uitgeoefend door het bedrijf die mensen vraagt.

Een ander woord voor arbeidsvraag is werkgelegenheid.



Arbeidsaanbod = de mensen die werk zoeken



§4.2

Arbeid is heterogeen, want je hebt verschillende soorten arbeid. Bijv. denkwerk en handwerk. De consequentie is dat je elkaar niet kunt vervangen.



§4.3 Arbeidsvreugde.

Voorbeeld:

Bij Delta Mossel zijn de werktijden flexibel, dat wil zeggen dat ze in ploegen werken.

Jan werkt van 8-5 uur.

Karel werkt van 5-12 uur.

Bedenk 2 voordelen daarvan.

1. Ze kunnen met dezelfde machines meer draaien of ze kunnen met minder machines hetzelfde draaien. Conclusie: bezuinigen op de productiefactor kapitaal.

2. Het is makkelijker om aan personeel te komen. Ze kunnen werken wanneer ze willen.



FLEXWERK: banen met flexibele werktijden

PARTTIME: onvolledige baan

DUOBAAN: 2 mensen op 1 fulltime baan



Voordeel van duobaan:

Je kunt het samen bespreken en regelen.

Nadeel van duobaan:

Je weet niet precies wat de ander deed.



§4.4 Aanbod van arbeid

= beroepsbevolking

= 15-65 jaar

+ niet arbeidsongeschikt zijn

+ wil werken



Potentiële beroepsbevolking

= 15-65 jaar

+ niet arbeidsongeschikt



Participatiegraad = beroepsbevolking

Pot. Beroeps. Bevolking



= 5

8



= 62,5%



Je weet dan dus niet welk deel werkt, want de werklozen participeren ook.



Bereken het werkloosheidspercentage.

= werklozen

beroepsbev.



= 1 = 20%

5



§4.5

Vraag naar arbeid

= aantal banen dat bedrijven hebben

= werkgelegenheid

= productie

arbeidsproductiviteit



Sommetje.

Akzo gaat 10% meer maken.

De arbeidsproductiviteit stijgt met 15%.

Hoeveel mensen hebben ze extra nodig/gaan ze ontslaan?

Index werkgelegenheid = 110 x 100 = 95,6 dus 4,4% van de arbeiders krijgt

115 ontslag.



§4.6

C.A.O: Collectieve ArbeidsOvereenkomst

C.A.O: gezamenlijke overeenkomst over primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden van een bepaalde bedrijfstak.



Primair = loon, arbeidstijd

Secundair = vakantiedagen, carri-reregeling

Bedrijfstak = bijv. vervoer.

Wordt gesloten tussen de vakbond van die bedrijfstak en de werkgeversorganisaties van de bedrijfstak.



§4.7

Op landelijk niveau vindt ieder jaar overleg (over lonen enz.) plaats tussen:

1. overheid

2. vakcentrales

3. werkgeversorganisaties

Dit heet “overleg binnen de Stichting van de Arbeid” De afspraak heet Centraal Accoord (=Sociaal Accoord)

Daaronder heb ik je bedrijfstakoverleg (decentraal overleg)

Dit is tussen vakbonden en bedrijven uit een sector. Je sluit een C.A.O. De loonstijging die uit een C.A.O rolt, heet initiële loonstijging.



§4.8

Arbeidsmarkt bestaat uit deelmarkten. Bijv.

- Die van jongeren. (jeugdwerkgarantieplan) Kabinet vindt het belangrijk dat deze een baan krijgen, want nog een leven voor zicht (anders: heel je leven een uitkering)

- Die van vrouwen. Wet Gelijke Behandeling



§4.9

Geregistreerde werkloosheid: door CBS vastgelegd en is de optelsom van de ingeschrevenen bij Arbeidsbureau.



Verborgen werkloosheid: niet geregistreerd.

Voorbeeld: Gehuwde vrouw die baan zoekt en zelf in de krant kijkt zonder zich in te schrijven.



Verborgen werkgelegenheid: deze banen zijn niet geregistreerd bij het CBS.

Voorbeeld 1: zwart werk

Voorbeeld 2: overwerk



Hysterese: mensen die niet aan de slag komen, worden een beetje hysterisch.



Kanslozen/langdurig werkloos



§4.10 Soorten werkloosheid

Soort Subsoort Definitie Hoe bestrijden?

