H9 §1t/m4

Beoordeling 5.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1427 woorden
  • 21 oktober 2001
  • 67 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.7
  • 67 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Hoofdstuk 9. Een klein binnenland, een groot buitenland

§ 9.1. Vrijhandel.


§ 9.1.1. De export- en de importquote.

Exportquote = waarde export x 100
nationaal product

vb: waarde export = 313 miljard 313 miljard x 100 = 48.2
nationaal product = 650 miljard 650 miljard

Dit betekent dat 48.2% van de in Nederland voortgebrachte goederen en diensten aan het buitenland worden verkocht.

Importquote = waarde import x 100

nationaal product

vb: Als de importquote 46.8 is, betekent dit dat 46.8% van de producten die in Nederland worden verkocht, geheel of gedeeltelijk uit het buitenland komen.

Open economie = Een land met een hoge export- en importquote. Dit betekent dat een land veel handel met het buitenland voert. Nederland is een land met een open economie.

§ 9.1.2. De wereldhandel en specialisatie.

Internationale arbeidsverdeling = Verschillende landen specialiseren zich in de productie van bepaalde goederen en diensten. Bijvoorbeeld: Frankrijk - wijn, Brazilië - koffie. Zo ontstaat internationale handel.

Handelsvoordelen = De productie vindt altijd daar plaats waar de omstandigheden voor het productieproces het beste zijn. Mogelijke oorzaken waardoor het ene land een bepaald goed goedkoper kan produceren, zijn: Klimaat, bodemgesteldheid, geografische ligging, lage loonkosten per eenheid product, scholingsgraad v/d beroepsbevolking, sociale rust, infrastructuur.

§ 9.1.3. De voor- en nadelen van vrijhandel.

Vrijhandel = De overheden belemmeren de internationale handel op geen enkele manier. (andere woord voor vrijhandel: liberalisering van de handel)


Voordelen: Bevordering van de welvaart, de productie is immers zo efficiënt mogelijk.
De totale productie in de wereld neemt toe, doordat er specialisatie ontstaat.
Er komen meer soorten goederen en diensten beschikbaar.
De lagelonenlanden bieden nieuwe afzetmogelijkheden, doordat de welvaart daar toeneemt.

Nadeel: Er verdwijnen banen in rijke industrielanden, omdat verschillende productieprocessen naar lagelonenlanden als China, Hongkong en Zuid-Korea gaan. Dit wordt alleen maar aantrekkelijker, omdat in de laatste jaren de arbeidsproductiviteit in deze landen toeneemt en de transportkosten naar verhouding steeds lager.

§ 9.2. Protectie.

Protectie = Het opwerpen van handelsbelemmeringen, door nationale en internationale overheden, om de eigen economie te beschermen.

§ 9.2.1. Motieven voor protectie.

 De binnenlandse werkgelegenheid beschermen.
vb: De EU die de invoer van auto's uit landen buiten de EU bemoeilijkt, zodat in de EU op korte termijn banen in de auto-industrie behouden kunnen blijven.
 De onafhankelijkheid bewaren bij de productie van strategische goederen en diensten.
vb: Graan uit de VS / Canada is goedkoper dan uit de EU. Bij vrijhandel verdwijnt de graanproductie in de EU. Dit is gevaarlijk als er een oorlog is, omdat brood een eerste levensbehoefte is.
 Wraak nemen op protectie door andere landen. Er kan een handelsoorlog ontstaan doordat het ene land vindt dat een ander land protectionistische maatregelen heeft genomen. Het ziet zijn afzetmogelijkheden in het andere land in gevaar komen en neemt vergelijkbare tegenmaatregelen om het andere land onder druk te zetten.
vb: Japan en de VS. Om Japan te dwingen de import van Amerikaanse goederen te vergemakkelijken, beperkt Amerika de import uit Japan.
 Nieuwe industrieën op gang helpen. Jonge industrieën krijgen de kans zich te ontwikkelen wanneer ze niet meteen aan de internationale concurrentiestrijd worden blootgesteld.
 (uit § 9.2.3): Dumping voorkomen. Van dumping is sprake als buitenlandse ondernemingen producten aanbieden tegen een verkoopprijs die lager is dan de kostprijs. Ze bieden de producten tegen een lage prijs aan om de markt te veroveren, daarna kunnen ze de verkoopprijs verhogen. Dumping is een mogelijkheid om van productieoverschotten af te komen, of om concurrenten een zware slag toe te brengen. Die moeten dan namelijk ook hun prijs verlagen en kunnen daardoor failliet gaan.

