ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Economie Percent

Hoofdstuk 1.

1.1
Behoeften= alles wat een mens nodig heeft.
- primaire: basisbehoeften, zorgen ervoor dat we in leven blijven.
- Secundaire: alles wat het leven aangenamer maakt.
Goederen: alle stoffelijke en onstoffelijke middelen waarmee in de behoeften kan worden voorzien.
Goederen:
– vrije goederen: goederen die buiten elke menselijke activiteit om vrijelijk in de natuur voorkomen.
- economische goederen: (schaarse goederen) goederen waarvoor betaald moet worden.
Economische goederen:
- individuele: splitsbaar in eenheden die aan individuele personen kunnen worden verkocht.
- collectieve: niet splitsbaar die aan individuele personen kunnen worden verkocht.
- quasi- collectieve: individuele goederen die door de overheid worden aangeboden.

1.2
Productiefactoren, productiemiddelen= middelen die nodig zijn voor de productie.
- Arbeid (loon)
- kapitaal (rente)
- natuur (pacht)
- ondernemersactiviteit (winst)
Produceren= combineren van productiefactoren met het doel waarde toe te voegen.
Productie= toegevoegde waarde -> omzet – onderlinge leveringen.
Nationaal product= de som van de in een land gedurende een jaar toegevoegde waarde.
Nationaal inkomen= de som van de gedurende een jaar in een land aan de productiefactoren uitgekeerde beloningen.
Identiteit= noodzakelijke gelijkheid.
Bruto binnenlands product= BBP, productie of toegevoegde waarde binnen de grenzen van een land, inclusief vervangingsinvesteringen (afschrijvingen).
Netto is zonder vervangingsinvesteringen.

1.3
Welvaart= mate waarin behoeften zijn voorzien.
Schaarste= spanningen tussen de behoeften aan de ene kant en de middelen aan de andere kant.
Externe effecten= doen zich voor als het streven naar welvaart door de één onbedoeld invloed uitoefent op de welvaart van een ander.
Welvaart in enge zin= alleen de productie
Welvaart in ruime zin= ook de behoeften en externe effecten erbij.

1.4
Beroepsgeschikte bevolking= 15 t/m 64 jarige.
Beroepsbevolking= 15 t/m 64 jarige die beschikbaar zijn om betaald werk te doen.
Participatiegraad= om aan te geven welk deel van de beroepsgeschikte bevolking tot de beroepsbevolking behoort: beroepsbevolking x 100%
Bevolking van 15 t/m 64 jaar
Kapitaalgoederen= goederen die niet bestemd zijn voor consumptief verbruik, maar om andere goederen te produceren.
- vast kapitaal: goederen die meer dan één productieproces meegaan.
- Vlottend kapitaal; voorraden, gaan slechts één productieproces me.
Investeren= aanschaffen van kapitaalgoederen.
Kapitaalintensiteit= de hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid.
Breedte- investering= investering waarbij de kapitaalintensiteit niet verandert.
Diepte- investering= investering waarbij de kapitaalintensiteit toeneemt.
Afschrijvingen= geven de in geld uitgedrukte waardedaling van kapitaalgoederen weer.
Bij natuur kun je denken aan;
- ligging van een land of een regio,
- natuurlijke hulpbronnen
- het klimaat
- milieufactoren
Duurzame ontwikkeling= een manier van produceren die de natuurlijke omgeving zoveel mogelijk onaangetast laat en die de onaangename kanen van onze manier van produceren niet naar de toekomst verplaatst.

Hoofdstuk 2

2.1

Rechtsvorm, onderneminingsvorm= de juridische vorm die een onderneming wordt gegeven, 2 groepen:
- geen rechtspersoonlijkheid, geen scheiding tussen de bezittingen en schulden van de onderneming en die van de eigenaar
- wel rechtspersoonlijkheid, duidelijke scheiding tussen de eigenaars en het eigenlijke bedrijf.
Eenmanszaak= eigendom berust bij één persoon, geen rechtspersoonlijkheid.
Vennootschap onder firma (VOF)= eigendom wordt gedeeld door twee of meer mensen, geen rechtspersoonlijkheid.
Naamloze vennootschap (VN)= eigendom berust bij aandeelhouders, rechtspersoonlijkheid.
Besloten vennootschap (BV)= aandelen zijn niet vrij verhandelbaar, slechts beperkt aantal, meestal vormen deze een gesloten groep, rechtspersoonlijkheid.
Primaire sector= landbouw, visserij en delfstoffenwinning.
Secundair sector= industrie, openbare nutsbedrijven, bouwnijverheid.
Tertiaire sector= commerciële dienstverlening zoals banken.
Quartaire sector= maatschappelijke dienstverlening tot stand brengen zonder winstoogmerk.

2.2
Bedrijfskolom= opeenvolging van economische activiteiten die nodig zijn om een bepaald product te maken.
Oerproduct= product aan het begin van het productieproces.
Eindproduct= product aan het einde van het productieproces.
Bedrijfstak= bestaat uit alle bedrijven die zich in dezelfde fase in de bedrijfskolom bevinden.
Verticale bewegingen= bewegingen binnen één bedrijfskolom.
Horizontale bewegingen= bewegingen van de ene bedrijfskolom naar de andere.
Integratie (v)= samenvoegen van wee of meer opeenvolgende fasen van de bedrijfskolom in één bedrijf.
Differentiatie (v)= afstoten van een bepaalde activiteit naar een voorgaande of een volgende fase in de bedrijfskolom.
Parallellisatie (h)= een bedrijf neemt producten uit andere bedrijfskolommen, die zich in hetzelfde stadium van bewering bevinden, in zijn assortiment op.
Specialisatie (h)= een bedrijf gaan zich toeleggen op de productie van één of enkele producten binnen een bedrijfstak.

2.3
Concentratie= verschijnsel dat beslissingen over de productie van goederen en diensten door een steeds kleiner aantal bedrijven worden opgenomen.
Fusie= twee min of meer gelijkwaardige partners besluiten op te gaan in een nieuwe rechtspersoon.
Overname= een onderneming verkrijgt de meerderheid van de aandelen van een andere onderneming.
Concern= bundeling van bedrijven die binnen een grotere eenheid als ‘dochter’ of ‘kleindochter’ hun plaats hebben.
Motieven voor schaalvergroting=
- kostenvoordelen
- toelevering
- toegang
- research
Multinational= onderneming die zich in verschillende landen vestigt.
Kartel= samenwerkingsvorm tussen juridische zelfstandige ondernemingen met het doel de concurrentie te beperken
Prijskartel= ondernemers maken dan afspraken over de prijs
Productiekartel= afspraken over de maximale hoeveelheid te produceren producten.
Rayonkartel= verdeelt de afzet geografisch.
Voorwaardenkartel= maakt afspraken over zaken als kortingen, garantie en betalingsvoorwaarden.
Mededingswet= verbiedt het bestaan van kartels en andere vormen van misbruik van economische machtspositie=
Nederlandse Mededingsautoriteit= (NMA)

2.4
Balans= overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald tijdstip.
Voorraadsgrootheden= omdat een balans een momentopname is, zijn de grootheden op een bepaald tijdstip gemeten
Vaste activa= kunnen langer dan een jaar worden gebruikt.
Vlottende activa= kunnen doorgaans binnen een jaar worden omgezet in geld.
Eigen vermogen= bestaan onder meer uit het aandelenvermogen, ander deel bestaat uit reserves.
Langlopende schulden= bestaan meestal uit hypothecaire leningen.
Kortlopende schulden= moeten wel binnen een jaar worden terug betaald
Solvabiliteit= de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen.
Liquiditeit= de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden.
Resultatenrekening= een overzicht van opbrengsten en kosten en de daaruit voortvloeiende winst (of het verlies) over een bepaalde periode.