I A. binnenlandse -Ned. kopen te weinig -rente ->meer lenen->meer kopen

Conjunctuur werkl. B -> meer kopen

B. buitenland -Buitenl. Kopen te weinig -Streven naar een goedkope euro

Vraagkant zodat onze export laag is -Streven naar lage lonen in Ned.



II: z.o.z



§4.11

Stel dat onze productiecapaciteit gelijk is aan 5 mld producten.

Stel dat de totale vraag in 2001 4 mld was.

Stel dat de totale vraag in 2002 5 mld was.

Stel dat de totale vraag in 2003 6 mld was.

a. Wat gebeurt er met de conjunctuur? Trekt aan.

b. Hoe heet de situatie in 2001? Onderbesteding = vraag
c. Is in 2001 de productiecapaciteit groter dan de vraag? Nee, machines zijn onderbezet en mensen zijn conjunctureel werkloos.

d. Hoe heet de situatie in 2002? Bestedingsevenwicht.

e. Hoe heet de situatie in 2003? Overbesteding.



§4.12

Hoe kunnen investeringen leiden tot meer/minder structurele werkloosheid? We moeten het zoeken aan de aanbodkant. Het aantal banen dat er is, omdat er een bepaald aantal fabrieken zijn.

Mogelijkheid 1: Meer investeringen -> grotere bedrijven -> meer werk -> lagere werkloosheid. Dit zijn breedte-investeringen -> dezelfde mate van mechanisatie blijft intact, zodat je meer mensen nodig hebt.

Mogelijkheid 2: Machine neemt werk van de mens over -> werkloosheid stijgt. Dit zijn diepte-investeringen.



Breedte-investeringen: De investeringen leiden tot een gelijke arbeidsproductiviteit.



Diepte-investeringen: De investeringen leiden tot een hogere arbeidsproductiviteit.



De structuur meet je aan de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland. Bij breedte-investeringen blijft dat gelijk. (Structuur verbetert niet) Bij diepte-investeringen juist wel.



Hoofdstuk 5.

§5.1 en §5.2



Bedrag heet de nominale waarde.



Metaalwaarde heet intrinsieke waarde. Is bij

omsmelten bijv. €0.07.



Geld is ongedifferentieerde koopkracht.

Geld is algemeen aanvaard ruilmiddel.



Waarom accepteer je eigenlijk een bankbiljet van €50, terwijl de papierwaarde ervan maar €0.10 is?

Wij hebben het vertrouwen dat een ander het ook weer accepteert -> Fiduciair geld.



Twee soorten geld:

- chartaal

- giraal = een tegoed op een bankrekening, voorzover je ervan kunt gireren (=overschrijven) naar een bankrekening van een ander.



De waarde van giraal = intrinsieke waarde = 0.



Een pasje, is dat giraal geld?

Nee, het is slechts een middel.



Creditcards -> de betaling die je doet is tegelijkertijd een lening bij de Credit Organisatie.



§5.3

Tijd: tot 1915.

Geldstelsel: goudenmuntenstandaard

Definitie: Munten hadden een goudgehalte. Waarde munt = waarde geld. Nadelen:

1. Snijden

2. Vervoer was gevaarlijk

3. Gehalte van het goud moest je steeds controleren.



Tijd: 1915-1936.

Geldstelsel: goudkernstandaard

Definitie:

1. Gouden munten waren in bewaring bij de Nederlandse Bank, die in ruil bankbiljetten gaf.

2. Als je wilt kun je een bankbiljet inwisselen bij DNB tegen goud.



Tijd: 1936

Geldstelsel: papieren standaard

Definitie: Idem, maar DNB hoeft geen goud meer te geven in ruil voor bankbiljetten.



§5.3 Geldstelsels vroeger en nu.

Gouden (munten) standaard: het goud zit in de munten.

Goudkernstandaard: Het goud is naar de Centrale Bank gebracht. In ruil zijn er de bankbiljetten, die het publiek wisselen tegen goud.



Na 1936 is er de papierenstandaard: de bankbiljetten kunnen nog wel gewisseld worden in goud, maar DNB is dit niet meer verplicht en zal het niet doen.



§5.4

Geld is pas giraal als je kunt overschrijven naar een ander.

