Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Examenstof 2005

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 9006 woorden
  • 19 mei 2005
  • 79 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.6
  • 79 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
MODULE 1 ‘MENS EN ARBEID’
ARBEIDSMARKT VRAAG EN AANBOD
Arbeid
Niet alle werkzaamheden worden in het vak economie tot arbeid gerekend. Er zijn enkele voorwaarden.
1) Er moet sprake zijn van een productieve inspanning
2) De activiteit moet beloond worden beloond in de vorm van een inkomen. Dit heet een primair inkomen.
3) Het loon moet bekend zijn bij de belastingdienst. Het is dan een wit inkomen.
Arbeidsmarkt
Men kan op verschillende manieren een baan zoeken, o.a. door naar een uitzendbureau of een arbeidsbureau te gaan. Naast werkzoekenden komen ook werkgevers naar deze bureaus. Deze bureaus zijn voorbeelden van concrete markten. De Nederlandse arbeidsmarkt is een abstracte markt. Er is niet één arbeidsmarkt, elke werkende is immers anders. Arbeid is een heterogeen product.

Arbeidsaanbod
Als je jezelf aanbied behoor je tot het arbeidsaanbod of beroepsbevolking. Iedereen tussen de 15 en 57,5 jaar is potentiële beroepsbevolking. Tot de officiële beroepsbevolking of het arbeidsaanbod rekent de overheid iedereen tussen de 15 en 57,5 jaar die werkt en officieel kenbaar heeft gemaakt te willen werken. Je moet geregistreerd werkloze zijn voor een uitkering. Het aantal uren heeft een limiet van 12 uur.
De afhankelijke beroepsbevolking of werknemers hebben een dienstbetrekking bij een particulier bedrijf of bij de overheid. De zelfstandige beroepsbevolking zijn mensen die geen werkgevers hebben.
Een duidelijk beeld van de deelname tot arbeid krijgt men door de arbeidsparticipatie of arbeidsdeelname te berekenen.
Veranderingen van het arbeidsaanbod
Er zijn enkele oorzaken voor de verandering van de omvang en de samenstelling van de beroepsbevolking.
- Demografie. Nederland vergrijst en ontgroent.
- Emigratie en immigratie. Barrières moeten worden overwonnen worden
- Culturele factoren, zoals bijvoorbeeld de vrouwenparticipatie
- Loonniveau, hoe hoger de lonen, hoe meer mensen zich aanbieden. Een verhoogd minimumloon zorgt ervoor dat meer mensen zich aanbieden op de arbeidsmarkt
- Institutionele factoren. Wetten, regels en instellingen die hierop toezien

- Arbeidsmarkt- en/of economische situatie. Bij veel werklozen of slechte economie blijven mensen op school, het ontmoedigingseffect. Andersom een aanzuigeffect.
Arbeidsvraag
Onder arbeidsvraag verstaan we alle werkenden en alle openstaande arbeidsplaatsen.
Veranderingen van de arbeidsvraag
Factoren die de omvang en de samenstelling van de vraag naar arbeid veranderen:
- Bestedingen
o Totale vraag van goederen en diensten worden bestedingen of effectieve vraag. Neemt dit toe, dan moet er meer worden geproduceerd. Meer arbeiders nodig, arbeidsvraag neemt toe.
- Techniek
o Machines vervangen mensen, maar er zijn ook mensen nodig om de machines te bedienen
- Arbeidstijd
o Mensen werken korter, dus er moeten meer worden aangenomen. Arbeidstijdverkorting (ATV) kan op verschillende manieren worden gerealiseerd. Als de werkweek wordt verkort heet het arbeidsduurverkorting (ADV). Men maakt gebruik van vervroegde uittreding (VUT)
- Loonniveau
o Door hoge lonen nemen kosten arbeid toe, ondernemers vervangen dan werknemers voor kapitaal. Dit heet substitutie van arbeid.
ARBEIDSMARKTPROBLEMEN
Een definitie van werkloosheid
Er is sprake van geregistreerde werkloosheid indien:
- Iemand ingeschreven staat bij een arbeidsbureau;
- Hij of zij tussen de 15 en de 57,5 jaar is;
- Hij of zij geen arbeidsverhouding (werk) heeft;
- Hij of zij bereid en in staat is om betaalde arbeid te verrichten gedurende 12 uur of meer per week.
Meten van de arbeidsproblematiek
CBS houdt in Nederland de werkloosheid bij met de computerbestanden van werklozen die het arbeidsbureau maakt. Hierin staan de mensen die een baan zoeken.
Een werkloze geeft niet altijd door dat hij een baan gevonden heeft, en mensen melden tijdelijk werk ook niet altijd bij een arbeidsbureau. Dit heet bestandsvervuiling.
Het CBS presenteert de arbeidsmarktcijfers op twee manieren, waaronder de werkloosheid:
1. In personen. Het CBS telt het aantal personen die gevraagd worden en zich aanbieden op de arbeidsmarkt
2. In arbeids- of mensjaren. Het CBS telt het aantal volledige banen, oftewel fulltime jaren.
Verborgen werkloosheid
Er zijn verschillende redenen waarom mensen zich niet inschrijven als werkzoekende:
- Men zijn ontmoedigd, dit heet het discourage effect
- Men zijn arbeidsongeschikt verklaard
- Men wil minder dan 12 uur werken
- Voor een uitkering moet men ingeschreven staan, maar soms verdient de partner teveel voor een uitkering. Inschrijven heeft dan weinig zin
- Er zijn leerlingen en studenten die langer op school blijven omdat ze denken toch geen baan te vinden
De totale werkloosheid is de optelsom van geregistreerde werkloosheid en verborgen werkloosheid.
Verschillende oorzaken van werkloosheid
Werkloosheid kan je als volgt indelen:
- Conjunctuurwerkloosheid;
- Structuurwerkloosheid in ruime zin.
Conjunctuurwerkloosheid
Conjunctuurwerkloosheid is werkloosheid die veroorzaakt wordt door vermindering van de bestedingen. Sommige sectoren in de economie zijn conjunctureel gevoelig.
Structuurwerkloosheid in ruime zin
Structuurwerkloosheid ontstat door veranderingen in de wijze of structuur van de productie. Het is altijd van de lange duur.
Binnen structuurwerkloosheid in ruime zin kunnen we onderscheid maken tussen:
- Kwantitatieve structuurwerkloosheid
- Kwalitatieve structuurwerkloosheid
- Frictiewerkloosheid
- Seizoenswerkloosheid
Kwantitatieve structuurwerkloosheid
Hiervan is sprake wanneer er te weinig arbeidsplaatsen zijn om voor werk voor de gehele beroepsbevolking te zorgen. De structuur van de productie is zodanig dat de kwantiteit of hoeveelheid arbeidsplaatsen onvoldoende is om de gehele beroepsbevolking werk te geven.
Deze vorm van werkloosheid is altijd van langere duur.
Beredeneerd vanuit de arbeidsvraag onderscheiden we de volgende oorzaken van werkloosheid:
- Concurrentie met lagelonenlanden
- Arbeidsbesparende technieken
o Investeringen die leiden tot een toename van de arbeidsproductiviteit worden diepte-investeringen of arbeidsbesparende investeringen genoemd
- Fusies of integraties van ondernemingen
- Overheidsmaatregelen
Beredeneerd vanuit het arbeidsaanbod onderscheiden we de volgende oorzaken:
- Stijgende participatiegraad van vrouwen
- Toename van het aantal schoolverlaters
- Werkzoekenden uit het buitenland
Kwalitatieve structuurwerkloosheid
Er is een discrepantie van vraag en aanbod. De vraag sluit niet aan op het aanbod.
Het kan ook ontstaan door een te geringe mobiliteit van arbeid.
Frictiewerkloosheid
Wordt ook zoekwerkloosheid genoemd. Het ontstaat door wrijving tussen het tijdstip waarop de ene baan eindigt en de andere begint.
Seizoenswerkloosheid
Treedt alleen op in bepaalde delen van het jaar.
Overspannen arbeidsmarkt
Is het tegenovergestelde van werkloosheid. De vraag is te groot voor het aanbod
OPLOSSINGEN VOOR DE ARBEIDSMARKTPROBLEMATIEK
Oplossingen voor conjunctuurwerkloosheid
Door de bovenste oplossingen neemt de koopkracht toe. Dit is een groot voordeel, het nadeel is dat de overheid geld moet lenen en dus een grote staatsschuld krijgt.
Oplossingen voor kwantitatieve structuurwerkloosheid
Kwantitatieve structuurwerkloosheid is moeilijker op te lossen dan conjunctuurwerkloosheid. Oplossingen moeten gericht zijn op de langere termijn. Het kan vanuit twee invalshoeken worden bekeken:
1. De arbeidsvraag stimuleren
2. Het arbeidsaanbod afremmen

De arbeidsaanvraag stimuleren
1. Stimuleren van investeringen. Met subsidies kan de overheid bevorderen dat bedrijven uitbreiden. Het vestigingsbeleid tracht door de infrastructuur de Nederlandse economie aantrekkelijk te maken voor vestiging van buitenlandse bedrijven.
