H1 Productie en productiefactoren

Economie= de wetenschap die bestudeert op welke manier de mensen met schaarse middelen in z'n onbeperkte behoeften probeert te voorzien.

§1
Primaire/basisbehoeften: alle economische wensen die vervuld moeten worden om in leven te blijven.
Secundaire behoeften: alle economische wensen waarvan vervulling het leven veraangenaamd.
Nut: het vermogen van een goed om in een behoefte te voorzien. Direct (glas melk), indirect (melkfabriek).
Indeling van goederen:
1. economische/schaarse goederen; goederen waarvoor je wilt betalen (kraanwater/tomaten)
vrije goederen; kost niets (zonlicht/regen)
2. stoffelijke goederen (tastbaar)
onstoffelijke goederen/immaterieel (diensten
3. individuele goederen (voor 1 pers): door 1 persoon worden gekocht die ook de betaler is.
collectieve goederen: goederen die niet op te splitsen zijn in individueel leverbare eenheden en daarom door de overheid geleverd worden
Quasi-collectieve goederen: goederen die individueel leverbaar zijn, maar om verschillende redenen door de overheid geleverd worden.

§2
Produceren: combineren van productiefactoren met doel waarde toe te voegen.
Productiefactoren: Beloningen:
Arbeid Loon/salaris
Kapitaal Rente
Natuur Pacht
Ondernemersactiviteit winst
Kapitaal= elk product/goed waarmee verder geproduceerd wordt/waarmee het inkomen verdiend wordt.
geld
kapitaalgoederen (machines)
Productie/toegevoegde waarde op 2 manieren te berekenen:
1. omzet - onderlinge leveringen
2. optelsom van de beloningen v/d productiefactoren in een bedrijf
Onderlinge leveringen: inkoop van hulp- en grondstoffen en diensten van derden
4 soorten inkomens:
loon
pacht
interest
winst
Nationaal inkomen= nationaal product, omdat de toegevoegde waarde gelijk is aan de beloningen van de productiefactoren
Bruto binnenlands product is ook wat buitenlanders ín Nederland produceren.

§3
Schaarste= de verhouding tussen de hoeveelheid van een bepaald goed en de behoefte aan dat goed.
Welvaart neemt niet automatisch toe:
1. als je behoeften even hard stijgen als de productie
2. extern effect: gevolgen van een economische handeling die invloed hebben op de welvaart van een niet bij die handeling betrokken persoon.
2 soorten externe effecten:
productie (mooi/lelijk gebouw)
consumptie (mooie/lelijke schutting bij de buren
Welvaart in enge zin= productiegroei
welvaart in ruime zin= je houdt ook rekening met externe effecten en behoeften.
Goederen zijn alternatief aanwendbaar: de goederen zijn voor verschillende behoeften, op verschillende tijden en plaatsen te gebruiken.

§4
Beroepsgeschikte bevolking= het gedeelte v/d bevolking tussen 15 en 65 jaar; degenen die in principe kunnen werken
Beroepsbevolking= iedereen tussen 15 en 65 die kan en wil werken.
Echte werklozen die ingeschreven staan bij het arbeidsbureau tellen dus ook mee met de beroepsbevolking.
Participatiegraad= beroepsbevolking/beroepsgeschikte bevolking x 100%
Vast kapitaal: met meerdere productieprocessen (wegen/machines)
vlottend kapitaal: 1 productieproces (voorraden/eindproduct).
Breedte investering: zelfde machine, zelfde aantal werknemers. dezelfde arbeidsproductiviteit/kapitaalintensiteit.
Diepte investering: arbeidsproductiviteit/kapitaalintensiteit neemt toe. andere machine, minder werknemers. Arbeid vervangen voor kapitaal.
Automatiseren/mechaniseren altijd diepte investeringen.
Negatieve investering=positief, want er is meer productie nodig , dus meer winst.
Arbeidsproductiviteit= de productie per werknemer per tijdseenheid.
Duurzame ontwikkeling= manier van produceren waarbij zo zuinig mogelijk wordt omgegaan met grondstoffen, zo weinig mogelijk afval ontstaat en rekening wordt gehouden met toekomende generaties.
Er zijn 2 definities voor de productiefactor ondernemen:
1. combineren van productiefactoren, zodat er winst is.
2. risico, want een ondernemer moet nieuwe combinaties doorvoeren.

§5
Productiefunctie= verband tussen de hoeveelheid en de kwaliteit v/d productiefactoren en de omvang v/d productie.
Een arbeidsjaar= de tijd die een werknemer met een volledige baan per jaar werkt. Omdat een aantal mensen een parttime baan heeft is de werkgelegenheid in personen groter dan in arbeidsjaren.
Wiskundige vorm v/d productiefunctie
Q = f (A,k, N, O)
Q = hoeveelheid productie; kwantiteit
A= arbeid
k=kapitaal
N=natuur
O=ondernemersrisico
Op korte termijn kun je wel variëren in het aantal werknemers, maar niet in de andere productiefactoren.
Korte termijn productiefunctie:
Q= f (A)

Substitutie: de ene productiefactor kan vervangen worden door een andere (lange termijn situatie).
Complementariteit: de productiefactoren moeten in een productieproces in een vaste verhouding tot elkaar worden ingezet.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.