Giraal geld: De tegoeden op de lopende rekeningen van klanten bij een bank, ook wel rekening couranttegoeden genoemd.

Een direct opvraagbare spaarrekening dus niet, want je kan er niet van overschrijven naar een ander.

Geld (maatschappelijke geldhoeveelheid) = giraal + chartaal geld bij het publiek.

Een bank behoort niet tot het publiek.

Conclusie: De kas van een bank is geen geld.

Motivatie: Kas dient als dekking van de rekening van klanten zodat de bank er niks mee kan doen. Ook zou je dan een dubbeltelling krijgen.



§5.5

Ingrid stort €500 op haar lopende rekening.

Wat gebeurt er met M? Blijft gelijk, er is minder chartaal geld en meer giraal geld.

Hoe heet dit met één woord? Substitutie.



John stort €1000 op zijn spaarrekening.

Wat gebeurt er met M? Daalt, er is minder chartaal geld. Spaarrekening is geen giraal geld, want je kunt niet overschrijven.

Hoe heet dit met één woord? Transformatie, geldvernietiging.



Frank neemt €60 op van zijn lopende rekening.

Wat gebeurt er met M? Blijft gelijk, meer chartaal geld, minder giraal geld.

Hoe heet dit met één woord? Substitutie.



Martineke neemt €70 op van haar spaarrekening.

Wat gebeurt er met M? Stijgt, evenveel giraal geld, meer chartaal geld.

Hoe heet dit met één woord? Transformatie, geldschepping.









Hoe kun je deze transacties boeken op de balans van een bank?

activa BEZITKANT SCHULDKANT (+EV) passiva

stap 1 kas € 500 rek. courant tegoed v. klanten € 500

Eigen Vermogen € 0



stap 2 kas € 1.500 rek. courant € 500

spaarrekening € 1.000

Eigen Vermogen € 0

€ 1.500 € 1.500



Neem aan dat Frank getrouwd is met Ingrid.

stap 3 kas € 1.440 rek. courant € 440

spaarrekening € 1.000

Eigen Vermogen € 0

€ 1.440 € 1.440



(Eigen Vermogen: hiermee maak ik de totaalstellingen gelijk.)



Martineke is met John getrouwd.

stap 4 kas € 1.370 rek. courant € 370

spaarrekening € 1.000

Eigen Vermogen € 0

€ 1.370 € 1.370



We breien verder aan de balans.

Lilian leent €500 en stort dat geleende geld op haar lopende rekening.

kas € 1.370 rek. courant € 940

debiteuren € 500 spaarrekening € 930

Eigen Vermogen € 0

€ 1.870 € 1.870



Lilian moet 10% rente betalen. Zij betaalt dat van haar lop. rek.

kas € 1.370 rek. courant € 890

debiteuren € 500 spaarrekening € 930

Eigen Vermogen € 50

€ 1.870 € 1.870

Debiteuren is €500 want zij loste nog niets af.

Rek. courant is €890 -> 10% van 500 = 50 eraf.

Eigen Vermogen is €50: bezit - schuld = 1870-1820



Som over balans van de Fortis.

Bekend is dat mensen op hun lopende rekening €500.000 hebben staan.

Bekend is dat mensen op hun spaarrekening €600.000 hebben staan.

Bekend is dat de bank €400.000 in kas heeft.

Bekend is dat de bank €100.000 te vorderen heeft betreffende leningen.

Bekend is dat de bank een gebouw heeft van €700.000.

Gevraagd: Maak de balans en bepaal daarin het Eigen Vermogen.



Activa Passiva

Vlottende activa: Vreemd Vermogen:

Voorraden € 0 Lopende rekening € 500.000

Debiteuren € 100.000 Spaarrekening € 600.000

Kas van de bank € 400.000 Eigen Vermogen € 100

Vaste activa:

Gebouw € 700.000

€ 1.200.000 € 1.200.000



Debiteuren: Wat de bank nog moet ontvangen.

Crediteuren: Wat ik moet betalen.

Liquiditeit: De mate waarin je op korte termijn aan schulden kunt voldoen.

Liquiditeit kun je eng of ruimer zien.



Eng: liquiditeit = 400.000/1.100.000 (dit is een soort crediteuren) x100 = 36,4%



Ruim: Je houdt er rekening mee dat de debiteuren betalen en dat daardoor de kas groter wordt, zodat je meer kunt meegeven.

