Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 1 t/m 5

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 2160 woorden
  • 18 juli 2006
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.1
  • 8 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Economie samenvatting H1 + 2

behoeften: alles wat een mens wil of nodig heeft.

Primaire behoeften: basis behoeften, voedsel, kleding, onderdak
Secundaire behoeften: alles wat het leven aangenamer maakt.

Goederen: alle middelen waarmee in de behoefte van de mens kan worden voorzien.

Vrije goederen: alles waar men niet voor wil betalen, lucht.
Economische goederen, schaarse goederen, goederen waar voor moet worden betaald.
- individuele goederen: kunnen aan een individuele persoon worden verkocht, tv, aardappelen, wie betaald gebruikt het ook.

- collectieve goederen: niet splitsbaar in eenheden die aan individuele personen worden verkocht, dijk, defensie, je betaald er belasting voor maar het er niet direct profijt van. Of je het wil of niet je betaald ervoor.
- Quasi-collectieve goederen: word door de overheid aangeboden, school, bibliotheken, wegen en tunnels b.v.
Goederen worden tegen een lage prijs aangeboden.

produceren> het toevoegen van waarden> waarde toevoeging
> combineren van productiefactoren met doel waarden toevoeging.
Onderlinge leveringen> inkopen bij andere bedrijven, waaronder diensten van derden (bv. Schoonmaak)

toegevoegde waarde= verkoop – inkoop.

Winst=totale opbrengst - totale kosten

afzet> verkochte hoeveelheid.
Omzet> totale opbrengst (=verkochte hoeveelheid x verkoopprijs)
winst> totale opbrengst - totale kosten.
Totale kosten> kosten van ingekochte goederen en diensten van derden+ kosten van de productiefactoren (natuur, arbeid, kapitaal)
productie factoren > middelen die nodig zijn bij de productie.

-arbeid; menselijke handelingen bij de productie om een inkomen te krijgen.
-kapitaal; *geldkapitaal, bv: geld lenen en dan rente betalen
*kapitaal goederen: goederen waarmee andere goederen kunnen worden gemaakt, of waarmee een inkomen kan worden verdient. bv: gebouwen, machines, gereedschap
-grond (natuur); gehele natuurlijke omgeving.
-ondernemersactiviteit; productiefactoren combineren, mislukt> verlies
lukt> winst.
Nationaal product> van alle bedrijven en van de overheid de toegevoegde waarde van een bepaald jaar.
Nationaal inkomen> (gezinnen) alle beloningen die worden uitgekeerd voor de productiefactoren. (loon, pacht, interest & winst) in een land in een jaar.

Welvaart> de mate waarin de bewoners van een land in hun behoefte kunnen voorzien.
Schaarste> geen genoeg middelen om iedereen van de behoefte te voorzien.
*hoe kleiner de schaarste hoe groter de welvaart.
*toenamen van het nationaal product betekend toename van productie, dit hoeft niet toenamen van welvaart te betekenen, door de negatieve effecten van productie> bv. lucht en waterverontreiniging.

Externe effecten> doen zich voor als het streven naar welvaart van de een onbedoeld invloed uitoefent op de welvaart van de ander.
-positief> fabriek geeft mooi aanzien van wijk.
-negatief> fabriek die veel lawaai maakt is bv. Een negatief gevolg van productie.

Welvaart in enge zin> als je alleen naar de productie kijkt.
Welvaart in ruime zin> de behoefte (ziekenhuis, school) en de externe effecten nog bij de productie. (zoals een schoon milieu en stilte)

arbeid> betaald en onbetaald, onbetaald (vrijwilligerswerk, doe-het-zelf-activiteiten ect.) worden niet geregistreerd en vallen buiten het nationaal product.

Beroepsbevolking> alle personen van 15 tot en met 64 jaar die beschikbaar zijn om betaald werk te doen.
Hier worden enkele opmerkingen over gemaakt:
*alleen mensen die een baan hebben van 12 uur per week of meer worden meegeteld.
*ook mensen die willen werken, maar geen baan kunnen vinden (de werklozen) horen bij de beroepsbevolking.