Hoofdstuk 3

3.1
Model: een gestileerde weergave van een deel van de werkelijkheid. Onbelangrijke details worden achterwegen gelaten.
Voorbeeld (niet economisch): een landkaart. Alleen de hoofdlijnen, als rivieren steden en grote wegen.
Model van een onderneming met maar één product (bijv. waterleidingbedrijf), bestaat uit vier elementen:
Opbrengsten, kosten, doelstellingen en winst.

3.2
Opbrengsten is de omzet, de waarde van de verkochte producten.
Afzet is de hoeveelheid verkochte goederen
Omzet is het geldbedrag dat voor de afzet wordt ontvangen.
TO = pq (Totale opbrengst)

3.3
Kosten= de prijs die betaald moet worden om een bedrijf producten op de markt te laten brengen.
Constante kosten= kosten die op korte termijn vastliggen en onafhankelijk zijn van de geproduceerde hoeveelheid.
Variabele kosten= kosten die op korte termijn aan veranderingen onderhevig zijn en die afhangen van de geproduceerde hoeveelheid.
TCK = totale constante kosten
TVK = totale variabele kosten, TVK = aq
TK = totale kosten, TK = TVK + TCK -> TK = aq + TCK

3.4 De kosten nader beschouwd
GCK gemiddelde constante kosten = TCK/q
GVK gemiddelde variabele kosten = TVK/q
GTK gemiddelde totale kosten = TK/q
GTK = GVK + GCK

3.5
Bedrijven kunnen een aantal doelstellingen nastreven, namelijk:
- Maximale winst
- Kostendekking (geen winst maken, precies zijn opbrengsten en kosten in evenwicht)
- Een maximaal marktaandeel
- Continuïteit
TW= TO – TK
TW= pq – aq – TCK
Breakevenafzet= de afzet waarbij kostendekking plaatsvindt. De winst is dan gelijk aan nul.

3.6
Een maximaal marktaandeel:
marktaandeel = omzet van het betreffende bedrijf x 100 %
omzet op de totale markt
Continuïteit= Een bescheiden winst, om het bedrijf te laten bestaan en de werkgelegenheid en ondernemersinkomen te laten voortbestaan.

3.7
Doordat er verschillende belangen zijn kunnen doelstellingen in conflict komen met de doelstelling van iemand anders.
Negatieve externe effecten zorgen ervoor dat dit nog sneller gebeurt.

Hoofdstuk 4

4.1
Collectieve sector bestaat uit
- Overheid= het Rijk en overige publiekrechtelijke lichamen
- Sociale verzekeringsfondsen.
Collectieve lastendruk= het totaal aan ontvangsten van de collectieve sector uitgedrukt in een percentage van het bruto binnenlands product ->
totale ontvangsten collectieve sector x 100%
bruto binnenlands product
collectievenuitgavenquote= totale uitgave uitgedrukt als een percentage van het bruto binnenlands product-> totale uitgave collectieve sector x 100%
bruto binnenlands product

4.2
Overheidsproductie= bestaan uit ambtenarensalarissen
Collectieve uitgaven: - Overheidsuitgave
- inkomensoverdrachten via de sociale verzekeringsfondsen
Overheidsuitgaven: - Overheidsbestedingen
- Overdrachtsuitgave, inkomensoverdracht via de overheid
Overheidsbestedingen: - Overheidsconsumptie
- Overheidsinvesteringen
Overheidsconsumptie: - Ambtenarensalarissen
- Materiële overheidsconsumptie
Ministeries, departementen= manieren om de overheidsuitgave te rubriceren.

4.3
Inkomsten Rijksoverheid: - Belastingmiddelen: - directe belastingen
- indirecte belastingen
- Niet- belastingmiddelen
Belastingen= gedwongen afdrachten aan de overheid, zonder dat daar in het individuele geval direct aanwijsbare tegenprestaties tegenover staan.
Directe belastingen= de druk en de betalingsplicht rust op dezelfde persoon.
- Loon- en inkomstenbelasting= over het inkomen dat men verdient moet belasting worden betaald.
Loonheffing= op grond van het inkomen dat is afgesproken, wordt berekend hoeveel
belasting en sociale premies de werknemer moet betalen.
Progressief= met het stijgen van het inkomen moet in verhouding meer belasting
worden betaald.
Heffingskorting= een korting op de te betalen belasting.
Gemiddelde belastingdruk= de totale te betalen belasting uitgedrukt in een percentage
van het inkomen.
Marginale belastingdruk= geeft aan welk percentage over elke extra verdiende euro
aan de fiscus moet worden betaald.
Vermogen= verschil tussen de waarde van de bezittingen en de waarde van de schulden.
- Vennootschapbelasting= belasting over de winst die door NV’s en BV’s betaald moet worden.
Indirecte belastingen
- Omzetbelasting of Belasting op de Toegevoegde Waarde (BTW)= over elk product dat bedrijven verkopen, moet de klant BTW betalen.
- Accijnzen= worden geheven over en beperkt aantal goederen.
- Invoerrechten= heffing aan de grens bij invoer van een bepaald artikel
belastingen op inkomen en winst, kostprijsverhogende belastingen= de naam voor de directe en indirecte belastingen zoals ze genoemd worden in de Miljoenennota, de jaarlijkse begroting van de overheid van haar inkomsten en uitgaven voor het komende jaar.
Niet- belastingontvangsten= alle overheidsinkomsten die niet onder de directe of indirecte belastingen vallen.
- retributies= betalingen aan de overheid voor een duidelijk aanwijsbare tegenprestatie.
Motieven waarom niet iedereen evenveel belasting betaalt:
- draagkrachtbeginsel= de mensen met het meeste inkomen betalen het meeste inkomensbelasting, deze hebben.
- Profijtbeginsel= burgers betalen aan de overheid naar de mate van het profijt dat ze van een bepaald overheidsvoorziening hebben.

4.4
Financieringsbehoefte, begrotingstekort= het bedrag dat nodig is om de ontvangsten te compenseren met de uitgave.
Financieringstekort= het bedrag waarmee de staatsschuld toeneemt.
Begrotingssaldo= verschil tussen de totale overheidsuitgave en de totale overheidsinkomsten.
Financieringssaldo= begrotingstekort vermindert met de aflossing op de staatsschuld.
Begrotingsoverschot= overheidsinkomsten zijn groter dan de overheidsuitgave.
Staatsschuldquote= staatsschuld in een percentage van het bruto binnenlands product.
Ideeën over tekorten en/of overschotten bij de overheid:
- tot 1900 -> een tekort was niet toegestaan
- 1900 tot 1950 -> guldenfinancieringsregel= de consumptieve uitgave van de overheid moesten altijd gedekt worden door de inkomsten.
- 1950 tot 1960 -> het anticyclisch begrotingsbeleid= slechte tijden mocht de overheid flink hebben, in goede tijden zou het tekort klein moeten zijn of zelfs moeten omslaan in een overschot.
- 1960 tot 1980 -> structurele begrotingsbeleid= de overheidsinkomsten schommelde met de conjunctuurbeweging waardoor een steeds wisselend tekort ontstond.
- Van 1980 tot 1994 -> bezuiningsbeleid.
- Vanaf 1994 -> het trendmatige begrotingsbeleid= terugkeer naar het structurele begrotingsbeleid.