2. Stimuleren van innovaties. Dit betekent dat er nieuwe producten of productieprocessen op de markt gebracht worden, zoals biotechnologie, informatietechnologie en medische wetenschap.
3. Beheersen en verlagen loonkosten. De arbeid wordt goedkoper waardoor bedrijven minder geneigd zijn om mensen te vervangen voor kapitaal. Ook helpt het de concurrentiepositie van Nederland.
Het arbeidsaanbod afremmen
1. Extra belasten tweeverdieners. Hierdoor zullen minder mensen in een huishouden gaan werken. Nadeel is dat vooral veel vrouwen niet gaan werken, dit is slecht voor de emancipatie.
2. Verlengen leerplicht. Een student zit op school, verdient geen inkomen. Dit heet gederfd inkomen.
3. Verlagen pensioengerechtigde leeftijd.
4. Toepassen arbeidstijdverkorting. Het werk wordt anders verdeeld. Werkt niet altijd, wordt soms ook gebruikt om te bezuinigen. Men werkt minder, de overgebleven uren werden niet opgevuld. Hierdoor dalen de loonkosten.
5. Aanpassen definitie werkloosheid. Een puur cosmetische truc.
Oplossingen voor kwalitatieve structuurwerkloosheid
Kan de overheid oplossen door met diverse campagnes bepaalde studies te stimuleren. Een studie waarmee je moeilijk een baan kan krijgen kan worden bemoeilijkt door een lotingsysteem in te stellen.
Kwalitatieve structuurwerkloosheid treedt ook op door gebrek aan mobiliteit. Dit kan worden opgelost door verhuispremies en reiskostenvergoedingen aan te bieden. Ook kan het openbaar vervoer bevorderd worden.
Oplossingen seizoenwerkloosheid
Seizoenwerkloosheid is nooit helemaal te bestrijden. Er zijn toch enkele opties, zoals een verandering in prijs waardoor het in een laagseizoen aantrekkelijker is om gebruik te maken van de dienst.
Diversificatie is ook een mogelijkheid. Dit houdt in dat men meerdere producten of diensten aan gaat bieden. Ook kan men gebruik maken van seizoensverlenging. Een voorbeeld hiervan is het gewassen verbouwen in kassen.
Oplossingen voor frictiewerkloosheid
Frictiewerkloosheid is zeer moeilijk op te lossen. De overheid kan trachten de duur van frictiewerkloosheid te verkorten door de informatieoverdracht tussen werkgevers en potentiële werknemers te verbeteren.
Oplossingen voor een overspannen arbeidsmarkt
Dit kan op de korte termijn worden opgelost door het personeel te laten overwerken. Een oplossing op de lange termijn is het omscholen van mensen of het aantrekken van mensen uit het buitenland.
De overheid kan ook zorgen dat er minder vraag is naar goederen en diensten door de verhoging van de belastingen en verlagingen van de overheidsbestedingen.
Het arbeidsmarktbeleid in Nederland
Het arbeidsmarktbeleid dat zich richt op de aanbodkant noemen we het arbeidsvoorzieningsbeleid. Doel van dit beleid is dat mensen die zich aanbieden op de arbeidsmarkt binnen een redelijke termijn een baan kunnen vinden. Naast directe bemiddeling gaat het hier vooral om trajectbemiddeling.
Onder het arbeidsvoorzieningsbeleid vallen ook de maatregelen die het zowel voor de werkzoekende aantrekkelijk maken om een baan te accepteren als voor de werkgever om een werkzoekende aan te nemen.
De andere zijde van de arbeidsmarkt is de vraagkant. Dit onderdeel van de arbeidsmarktbeleid heet het werkgelegenheidsbeleid. Binnen het werkgelegenheidsbeleid onderscheiden we het structuurbeleid dat gericht is op toename van de productie(capaciteit) en het conjunctuurbeleid dat haar aangrijpingspunt heeft bij de bestedingen.
INKOMENSVORMING
Werkgevers- en werknemersorganisaties
Een vereniging van werknemers noemen we een werknemersorganisatie of vakbond. Deze behartigt de belangen van haar leden. Meestal hebben vakbonden zich verenigd in een vakcentrale. Vakbonden die niet zijn aangesloten bij een centrale noemen we categorale bonden. Voor de werkgevers bestaan er werkgeversorganisaties. Een samenbundeling hiervan heet een werkgeverscentrale.
Arbeidsoverleg
In een individuele arbeidsovereenkomst staat:
- De functie
- Het loon
- Hoe lang de werknemer in dienst is
- Of er sprake is van een proeftijd
- Tijden, dagen en uren dat de werknemer moet werken
In de CAO de basisafspraken voor een bedrijfstak. In de CAO staan primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden
Ten aanzien van de salarisstijgingen kunnen we een onderscheid maken in initiële en incidentele loonstijgingen en prijscompensatie.
Als een CAO gemaakt is keurt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de CAO goed, dit heet het algemeen verbindend verklaren van de CAO (Wet op de Algemeen Verbindend Verklaring)
Alle spelregels betreffende de CAO-onderhandelingen staan in de Loonwet
Op landelijk niveau overleggen de sociale partners samen met de afgevaardigden van de overheid over de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden. Hiervoor is de Stichting van de Arbeid opgericht. Jaarlijks proberen ze een Centraal Akkoord tot stand te brengen.
Personele inkomensverdeling
In een Lorenzcurve wordt duidelijk wat de verdeling is van de inkomens over de personen. Hierin wordt duidelijk hoeveel procent van de personen hoeveel procent van de inkomens heeft.
Categoriale inkomensverdeling
Inkomens kunnen verdeeld worden in vier componenten:
1. Loon verdient uit de werkzaamheden als baas van een fabriek
2. Interest of rente verdient uit kapitaal dat op de bank staat
3. Pacht verdient met de verhuur van landerijen
4. Winst verkregen als eigenaar van fabrieken
Als 40% van het totale inkomen met arbeid wordt gerealiseerd, is de arbeidsinkomensquote 40%.
Oorzaken van inkomensverschillen
Er zijn verschillende oorzaken van inkomensverschillen, zoals scholing, arbeidsmarktsituatie en de machtsposities. Ook de arbeidsproductiviteit speelt een rol. Voor een hogere arbeidsproductiviteit vragen we een hoger inkomen.
De inkomenspolitiek in Nederland
Eén van de doelstellingen van de overheid is om te komen tot een evenwichtige inkomensverdeling.
Nivelleren betekent dat de verschillende inkomens op een gelijker niveau komen te liggen. Het tegenovergestelde heet denivelleren.
De overheid probeert een evenwichtige inkomensverdeling met verschillende beleidsinstrumenten te realiseren.
1. De Wet op het minimumloon.
2. Stelsel van sociale-zekerheidswetten. Dankzij deze uitkeringen die we als ongebonden inkomensoverdrachten aanduiden, kan iedereen in ons land een menswaardig bestaan leiden.
3. De overheid kan de hoogte van het minimumloon en de sociale uitkeringen te koppelen aan de ontwikkeling van de hoogte van de lonen. Dit heet koppeling. De overheid probeert dit ook bij ambtenaren, ambtenaren zijn trendlopers.
4. Via directe belastingen en premies kan de overheid de inkomensverdeling beïnvloeden. Nederland heeft een progressief belastingstelsel.
5. De overheid geeft verschillende subsidies, zoals kinderbijslag. Dit deze vorm van uitkeringen noemen we gebonden overdrachten.
Samengevat kunnen we drie inkomensverdelingen onderscheiden:
1. Primaire inkomensverdeling, de verdeling van het inkomen bestaande uit loon, winst, pacht, huur en rente, over de bevolking
2. Secundaire inkomensverdeling, het primaire inkomen gecorrigeerd voor de betaalde belastingen en sociale premies en de ontvangen ongebonden inkomensoverdrachten
3. Tertiaire inkomensverdeling, het secundaire inkomen gecorrigeerd voor de betaalde indirecte belasting en de ontvangen gebonden inkomensoverdrachten.
MODULE 2 ‘ZORG EN BELEID’
HET BEGRIP ‘VERZORGINGSSTAAT’
Allocatie
Hoe wordt bepaald:
- Wat er wordt geproduceerd?
- Hoeveel er wordt geproduceerd?
- Wie er produceert?
- Hoe er wordt geproduceerd?
- Waar er wordt geproduceerd?
De beantwoording van al deze vragen valt in de economie onder het allocatievraagstuk.
Individuele, collectieve en quasi-collectieve goederen
Individuele goederen zijn goederen die door slechts één persoon kunnen worden geconsumeerd. Er is rivaliteit en uitsluitbaarheid.