Werkloosheidspercentage = werklozen
------------------------------------------------ x100%
beroepsbevolking

Participatiegraad (deelnemingspercentage)= beroepsbevolking
-------------------------------------------------------------------- =x100%
beroepsgeschikte bevolking

kapitaalgoederen> goederen die bestemt zijn om andere goederen mee te produceren of een inkomen te verdienen.
Vaste kapitaalgoederen> goederen die meer dan een productieproces mee gaan. (gebouwen, machines, maar ook auteursrechten)
vlottende kapitaalgoederen> goederen die maar een productieproces mee gaan, ze gaan op in het eindproduct. > voorraden bv grondstoffen en voorraden van het eindproduct.

Investeren> aanschaffen van kapitaal goederen.

Kapitaalintensiteit> de hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid.

Arbeidsproductiviteit> de waarde van de hoeveelheid geproduceerde goederen per arbeidsuur.
Diepte-investeringen> wanneer een kapitaalgoed wordt aangeschaft dat met een zelfde hoeveelheid arbeid een grotere hoeveelheid product kan voortbrengen. (kapitaalintensiteit veranderd)

Breedte-investeringen> door breedte-investeringen verandert in de productieprocessen de verhouding tussen arbeid en kapitaal niet. (kapitaalintensiteit veranderd niet)

Kwaliteit van arbeid wordt beter door scholing.

Waarde van geproduceerde goederen
arbeidsproductiviteit= ---------------------------------------
benodigde hoeveelheid arbeidsuren

arbeidsbesparende investeringen> investering zodat er minder arbeid nodig is.

Afschrijvingen> de in geld uitgedrukte waarde daling van kapitaalgoederen.
>worden via de verkoopprijs terug verdient.

*natuur
-geografische ligging van land of regio> NL, Noordzee
-natuurlijke hulpbronnen> grondstoffen
-het klimaat> NL, veeteelt klimaat
-milieu factoren> rust, stilte, schoon water ect.

Duurzame ontwikkeling> een manier van produceren die de natuurlijke omgeving zoveel mogelijk onaangetast laat.

-ondernemersactiviteit> nemen van risico's (bv. Met hoeveelheden producten ect.) goed combineren van de productiefactoren voor winst.

Innovatie> de ontwikkeling en succesvolle introductie van nieuwe of verbeterde, goederen, diensten of productieprocessen.

Arbeidsjaren> vaak wordt arbeid gemeten in arbeidsjaren, waarbij parttime-banen omgerekend worden naar fulltime-banen. (2 halve banen vormen samen 1 arbeidsjaar)

Primaire sector> agrarische sector en de visserij =arbeidsintensief> wordt veel arbeid gebruikt.
Secundaire sector> industrie (nijverheid)
kleine – grote bedrijven
productie is in hoofdzaak kapitaalintensief
tertiaire sector> commerciële dienstverlening, - winkels, banken, notarissen, verzekeringsmaatschappijen, reparatiebedrijven enz.
= Arbeidsintensief
Quartaire sector > niet-commerciele dienstverlening -niet naar winst strevend > de overheid en alle gefinancierde bedrijven door de overheid, ziekenhuizen, bieb. (vrijwilligers).

Bedrijven kunnen worden ingedeeld naar:
-rechtsvorm
-economische activiteit

rechtsvorm/ondernemingsvorm> de juridische vorm waaronder een onderneming aan het economisch verkeer deelneemt.
Primaire sector: eenmansbedrijven, agrarische sector, visserij.
Secundaire sector: kapitaalintensief, industrie, delfstofwinning, energie en waterleidingbedrijf.
Tertiaire sector: commerciële dienstverlening, winkels, vervoersbedrijven, accountants, arbeidsintensief.
Quartaire sector: niet commerciële dienstverlening, hoort bij de overheid, streeft niet naar winst, ziekenhuis, bibliotheken.