4.5
Wig= verschil tussen de loonkosten voor de ondernemer en het nettoloon voor de werknemer. ->
loonkosten – nettoloon x 100%
loonkosten
Ontwijking= bedrijven vestigen zich in landen met een lagere belastingdruk.
Ontduiking= als activiteiten plaatsvinden zonder de fiscus in te lichten
Afwenteling= werknemers die hogere belastingen moeten betalen, zijn geneigd hun vakbonden den opdracht te geven hogere brutoloon te eisen, als dit lukt, dragen niet de werknemers de belastingverhoging, maar komen de bedrijven in de problemen.
Demotivatie= hoge belastingen stimuleren de arbeidsproductiviteit niet.
Maatregelen van de overheid om vrije markt ruimte te geven:
- bezuinigen op de collectieve uitgave.
- deregulering= aantal regels verminderen.
- privatisering.

4.6

inkomsten bronnen van de EU:
- een deel van de BTW,
- douanerechten,
- een heffing op grond van de omvang van het nationaal product.

Hoofdstuk 5

5.1
Internationale handel heeft te maken met:
- wisselkoersen
- economische politiek
- immobiliteit van de productiefactor arbeid.

5.2
Absolute kostenverschillen= …
Relatieve, comparatieve kostenverschillen=Dat betekent dat als er tussen twee landen een comparatief (of relatief) kostenverschil bestaat, is het voor beide landen voordelig als elk van de twee landen zich specialiseert in de productie van het goed waarin het een relatief kostenvoordeel heeft of het kleinste relatieve kostennadeel.
Autarkisch= geen handelsrelaties met het buitenland
Vrijhandel= de overheid legt de internationale goederen- en dienstenstromen niets in de weg.
Allocatie= aanwending, wel handelsrelatie met het buitenland

5.3
Internationale concurrentiepositie= de mate waarin een land in staat is goederen te exporteren.
Factoren die van belang zijn voor de internationale concurrentiepositie:
- de relatieve schaarste van productiefactoren
- de beschikking van technische hoogwaardige kapitaalgoederen; mechanisatie en automatisering.
- de scholing van de beroepsbevolking, human capital= kennis.
- het bestaan van schaalvoordelen
- het bestaan van arbeidsrust
- de aanwezigheid van goede infrastructuur
- stabiele wisselkoers
ruilvoet= prijsindexcijfer uitvoer
prijsindexcijfer invoer
arbeidsproductiviteit= de (waarde van de) geproduceerde hoeveelheid goederen per arbeidsuur ->
(waarde van de) geproduceerde hoeveelheid goederen
benodigde hoeveelheid arbeidsuren

5.4
Vrijhandel= als overheden de internationale handel niets in de weg leggen.
Protectie= de bescherming van een bedrijfstak of een gehele economie tegen buitenlandse concurrentie.
Argumenten voor protectie:
- het lagenlonenargument= voorkomt oneerlijke concurrentie export met lage lonenlanden
- het antidumpingsargument= wil voorkomen dat het buitenland beneden de kostprijs goederen gaat invoeren.
- het opvoedingsargument= houdt in dat jonge industrie tegen machtige buitenlandse concurrentie beschermd dient te worden, totdat deze de concurrentie aankan.
- het zelfvoorzieningsargument= een land wil niet afhankelijk zijn van andere landen
- retorsie= als één land begint met het beschermen, blijven andere landen doorgaans niet achter met maatregelen
handelspolitiek= het ingrijpen door overheden in het internationale goederen- en dienstenverkeer.
Handelspolitieke instrumenten:
- in- en uitvoerrechten= heffingen bij invoer van een bepaald goed aan de overheid van het importland moeten worden betaald, het doel van uitvoerrechten is het artikel duurder maken.
Prohibitief= als de import van een product door de invoerrechten daalt tot (vrijwel) nul.
- Contingenteringen of quota’s= invoerrechten verhogen de prijs van een artikel, in de hoop dat de in gevoerde hoeveelheid vermindert.
- Administratieve beperkingen= soms wordt het de invoer lastig gemaakt door allerlei douane, fiscale, gezondheids- of milieueisen te stellen.
- Handelsverdragen= landenkunne met een groep landen afspraken maken over de vrije toegang tot elkaars markten.
- Subsidies= landen kunnen de productie van bepaalde goederen subsidiëren, zodat deze gemakkelijker kunnen concurreren met buitenlandse producten. Of landen kunnen hun export bevorderen door middel van exportsubsidies. Bij de uitvoer van een eenheid product wordt een bepaald bedrag aan subsidie gegeven.

5.5
Autarkie= geen enkele economisch contact hebben met het buitenland
Invoerquote= de waarde van de goederen- en diensteninvoer als een percentage van het nationaal product.
Uitvoerqoute= de waarde van de goederen- en dienstenuitvoer als een percentage van het nationaal product.
Open- economie= een land met relatief hoge in- en uitvoerquotes.

5.6
vormen van economische samenwerking:
- de vrijhandelzone= het doel is een onbelemmerd onderlinge verkeer van goederen en diensten.
Certificaten van oorsprong= staan in vermeld waar het artikel is gemaakt.
- douane-unie= behalve vrij verkeer van goederen en diensten binnen de unie is er een gemeenschappelijke buitentarief; elk land hanteert dezelfde invoerrechten
- de gemeenschappelijke markt= behalve vrij verkeer van goederen en diensten en een gemeenschappelijke buitentarief ook een vrij verkeer van productiefactoren.
- de economische unie= vrij verkeer van goederen, diensten en productiefactoren, gemeenschappelijk buitentarief en economische politiek.
- economische monetaire unie= omvat landen die gezamenlijk één munteenheid hebben, en onderling een volkomen vrij betalingsverkeer.
Convergentiecriteria= de voorwaarde waaraan de landen die willen toetreden tot het eurogebied moeten voldoen.
Stabiliteitspact= afspraken rond de euro gemaakt in Maastricht-> de landen binnen het eurogebied moeten een gezond economisch beleid voeren.