Collectieve goederen worden door meerdere mensen geconsumeerd. Er is non-rivaliteit en er is niet-uitsluitbaarheid.
Quasi-collectieve goederen. Hieraan kun je je als consument aan de consumptie ervan ontrekken.

Economische orde
Onder economische orde of economisch stelsel verstaan we de manier waarop het proces van productie en consumptie georganiseerd is. Twee elementen zijn belangrijk:
- De eigendomsverhoudingen
- De verdeling van de beslissingsbevoegdheden
Op grond van deze elementen kunnen we een aantal typen van economische orde onderscheiden
- De markteconomie of markthuishouding waarin het marktmechanisme zorgt voor de afstemming van de productie op de consumptie
- De democratische huishouding waarin het budgetmechanisme het middel si waarmee de coördinatie van de economische besluitvorming plaatsvindt
- De bureaucratische huishouding of centraal geleide economie waar alle beslissingsbevoegdheden zijn gecentraliseerd in één instantie en de beslissingen dus op centraal niveau worden genomen. Het coördinatiemechanisme heet hier het planmechanisme.
Het marktmechanisme
De consument beslist zelf wat en hoeveel hij aanschaft, en de producent beslist zelf wat en hoeveel hij produceert.
In een markteconomie worden de economische beslissingen decentraal genomen.
Voor- en nadelen van het marktmechanisme
Een voordeel is dat er een optimale allocatie is. De productiemiddelen worden immers daar ingezet waar er de meeste vraag naar is.
Een nadeel is dat er extreem hoge prijzen kunnen ontstaan waardoor een product onbetaalbaar wordt.
Bovendien verlopen de aanpassingsprocessen via het marktmechanisme niet altijd even soepel. Ook hebben ondernemingen in werkelijkheid niet zelden een machtspositie op de markt waardoor ze een hogere prijs kunnen vaststellen dan bij volkomen concurrentie het geval zou zijn. Ook zijn er maatschappelijke kosten of ook wel externe effecten van productie en consumptie. Collectieve goederen zullen niet via het marktmechanisme worden geproduceerd. Ze zijn niet te splitsen in individueel leverbare eenheden, er is niemand van uit te sluiten en iedereen kan ervan genieten. Er is dus geen prijs vast te stellen. Ondernemers zullen zodoende niet bereid zijn deze goederen te produceren.
Het budgetmechanisme
De economische beslissingen worden decentraal genomen.
De gemeenschap beslist wat en hoeveel er geproduceerd moet worden. Via stemming wordt een besluit genomen. Deze volksvertegenwoordiging bepaalt via een politiek proces welke taken door de overheid zullen worden uitgevoerd en hoeveel daarvoor mag worden uitgegeven.
Dit afwegings- en besluitvormingsproces doet zich niet allen op het niveau van de centrale overheid voor.
Voor- en nadelen van het budget mechanisme
Een nadeel van het budgetmechanisme is dat de band tussen beslissen, genieten en betalen die bij het marktmechanisme is hier wordt doorbroken. Daardoor worden de kosten en baten van overheidsvoorzieningen niet rechtstreeks met elkaar in verband gebracht. Het directe verband tussen kosten en opbrengsten ontbreekt hetgeen niet alleen de keuze moeilijker maakt maar ook het risico vergroot dat de doelmatigheid van de keuze onvoldoende is.
Bovendien moeten de volksvertegenwoordigers voortdurend afwegingen maken.
Het grote voordeel van het budgetmechanisme is dat de overheid de ongewenste uitkomsten van het marktmechanisme kan corrigeren en bepaalde doelstellingen – zoals een rechtvaardige inkomensverdeling en behoud van het milieu – kan nastreven.
De overheid kan er ook voor zorgen dat bepaalde (quasi) collectieve goederen geproduceerd worden. Er zijn verschillende redenen waarom de overheid zich met het aanbod van sommige quasi-collectieve goederen bemoeit.
- Te hoge inningskosten
o Het kost teveel geld om het door de markt te laten verzorgen
- Geen inkomensdrempel
o Er zijn individuele goederen waarbij de overheid het niet juist vindt dat het gebruik zou afhangen van de hoogte van het inkomen, zoals bijv. het onderwijs.
- Positief effect voor de maatschappij
o Zoals het openbaar vervoer, onderwijs (goed opgeleide mensen)
- Bemoeigoederen
o Merit goods en demerit goods
Het planmechanisme
Besluitvorming over productie proces vindt plaats op centraal niveau. Productieapparaat is in handen van de staat. De centrale instantie moet zowel zicht krijgen op consumptiewensen al op productiemogelijkheden in de economie en zal deze op elkaar af moeten stemmen.
Voor- en nadelen van het planmechanisme
Het voordeel is het ontbreken van conjunctuurschommelingen. De stabiliteit van zo’n plansysteem zorgde er voor dat werkloosheid en inflatie officieel niet of nauwelijks voorkwamen. De inkomensverschillen waren kleiner dan in de meeste markteconomieën.
Nadelen waren de grote politieke onvrijheid, een gebrek aan efficiency en de bureaucratische organisatiestructuur. Er waren geen of weinig financiële prikkels
De gemengde economie van Nederland
Binnen de Nederlandse economie kunnen twee sectoren worden onderscheiden: een marktsector en een collectieve sector.
Niveaus van allocatie
Het allocatievraagstuk kan op drie niveaus worden bekeken
- Individueel (micro)niveau
- Landelijk (macro)niveau
- Internationaal niveau
Op internationaal niveau heeft de WTO, waarbij meer dan honderd landen zijn aangesloten, het doel de internationale handelsbelemmeringen te verminderen en daarmee de internationale allocatie van productiefactoren te bevorderen.
SOCIALE ZEKERHEID IN NEDERLAND
Het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid
Een belangrijk onderdeel in de huidige verzorgingsstaat is de sociale zekerheid. Dit stelsel bevat een groot aantal wettelijke regelingen, instellingen en voorzieningen die betrekking hebben op de bestaanszekerheid van burgers.
Het stelsel van de sociale zekerheid bestaat uit sociale verzekeringen en sociale voorzieningen. De sociale verzekeringen kunnen weer onderverdeeld worden in:
- Werknemersverzekeringen, alleen voor werknemers
- Volksverzekeringen, voor iedereen die in Nederland woont
De sociale voorzieningen vormen een aanvulling op de sociale verzekeringen.
Als de verhoging van de sociale voorzieningen even hoog is als die van de prijsstijging dan spreekt men van waardevaste uitkeringen. Als de verhoging evenredig stijgt met de welvaart heet het welvaartsvaste uitkeringen.
Voor sociale voorzieningen hoeft geen premie te worden betaald.
Verzorgingsstaat
Het begrip verzorgingsstaat kan op verschillende manieren worden omschreven. Gekeken naar de doelstelling ‘een samenleving waarin de overheid iedereen in Nederland een maatschappelijk aanvaardbaar bestaansminimum wil garanderen.’ Gekeken naar de organisatievorm ‘een gemengde economie met een uitgebreid, door de overheid georganiseerd stelsel van sociale zekerheid.’
Het begrip staat verwijst naar het bestaan van een gemeenschap van mensen – een volk – binnen een bepaald grondgebied en met een overheid die over dat volk – de onderdanen – gezag uitoefent. De overheid zijn instellingen zoals het Rijk en provincies en gemeenten.
De ontwikkeling van de verzorgingsstaat
De ontwikkeling van onze verzorgingsstaat heeft een aantal fasen doorlopen.
Uiteindelijk kwam de solidariteitsgedachte, en de politiek werd een laissez faire-politiek.
Verzorgingsstaat en overheid
De verzorgingsstaat kenmerkt zich door een actief overheidsingrijpen.
Sociaal-economische ontwikkelingen in Nederland na 1945
In de periode 1950-1973 werd op macroniveau een begrotingsbeleid ingevoerd om de conjunctuurgolven in te dammen. In de jaren zestig en zeventig lieten de collectieve uitgaven gestage groei zien. De collectieve lasten groeiden snel. Het afwentelingsproces kwam op gang.
Meer markt, minder overheid
Minder overheidsregels duiden we aan als dereguleren. Het terugtreden van de overheid komt o.a. in uiting door privatisering. Ook vindt er verzelfstandiging plaats. Ook kan de overheid gaan decentraliseren.
De Nederlandse overlegeconomie (het poldermodel)
Onder het stelsel van arbeidsverhoudingen verstaan we alle overlegvormen, afspraken en wettelijke regelingen waarbij zowel de overheid als de werknemers- en werkgeversorganisaties betrokken zijn. In overleg met de sociale partners werd in de periode 1945-1963 de loonontwikkeling bepaald door de overheid. Dit wordt de periode van de geleide loonpolitiek genoemd. Dit het tripartite overleg.
De overheid stimuleert ook het tot stand komen van centrale akkoorden.