Belangrijke ondernemingsvormen zijn:
-eenmanszaak
-vennootschap onder firma (VOF)
(eigenaars aansprakelijk voor schulden op gehele privé vermogen, geen rechtspersoonlijkheid)

-naamloze vennootschap (NV)
-besloten vennootschap (BV)
(wel rechtspersoonlijkheid, de aandeelhouders zijn de eigenaars, maken geleidelijk verlies)

de keuze voor een bepaald ondernemingsvorm wordt vaak bepaald door economische, juridische en fiscale overwegingen:
-economische overweging> hangt af van: wie draagt (dragen) de risico's van het ondernemerschap, op welke manier kan het eigen vermogen worden uitgebreid?
-juridische overwegingen> hangen samen met de aansprakelijkheid voor de verplichtingen die door de onderneming zijn aangegaan.
-fiscale overwegingen> belastingdruk om voor een bepaalde rechtsvorm te keizen.
bv. bij eenmanszaken veel meer belasting dan bij NV's en BV's omdat dit onder vennootschap belastingen valt.

Een rechtspersoon is een organisatie die zelfstandig rechten en verplichtingen kan hebben.

Eenmanszaak> één eigenaar, aansprakelijk voor alle verplichtingen namens het bedrijf.
Voordelen: - winst is volledig ten goede voor de eigenaar.
-doordat een persoon alles in handen heeft kunnen er geen communicatiestoornissen ontstaan.
Nadelen: -de loop is afhankelijk van een eigenaar, dus als hij ziek is loopt het 'moeilijker'.
-uitbreidingen gaan niet makkelijk, de eigenaar is niet kapitaalkrachtig genoeg.
-scheiding tussen bedrijfs- en privé-vermogen. Als bedrijf slecht gaat kan gezin in financiële problemen terecht komen.

Vennootschap onder firma> 2 of meer mensen onder dezelfde naam een bedrijf uitoefenen.
- minstens 2 mensen eigenaar van een bedrijf.
-tussen de 2 mensen kan arbeidsverdeling zijn (een doet inkoop, ander verkoop) beiden zijn even verantwoordelijk.
-hoofdelijke aansprakelijkheid; iedere firmant is afzonderlijk aansprakelijk op zijn privé-vermogen voor alle verplichtingen die het bedrijf aan gaat.

Naamloze vennootschap > niet aansprakelijk met het privé vermogen. Vermogen verdeeld in aandelen. Failliet>> aandeelhouders waarde van hun aandelen kwijt, maar niet aansprakelijk voor totale schulden.

Besloten vennootschap> ook niet aansprakelijk met het privé vermogen. Slechts beperkt aantal aandeelhouders; meestal gesloten groep (bv. familie).
Bij een bewust mismanagement kan het privé-vermogen van de eigenaar toch worden aangesproken.

Bedrijfskolom> schematisch overzicht van de belangrijkste productiefasen die een product doorloopt.
(productiefase > een bewerking die een product ondergaat)

bedrijfstak> omvat alle bedrijven die eenzelfde soort product voortbrengen, of een gelijke productieve handeling verrichten.

Loop van het productieproces:
-oerproduct
>verhandeld+ vervoerd (export, import)
>consument (wel in kolom getekend, maar maakt geen deel uit van bedrijfskolom)

-eindproducten> winkels/supermarkten.
-markten> tussen de fases door.
Veranderingen in de productiestructuur:
*verticale bewegingen: bewegingen binnen één bedrijfskolom, te onderscheiden in integratie en differentiatie.
*horizontale bewegingen: bewegingen van de ene bedrijfskolom naar de andere, te onderscheiden in specialisatie en parallellisatie.