5.7
Verschillende organisaties om de internationale handel, het internationale betalingsverkeer en de ontwikkelingsprogramma’s in goede banen te leiden:
- World Trade Organization= WTO, opvolger van de GATT. Werd in 1947 opgericht, met als doel de vrije wereldhandel te bevorderen.
Meestbegunstigingsclausule= schrijft voor dat een overeenkomst tussen twee WTO landen direct voor alle WTO landen geld.
- Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling= OESO, opgericht in 1948 met als doel adviezen uit te brengen voor de verdeling van de Marshallhulp. Voornaamste taak van nu is het uitvoeren van vergelijkende studies over de aaneengesloten landen.
- Internationale Monetair Fonds= IMF, opgericht in de tweede wereldoorlog met als doel na de oorlog een ordelijk internationale betalingsverkeer te stimuleren.
Quotum= een deel van iets, in dit gevoel van het fonds.
Algemene trekkingsrecht= een land kan vrij of na overleg beschikken over het quotum.
Bijzondere trekkingsrecht= opgericht omdat de algemene trekkingsrecht door de sterk toegenomen internationale handel niet altijd genoeg bleken te zijn.
- De wereldbank, tegelijk opgericht met het IMF, met voornaamste doel ontwikkelingslanden aan zachte leningen te helpen.
- De United Nations Conference on Trade and Development= UNCTAD, is een periodiek terugkerende vergadering van lidstaten van de VN. Het gaat vooral om de handel tussen de westerse landen en de ontwikkelingslanden en in mindere mate om de handel tussen de ontwikkelingslanden zelf.
Enkele resultaten:
- algemene tariefpreferenties= rijke landen kunnen arme landen het recht geven bepaalde producten zonder of tegen gereduceerde invoerrechten in te voeren.
- Buffervoorraden= heeft als doel de grondstoffenprijzen te stabiliseren.

Hoofdstuk 6

6.1
Micro-economie= productie van één onderneming
Macro-economie= werkt met geaggregeerde grootheden, met grootheden die tot stand zijn gekomen door de micro-economische grootheden bij elkaar op te tellen.
Toegevoegde waarde= omzet – onderlinge leveringen.
2 partijen voor eenvoudig boekhoudmodel:
1. bedrijven = produceren; combineren van productiemiddelen met het doel waarde toe te voegen.
2. gezinshuishoudingen= gezinnen maar ook eenpersoonshuishoudens. Economisch twee functies. 1. beschikken over productiefactoren
2.geven ontvangen inkomen uit aan consumptiegoederen
kringloop tussen bedrijven en gezinnen:
Gezinnen

Goederen- Markten van
Markten productiefactoren

Bedrijven

Consumptie= het bedrag dat gezinshuishoudingen uitgeven aan door bedrijven geproduceerde goederen.
Nationaal product (W)= de som van de in een land gedurende een jaar toegevoegde waarden.
Nationaal inkomen (Y)= de som van de gedurende een jaar in een land aan de productiefactoren uitgekeerde beloningen.
W=Y
Bruto toegevoegde waard = netto toegevoegde waarde + afschrijvingen
Bruto nationaal product = de gedurende een jaar toegevoegde waarde van een land, inclusief de afschrijvingen
Netto nationaal product = de gedurende een jaar toegevoegde waarde van een land, exclusief de afschrijvingen.
Twee manieren om het nationaal inkomen en nationaal product te kunnen berekenen
1. objectieve methode, door de toegevoegde waarde op te tellen
2. subjectieve methode, door de beloningen van de productiefactoren op te tellen

6.2
Besparingen= het niet-geconsumeerde deel van het nationaal inkomen.
Investeren = het aanschaffen van kapitaalgoederen.
Bruto-investeringen - vervangingsinvesteringen, dienen om de voorraad vaste kapitaalgoederen in stand te houden
- netto-investeringen - in vast kapitaal, uitbreidingsinvesteringen
- in vlottend kapitaal, voorraadsinvesteringen.
C= consumptie
S= besparingen
I= investeringen Ib= bruto-investeringen I = netto investeringen Iv = vervangingsinvesteringen
S= Y – C -> Y = C + S
Ib = I + Iv
Gezinnen
S
C
Financiële Y
Instellingen

I
Bedrijven
Boekhouding:
W = C + I Y = C + S
W = Y I = S

De gelijkheid I = S is de macro-economische balansvergelijking. Het is niet toevallig I = S, als de gezinnen sparen dan consumeren ze minder en blijven de bedrijven met onverkoopbare voorraden zitten. Dat betekent automatische een toename van investeringen
Nationaal product kan op 3 manieren gemeten worden:
1. via de toegevoegde waarde -> objectieve methode
2. via de beloningen van de productiefactoren -> subjectieve methode
3. via de zogenaamde finale bestedingen W = C + I

6.3
De nationale economie valt uiteen in twee gedeelten:
1. particulier of marktsector, bestaande uit gezinnen en bedrijven
2. collectieve sector.
Uitgaven collectieve sector - overdrachtsuitgaven
- overheidsbestedingen - Overheidsinvesteringen
- Overheidsconsumptie -Ambtenarensalarissen
-Materiële consumptie
W = C + I + O
Y = factorbeloningen betaald door bedrijven + ambtenarensalarissen
Y = C + S + B
W = Y
C + I + O = C + S + B -> (S – I) + (B – O) = 0 -> (S – I) = (O – B)

6.4
betalingsbalans = een overzicht van alle betalingen aan en ontvangsten uit het buitenland gedurende een periode van een jaar.
Lopende rekening bestaat uit:
1. goederenrekening, alle ontvangsten en uitgaven die voortvloeien uit de verkopen aan en inkopen in het buitenland van goederen
2. dienstenrekening, de ontvangsten en uitgaven die te maken hebben met verleende en ontvangen diensten
3. inkomensrekening, de beloningen voor beschikbaarstelling van de productiefactoren arbeid en kapitaal.
4. inkomensoverdrachten, schenkingen, die door overheden en particulieren wordt verstrekt voor consumptieve doeleinden.
Export = alle ontvangsten uit het buitenland die voortvloeien uit de lopende rekening
Import= alle betalingen aan het buitenland die voortvloeien uit de lopende rekening
W = C + I + O + E – M
C, I en O staan voor de binnenlandse consumptie -> nationale bestedingen. De in en uitgevoerde consumptie- en investeringsgoederen vallen onder de E en M.
Y = C + S + B W = Y -> C + I + O + E – M = C + S + B

6.5
Nationaal product tegen factorkosten= door het gezinsinkomen over een periode van een jaar op te tellen
Nationaal product tegen marktprijzen = de objectieve methode, de som van alle toegevoegde waarde.
Nationaal product tegen factorkosten
Kostprijsverhogende belastingen +
Kostprijsverlagende subsidies -
Nationaal product tegen marktprijzen
Binnenlands product= de totale toegevoegde waarde die binnen de geografische grenzen van een land gedurende de periode van een jaar tot stand is gekomen
Beschikbaar nationaal inkomen -> BBP

6.6
Staat van middelen en bestedingen= een overzicht van de inkomensvorming, de productie en de bestedingen in een bepaald jaar
W = C + I + O + E – M -> W + M = C + I + O + E
Nationaal spaarsaldo= het bruto nationaal product verminderd met de nationale bestedingen.

6.7
Formele economie= de officiële economische transacties die worden geregistreerd door de CBS.
Informele economie = het officieus circuit, wordt niet geregistreerd door de CBS. Deze bestaat uit twee delen:
1. legaal of wit gedeelte, vaak zeer nuttige activiteiten, zoals huishoudelijk werk of doe-het-zelf-activiteiten.
2. illegaal of zwart gedeelte, activiteiten die niet gemeld worden met doel belasting te ontduiken.
3. 5illegaal of zwart gedeelte, activiteiten die niet gemeld worden met doel belasting te ontduiken.