Liquiditeit = 500.000/1.100.000 x100 = 45,5%



De solvabiliteit is de mate waarin het totaal vermogen van jezelf is.

De bank is €1.200.000 waard = totaalvermogen.

Als je de bank zou verkopen, zou je zelf ook schulden moeten aflossen. Dan zou je ’t Eigen Vermogen overhouden.

Solvabiliteit = Eigen Vermogen/Totaal Vermogen x100 = 100.000/1.200.000 = 8.3%



§5.6

Geld = chartaal+giraal bij publiek.



Als M stijgt is het geldschepping.

Als M daalt is het geldvernietiging.



Je hebt 1.000 dollar. Dit is geen M.

1.000 dollar = 1900 gulden in Nederland.



$1000



Je had dollars, je krijgt guldens.



f 1900



Een belangrijke bron van geldschepping is kredietverlening door banken.

Mogelijkheid 1:

Je leent het chartaal.

Lydia leent €1000 aan bankbiljetten bij de Rabo.

De kas daalt met €1000.

Debiteuren stijgt met €1000.

Dit is geldschepping want de kas van de bank telt niet mee bij M, terwijl het geld in de portemonnee van Lydia wel meetelt.



Mogelijkheid 2:

Je leent het giraal.

Eveline leent €1500 wat bijgeschreven wordt op haar lopende rekening.

Debiteuren stijgt met €1500.

Rekening Couranttegoed stijgt met €1500.

Dit is geldschepping want Eveline heeft meer giraal geld, terwijl het chartaal hetzelfde blijft.

Dit heet wederzijdse schuldaanvaarding.



Hoe zit het als je een lening aflost?

Christiaan heeft in 2001 €500 geleend en heeft in 2003 zoveel verdiend, dat hij het aflost. Dat doet hij giraal. (is het chartaal dan is het wel iets met de kas)

Debiteuren daalt met €500.

Rekening Couranttegoed daalt met €500.

Dit is geldvernietiging want Christiaan heeft minder giraal en evenveel chartaal geld.



Kan M ook veranderen door andere transacties dan kredietverlening en aflossing?

Ja, Harmen schrijft €1000 over van lopende rekening naar spaarrekening.

Rekening Couranttegoed daalt met €1000.

Spaartegoed stijgt met €1000.

Dit is geldvernietiging.



§5.7

Hoeveel kan een bank uitlenen?

Fortis

kas € 80 rek. cour. Klanten € 100

vreemd geld € 40 spaartegoeden (=lang) € 150

debiteuren € 60 Eigen Vermogen € 250

gebouw € 320

€ 500 € 500



(Bedragen zijn in miljoenen)



De bank vindt een liquiditeit van 40% voldoende.

a. Waarom is 100% niet nodig?

b. Hoe groot is de liquiditeit nu?

c. Op welke 2 manieren kan de bank uitlenen?

d. Hoeveel kan de bank chartaal uitlenen?

e. Hoeveel is dat giraal?



a. Niet iedereen kan gelijk om z’n geld.

b. Kas/direct op te nemen = 80/100 = 80%

c. Chartaal: kas van de bank stijgt.

Giraal: rekening courant stijgt.

d. Liquiditeit = kas/rekening courant

= 0.40

kas/100 = 0.40

kas = 40

Bank kan 80-40 = 40 uitlenen.

e. Kas/rekening courant

= 0.40

80/rekening courant = 0.4/1

= 0.4 rekening courant = 80

= rekening courant = 80/0.4 = 200 miljoen

Er stond al 100 miljoen op de rekening courant. Dus 100 miljoen geleend geld kan bijgeschreven worden.



§5.7

Zie bijgevoegd stencil.



§5.8 Inflatie, koopkracht, rente.

Als er inflatie is, eisen spaarders een hogere rente.

Door inflatie daalt de koopkracht van je spaargeld.

Mensen besteden daarom liever dan dat ze sparen.

Om spaarders te trekken, verhogen de banken de rente.

Bij hyperinflatie willen mensen echt niet meer sparen.



Sommetje

Iemand heeft €10.000 spaargeld.

De inflatie is 5%

Mogelijkheid 1: Hij krijgt 3% rente.

Mogelijkheid 2: Hij krijgt 5% rente.