§ 9.2.2. Protectionistische maatregelen.

 Invoerrechten heffen.
vb: Op de meeste landbouwproducten van buiten de EU gelden invoerrechten om de afzet van binnen van producten uit de EU in stand te houden.
 Importquota/contingenten vaststellen. Van een bepaald goed mag dan in een bepaalde periode niet meer dan een vastgestelde hoeveelheid/waarde worden ingevoerd.
 Strenge kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld op het gebied van milieu, veiligheid, houdbaarheid. Daardoor voldoen veel buitenlandse producten niet aan de binnenlandse normen en standaarden. Zo kan in eigen land de productie van vergelijkbare producten in stand worden gehouden.
 Binnenlandse productie subsidiëren en exportsubsidies verstrekken. Op die manier maak je in het binnenland geproduceerde producten kunstmatig goedkoper dan vergelijkbare producten in het buitenland.

Tarifaire handelsbelemmering = invoerrechten heffen.

Non-tarifaire handelsbelemmeringen = Importquota/contingenten vaststellen, strenge kwaliteitseisen stellen, binnenlandse productie subsidiëren en exportsubsidies verstrekken.

Een andere vorm van protectie: Het lokken van buitenlandse bedrijven door een lage vennootschapsbelasting te heffen, omdat er bij protectie altijd sprake is van concurrentievervalsing.

§ 9.2.3. Nadelen van protectie.

Protectie wordt alleen rechtvaardig gevonden om nieuwe industrieën te beschermen of om dumping te voorkomen. De overige motieven niet (zie § 9.2.1.).

Nadelen: Import van auto's buiten de EU niet toelaten. Prijzen stijgen van auto's binnen de EU, want de concurrentie neemt af. => Duurdere producten voor de consument.
Minder keus voor consument. Protectie beperkt de beschikbaarheid van goederen en diensten.
De kans op een conjuncturele inzinking wordt groter doordat landen minder bij elkaar gaan besteden.

Tegenmaatregel: vb: Japanse autofabrikanten bouwen fabrieken in Europa.

Landen die de dupe zijn van protectionistische maatregelen, kunnen als wraak protectionistische tegenmaatregelen nemen. => Onvoorspelbare concurrentieverhoudingen, vooral als er een handelsoorlog uitbreekt. => Onzekerheid, voor producenten, werknemers, consument.

§ 9.3. Wereldhandelsorganen.

§ 9.3.1. De World Trade Organization (WTO).

In 1948 is de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade) opgericht. Op 1-1-1995 is die opgevolgd door de WTO. Doel van de WTO: vrijhandel bevorderen door tarifaire en non-tarifaire handelsbelemmeringen te verminderen/af te schaffen.

Taken van de WTO:
 Handelsbelemmeringen uit de weg ruimen.
 Als scheidsrechter optreden bij handelsconflicten tussen landen (b.v. bij klachten over protectionistische maatregelen).
 De wereldhandel bevorderen (b.v. door bijeenkomsten te houden waarin landen hierover afspraken maken. De afspraken kunnen gaan over de afschaffing van non-tarifaire handelsbelemmeringen, vermindering van tarifaire handelsbelemmeringen, uitvoering van de antidumpingheffing).
Door de antidumpingheffing wordt de prijs van gedumpte producten hoger. Dit bevordert eerlijke concurrentie.