Hoofdstuk 7

7.1
Verschillende bewegingen in de economie:
- trendbeweging= algemene richting waarin een variabele beweegt.
Trendbreuk= als de trend ruw onderbroken wordt
- conjunctuurbeweging= schommelingen in de feitelijke groeicijfers van het nationaal product rond de groeitrend.
- Seizoensbewegingen
- Incidentele bewegingen

7.2
Productiecapaciteit= maximale hoeveelheid goederen en diensten die een land op korte termijn kan voortbrengen.
AA: arbeidsaanbod, de beroepsbevolking
K: kapitaalgoederenvoorraad, de waarde van de aanwezige kapitaalgoederen uitgedrukt in geld.
a: gemiddelde arbeidsproductiviteit
k: gemiddelde kapitaalproductiviteit
maximale productie volgens arbeid = AA x a
maximale productie volgens kapitaal = K x k
knelpuntfactor= …
Kapitaalschaarste= als de productiefactor kapitaal het knelpuntfactor is.
Arbeidsschaarste= als de productiefactor arbeid het knelpuntfactor is.
Theoretische productiecapaciteit= de maximale productie die behaald kan worden als de aanwezige productiemiddelen zo volledig mogelijk worden benut.
Normale bezetting= de bezetting rekening houdend dat de bedrijven in het weekend en ’s avonds gesloten zijn.
Arbeidscoëfficiënt= geeft aan hoeveel eenheden arbeid nodig zijn om 1 euro eindproduct te maken-> hoeveelheid arbeid
productiewaarde
kapitaalcoëfficiënt= geeft aan hoeveel eenheden kapitaal nodig zijn om 1 euro eindproduct te maken-> hoeveelheid kapitaal
productiewaarde
arbeid kan door twee oorzaken in hoeveelheid veranderen:
- een toename of afname van de bevolking
- een toename of afname van de participatiegraad.
Human capital= kennis
Arbeidsverdeling= specialisatie
Investeringsklimaat= geheel van factoren die bepalen of een ondernemer al dan niet investeert.
Innovatie= de (succesvolle) introductie van nieuwe vindingen in het productieproces.
Basisinnovaties= innovaties die van veel belang zijn geweest en die vaak vele andere innovaties oproepen.

7.3
Bezettingsgraad= de mate waarin de productiecapaciteit benut wordt.
Effectieve vraag= de totale (macro-economische) vraag.
De effectieve vraag bestaat uit de volgende onderdelen:
- gezinsconsumptie
- bedrijfsinvesteringen
- overheidsbestedingen
- saldo van export en import.
De consumptieve uitgaven hangen af van een aantal factoren:
- het inkomen
- rentestand
- verwachtingen
De investeringen hangen af van een aantal factoren:
- verwachte rendement
- rentestand
- verwachte economische groei
- bezettingsgraad
De overheidsuitgave wordt bepaald door politieke besluitvorming. Deze wordt jaarlijks door parlement en kabinet voor het komende jaar vastgesteld.
De export is onder meer afhankelijk van:
- het inkomen van het buitenland
- de prijs van onze exportgoederen ten opzichte van de prijs van concurrerende producten uit het buitenland
- de voorkeur die er in het buitenland bestaat voor onze producten boven die uit andere landen
- voor handel met niet- eurolanden: de hoogte van de wisselkoers.
De import is onder meer afhankelijk van:
- ons eigen nationaal inkomen
- de prijs van buitenlandse producten ten opzicht van die van onze eigen producten
- onze voorkeur voor buitenlandse producten
- voor handel met niet- eurolanden: de hoogte van de wisselkoers

7.4
inflatie= een stijging van het algemeen prijspeil
Consumentenprijsindex= het indexcijfer dat het algemeen prijspeil weergeeft, is samengesteld uit de prijzen van een pakket consumptiegoederen.
Reëel nationaal inkomen= het voor inflatie gecorrigeerde nationaal inkomen
Nominaal inkomen= het inkomen in euro’s van een bepaald jaar.
Economische groei= toename van het reëel inkomen->
indexcijfer nominaal inkomen x100%
indexcijfer algemeen prijspeil

7.5
Hausse= opgaande fase van de conjunctuurgolf.
Overbesteding= de effectieve vraag is hoger dan de normale bezetting van de productiecapaciteit.
Recessie= de economie laat twee kwartalen achter elkaar negatieve groeicijfer zien.
Depressie= als de recessie lang aanhoudt.
Onderbesteding= de effectieve vraag is lager dan de normale bezetting van de productiecapaciteit.
Conjunctuurindicatoren= registratiemethoden om de conjunctuur op te sporen.
Anticyclische begrotingspolitiek= de overheid probeert de effectieve vraag te beheersen door tegen de conjunctuurgolf in te gaan.
Redenen waarom deze anticyclische begrotingspolitiek geen succes is geworden:
- openheid van de Nederlandse economie
- probleem van timing
- opwaartse druk op de overheidsuitgaven

Hoofdstuk 8

8.1
Macro-economische modellen kunnen in twee soorten verdeeld worden:
1. klassieke, dit soort modellen legt vaak nadruk op evenwicht en de rol die prijzen daarbij spelen
2. keynesiaanse, in deze modellen komen geen prijzen voor en evenwicht is vaak ver te zoeken.
Wet van Say= belangrijk idee van de klassieken: Élk aanbod schept zijn eigen vraag’.
Definitievergelijking-> EV = C + I
Evenwichtsvoorwaarde -> W = EV
Identiteit -> Y = W
Samengevat -> Y = C + I
Gedragsvergelijkingen = vergelijkingen die het gedrag van gezinnen en bedrijven beschrijven.

8.2
Ceteris-paribusvoorwaarde= de veronderstelling dat de invloed van niet in beschouwing genomen verschijnselen onveranderd blijft.
C = cY + Co
Autonome consumptie= het deel van de consumptie dat onafhankelijk is van het nationaal inkomen
Geïnduceerde consumptie= het deel van de consumptie dat afhankelijk is van het nationaal inkomen.
Marginale consumptiequote=(kleine) c = C
Y
gemiddelde consumptiequote= C
Y
Sparen is niet consumeren -> S = Y – C
Marginale spaarquote = de verandering van de totale besparingen
de verandering van het nationaal inkomen
(kleine) s = S
Y
I = Io de investeringen zijn autonoom.

8.3
1. de (consumptieve) vraag van de gezinnen: C = cY + Co -> gedragsvergelijking
2. de (investerings) vraag van de bedrijven: I = Io -> gedragsvergelijking
3. de totale effectieve vraag: EV = C + I -> definitievergelijking
4. de evenwichtsvoorwaarde: W = EV -> evenwichtsvoorwaarde
5. de identiteit: Y  W -> identiteit
Exogene variabelen= zijn van buiten gegeven, ze worden niet door het model verklaard, ze kunnen door middel van statisch onderzoek worden vastgelegd -> c, Co en Io
Endogene variabelen= variabelen die door het model worden verklaard -> C,Y,I, EV en W
Y = C + I
Y = cY + Co + Io
Y – cY = Co + Io
(1-c)Y = Co + Io

Y = 1 (Co + Io)
1- c
Het liggend streepje boven de Y betekent dat het hier gaat om het evenwichtsinkomen -> inkomensevenwicht.