Integratie> het samenvoegen van 2 of meer opeenvolgende fasen van de bedrijfskolom in 1 bedrijf.
-bedrijf wordt minder afhankelijk van zijn levaranciers.
Uitschakelingstendens> bedrijfskolom wordt korter.

Differentiatie> het afstoten van een bepaalde activiteit naar een voorgaande of een volgende fase in de bedrijfskolom.
Inschakelingstendeens> bedrijfskolom wordt langer.

Parallellisatie> dat een bedrijf producten uit andere bedrijfskolommen die in hetzelfde stadium van verwerking verkeren, in zijn assortiment opneemt.
bv. supermarkt> verschillende producten uit verschillende bedrijfskolommen.
Bedrijfskolom wordt breder.
Branchevervaging> als de parallellisatie erg ver gaat.

Specialisatie> houdt in dat een bedrijf zich gaat toeleggen op de productie van één of enkele producten in een bedrijfstak. Is het tegengestelde van parallellisatie. De bedrijfskolom wordt smaller.

Concentratie> het verschijnsel dat beslissingen over de productie van goederen en diensten door steeds minder bedrijven worden genomen.
Oorzaken: -grote bedrijven worden groter, kleine geven op.
-grote b. meer investeringsmogelijkheden.
-zelfstandige b. gaan over in grotere b.
-zelfs. b. gaan samenwerken.

Fusie> 2 of meer gelijke partners besluiten samen te gaan in een nieuw rechtspersoon.
Overname> een groot bedrijf een ander groot bedrijf overneemt.

Fusiegedragsregels (opgesteld door de Sociaal Economische Raad) (SER)>
-een fusie moet worden aangemeld.
-er moeten waarborgen worden geschapen voor de belangen vand e werknemers.
-de vakbonden moeten tijdig worden ingelicht.

Voordelen/motieven voor fusies/overname:
-kostenvoordelen
-risicospreiding
-toelevering (van producten is groter, dus is gegarandeerder)
-toegang tot de vermogensmarkt (mensen meer vertrouwen in grote bedrijven dan kleine & grote b. kunnen makkelijker groeien.)
-rsearch> grote bedrijven kunnen hier meer geld voor vrij maken. Kost veel, daardoor alleen door grote bedrijven.

Multinationale ondernemingen> bedrijven die hun werkzaamheden in verschillende landen uitoefenen.

Voordelen van multinationals:
-lage lonen in buitenland
-lage belasting
-lage transportkosten
-omzeilen van maatregelen van eigen regering

kartel> afspraak tussen onafhankelijke bedrijven om de concurentie te beperken.
Prijskartel> bedrijven maken afspraken over de verkoopprijs.
Productiekartel> bedrijven spreken af niet meer dan een bepaalde hoevelheid te produceren> prijs hoog houden door beperkt aanbod.
Rayonkartel> de bedrijven worden goed verdeeld, zodat niet iederen élkaar voord e voeten loopt'.
Voorwaardenkartel (conditiekartel)> bedrijven spreken af heoveel korting zij geven.
Jaarrekening>
-balans; overzicht van een bedrijf zijn bezittingen, schulden, eigen vermogen op een bepaald tijdstip.
-resultaten rekening; overzicht van opbrengst+ kosten> daaruit komende verlies.
-toelichting op beiden.

Vaste activa> kunnen langer dan een jaar worden gebruikt.
Vlottende activa> kunnen doorgaan binnen en jaar in geld worden omgezet.
Solvabiliteit van een bedrijf. Kun je in een balans aflezen.
Verhouding tussen het eigen vermogen en het totale (in het bedrijf gestoken) vermogen.
Liquiditeit> verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden.

H 3 kosten opbrengst van een bedrijf

Kosten vormen de geldwaarde van de opgeofferde productie middelen.

Constante kosten zijn kosten die op korte termijn vastliggen en onafhankelijk van de productie omvang.

Variabele kosten die veranderen met de hoeveelheid geproduceerde goederen.

Productie capaciteit is de hoeveelheid goederen die en bedrijf in een jaar maximaal kan voortbrengen.