Meestbegunstigdeclausule = Als een land handelsvoordelen toekent aan een WTO-land, moeten die voordelen ook aan de andere WTO-landen worden toegekend.

§ 9.3.2. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF)

Het IMF is in 1944 opgericht. Net als de WTO organiseert het IMF regelmatig internationaal overleg en publiceert het regelmatig gegevens en voorspellingen over de wereldeconomie.

Belangrijkste taak van het IMF:
 Leningen verstrekken aan landen met een langdurig tekort op de betalingsbalans. De middelen daarvoor komen uit een fonds, waarin de lidstaten van het IMF geld storten. Deze leningen bevorderen ook de wereldhandel.

Het tekort ontstaat als een land lang meer in- dan uitvoert. Landen moeten het geld dat ze van het IMF lenen, gebruiken om hun productiestructuur te verbeteren en op die manier toekomstige betalingsbalanstekorten te voorkomen. => betere concurrentiepositie, hogere export, lagere import. => tekort op betalingsbalans vermindert/verdwijnt.

Belangrijkste leners van het IMF: Rusland, Oekraïne, ontwikkelingslanden. Soms is de schuld te hoog => schuldencrisis. Vaak worden schulden dan kwijtgescholden.

§ 9.3.3. De Wereldbank.

Arme landen kunnen geld lenen bij de Wereldbank voor speciale projecten, als een stuwdam, irrigatieproject, verbeteren van hygiënische omstandigheden. De leningen hebben een lange looptijd en een lage rente (zachte voorwaarden).

§ 9.4. Motieven voor economische integratie.

§ 9.4.1. Economische integratie in de EU.

Interne markt: Wanneer in een gebied de invoerrechten en andere handelsbelemmeringen zijn afgeschaft (b.v. in de EU)

3 motieven voor economische integratie in de EU:
 Meer producten en lagere prijzen mogelijk maken. Interne markt in de EU => producten uit Nederland worden goedkoper voor inwoners uit andere EU-landen, en omgekeerd => nieuwe markten. Bij een grotere afzetmarkt kunnen ondernemingen meer producten gaan voortbrengen => meer massaproductie => schaalvoordelen => daling productiekosten => daling prijs.
 De mobiliteit van productiefactoren vergroten. Arbeid en kapitaal kunnen zich gemakkelijk over de grenzen van de EU-landen bewegen = vrij verkeer van personen en kapitaal. Oftewel, de mobiliteit van productiefactoren neemt toe. Producten zullen steeds vaker in landen worden voortgebracht waar omstandigheden het beste zijn => lagere kosten.
 De technische ontwikkeling bevorderen. In de EU wordt gestreefd naar harmonisatie van wetten en regelingen. Dit is vooral al zo op het gebied van normen en standaarden voor producten (b.v. veiligheidsvoorschriften). O.a. hierom steeds meer Europese samenwerking tussen bedrijven aan de ontwikkeling en verbetering van producten en productieprocessen. Er is als het ware sprake van schaalvoordelen op het gebied van speur- en ontwikkelingswerk.

§ 9.4.2. Multinationals.

Multinational: Een bedrijf met vestigingen in veel landen. Multinationals kunnen invloed uitoefenen op politieke beslissingen. De volgende zaken zijn karakteristiek voor multinationals:
 Risicospreiding. Als de productiekosten in het ene land te hoog worden, kan men het productieproces verplaatsen naar een ander land (b.v. lagelonenlanden, landen met een mild belastingklimaat, weinig/slecht gecontroleerde wetten op het gebied van arbeidsomstandigheden, stakingsrecht en het milieu).
 Schaalvergroting. Van grote winsten wordt een deel geïnvesteerd in de bouw van nieuwe fabrieken en de ontwikkeling van nieuwe of verbeterde producten. Ook koopt men in veel landen bedrijven op => grotere bedrijven.
 Grote economische machtspositie. Door het grote financiële draagvlak van multinationals en de kostenvoordelen van hun productie op grote schaal is het concurrentievermogen groot.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.