8.4
Bestedingsevenwicht = de situatie waarin de effectieve vraag gelijk is aan de productiecapaciteit.
Av* = productiecapaciteit (maximale werkgelegenheid)
gemiddelde arbeidsproductiviteit
Av= evenwichtsinkomen (werkgelegenheid, de vraag naar arbeid)
gemiddelde arbeidsproductiviteit
Conjuncturele werkeloosheid= werkeloosheid ten gevolge van een gebrek aan effectieve vraag.
Uc = Av* - Av -> Uc is de conjuncturele werkeloosheid
Structurele werkeloosheid = werkeloosheid die ontstaat door een gebrek aan kapitaalgoederen.
Us = Aa - Av* -> Us = structurele werkeloosheid, Aa = beroepsbevolking
U = Uc + Us

Hoofdstuk 9


9.1
Consument= mensen die goederen vragen om hun behoeften te voorzien.
Goederen= alle stoffelijke en onstoffelijke middelen waarmee in de behoeften kan worden voorzien.
Schaarste= is de spanning tussen de middelen en de behoeften, in feite dus welvaartstekort.
Zeldzaamheid=
Alternatief aanwendbaar= op verschillende manieren bruikbaar.

9.2

markt= het geheel van vraag en aanbod
twee soorten markten:
• concrete markten= een plaats waar vragers en aanbieders van een bepaalde goed samenkomen met als doel om te kopen en te verkopen.
Voorbeelden hiervan:
- winkels->filiaalbedrijven= bedrijven die over verschillende verkooppunten beschikken. Vrijwillig filiaalbedrijven= combinatie van een grossier en een aantal zelfstandige detaillisten die onder dezelfde naam samenwerken. Warenhuizen= grootwinkelbedrijven waarin zeer uiteenlopende soorten producten worden aangeboden.
- kraampjesmarkten
- veilingen
• Abstracte markten= verkopers en de te verhandelen goederen komen niet op een concrete, aanwijsbare plaats samen. Als er wordt gepraat over zo’n abstracte markt gaat het niet om de plaats waar het wordt verhandeld maar om alles wat bepalend is voor de prijs.
Prijs= de in geld uitgedrukte waarde van een goed.
Prijsmechanisme= een informatiesysteem dat vrager en aanbieder informeert over de consequenties van hun handelen

9.3
Marktvorm= het geheel van prijsbepalende factoren voor een bepaald goed.
De aard van de marktvorm wordt bepaald door:
- het aantal vragers en het aantal aanbieders
- de aard van het goed
- de doorzichtigheid van de markt
- de hoogte van de toetredingsbarrières
Homogene goederen= goederen die op volkomen gelijke wijze voorzien in een bepaalde behoefte
Heterogene goederen= goederen die, hoewel ze in dezelfde behoefte voorzien, in de ogen van de consument tóch van elkaar verschillen.
Monopolie= als er slechts één aanbieder is, zonder dat er substituten zijn.
Oligopolie= als er weinig aanbieders zijn die rekening moeten houden met elkaars reacties.
Volkomen concurrentie, volledige mededinging= als er sprake is van zeel veel aanbieders van een homogeen product.
Monopolistische concurrentie= is de marktvorm waar de consument het meest mee te maken heeft; de goederen worden door veel verschillende aanbieders aangeboden die proberen hun producten tóch te laten verschillen van de producten van de concurrent
Er zijn dus vijf marktvormen:
- monopolie -> homogeen een aanbieder
- homogeen oligopolie -> homogeen weinig aanbieders
- heterogeen oligopolie -> heterogeen weinig aanbieders
- volkomen concurrentie -> homogeen veel aanbieders
- monopolistische concurrentie -> heterogeen veel aanbieders

9.4
De vijf marktvormen kunnen in twee groepen worden ingedeeld:
- marktvormen waarbij de individuele producent géén invloed heeft op marktprijs, bijv. de marktvorm volkomen concurrentie of volledige mededinging. Omdat de individuele producenten die onder deze marktvorm hun producten aanbieden geen invloed op de marktprijs kunnen uitoefenen, zullen zij hun productiegrootte proberen aan te passen aan de marktprijs.
Hoeveelheidaanpassing= de productiegrootte aanpassen aan de marktprijs.
- marktvormen waarbij de individuele producent wel invloed heeft op de marktprijs, bijv. de marktvormen monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie.
Prijszetting= als producenten de prijs van hun producten kunnen beïnvloeden
Marktgedrag= het handelen van producenten om bepaalde doeleinden te bereiken. Dit wordt hoofdzakelijk bepaald door het doel van de producent.
Marktresultaat= de uitkomst van het marktproces. Deze omvat onder meer de prijzen die tot stand zijn gekomen en de hoeveelheid en kwaliteit van de geproduceerde goederen

Hoofdstuk 10


10.1
Consumenten= gezinnen
Aanschaf van goederen en diensten door gezinnen= consumeren
Consumptie= de aanschaf van goederen door gezinnen ter wille van de behoeftebevrediging.
Budgetonderzoek= onderzoek naar de uitgaven van een gemiddeld gezin in een bepaalde inkomensklasse en met een bepaalde gezinssamenstelling
Totale vraag: - aantal vragers
- preferenties
- budget
- prijs
- prijs andere goederen
De totale vraag naar een bepaald product is afhankelijk van veel verschillende factoren:
- de behoeften:
- de financiële middelen
- de prijzen
- het aantal consumenten
Preferenties= de behoeften
Substitutiegoederen= goederen die elkaar kunnen veranderen.
Complementaire goederen= goederen die elkaar aanvullen.

10.2
Ceteris- paribusvoorwaarde= alle andere omstandigheden worden constant verondersteld
Vraagvergelijking= weergave van het verband tussen de prijs van een goed en de gevraagde hoeveelheid.
Individuele vraagvergelijking= geldt voor één bepaalde consument.
Collectieve vraagvergelijk= geldt voor alle consumenten tezamen.
Vraaglijn of vraagcurve= de lijn in de grafiek die aangeeft wat er gebeurt met de vraag naarmate de prijs verandert.
Algemene gedaante vraagvergelijking= qv = ap + b (a 0, qv > 0, p > 0)

10.3
prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid= geeft de mate weer waarin de gevraagde hoeveelheid reageert op een prijsverandering->
Ev = de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid -> q2 – q1 x 100%
de procentuele verandering van de prijs p1
Elastische vraag= als de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid groter is dan de procentuele verandering van de prijs. In dat geval is de waarde van de prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid kleiner dan –1.
Inelastische vraag= de gevraagde hoeveelheid reageert weinig op prijsverandering. De procentuele verandering van de hoeveelheid is dan kleiner dan de procentuele verandering van de prijs. De waarde van de prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid ligt dan tussen –1 en 0
Is de vraag volkomen inelastische, dus de gevraagde hoeveelheid reageert niet op een prijsverandering geldt Ev = 0
Segmentelasticiteit=…
Puntelasticiteit= de elasticiteit op een bepaald punt van de vraaglijn.
Omzet= prijs x verkochte hoeveelheid.
Relatief elastische vraag= leidt tot een prijsverlaging tot een toename van de omzet.
Relatief inelastische vraag= leidt tot een prijsverlaging tot een afname van de omzet.

10.4
kruislingse prijselasticiteit= van de gevraagde hoeveelheid geeft de mate weer waarin de gevraagde hoeveelheid van goed A reageert op een prijsverandering van goed B.
Substitutiegoederen= goederen die gemakkelijk door elkaar kunnen worden vervangen.
Ek = de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid van goed A
de relatieve verandering van de prijs van goed B
De kruislingse prijselasticiteit is in het geval van substitutiegoederen altijd positief.
Complementaire goederen= goederen die sámen moeten worden gebruikt.
De kruislingse prijselasticiteit is in het geval van complementaire goederen altijd negatief.