In het Akkoord van Wassenaar besloten de vakbonden en de werkgeversorganisaties om gezamenlijk zowel de winstpositie van bedrijven als de herverdeling van arbeid door middel van arbeidsduurverkorting na te streven, of anders gezegd: loonmatiging in ruil voor banen. Men spreekt bij de Nederlandse economie ook wel van een flankerend beleid.
Adviesorganen van de regering
SER bestaat uit vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers en daarnaast onafhankelijke deskundigen, de kroonleden. Het CPB rekent uit wat het effect is van bepaalde beleidsmaatregelen. Het CBS houdt statistieken bij.
Misbruik en oneigenlijk gebruik van de sociale zekerheid
De bijstandswet was bedoeld als laatste vangnet voor het voorkomen van armoede. Het werd echter ook gebruikt om een slecht huwelijk te beëindigen, je was niet afhankelijk van je partner.
De WAO werd gebruikt om het overschot aan arbeidskrachten weg te werken. Dit heet de verborgen werkloosheidscomponent in de WAO.
Er is calculerend gedrag, men past hun situatie en gedrag aan om een zo groot mogelijk voordeel te hebben van de sociale zekerheidsregeling.
Deze dingen werden bestreden, o.a. door het begrip passende arbeid te verruimen.
Herziening van de sociale zekerheid
Het terugdringen van het beroep op de verschillende wetten speelt een belangrijke rol. Dit volumebeleid richt zich vooral op de werkloosheidsregelingen en op de ziekte- en arbeidsongeschiktheidswetten. De regering heeft
- De voorwaarden verscherpt
- Maatregelen genomen om minder lang een beroep op een uitkering te kunnen doen
- Prikkels ingebouwd om een beroep te voorkomen of verminderen, de premiedifferentiatie, de privatisering van de Ziektewet en het eigen risico.
Bij deze herziening kunnen drie wegen worden bewandeld
- Activeren: Mensen zo snel mogelijk uit de uitkeringssfeer halen
- Selecteren: Verhoogde selectiviteit van regelingen
- Minimaliseren: De uitkering beschermt alleen tegen risico’s die ook echt collectief moeten worden gedragen
Bij pensioenvoorzieningen gaat men uit van het kapitaaldekkingsstelsel.
Sociale zekerheid en arbeidsmarkt
De Nederlandse economie kent een relatief geringe arbeidsparticipatie.
Om de verhouding tussen het aantal mensen met een uitkering en het aantal mensen met een betaalde baan in een getal uit te drukken, gebruikt met de I/A-ratio.
Enkele werkgelegenheidsmaatregelen van de afgelopen jaren:
- JWG
- Binnenpoolregeling, voor mensen die langer dan 3 jaar werkloos zijn
- Melkert 1: Doel is 40.000 banen te scheppen in collectieve sector
- Melkert 2: Overheid geeft aan werkgevers subsidie om werklozen in dienst te nemen
- Melkert 3: Gemeenten mogen experimenten uitvoeren om mensen met uitkering maatschappelijk nuttige activiteiten te laten verrichten.
OVERHEID EN ECONOMIE
Regering en Staten-Genraal
De regering is samen met de Staten-Generaal (Eerste en Tweede Kamer) de hoogste wetgever van ons land.
De minister van Financiën op Prinsjesdag de Rijksbegroting in. Het CPB publiceert jaarlijks de Macro-Economische Verkenning waarin zowel de economische vooruitzichten voor het komende begrotingsjaar als de gevolgen van de ingediende begroting voor de Nederlandse economie worden uiteengezet.
Een half jaar hierna verschijnt het Centraal Economisch Plan.
Het begrip ‘collectieve sector’
Terwijl in de marktsector iedereen zijn eigen beslissingen neemt over wel of niet en wat te consumeren, gaat het in de collectieve sector om voorzieningen waar we gezamenlijk voor moeten betalen door middel van belastingen en sociale premies en waar we dan ook allemaal een beroep op kunnen doen.
Wat er valt onder de collectieve sector:
- De overheid
- De instellingen die de sociale voorzieningen uitvoeren
- Vele instellingen die niet publiekrechtelijk zijn maar wel voor een groot deel worden gefinancierd uit collectieve middelen (ziekenhuizen, instellingen voor gezinsverzorging, verpleeghuizen, ov etc.)
Collectieve en semi-collectieve sector vormen samen de budgetsector, hetgeen betekent dat ze grotendeels via het overheidsbudget gefinancierd worden.
Rijksbegroting en Miljoenennota
De begrotingsvoorstellen die de minister inlevert zijn samen de Rijksbegroting. De plannen van de regering zijn gebaseerd op zowel de actuele economische situatie als op het financieel-economisch beleid voor het komende jaar.
Na Prinsjesdag vindt de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer en daarna de Eerste Kamer plaats. Deze parlementaire behandeling van de Rijksbegroting begint met de Algemene Politieke Beschouwingen.
De overheidsuitgaven
Bij het vertrekken van subsidies doet de overheid niets anders dan geld overdragen. Het geld dat daarvoor nodig is haalt ze uit de totale ontvangsten die voor het grootste deel uit belastingontvangsten bestaan. Daarom spreken we hier van overdrachtsuitgaven.
Er zijn ook bestedingen die een resultaat hebben, wegen worden bijvoorbeeld aangelegd. Deze uitgaven rangschikken we onder overheidsbestedingen en, specifieker, onder de overheidsinvesteringen.
De lonen van ambtenaren vallen onder de overheidsconsumptie. Bij personeelskosten gaat het om de productie van diensten¸ het zijn immateriële overheidsconsumptie, je kunt de dienst (van bijv. een leraar) namelijk niet ‘pakken’ Materiële overheidsconsumptie is bijvoorbeeld de stroomrekening van de overheidsgebouwen.
De functies van de overheid
De overheid heeft een allocatieve functie door de samenstelling van de nationale productie te beïnvloeden.
De herverdelingsfunctie is het herverdelen van inkomens d.m.v. het uitgaven- en inkomstenbeleid
De stabilisatiefunctie is waarmee de overheid probeert om de verschillen tussen de totale productiecapaciteit en de totale bestedingen zo klein mogelijk te maken.
De ene gulden is de andere niet: een analyse van de collectieve uitgaven
De collectieve-uitgavenquote van het land zegt iets over de mate waarin de overheid zich met het economisch proces in dat land bemoeit.
De overheidsinkomsten
De totale overheidsinkomsten bestaan uit belastingen en niet-belastingontvangsten. De directe belastingen zijn belastingen die worden geïnd bij degene die deze last zelf moet betalen. Als je werkt moet je loonbelasting betalen. Over andere inkomens betaal je inkomstenbelasting.
Naast de directe belastingen zijn er de indirecte of kostprijsverhogende belastingen, de bekendste is BTW. De toegevoegde waarde vormt hierbij de grondslag. In de prijs van een aantal producten zitten ook nog accijnzen.
Beginselen van belastingheffing
Om haar uitgaven te financieren, moet de overheid onder andere belasting heffen. Elk belastingstelsel gaat daarbij uit van bepaalde uitgangspunten of beginselen. Twee beginselen die een belangrijke rol spelen:
- Het profijtbeginsel houdt in dat burgers moeten bijdragen in de kosten van overheidsvoorzieningen, zoals motorrijtuigenbelasting
- Het draagkrachtbeginsel wordt niet alleen naar de hoogte van het inkomen maar ook naar andere draagkrachtomstandigheden zoals o.a. het aantal kinderen, hoge ziektekosten etc. gekeken. M.b.t. de hoogte van het inkomen komt het tot uitdrukkin in de progressie in de loon- en inkomstenbelasting.
Berekening van de inkomstenbelasting
Het inkomen waarover belasting moet worden betaald:
Het bruto-inkomen mag allereerst verminderd worden met bepaalde aftrekposten ook wel forfait genoemd.
Over welk bedrag moet belasting worden betaald?
Wat je na vermindering van de aftrekposten overhoudt heet het belastbare inkomen.
Hoeveel bedragen de belastingpercentages
De percentages gaan via het schijventarief.
De loonbelasting wordt elke maand op het loon van de werknemer ingehouden. Ze is een voorheffing op de inkomstenbelasting. Als de ingehouden loonbelasting gelijk is aan de verschuldigde inkomstenbelasting, hoeft er geen inkomstenbelasting meer aan de belastingdienst worden betaald.
Om te voorkomen dat er een verzwaring van de belastingdruk ontstaat als gevolg van de inflatie, kan de overheid besluiten de grenzen van de schijven te verhogen. Men noemt dit de inflatiecorrectie van het schijventarief.
Belastingdruk, premiedruk en collectieve lastendruk
De collectieve lasten zijn de bedragen die burgers min of meer verplicht aan de collectieve sector moeten afstaan. De collectievelastendruk of collectievelastenquote is de collectieve lasten in procenten uitgedrukt in het Bruto Binnenlands Product.