Proportioneel variabele kosten zijn kosten die rechtevenredig toenemen met de hoeveelheid geproduceerde goederen.

Gemiddelde constante kosten:
Gck= tck/q

Gemiddelde variabelen kosten:
Gvk =tvk/q

Totale kosten:
Tk= a*q + tck

Gtk=gck+gvk

Totale opbrengst:
To= p * q

Totale winst:
Tw=to-tk

To=p*q

Tw= p*q-a*q – tck

Break – evenafzet: afzet waarbij kosten dekking plaats vindt, de winst is dan 0.

H 4 sector overheid

Collectieve sector: overheid, sociale verzekeringsfondsen(volksverzekeringen, werknemersverzekeringen)

Collectievenlastendruk = belastingen + premies + niet belastingontvangsten / nationaal inkomen *100%

Overheidsproductie bestaat uit alle ambtenaren salarissen.

Belastingen zijn gedwongen betalingen aan de overheid waar geen directe tegenprestatie tegenover staat.

Directe belasting: inkomstenbelasting
Indirecte belasting: BTW, accijnsen.
Progressief belastingstelsel: hoe hoger je inkomen hoe hoger de belasting is die je moet betalen.

Box1: inkomen uit werk en woning
Box2: inkomen uit aanmerkelijk belang(aandelen (min5%) van nv of bv)
Box3: inkomen uit sparen en beleggen(gemiddeld vermogen)

ZIE HB EN SCHRIFT VOOR SOMMEN!!!!

Indirecte belastingen: -omzetbelasting -accijnzen -invoerrechten -motorrijtuig belasting.

Begrotingstekort = uitgaven – ontvangsten (ook wel financieringsbehoefte)

Financiering tekort = begrotingstekort – aflossing op de staatsschuld. (financieringssaldo)

Staatsschuld quote = staatsschuld / nationaal inkomen *100%(max60)
Begrotingssaldo: het verschil tussen de totale begrote overheidsinkomsten en de totale overheidsuitgaven in een bepaald jaar.

Staatsschuld: uitstaande leningen ten laste van de staat.

Wig: het verschil tussen de loonkosten voor de ondernemer en het nettoloon van de werknemer.

Bruto – alle belastingen en premies = netto

Een hoge wig kan tot gevolg hebben:
- ontmoedigende werking op het arbeidsaanbod.
- Hoge loonkosten werkgever.
- Aantasting concurrentie positie
- Pogingen om de belasting druk te verminderen: -ontwijking -ontduiking -afwenteling -demotivatie

Overheid trede in de jaren 80 en 90 gedeeltelijk terug uit de vrije markt.
-bezuinigen op de collectieve uitgaven
-deregulering
-privatisering

H5

Vrijhandel: wanneer er geen belemmeringen zijn van de internationale handel.
Protectie: de eigen productie en werkgelegenheid beschermen tegen invloeden uit het buitenland.
Dumping: het exporteren van goederen tegen een prijs die lager is dan de productie kosten.
Retorsie:een land beperkt importeren als vergelding voor importbeperkingen door andere landen.
Handelspolitiek: het ingrijpen door overheden in het nationale goederen- en dienstverkeer.
Invoerrechten: heffingen die bij invoer van goederen aan de overheid van importerende landen wordt betaald.
Non-tarifaire belemmeringen:handelspolitieke instrumenten behalve de invoer en uitvoerrechten(contingentering, subsidies, handelsverdragen, overige non-tarifaire=belemmeringen)
Contigent: maximale hoeveelheid die van een bepaald goed mag worden ingevoerd.

Protectie: de eigen productie en werkgelegenheid beschermen tegen invloeden uit het buitenland.

*importheffingen: producten uit het buitenland worden duurder.
*exportsubsidies: eigenproducten goedkoper maken
*contingetering: een maximum aan ingevoerde goederen stellen(aantal)

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.