10.5

Engelcurve= een lijn waarmee het verband tussen de gevraagde hoeveelheid van een bepaald goed en het inkomen wordt weergegeven.
Wanneer we uitsluitend naar het verband tussen het inkomen en de gevraagde hoeveelheid kijken, kunnen we de volgende soorten goederen onderscheiden:
- noodzakelijke goederen
- luxe goederen
- inferieure goederen
Wet van Engel= luidt: naarmate het inkomen stijgt, daalt het percentage van het inkomen dat wordt besteed aan levensmiddelen.
Ey = de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid
de procentuele verandering van het inkomen
Drempelinkomen= de hoogte van het inkomen waarbij de consument de aanschaf van een bepaald goed gaat overwegen.
Verzadigingsinkomen= een bepaald inkomen waarbij een inkomensstijging niet meer leidt tot meer aankopen van duurzame consumptiegoederen. Deze goederen worden dan alleen nog maar vervangen wanneer ze stuk zijn, zonder dat acht wordt geslagen op de laatste technische toevoegingen en de nieuwste aanbiedingen.

Hoofdstuk 11

11.1
Kenmerken van de marktvormen volkomen concurrentie of volledige mededinging:
- zeer veel vragers en aanbieders
- homogene producten
- vrije toe- en uittreding
- transparante markt
Hoeveelheidaanpassing= wanneer de enige variabele die de aanbieder kan beïnvloeden de door hemzelf aangeboden hoeveelheid is.
Collectieve vraagvergelijking = vraagvergelijking van alle vragers op de markt -> qv = ap + b
Aanbodvergelijking = een weergave van het verband tussen de aangeboden hoeveelheid en de prijs -> qa = cp + d
Collectieve aanbodvergelijking= de aanbodvergelijking van alle aanbieders op een markt.
Evenwichtsprijs= de prijs waarbij de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid -> qv = qa

11.2
TW = TO – TK -> TO = p x q
TO = GO x q TK = GTK x q
Marginale bedrijf = het bedrijf dat tegen de hoogste gemiddelde totale kosten produceert.

11.3
degressief = verloop in grafiek gaat steeds minder snel
Progressief = verloop in grafiek neemt sneller toe.
Marginale kosten = de extra kosten bij een uitbreiding van de productie met één eenheid
MK = dTK
dq
GVK = TVK
q
GTK = TK
q

11.4
Marginale opbrengst (MO) = de extra opbrengst (omzet) als de afzet met één eenheid wordt uitgebreid.
Marginale kosten (MK) = de extra kosten als de productie met één eenheid wordt uitgebreid.
Marginale winst (MW) = extra winst als de productie en afzet met één eenheid worden uitgebreid.
MO = dTO
dq
MK = dTK
dq
MQ = dTW
dq
dTW = dTO – dTK -> MW = MO - MK
dq dq dq
De MO = MK- regel is een andere methode om de productie bij maximale winst te vinden
MW = 0
MO – MK = 0
MO = MK

Hoofdstuk 12

12.1
Monopolie= slechts één aanbieder die veel invloed op de prijs kan uitoefenen.
Oligopolie= slechts weinig aanbieders, elke individuele aanbieder kan enige invloed op de prijs uitoefenen.
Monopolistische concurrentie= aanbieders die zich kunnen onderscheiden van hun concurrenten, binnen zekere grenzen zijn ze monopolist.
Prijszetting= de aanbieder bepaalt zelf binnen bepaalde grenzen tegen welke prijs zijn product wordt verkocht.

12.2
Monopolie= marktvorm waarbij slechts één aanbieder de voorziening van een bepaald goed verzorgt.
Monopolies kunnen op verschillende manier ontstaan:
- wettelijke monopolie= de productie kan door particuliere bedrijven zijn verboden
- natuurlijke monopolie= een bedrijf beschikt dan als enige over de technische kennis of de infrastructuur om een bepaald product voort te brengen.
- Collectief monopolie= gezamenlijke aanbieders van een bepaald product treden op alsof er slechts één aanbieder is.
Totale opbrengsten= TO = p x q
Gemiddelde opbrengsten= GO = TO/ q
Marginale opbrengsten= MO = dTO / dq
Marktsegment= een groep afnemers die op vergelijkbare wijze reageert op prijsveranderingen.
Prijsdiscriminatie= wanneer een aanbieder voor hetzelfde product aan verschillende vragers een verschillende prijs vraagt.
Prijsdifferentiatie= hierbij berust het prijsverschil op verschil in kosten.
Een monopolist heeft verschillende mogelijkheden ten aanzien van zijn bedrijfsbeleid:
- maximale totale winst, i.d.g zal worden geprobeerd een hoeveelheid op de markt af te zetten, waarbij geldt MO = MK
- maximale omzet
- kostendekking

12.3
Oligopolie = marktvorm met een gering aantal aanbieders
Productdifferentiatie = de afnemer maakt onderscheid tussen de ene producent en de andere producent.
Heterogeen duopolie = een markt waarop het aanbod wordt verzorgd door twee producten
Prijsstarheid= ondanks kleine veranderingen in de productiekosten veranderen de verkoopprijzen niet.

12.4
Monopolistische concurrentie= marktvorm die wordt gekenmerkt door zeer veel aanbieders die heterogene producten aanbieden.
Opmerkingen:
- Het monopolistische gedrag vloeit voort uit de productdifferentiatie, de afnemer maakt onderscheid tussen de ene producent en de andere producent.
- Door succesvolle productdifferentiatie wordt de markt ondoorzichtiger. Hierdoor kunnen prijsverschillen groter worden en langer blijven bestaan dan op een doorzichtige markt.
- De concurrentie tussen de verschillende onderneming onder deze marktvorm blijkt vooral in de productdifferentiatie. Iedere individuele onderneming probeert door productdifferentiatie een vaste klantenkring op te bouwen.

Hoofdstuk 13

13.1
Overheidsmaatregelen die de marktprijs beïnvloeden.
- Minimumprijzen, worden ingesteld om de betreffende producenten een redelijk inkomen te garanderen. Het algemene doel hiervan is dus de bescherming van de producent.
- Maximumprijzen, worden ingesteld om de consument te beschermen.
- Subsidies, om de producent meer te laten produceren en het te kunnen laten verkopen tegen een redelijk lage prijs zo dat het goedkoper is voor de vragers om het te kopen. De overheid hecht dan grote waarde aan de positieve externe effecten van deze producten waardoor het subsidies geeft om dit bovenstaande te kunnen verwezenlijken.
- Kostprijsverhogende belastingen, dit is om het gebruik van bepaalde producten af te remmen omdat deze negatieve externe effecten met zich meebrengen. Hierdoor wordt het duurder voor de consument in de hoop dat ze minder zullen kopen. Afwenteling = wanneer degene die een bepaalde belasting moet betalen, deze belasting geheel of gedeeltelijk aan een ander weet door te berekenen

13.2
Het ontstaan van machtsconcentraties:
- Groei van binnenuit. Schaalvergroting leidt vaak tot verdere groei. Kostenvoordelen vertalen immers in een hogere winst. Er is dan meer geld om te investeren.
- Fusies en overnames. Een fusie is een samenvoeging van twee of meer ondernemingen. Soms komt een fusie tot stand doordat een van de ondernemingen de andere overneemt door het opkopen van de uitstaande aandelen van deze onderneming.
- Kartels. Een kartel is een afspraak van zelfstandige producenten om de concurrentie te beperken. Kartels kunnen verschillende vormen aannemen.