Het overheidstekort is het verschil tussen de totale collectieve ontvangsten en de collectieve uitgaven. Om de invloed van een verandering in de collectievelastendruk op de economie te bepalen moet er naar de verschillende marginale grootheden worden gekeken.
Begrotingstekort, financieringstekort en staatsschuld
Het verschil tussen alle uitgaven en ontvangsten is het begrotingstekort. Dit is ook de financieringsbehoefte. De institutionele beleggers zijn meestal bereid dit te lenen. Wat er dan nog moet worden geleend heet het financieringstekort.
Begrotingstekort(financieringsbehoefte) - opnieuw geleende aflossingen =financieringstekort
De minister kan op verschillende manieren aan geld komen voor het financieringstekort. Hij kan op de kapitaalmarkt leningen afsluiten. De overheid ontvangt ook geld door de uitgifte van staatsobligaties.
Doelstellingen van sociaal-economische politiek
De SER heeft de volgende vijf doelstellingen van sociaal-economische politiek geformuleerd
- Economische groei – De invulling hiervan verandert
- Volledige werkgelegenheid – Werkloosheid is een groot probleem, de overheid streeft naar een minimaal aanvaardbare werkloosheid (frictiewerkloosheid)
- Stabiel prijsniveau – Stabiele prijzen of minimale inflatie zorgen voor een stabiele handel
- Evenwicht op de betalingsbalans (importen en exporten)
– Het saldo op de betalingsbalans is voor een open economie van grote invloed op de overige doelstellingen
- Redelijke inkomensverdeling – Was aanvankelijk gericht op nivellering, maar dit bracht nadelige gevolgen met zich mee
Instrumenten van sociaal-economische politiek
Om de sociaal-economische doelstellingen te realiseren heeft de overheid bepaalde instrumenten
- Het begrotingsbeleid. Door de inkomsten en uitgaven te veranderen kan de overheid verschillende doelstellingen nastreven
- Het structuurbeleid, zo kan de overheid:
o Investeringspremies of subsidies geven
o Een technologiebeleid voeren
o Dereguleren
o Wig verkleinen
o Meer geld aan onderwijs geven
- Het arbeidsmarktbeleid, de overheid kan loonkostensubsidies geven
- Het inkomen- en prijsbeleid, wordt weinig gebruikt.
- Het monetaire beleid beheerst het binnenlandse prijsniveau en reguleert de wisselkoers.
- Het fiscale beleid. D.m.v. belastingmaatregelen kan ze de verschillende economische variabelen zoals consumptie, investeringen, inflatie etc. beïnvloeden.
ECONOMIE: MODULE 3, HOOFDSTUK 1
· Afzet: de verkochte hoeveelheid.
· Collectieve vraag: het gedrag van alle kopers.
· Collectieve vraaglijn: het gedrag van de kopers kan in de vorm van een lijn worden weergegeven.
· Collectieve aanbod: het gedrag van alle aanbieders.
· Evenwichtsprijs: de gevraagde hoeveelheid is gelijk aan de aangeboden hoeveelheid.
· De vergelijking van de vraaglijn: Qv = -P + 10
· De vergelijking van de aanbodlijn: Qa = 3
· Je kan de evenwichtsprijs berekenen door Qv gelijk te stellen aan Qa.
· dP: een verandering van de prijs.
· dQ: een verandering van de hoeveelheid.
· Als het aantal vragers verandert, of als het inkomen van de vragers verandert, verschuift de vraaglijn in zijn geheel naar links of rechts.
· Inelastische vraag: het gedrag van de vragers is niet erg flexibel.
· Elastische vraag: het gedrag van de vragers is heel flexibel.
· Het zuivere marktmodel van vraag en aanbod is alleen van toepassing op een markt van volledige vrije mededinging.
· Concrete markt: als er een aanwijsbare plaats is waar vraag en aanbod bij elkaar komen.
· Abstracte markt: het geheel van vraag en aanbod.
· Vrije toetreding: iedereen mag zonder beperkingen mee doen op de markt.
· Homogene goederen: dezelfde goederen.
· Transparant: het moet voor alle marktpartijen mogelijk zijn om op de hoogte te blijven van de tot stand gekomen prijzen en de daarbij verhandelde hoeveelheden.
· Markt van volkomen vrije mededinging: wanneer een markt aan deze 4 aspecten voldoet.
· Speculatie: marktpartijen zullen hun gedrag aanpassen aan de verwachtingspatronen die zij hebben ten aanzien van de prijsontwikkeling.
· Economen bestuderen het keuzegedrag tussen schaarste middelen en oneindige behoeften.
· Schaarse middelen: middelen waar je voor moet betalen.
· Vrije middelen: middelen waar je niet voor hoeft te betalen.
· Oneindig: je behoeftepatroon verandert naarmate je ouder wordt en meer geld ter beschikking krijgt.
· Prijselasticiteit: geeft de vethouding aan tussen de procentuele verandering van de prijs en de procentuele verandering van de hoeveelheid.
· Prijselasticiteit van de vraag: geeft de mate waarin de gevraagde hoeveelheid verandert onder invloed van een verandering van de prijs aan.
· E p,v = procentuele verandering van Qv
procentuele verandering van P
· Elastische vraag: uitkomst formule < 1.
· Inelastische vraag: uitkomst formule tussen 0 en –1
· Volkomen inelastisch: E =0
· E>1: de omzet stijgt na een prijsdaling.
· E < 1: de omzet daalt na een prijsdaling.
· Een prijsverlaging is voor een bedrijf alleen zinvol als er elastische vraag is.
· Totale opbrengst: het bedrag aan geld dat de verkochte hoeveelheid goederen oplevert. TO = P x Q.
· Ep,v = %dQ
%dP
· Voor een duurzame ontwikkeling moet je verder nadenken dan alleen op dit moment.
· Welvaart: de mate waarin de behoeften worden bevredigd m.b.v schaarse middelen.
· Duurzame ontwikkeling: de huidige generatie schenkt ook aandacht aan de behoeften van de volgende generatie bij het voorzien van zijn eigen behoeften.
· Externe effecten: effecten op een product die niet in de prijs worden opgenomen.
· Consumenten moeten zich bewust zijn van de externe effecten die zij veroorzaken.
· Positief extern effect: (voorbeeld) aanleg van weg voor toerisme: ook de huishoudens profiteren ervan.
· Negatief extern effect: (voorbeeld) milieuvervuiling door toerisme.
· Bij een instelling van een minimumprijs, ontstaan er aanbodoverschotten op de markt.
· Minimum prijs: de prijs mag niet onder een bepaald minimum zakken.
· Bij een instelling van een maximumprijs ontstaan er aanbodtekorten op de markt.
· Maximumprijs: maximum gestelde hoogte van een prijs.
· Als de overheid accijns heft wordt niet altijd het gehele bedrag aan accijns door de klant bedeeld.
· Afwentelingspercentage: de mate waarin de producenten de verhoging van de kostprijs kunnen doorberekenen in de verkoopprijs.
*P(toename van de prijs):
---------------------------- x 100 = afwentelingspercentage
*B (toename van de accijns)
· Het afwentelingspercentage geeft de verhouding aan tussen de stijging van de prijs en de toename van de belasting.
· Door het geven van kostverlagende subsidies kan de overheid het gebruik van merit-goods stimuleren.
· Merit goods: diensten en goederen die niet verplicht zijn, maar waar de overheid het gebruik van probeert te bevorderen.
· Door het instellen van een quotum wordt de aangeboden hoeveelheid beprekt.
· Quotum: de maximale hoeveelheid.
ECONOMIE: MODULE 3, HOOFDSTUK 2
· Bij een eenmanszaak en bij de VOF kunnen schuldeisers ook het privé- vermogen van eigenaren opeisen.
· De meest voorkomende ondernemingsvormen zijn:
o Eenmanszaak (1 eigenaar)
o de vennootschap onder firma (VOF) (2 of meer eigenaren)
o de besloten vennootschap (BV) (rechtspersoon) (aandelen zijn in bezit van een besloten groep van eigenaren)
o de naamloze vennootschap (NV) (rechtspersoon, aandelen zijn in bezit van een grote groep aandeelhouders)
· Rechtspersoon: een ondermening die onafhankelijk van de eigenaren zelfstandig bezittingen en schulden kan hebben.
· Balans: een overzicht van bezittingen en schulden op een bepaald moment.
· Jaarrekening bestaat uit: beschrijving van de gang van zaken, een balans en een resultatenrekening.
· Activa: linkerzijde van de balans waar aangegeven staat in welke bezittingen het bedrijf zijn geld heeft vastgelegd.
· Vaste activa: alle zaken die meer dan 1 productieproces meegaan, zoals fabrieken, machines en transportmiddelen.
· Vlottende activa: alle zaken die slechts voor korte tijd in bezit zijn van het bedrijf, zoals voorraden.
· Financiële activa: de bedragen die het bedrijf in kas heeft, op een bankrekening heeft staan en de bedragen die een bedrijf nog tegoed heeft van afnemers die nog niet hebben betaald.
· Debiteuren: afnemers waar het bedrijf nog geld van krijgt.
· Vreemd vermogen: geld dat het bedrijf ontvangen heeft van mensen die geen mede eigenaar zijn.
· Onderhandse leningen: het bedrijf leent geld buiten de bank om.
· Eigen vermogen: het verschil tussen de totale activa en het totale vreemde vermogen.
· De balans is per definitie altijd in evenwicht, het totaal aan debet zal gelijk zijn aan het totaal aan credit.
· Resultatenrekening: een overzicht van lasten en baten van een onderneming over een bepaalde periode.
· Debet: linkerkant van een resultatenrekening.
· Credit: rechterkant van een resultatenrekening.
· Incidentele baten: (voorbeeld) de opbrengt van oude machines heeft meer opgebracht dan waarvoor het bedrijf ze op de balans had staan.
· Incidentele lasten: (voorbeeld) als het bedrijf de kosten van een eenmalige reorganisatie moet betalen.
· Bedrijfskolom: schematische weergave van alle bewerkingen die een product ondergaat, van grondstof tot en met eindproduct.
· Upstream: bovenloop van de oliestroom en omvat alle handelingen die te maken hebben met exploratie en explotatie van olie tot en met het transport van ruwe olie.
· Downstream: onderloop van de oliestroom en omvat alle handelingen die te maken hebben met raffinage en verkoop van producten tot aan het benzinestation.
· Toegevoegde waarde: het verschil tussen de verkoopprijs, de inkoopprijs en de diensten van derden.
· Geleding:onderdeel van een bedrijfskolom.
· Bedrijfstak: geleding waarbij gelijksoortige handelingen aan verschillende producten worden verricht.
· Integratie: het samenvoegen van verschillende geledingen binnen een bedrijfskolom, waardoor de bedrijfskolom korter wordt.
· Differentiatie: het splitsen van een geleding in meer geledingen binnen een bedrijfskolom, waardoor de bedrijfskolom langer wordt.
· Specialisatie: het afstoten van bepaalde producten uit een bedrijfstak, waardoor de bedrijfstak smaller wordt.
· Parallellisatie: het uitbreiden van bedrijfstak met meer producten, waardoor de bedrijfstak breder wordt
· Kartel: ondernemingen maken onderling afspraken om de concurrentie te beperken.
· Prijskartel: deelnemers spreken af dat zij niet onder een bepaalde prijs zullen verkopen.
· Productiekartel: deelnemers spreken af dat zij niet meer dan een bepaalde hoeveelheid goederen zullen verkopen.
· Rayonkartel: deelnemers spreken af dat zij niet in elkaars afzetgebied zullen verkopen.
· Overname: een bedrijf koopt een bestaand bedrijf.
· Fusie: 2 bedrijven smelten samen tot een nieuwe onderneming.
· Synergie-effect: de waarde van de gefuseerde onderneming is groter dan de waarde dan de 2 losse bedrijven bij elkaar opgeteld.
· Primaire sector: bedrijven die zich bezig houden met de winning van delfstoffen (olie en aardgas bijv.), en verder bedrijven die actief zijn in de landbouw, visserij, tuinbouw en veeteelt.
· Secundaire sector: bedrijven die industriële goederen produceren en bedrijven die actief zijn in de bouw.
· Tertiaire sector: bedrijven die zich bezig houden met commerciële dienstverlening, zoals toerisme, transport, verzekeringen en het bankwezen.
· Bedrijven zijn ook onder te verdelen in de marktsector en de quartaire sector.
· Marktsector: ondernemingen produceren goederen en diensten met de bedoeling daarmee winst te maken.
· Quartaire sector: hier bevinden zich aanbieders en goederen die geen winststreven hebben.
ECONOMIE: MODULE 3, HOOFDSTUK 3
· Een bedrijf kan zijn kosten delen over constante kosten en variabele kosten.
· Variabele kosten: kosten die variëren met de productieomvang.
· Constante kosten: kosten die niet variëren met de productieomvang.
· De totale kosten bestaan uit variabele kosten en uit constante kosten.
· De formule hiervan is: TK=TVK+TCK
· Als de totale kosten gelijk zijn aan de totale opbrengsten werkt een bedrijf kostendekkend.
· TW = TO - TK (totale winst = totale omzet - totale kosten)
· TO = P x Q (prijs x hoeveelheid)
· BEP: break-evenpunt: bij het snijpunt van TO en TK. De winst is hier gelijk aan 0.
· De gemiddelde totale kosten: GTK = TK / Q
· GTK = GVK + GCK (gemiddelde variabele kosten + gemiddelde constante kosten)
· De GCK zullen steeds kleiner worden als Q een steeds grotere waarde aanneemt.
· Voor hele hoge waarden van Q zal de waarde van de GTK vrijwel gelijk zijn aan de waarde van de GVK.
· Een ondernemer die naar maximale totale winst streeft. zal extra producten blijven aanbieden zoals de extra opbrengsten groter zijn dan de extra kosten.
· Marginale kosten: de extra kosten per extra geproduceerde eenheid.
· Productiecapaciteit: de maximale productieomvang van een bedrijf.
· Wanneer er weinig aanbieders en veel vragers zijn kunnen zij invloed uitoefenen op de prijs.
· Hoeveelheidsaanpasser: een aanbieder op de markt van volkomen vrije mededinging.
· Monopolist: als een bedrijf de enige is die een bepaald product kan leveren.
· Oligopolie: als het marktaandeel van de 4 belangrijkste bedrijven groter is als 80%.
· Concentratiegraad: het marktaandeel van de 4 grootste ondernemingen.
· Consumenten kunnen de prijs beïnvloeden door bijvoorbeeld een product te boycotten.
· De overheid kan de prijsvorming ook beïnvloeden door het instellen van heffingen, of het geven van subsidies.
· Convenanten: afspraken tussen de overheid en de bedrijven, waarbij het bedrijfsleven de mogelijkheid heeft om te komen tot zelfregulering.
· Wanneer er sprake is van een oligopolie, zullen de ondernemingen liever niet met de prijs concurreren.
· Cutthroat-competition: concurrentiestrijd of prijzenslag (over prijsverlagingen).
· Prijskartel: als bedrijven afspreken tegen welke prijs de producten worden verkocht.
· Productiekartel: als bedrijven afspraken maken over de totale hoeveelheid goederen die wordt verkocht.
· Price-leadership (heeft één oligopolist): er is sprake van één onderneming die door de anderen wordt gevolgd.
· Nederlandse Mededingingsautoriteit: overheid voert een beleid dat er op is gericht om de concurrentie op de markt in stand te houden, die wordt uitgevoerd door de Nma.
· Bedrijven kunnen de verkoop stimuleren door gebruik te maken van marketing-mix.
· Het marketingbeleid bestaat uit productbeleid, promotiebeleid, prijsbeleid en plaatsbeleid.
· Productiebeleid: de beslissingen die een ondernemer neemt ten aan zien van de producten die hij verkoopt.
· Innovatie: als bedrijven hun uitvinding succesvol op de markt kunnen brengen.
· Productiedifferentiatie: een product maken en dit verkopen onder verschillende namen.
· Promotiebeleid: alle beslissingen die een ondernemer maakt ten aanzien van de reclame die hij maakt.
· Prijsdifferentiatie: gelijkwaardige producten verkopen in 2 verschillende prijsklassen.
· Plaatsbeleid: onderneming moet keuze maken op welke manier zij haar producten wil verkopen (winkel of postorderbedrijf? eigen winkelketen of andermans winkel?).
· Winkelformule: klanten weten welke producten ze kunnen verwachten op welke plek omdat ze het prettig vinden als zij in een bekende omgeving terecht komen.
· Prijsafzetlijn: de vraaglijn van het product dat door een monopolist wordt aangeboden.
· Marginale opbrengsten: de extra opbrengsten.
· Een monopolist werkt kostendekkend, als de totale kosten gelijk zijn aan de totale opbrengsten.
· Een monopolist die naar maximale winst streeft, zal extra producten blijven aanbieden zolang de extra opbrengsten groter zijn dan de extra kosten.
· De totale winst is maximaal, daar waar de afstand tussen de TO-lijn en de TK-lijn maximaal is. Dat is precies in het midden tussen de 2 break-evenpunten in.
· Bedrijven met een grote omvang hebben voordelen, maar ook nadelen.
· Als bedrijven samenwerken, hebben ze het voordeel van schaalvergroting. Samen hebben ze een groter marktaandeel, en meer geld tot hun beschikking.
· Bij samenwerking zal blijken dat een aantal afdelingen hetzelfde werk doen, er volgen ontslagen. Het bedrijf maakt meer winst, omdat de (loon)kosten lager zijn.
· Omdat er minder snel beslissingen gemaakt kunnen worden (niet maar één eigenaar), zijn deze bedrijven minder flexibel in een veranderende omgeving.
· Substituten: als het ene product door het andere product vervangen kan worden.
· Bedrijven met een mooie machtspositie lopen het gevaar concurrentie te krijgen, waardoor ze hun prijs relatief laag moeten houden.

ECONOMIE: MODULE 4, HOOFDSTUK 1
· De welvaart neemt toe door internationale handel.
· Een land heeft een sterke concurrentie positie als het producten tegen een lagere prijs kan leveren dan andere landen.
· Schaalvoordeel: de constante kosten over een groot aantal producten verdelen, waardoor de prijs per eenheid product daalt.
· Loonkosten per eenheid product: gemiddelde loon / gemiddelde arbeidsproductiviteit.
· Internationale arbeidsverdeling ontstaat als ieder land zich specialiseert in de productie van goederen die zij goedkoop kunnen leveren.
· Specialisatie ? internationale arbeidsverdeling + toename internationale handel ? voor zelfde hoeveelheid geld meer producten? meer behoeften bevredigd ? welvaart stijgt.
· Globalisering: de productie van goederen en diensten wordt steeds meer over de hele wereld verspreid.
· Multinationale ondernemingen: bedrijven die over de hele wereld verspreid zijn.
· Risicospreiding: als in één land een multinationale onderneming minder loopt, dan hebben ze daar weinig last van.
· Sommige landen beschermen de industrie in het eigen land tegen buitenlandse concurrentie om te voorkomen dat er werkgelegenheid verloren gaat. (protectie)
· Dumping: een bepaald product in het buitenland wordt tegen een prijs verkocht die onder de prijs ligt van het land van herkomst.
· Protectionisme is te verdelen in tarifaire en non-tarifaire maatregelen.
· Tarifaire maatregelen: maatregel die invloed heeft op de prijs door het instellen van invoertarieven.
· Non-tarifaire maatregelen: maatregelen die de import van buitenlandse goederen afremt zonder gebruik te maken van een tarief.
· Kostprijsverlangende subsidie: producten in de binnenlandse industrie worden goedkoper t.o.v. geïmporteerde goederen.
· De keuzevrijheid van de consument wordt door protectionisme beperkt.
· Vrijhandel: normaal als de internationale handel volstrekt ongehinderd kan plaatsvinden.
· De World Trade Organisatie (WTO) doet uitspraken in handelsconflicten tussen 2 landen.
· GATT General agreement on tariffs and trade (instituut, landen proberen diplomatiek tot vrijhandel te komen)
· Meestbegunstigingsclausule: handelsbelemmeringen tegenover één ander land moet ook voor andere landen gelden.
· Er zijn verschillende vormen van economische intergratie die op diverse manieren de vrijhandel bevorderen.
· Economische intergratie: de samenwerking tussen landen gaat zo ver dat er sprake is van economische eenwording.
· Vrijhandelszone: aaneengesloten landen heffen geen invoerrechten op elkaars producten. Tegenover andere, niet aangesloten landen hanteren zij ieder hun eigen invoertarieven.
· NAFTA (North American Free Trade Association): voorbeeld van een vrijhandelsgebied. (Canada, Mexico en de Verenigde Staten).
· Douane-unie: aaneengesloten landen heffen geen invoerrechten op elkaars producten. Tegenover andere niet aaneengesloten laden hanteren de lidstaten een gemeenschappelijk invoertarief. (bijvoorbeeld: Benelux)
· Gemeenschappelijke markt: behalve vrij verkeer van goederen en diensten een een gemeenschappelijk buitentarief, is er ook sprake van vrij verkeer van arbeid en kapitaal. (bijvoorbeeld: EU)
· Economische unie: behalve van een gemeenschappelijke markt is er ook sprake van een op elkaar afgestemd economisch beleid.
· Supra-nationale instellingen: bestuurlijke instellingen die hun beslissingen kunne opleggen aan de nationale overheden.
· Economische en monetaire unie: gemeenschappelijke markt, gemeenschappelijk economische beleid, supranationale instellingen en een gemeenschappelijke munt. (voorbeeld: EMU, en nu: Euro)
ECONOMIE: MODULE 4, HOOFDSTUK 2
· De betalingsbalans geeft een overzicht van de waarde van import en export.
· Betalingsbalans: overzicht van de geldstromen, die het gevolg zijn van alle economische transacties van een land met het buitenland gedurende een jaar.
· Invoerquote: aantal procent dat de import van de hoogte van het Nationaal Inkomen van een land uitmaakt.
import / nationaal inkomen x 100
· Exportquote: aantal procent dat de export van de hoogte van het Nationaal Inkomen van een land uitmaakt.
export / nationaal inkomen x 100
· De lopende rekening van de betalingsbalans bestaat uit 4 deelrekeningen, die het goederen- en dienstverkeer en het primair en secundair inkomen weergeven.
· Goederenrekening: hierop staan de bedragen voor de import van goederen en de bedragen voor de export van goederen.
· Handelsbalans: (goederenbalans) rekening die de handel in goederen met het buitenland weergeeft.
· Dienstenrekening: betalingen van de import en export van diensten.
· Rekening van primair inkomen en van secundair inkomen: de inkomens en schenkingen.
· Lopende rekening: de vier deelrekeningen bij elkaar opgeteld.
· Overschot op de lopende rekening: als het totaal van de ontvangsten op een lopende rekening hoger is dan het totaal van de betalingen.
· Positief saldo op de lopende rekening: wanneer het verschil tussen de ontvangsten en betalingen op een lopende rekening positief is.
· Negatief saldo op de lopende rekening: wanneer het verschil tussen de ontvangsten en betalingen op een lopende rekening negatief is.
· Conjuncturele oorzaak: nationaal inkomen ligt gedurende een tijd laag, men heeft dan ook niet veel geld om goederen te importeren.
· De kapitaalrekening (kapitaalbalans) geeft een overzicht van leningen, investeringen en beleggingen.
· Overschot op de kapitaalrekening: als het totaal van de ontvangsten op een kapitaalrekening hoger is dan het totaal van de betalingen.
· Positief saldo op de kapitaalrekening: wanneer het verschil tussen de ontvangsten en betalingen op een kapitaalrekening positief is.
· Negatief saldo op de kapitaalrekening: wanneer het verschil tussen de ontvangsten en betalingen op een kapitaalrekening positief is.
· Monetaire oorzaak: als buitenlandse beleggers een hogere rente kunnen krijgen, dan zullen zij hun geld graag in dat land willen onderbrengen.
· De salderingsrekening geeft de mutatie van de officiële reserves weer.
· Saldo van betalingsbalans: het saldo van de kapitaalrekening en het saldo van de lopende rekening bij elkaar opgeteld.
· Salderingsrekening: alle toevloeiingen of afvloeiingen van goud en internationaal geaccepteerde valuta, zoals de Amerikaanse dollar.
· Convertibiliteit: (inwisselbaarheid) als buitenlandse valuta kunnen worden omgewisseld in andere betaalmiddelen.
· Deviezen: alle buitenlandse middelen die volledig convertibel zijn.
· Goud- en deviezenbalans: (=salderingsbalans)
· Officiële reserves: bedrag op de salderingsrekening
· Formele evenwicht: toename van de officiële reserves wordt in de kolom van de uitgaande geldstromen genoteerd, een afname van de officiële reserves wordt in de kolom van de inkomende geldstromen genoteerd.
· Materieel evenwicht: de salderingsrekening heeft een saldo van nul.
· De regering kan invloed uitoefenen op de saldi van de betalingsbalans door het voeren van een economisch beleid.
· Handelspolitiek: de regering probeert om voor Nederlandse bedrijven toegang te verkrijgen tot buitenlandse markten.
· Voorbeelden van inkomende en uitgaande geldstromen op de lopende rekening van de betalingsbalans.
· Dienstenrekening: de bedragen van de import en de export van diensten.
· Rekening van primair inkomen: hierop worden de bedragen weergegeven die een beloning zijn voor het gebruik van productiefactoren.
· Rekening van secundair inkomen: hierop worden de schenkingen genoteerd.
· Voorbeelden van inkomende en uitgaande geldstromen op de kapitaalrekening en de salderingsrekening.
· Verandering van de officiële reserves: het bedrag hiervan komt overeen met het bedrag op de salderingsrekening.
ECONOMIE: MODULE 4, HOOFDSTUK 3
· De wisselkoers geeft een hoeveel je moet betalen voor een buitenlandse geldsoort.
· Beleggers brengen veel geld onder in landen met een hoge rente.
· Valutarisico: het risico lopen dat als je in een valuta belegd die valuta in waarde daalt
· De Europese Centrale Bank kan via de officiële rentestand de wisselkoers beïnvloeden. (Monetair beleid)
· Transitohandel: doorvoerhandel.