Mogelijkheid 3: Hij krijgt 8% rente.



a. Bereken de reële rente bij mogelijkheid 1.

b. Bereken de reële rente bij mogelijkheid 2.

c. Bereken de reële rente bij mogelijkheid 3.

Index reële rente = index nominale rente/prijs x100.



a. 103/105 = 0,981 x100 = 98,1 -> 100-98,1 = 1,9.

b. 105/105 = 0 -> 100-100 = 0.

c. 108/105 x100 = 102,9 -> 102,9-100 = 2,9.



§5.9

€50.000, dit is mijn geld.

€30.000, transactiemotief om iets te kopen.

€9.000, vastzetten op de bank -> sparen.

€5.000, voorzorgsmotief -> geld opzij leggen voor onverwachte uitgaven.

€6.000, speculatiemotief -> geld even bewaren in de hoop dat ik het later kan sparen/beleggen tegen een hogere rente.



Oppotten = geld bewaren.

Oppotten = zelf houden, niet sparen want de rente is te laag. Bij sparen breng je het op de bank.



Actieve kas



Oppotten Ontpotten



Inactieve kas



X: Spaargeld is geen geld



Omloopsnelheid van het geld = aantal keren dat geld van eigenaar wisselt per jaar.



Marleen heeft €1.

Die geeft ze aan de bakker.

De bakker geeft diezelfde Euro aan het winkelmeisje.

Het winkelmeisje brengt die Euro naar de boekwinkel.

Omloopsnelheid: 3.



V = velocity = omloopsnelheid



V = bedrag waarvoor gekocht is/geldhoeveelheid = omzet alle winkels/M = prijsxtransacties/M



Dus:



Omloopsnelheid = PT/M



Stel, iedere Nederlander geeft elk geldstuk 3x uit.

De Nederlanders kopen 1.000 miljoen goederen.

Het prijspeil is €6.

Hoeveel geld hadden ze?

Antwoord:

PxT = €6.000 miljoen is bedrag waarvoor besteed.

M = PxT/V = 6.000/3 mln = 2000 mln = 2 mld.



§5.10

De economie heeft twee kanten:

Geldkant en Productiekant.

Geldkant: Bijv. €200 loopt 3x om. M(maatschappelijke geldhoeveelheid) x V(aantal keer dat munt omloopt)



Productiekant: Er zijn 600 transacties van elk €1.

Goederenstroom:

= Prijs x Transacties

= €1 x 600

= €600

Is er nu ook een M van €600? Nee, het geld loopt meerdere keren om.



M = €200 mld

V = 3 Geldstroom = €600 mld

Als elk goed €6 kost dan zijn er 100 mld transacties geweest.

PxT = 6x100

Dus MxV=PxT



Er worden €100 bankbiljetten gemaakt.

Mogelijkheid 1: Oppotten; dus voor €600 blijven kopen.

MxV = PxT

300xV = €1x100

V daalt tot 2

Minder omloop.



Mogelijkheid 2: Het wordt gebruikt, dus meer goederen kopen.

MxV = PxT

200x3 = 1x600

300x3 = 1x900



Mogelijkheid 3: Idem, maar bedrijven kunnen productie niet opvoeren.

Grotere vraag, gelijk aanbod: P stijgt.

MxV = PxT

200x3 = 1x600

300x3 = 1,5 x 600

Dus 50% inflatie.



Overbesteding = mensen willen meer kopen dan de productiecapaciteit toelaat.



Hoofdstuk 6.

§6.1

Waarom noemen ze algemene bank ‘algemeen’?

Antwoord: Omdat ze veel dingen doen. Namelijk 5 dingen, zie blz. 107.



Algemeen: Specifiek, doet maar één ding. Bijv. een hypotheekbank verstrekt alleen hypotheken.



Waarom zijn algemene banken ook geldscheppend?

Omdat ze door wederzijdse schuldaanvaarding (= girale kredietverlening = geleend geld wordt op de lopende rekening gestort)



§6.2

De vermogensmarkt = de markt van lenen (v+a)



Aanbod van geld om uit te lenen, spaarder vraag naar leningen,

lener



Twee soorten indelingen

naar leningstermijn tussen welke partijen.

Deelmarkt 1: korte leningen ( 1 jr) Deelmarkt 1: de markt waarop geldschep-

Geldmarkt is de naam. pend banken van elkaar lenen. (Markt in

enge zin.)