Hoofdstuk 14

14.1
allocatie= verdeling van de productiefactoren over de productiemogelijkheden
Economische orde = of economisch stelsel is het geheel van instellingen en regels voor de coördinatie van alle economische beslissingen in een volkshuishouding.
De volgende vormen kunnen we onderscheiden van economische orde:
- vrijemarkteconomie = de individuele huishoudingen beslissen zelf over de aanwending van de productiefactoren. Door het marktmechanisme worden de beslissingen op elkaar afgestemd
- centraal geleide economie = de centrale overheid neemt in dit economisch stelsel alle economische beslissingen. Door opdrachten en aanwijzingen wordt de informatie aan andere overgedragen
- gemengde economie of georiënteerde markteconomie = economische beslissingen worden deels gecentraliseerd deel gedecentraliseerd genomen. De informatieoverdracht loopt zowel via de prijzen als via opdrachten.
Marktsector = omvat alle bedrijfshuishoudingen die hun producten tegen een ten minste kostendekkende prijs proberen te verkopen.
Collectieve sector = de economische sector waarvan de uitgaven worden gefinancierd uit middelen die door alle mensen zijn opgebracht.
Collectieve goederen zijn goederen:
- waarvan niemand van het gebruik kan worden uitgesloten
- waarbij het gebruik door de één niet ten koste gaat van het gebruik door de ander
- die niet in individuele leverbare eenheden kunnen worden gesplitst.
Quasi- collectieve goederen= individuele goederen. De overheid vindt het gebruik van deze goederen echter zó belangrijk, dat zij ze tegen een lagere prijs aanbiedt dan waartegen het bedrijfsleven deze goederen zou kunnen aanbieden.
Redenen waarom de overhouden individuele goederen aanbiedt, kunnen verband houden met:
- Kosten aspecten, de kosten worden zo voor de individuele gebruiker lager.
- Merit goods, de overheid is van mening dat het gebruik van sommige goederen gestimuleerd moet worden
- Monopolietendensen, dat particulieren bedrijven geen misbruik gaan maken van hun macht.
- Externe effecten

14.2

prijsmechanisme = een informatiesysteem dat vrager en aanbieder informeert over de consequenties van hun handelen.
In de volgende gevallen komt het aanbod niet overheen met de wensen van de individuele vragers, het prijsmechanisme werkt dan niet optimaal:
- Er is spraken van economische machtsposities.
- Er wordt voorzien in collectieve goederen.
- Er treden externe effecten op.
- Er is sprake van een niet aanvaardbare inkomensverdeling
- De factor arbeid wordt niet steeds volledig ingeschakeld
Democratische besluitvorming= wanneer beslissingen worden genomen door te stemmen.
Volk

Vertegenwoordiging -> Regering

Voorstellen -> Overleg/ stemmen -> Uitvoering
Bureaucratische besluitvorming = wanneer één centrale instelling alle (economische) beslissingen neemt.

Hoofdstuk 15

15.1
Gemengde economie of een georiënteerde economie = economisch stelsel waarbij het marktmechanisme zorgt voor de coördinatie van de door de individuele huishoudingen genomen beslissingen en waarbij de overheid deze beslissingen beïnvloedt met het oog op bepaalde economisch-politieke doeleinden
Collectieve sector= * Rijk
* Overige publiekrechtelijke lichamen - Provincies
- Gemeenten
- Waterschappen
* Sociale verzekeringen
Troonrede= geeft de regering aan welk beleid zij in het komende begrotingsjaar wil gaan voeren. Tevens worden de hoofdlijnen van een aantal belangrijke maatregelen geschept.
Miljoenennota= hierin wordt informatie gegeven over de financiële en economische situatie van ons land. Ook wordt aangegeven wat de financiële consequenties zijn van de in de Troonrede ontvouwde beleidsvoornemens.Daarnaast geeft de Miljoenennota een samenvatting van de begrote ontvangsten en de begrote uitgave van de Staat in het komende begrotingsjaar.
Centraal Planbureau (CPB)= geven wetenschappelijke onderbouwing van het toekomstbeeld dat de regering heeft.
Macro Economische Verkenning= hierin geeft het CPB een verwachting van de ontwikkeling van de werkeloosheid, de inflatie, het saldo op de betalingsbalans en verder alle gegevens die nodig zijn voor een verantwoorde besluitvorming door de regering.
Sociaal Economische Raad= hier wint de regering advies in bij de voorbereiding van het sociaal-economisch beleid.
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) = verzamelen statische gegevens, die een belangrijke bron ter onderschouwing van beleidsvoornemens zijn.

15.2
De overheid heeft economische gezien drie functies:
1. Allocatiefunctie, doordat de overheid voor collectieve goederen zorgt, zijn er minder productiefactoren die kunne worden gebruikt voor de voorziening in individuele goederen. Ook met de voortbrenging van quasi-collectieve goederen beïnvloedt de overheid de goederenvoorziening
2. Stabilisatiefunctie, de overheid beoogt de totale vraag zó te beïnvloeden dat de productiecapaciteit steeds volledig wordt benut.
3. Herverdelingsfunctie, door de heffing van inkomstenbelasting en sociale premies en door de verstrekking van sociale uitkeringen zijn de besteedbare inkomens minder ongelijk dan de verdiende inkomens.

15.3
Economische politiek= omvat alle gedragingen van de overheid om het economisch proces in de door haar gewenste richting te beïnvloeden.
Bij haar economische politiek heeft de overheid steeds bepaalde, algemene geaccepteerde doelstellingen van economische politiek op het oog:
- evenwichtige economische groei
- volledige werkgelegenheid
- stabiel prijspeil
- evenwichtige betalingsbalans
- aanvaardbare inkomensverdeling
Enkele oorzaken van tekorten op de betalingsbalans
- een toename van de binnenlandse vraag, hierdoor worden de importen groter.
- een afname van de wereldhandel, hierdoor zullen de exporten verminderen.

15.4
De instrumenten van economische politiek kunnen in de volgende categorieën worden verdeeld:
- conjunctuurbeleid, schommelende beweging van de feitelijke groei rond de groeitrend
- structuurbeleid, gericht op de aanbodzijde van de economie.
- Marktbeleid, maatregelen om markt weer wat meer ruimte te geven:
- privatisering
- deregulering
- tegengaan van machtsvorming

15.5

Instellingen van de EU
- De Europese Raad,
- Raad van Ministers,
- Europese Commissie, taken van dit orgaan
- de zorg voor nakoming van de verdragen
- het recht initiatief
- Europees Parlement
- Hof van Justitie

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Anne-Marie

Anne-Marie

Super!! Echt helemaal geweldig!! Je wilt niet weten hoe dankbaar ik hiervoor ben voor al die uren tijd die je erin hebt gestopt voor mij!! <3

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Dankjewel voor deze geweldige samenvatting!!

11 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast