ADVERTENTIE
Ken je onze podcast al?

Ga je bijna studeren en wil je meer weten over het studentenleven? Luister dan naar seizoen 1 van onze podcast Studententijd. Oscar, David en Dienke vertellen eerlijk over studententhema's als hospiteren, daten, schoonmaken, verenigingen. Vanaf september nieuwe afleveringen!

Luister de podcast

Hoofdstuk 1: Productie en productiefactoren
1.1)
Onderlinge leveringen = inkopen van andere bedrijven waaronder diensten van derde (zoals een schoonmaakbedrijf)
Toegevoegde waarde = verkoopwaarde – inkoopwaarde (van grondstoffen en hulpstoffen)
Totale kosten = het bedrag dat wordt uitgegeven aan de productiefactoren
Totale opbrengst (omzet) = het totale bedrag dat wordt ontvangen met de verkoop van de producten.
Winst = verschil tussen totale opbrengst en de totale kosten.


Productiefactoren = middelen die nodig zijn bij de productie. Arbeid, kapitaal, natuur en ondernemersactiviteit.
Arbeid = alle menselijke handelingen om een inkomen te krijgen
In veel gevallen gebruikt de eigenaar zelf de grond niet. Degene die de grond wel gebruikt, moet pacht betalen.
Taak van de ondernemer = productiefactoren combineren
Toegevoegde waarde is gelijk aan de som van de beloningen van de productiefactoren.
Berekening:
Omzet 14.000.000
Onderlinge leveringen (inkopen van andere bedrijven ) - 7.050.000
Toegevoegde waarde 6.950.000
Kosten productiefactoren:
- arbeid 4.500.000
- rente 180.000
- pacht 120.000


- 4.800.000
2.150.000
Wat aan waarde wordt toegevoerd wordt ook uitgekeerd aan de productiefactoren.
Nationaal product = nationaal inkomen.
Nationaal product = de som van de toegevoegde waarde van alle bedrijven en de overheid in een land in een jaar.
Nationaal inkomen = de som van de beloningen van de productiefactoren in een land in een jaar.
1.2)
Welvaart = de mate waarin de bewoners in hun behoeften kunnen voorzien.
Behoeften:
Materieel = huizen, auto’s, kleding en voeding
Immaterieel = onderwijs, toneel en de diensten van een accountant
Schaarste = de spanning tussen de behoeften en de middelen om die behoeften te vervullen.
Hoe verder de schaarste wordt teruggedrongen hoe groter de welvaart.
Het streven naar meer welvaart kan zowel aan de kant van de behoeften als aan de kant van de productie problemen doen ontstaan:
1. de behoeften nemen toe
2. de productie kan positieve en negatieve neveneffecten hebben.
Externe effecten = deze doen zich voor als het streven naar welvaart van de een onbedoelde invloed uitoefent op de welvaart van een ander.
Welvaart in enge zin = als je alleen kijkt naar de productie
Welvaart in ruime zin = als je kijkt naar de productie en naar zijn externe effecten
1.3)
Beroepsbevolking = deze bestaat uit alle personen van 15 tot en met 64 jaar die beschikbaar zijn om betaald werk te doen.
Opmerkingen beroepsbevolking:
1. een baan telt mee als het 12 uur per week is of meer
2. een werklozen die een baan zoekt van minder dan 12 uur in de week wordt niet bij de beroepsbevolking gerekend andere wel.
Participatiegraad = we berekenen dan welk deel de beroepsbevolking uitmaakt van de beroepsgeschikte bevolking.
Arbeidsproductiviteit = waarde van de geproduceerde goederen
benodigde hoeveelheid arbeidsuren
Het gaat bij de productiefactor natuur om:
1. de geografische ligging van een land of regio
2. natuurlijke hulpbronnen
3. het klimaat
4. milieufactoren
Duurzame ontwikkeling = een manier van produceren waarbij de natuurlijke omgeving zo veel mogelijk onaangetast blijft en de onaangename kanten van onze manier van produceren niet de toekomst verschuift.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.