Bijv. Rabo leent van ABN-Amro en NL bank.



Deelmarkt 2: Langere looptijd Deelmarkt 2: Het publiek leent van banken

Kapitaalmarkt is de naam. of instellingen. (Markt in ruimere zin.)

Bijv. Hypotheek Bijv. Ik leen van de bank.



Institutionele beleggers:

Een instelling zoals een pensioenfonds waar je geld kunt lenen, maar wat geen bank is.



§6.3

Hoe gaat de vermogensoverdracht?



Mogelijkheid 1:



Geld uitlenen tegen

gezin 5 % rente bedrijf



obligatie geven = papier

als bewijs



Mogelijkheid 2:



Gezin idem overheid



Staatslening obl. v/d overheid



Mogelijkheid 3:



Gezin idem hypotheekbank







Pandbrief obl. v/d hypotheekbank





Mogelijkheid 4:



Gezin nu koop je je in bedrijf



Je krijgt deel v/d winst (= dividend) aandeel



Gezinnen onderhands uitlenen

(spaarders) Bedrijven





Onderhands lenen Overheid









Onderhands overheid



INSTITUTIONELE BELEGGERS



§6.4

De Nederlandse Bank mag baas spelen op monetair gebied. Is geen overheid.

Monetair = money = geld.



Nederlandse bank heeft taken (blz. 111)

We hebben nu de E.C.B (Europese Centrale Bank)

Samengevat:

1. E.C.B bewaakt de interne (=koopkracht in Europa) waarde. Je wilt dus geen inflatie. Als er inflatie is, verhoogt de E.C.B de rente. Bij hogere rente gebeuren er twee dingen: - Sparen neemt toe -> Maatschappelijke geldhoeveelheid daalt -> inflatie daalt. En – Uitlenen daalt door banken -> minder girale geldschepping -> M daalt -> inflatie daalt.

2. E.C.B bewaakt de EXTERNE waarde = wisselkoers in het buitenland.



LOPENDE REKENING IS HETZELFDE ALS REKENING COURANT!!!!



De Nederlands Bank voert al beleid:

- het monetaire beleid

- het bedrijfseconomisch beleid



Monetair beleid:

- De interne waarde hoog houden -> geen inflatie.

- De externe waarde hoog houden -> voor €1 krijg je veel dollars.



Bedrijfseconomisch beleid:

- DNB houdt toezicht op de banken om te voorkomen dat die failliet gaan.

- Eisen ten aanzien van liquiditeit en solvabiliteit.



§6.6

We hadden het steeds over M. Dat noemen we voortaan M1. Met M1 kun je direct (=onmiddellijk) betalen. -> chartaal+giraal geld.

Daarnaast hebben we “dingen” wat geen geld is, maar die we wel snel kunnen wisselen in geld:

- vreemde valuta

- termijndeposito = spaarrekening met een korte opzegtermijn= 1 week/1 maand.



Voorbeeld: Je koopt een huis. Je leent een hypotheek op 1 februari. Je moet je op 1 maart het huis betalen.

-kortlopende spaarrekening

Dit is secundaire liquiditeiten (=bijna geld)

Kortlopende spaarrekening = deze is iets minder bijna geld, omdat de looptijd meestal wat langer is.



M1 = Geld

M2 = M1 + vreemde valuta’s + termijndeposito

M3 = M2 + kortlopende spaarrekeningen.



Is M2 hetzelfde als secundaire liquiditeiten?

Nee, want

1. kortlopende spaarrekeningen zitten er niet bij

2. M1 zit wel in M2, maar is geen secundaire liquiditeit.



§6.10

Zie bijgevoegd stencil.



§6.12

Effecten koop je via commissionair (bank)

De commissionair geeft orders door aan de hoekman van de effectenbeurs.

Jij -> commissionair -> effectenbeurs (hoekman)



Aex -> index van Amsterdam



Effecten:

- Aandeel: eigendomsbedrijf, je krijgt dividend

- Obligaties: bewijs dat je geld uitleende. Je krijgt aflossing + rente.

- Optie: recht om later iets te kopen/verkopen.



Obligaties: 1. Van bedrijven. 2. Van overheid = staatslening.



Hoofdstuk 7

§7.1 en 7.2

Collectieve sector = publieke sector

Private sector = privé



Overheid kun je indelen in ruim en eng.

Ruim: Rijk, Provincies, Gemeente

Eng: Rijk



Overheid en Sociale instellingen horen bij collectieve sector. Sociale instellingen zijn dus geen overheid.



Som.

Ambtenaren verdienen €20 mld.

Overheid koopt pennen, koffie €30 mld.

Investeringen in wegen €60 mld.

Uitkeringen door het Rijk €35 mld.

Uitkeringen door het GAK €45 mld.

a. Bereken de overheidsuitgaven. 20+30+60+35=145.

b. Bereken uitgaven collectieve sector. 145+45=190.

c. Bereken overheidsbestedingen. 145-35=110. Alle uitgaven van de overheid, behalve overdrachtsuitgaven van de overheid.

d. Bereken overheidsconsumptie. 20+30=50.

e. Bereken overdrachtsuitgaven. 35+45=80.



§7.3

Hoe wordt beslist hoeveel er geproduceerd wordt?

1. Gezinnen en bedrijven laten zich voornamelijk leiden door de prijs. Prijsdaling -> meer kopen -> grotere productie.

Prijsmechanisme = marktmechanisme.

Prijs.



A



V



Hoeveelheid



2. Overheid laat zich voornamelijk leiden door hoeveel belastinggeld ze hebben, oftewel hun budget. (=het te besteden bedrag)

Economische groei -> meer belasting (inkomen) -> meer uitgeven aan collectieve goederen.

Collectief goed is bijv. een weg.



§7.5

Collectief goed:

- Ondeelbaar: niemand is uit te sluiten.

- Geheel uit Belastingen betaald, geen prijs.

- Voorbeeld: politie, defensie

- Voorbeeld: dijk

- Voorbeeld: duinen



Quasi collectief:

- niet iedereen hoeft er gebruik van te maken

- het is ongewenst om die wil te weigeren

- ten dele uit Belasting betaald

- ten dele betaal je zelf. Prijs met subsidie

- voorbeeld: ziekenhuis

- voorbeeld: bibliotheek



Individueel goed:

- dat is alleen van jou

- je betaalt de volle prijs

- voorbeeld: je fiets.



§7.6

Wat doet de overheid?

1. Zorgen voor collectieve goederen (bijv. een weg)

Overheid wijst (alloceert) productiefactoren toe aan wegen. Dit is allocatiefunctie -> overheid neemt mensen in dienst om te produceren.

2. Zorgen dat de arme mensen hun geld krijgen. Rijken moeten sociale premies en belasting betalen.

Armen krijgen uitkering/subsidie.

Dit is de (her)verdelingsfunctie.

Doel is nivelleren.

3. Zorgen voor een gelijkmatige economie.

Economie schommelt teveel.



In het dal is de vraag te klein



Dan heb je conjunctuurwerkloosheid.

Overheid stimuleert de vraag door belastingen te verlagen.

Dit is de stabiliseringsfunctie.



§7.7

Overheid ontvangt:

1. Belastinggeld

2. ‘niet’-belastinggeld

Voorbeeld: boete

Voorbeeld: winst op aardgas

Voorbeeld: retributie (betaling door overheidsdienst)

Voorbeeld daarvan: schoolgeld, leges, vergunning om ergens te bouwen, paspoort.



Hoe zit het met de sociale premies?

Is dit B of niet B?

Allebei niet, het is namelijk geen ontvangst voor de overheid. Het gaat naar sociale instellingen, die geen overheid zijn.



§7.7

Directe belasting betaal je rechtstreeks aan staat tegen directe tegenprestatie.

Dus:



Inkomstenbelasting



Indirecte belasting = kostprijsverhogende belasting. De BTW wordt verrekend in de prijs.

Niet direct = via een winkel.

Dus:



BTW

BTW



Belastingafdruk is bij de consument.

Belastingafdruk is bij de winkel.



§7.7 Collectieve lastendruk.

Som:

Alle Nederlanders verdienen samen €100 mld.

Ze betalen €400 mld belasting.

Ze betalen €50 mld retributies.

Ze betalen €66 mld aardgas.

Ze betalen €100 mld sociale premies.

a. Hoe heet het verdiende bedrag?

b. Waaraan is y gelijk?

c. Welk bedrag ontvangen de sociale instellingen?

d. En de overheid?

e. En de collectieve sector?

f. Hoe groot is de collectieve lastendruk?



a. Nationaal inkomen (=y)

b. Bruto binnenlands product/nationaal product

c. €100 mld.

d. De rest: €516 mld

e. Overheid + sociale instellingen: €616 mld.

f. Wat we aan de collectieve sector betalen/wat we verdienen x100 = 616/1000 = 61,6



Een deel van de collectieve lasten gaat dus niet naar de overheid, namelijk de sociale premiedruk 10%.



§7.8

Wat kun je doen om minder B te betalen?

1. afwentelen: een ander laten betalen. Voorbeeld: een winkel rekent het door in de prijs. We spreken over kostprijsverhogende (indirecte B) belastingen: BTW, accijns, invoerrecht.

2. Ontduiken: niet betalen, illegaal.

3. Ontwijken: Iets doen of laten zodat je geen belasting meer hoeft af te dragen. Voorbeeld: In België gaan wonen, je bedrijf laten verhuizen naar een laag belastingland of niet meer (over)werken.



§7.9

Bij het opleggen van belasting houdt overheid rekening met:

1. Het mag geen onbedoelde gevolgen voor de welvaart hebben. Voorbeeld: op benzine zit veel belasting. Fietsreparaties vallen echter onder het lage BTW-tarief. Dit is het doelmatigheidsbeginsel.

2. De rijkeren moeten meer betalen dan de armeren. Voorbeeld: Dhr Arm betaalt 35% inkomstenbelasting. Dhr Rijk 60%. (Progressieve belasting) Dit is het draagkrachtbeginsel.

3. De gebruiker betaalt. Als ik niets koop, betaal ik geen BTW. Als jij wat koopt betaal je wel BTW. Dit is het profijtbeginsel.



§7.10

Rijksbegroting: overzicht van verwachte uitgaven en inkomsten van de overheid.

De Rijksbegroting wordt als wetsvoorstel aangeboden op Prinsjesdag.



inkomsten uitgaven

belasting € 500 onderwijs enz. € 800

niet belasting € 200 aflossing staatsschuld € 100

begrotingstekort € 350 rente-uitgaven € 150

€ 1.050 € 1.050



Begrotingstekort: dat lenen ze dus. Staat bij de inkomsten, want het geleende geld ontvang je.



Blz. 138: anticyclisch begrotingspolitiek:

1. Het bewust meer of minder geld gaan uitgeven door de overheid.

2. Het bewust meer belasting vragen of juist niet.



De economie schommelt (cyclus)



§7.13

Hoe leent de overheid geld?

1. Liever niet bij de bank, want daar is de rente te hoog.

Spaargeld.

Je krijgt 5% van de bank + 2% rentemarge van de bank = 7%

2. Dus liever bij de mensen zelf.

Gezin geeft €1000 te leen aan overheid -> overheid ontvangt €1000 en betaalt 5%.



Als bewijs krijg je een staatsobligatie


3. Of lenen bij verzekeringsmaatschappijen of pensioenfondsen. Die noem

je institutionele beleggers. Dit zijn onderhandse leningen. (=zonder tussenkomst

een bank)



Leningen door de overheid kunnen gaan:

1. op lange termijn

2. op korte termijn -> nadeel: hogere rente



1. Kapitaalmarkt -> obligaties, onderhandse leningen.

2. Geldmarkt -> bij de Nederlandsche Bank kan de overheid kort lenen.



§7.13

A pari tender systeem.

Stel, de overheid wil geld lenen. De overheid laat staatsobligaties drukken van €1000 tegen 8%.



Schulderkentenis = obligatie



Wil jij deze obligatie graag kopen?

Ja, hoge rente.



Mogelijkheid 1: Verkoop à pari.

= je betaalt de uitgiftewaard

= je betaalt dus €1000



Mogelijkheid 2: Verkoop met tendersysteem.

= je schrijft in

= degenen die het meest willen betalen, kopen.

Bijv. Je betaalt €1100



§7.14

Inkomsten lagere overheid.

1. eigen belasting (bijv. onroerend goed belasting)

2. bijdrage uit gemeentefonds of provinciefonds

3. retributies (bijv. parkeergeld)


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.