· Een daling van de wisselkoers leidt tot een afname van de import en een toename van de export.
· Appreciatie: stijging van de wisselkoers.
· Depreciatie: een koersdaling
· Flexibele wisselkoers: als de regering geen afspraken heeft gemaakt met andere landen over de hoogte van de wisselkoers
· Zwevende wisselkoers: zie flexibele wisselkoers
· Vaste wisselkoersen: landen die wel afspraken gemaakt hebben over de hoogte van hun onderlinge wisselkoersen.
· Revaluatie: een stijging van de officiële wisselkoers.
· Devaluatie: een koersdaling
· Bij een stelsel van vaste wisselkoersen moeten de centrale banken de wisselkoers binnen een bepaalde bandbreedte houden.
· Officiële spilkoers: bij een stelsel van vaste wisselkoersen spreken de deelnemende landen af tegen welke waarde de munteenheden aan elkaar worden gekoppeld.
· Bandbreedte: De ruimte waarbinnen de wisselkoersen mogen fluctueren boven en onder de speelkoers.
· Valuta-interventies: ingrijpen van de centrale banken op de valuta markt.
· Binnen het Europees Monetair Stelsel zijn de valuta van de deelnemende landen vastgekoppeld aan bepaalde spilkoersen.
· Een voordeel van vaste wisselkoersen is dat de importeurs en exporteurs geen valutarisico lopen.
· IMF: Internationaal Monetair Fonds. Naarmate een land meer geld wil lenen stelt her imf strengere voorwaarden aan de kredietverlening .
· Een voordeel van zwevende wisselkoers is dat de centrale banken hun officiële reserves niet hoeven te gebruiken voor valuta-interventies.
· Hedging: afschermen van valutarisico’s
· Soms worden valuta met zwevende wisselkoersen tijdelijk gesteund door de centrale banken.
· Beheerst zweven: als zwevende wisselkoersen gemanipuleerd worden door centrale banken via interventies of een gecoördineerd rentebeleid.
ECONOMIE: MODULE 4, HOOFDSTUK 4
· De Europese bedrijven kunnen door het ontstaan van één interne markt tegen een lagere kostprijs produceren.
· De Europese bedrijven lopen door het ontstaan van één monetaire unie geen valutarisico meer.
· Derogatielanden: afwijkende landen.
· Door devaluaties en revaluaties binnen het Europees Monetair Stelsel, hebben de diverse valuta een realistische waarde aangenomen.
· De Europese Commissie vormt het dagelijks bestuur van de Europese Unie.
· Convergentiecriteria:
o Inflatie moet laag zijn.
o De lange rente mag niet te hoog zijn.
o De overheidsfinanciën moeten in orde zijn.
o De staatsschuld moet laag zijn.
o De wisselkoers moet stabiel zijn.
Deze criteria geven aan op welke manier het economisch beleid van de regeringen naar elkaar moet toe groeien.
· Groei- en stabiliteitspact: een verdrag waarin is vastgelegd dat het financieringstekort niet meer dan 3 procent van het BBP mag bedragen (bruto binnenlands product).

ECONOMIE: MODULE 5 GELD EN BANKWEZEN
· In de economie kunnen drie functies van geld worden onderscheiden:
· Oppot- of spaarmiddel, betaal- of ruilmiddel, rekenmiddel. Geld is bedacht om de hoge transactiekosten te omzeilen
· Chartaal geld zijn munten en bankbiljetten. De intrinsieke (materiële) waarde van chartaal geld is lager dan de nominale waarde (het vermelde bedrag). Daarom spreken we ook wel van fiduciair geld of vertrouwensgeld.
Banken
· De financiële instellingen in Nederland kunnen als volgt worden ingedeeld:
- Primaire of algemene banken (mogen meer geld uitlenen dan zij bezitten)
- Secundaire banken (meestal kredietbemiddelaars)
- Overige financiële instellingen (o.a. verzekeraars, pensioenfondsen en effectenkredietinstellingen)
· De kernactiviteiten van banken zijn: Kredietverlening, spaargeld aantrekken, vermogens beheren en het verzorgen van betalingsverkeer.
· Daarnaast houden banken zich bezig met: Bemiddeling bij de aankoop van effecten, hypothecaire leningen, verzekeringen en handel in vreemd geld.
· Veel voorkomende trends in de bankwereld zijn fusies en paralellisatie.
Transformatie
· Transformatie betekent dat geld wordt omgewisseld in niet-geld of andersom. Dat is het geval als secundaire (bijvoorbeeld termijndeposito’s, valutategoeden en spaarrekeningen met een looptijd korter dan twee jaar) of tertiaire liquiditeiten (spaargelden) worden omgezet in primaire liquiditeiten (geld).
Inflatie
· Inflatie wordt berekend met behulp van prijsindexcijfers ten opzichte van een basisjaar.
· De verkeersvergelijking van Fischer:
· M x V = P x T
· M: De maatschappelijke geldhoeveelheid
· V: De omloopsnelheid
· P: De gemiddelde prijzen
· T: De hoeveelheid goederen en diensten
· Veronderstelling 1: De omloopsnelheid van het geld hangt af van de betalingsgewoonten van mensen en is op korte termijn constant.
· Veronderstelling 2: De omloopsnelheid van het geld hangt af van de rente
· De oorzaken van inflatie zijn: overmatige bestedingen, stijgingen van de productiekosten en verhogingen van de winstmarges.
· Stijgingen van productiekosten kunnen als oorzaken hebben: Grondstoffenprijsstijgingen, hogere belastingen, verwachtingen en loonstijgingen.
· De gevolgen van prijsinflatie zijn: Waardeverminderingen van leningen en spaargelden, een lager vast inkomen of uitkering, een verslechtering van de internationale concurrentiepositie en een vlucht naar andere goederen als geld.
· De belastingtarieven en salarissen worden automatisch gecompenseerd met de inflatie.
· Oplossingen voor bestedinginflatie zijn: Minder overheidsbestedingen, hogere belastingen en sociale premies, duurdere kredieten, prijzen of lonen bevriezen en revaluatie.
· Oplossingen voor kosteninflatie zijn: Lagere belastingen en sociale premies en revaluatie.
MODULE 6 PRODUCTIE EN INKOMEN
· Productie
· De productiefactoren zijn: arbeid, natuur, kapitaal en ondernemersactiviteit
· De maximale hoeveelheid goederen die in een land kan worden geproduceerd in een jaar heet de productiecapaciteit
· Een investering waarbij de arbeidsproductiviteit gelijk blijft heet een breedte-investering. Een investering waarbij de arbeidsproductiviteit toeneemt heet een diepte-investering.
· De beperkende productiefactor van de laagste kwaliteit heet de knelpuntfactor.
· De kettingreactie als gevolg van de vergroting van de productiecapaciteit die wordt heet het capaciteitseffect.
· Bij de leverancier van een product wordt bij een grotere vraag naar goederen meer inkomen gegenereerd. Dat heet het inkomenseffect.
· Bij en productinnovatie gaat het om de succesvolle invoering van een product. Bij een procesinnovatie gaat het om een nieuwe methode van produceren. Basisinnovaties hebben een enorm uitstralingseffect op de gehele economie.
· Voedselproductie en ruimtegebrek zijn knelpunten voor een verdere bevolkingsgroei.
· Er bestaat een spanningsveld tussen de behoefte aan productiegroei en een schoon milieu.
· Productiecapaciteit
· De bezettingsgraad is de mate waarin de productiecapaciteit wordt benut.
· De conjunctuur wordt veroorzaakt door veranderingen in de feitelijke productie die het gevolg is van veranderingen in de bestedingen.
· De totale vraag naar goederen en diensten heet de effectieve vraag.
· Het nationaal inkomen is de hoeveelheid geld die in een land wordt verdiend.
· De trendmatige toename van het nationaal inkomen noemen we de structurele ontwikkeling. De afwijking van deze trend heet conjunctuur. er is sprake van hoogconjunctuur als het inkomen toeneemt en laagconjunctuur als het inkomen afneemt.
· Er zijn verschillende fasen in een conjunctuurgolf:
- Crisis (het omslagpunt van een stijgende naar een dalende verandering)
- Recessie (2 kwartalen lang negatieve groeicijfers)
- Depressie (de negatieve groei houdt aan)
- Punt van herstel (de laagste waarde van het reëel BBP in 1 golfbeweging)
- Opleving (Het eerste gedeelte van de stijgende fase)
- Overspanning (De productiecapaciteit kan de vraag bijna niet meer aan)
· Conjunctuur
· De conjuncturele ontwikkeling komt tot uitdrukking in de bezettingsgraad van de productiecapaciteit, de omvang van de werkloosheid en de hoogte van de prijzen.
· Er zijn twee verklaringen voor het ontstaan van conjunctuurgolven: de overbestedingstheorie en de onderbestedingstheorie.
· De overbestedingstheorie stelt dat in een periode van economische groei bedrijven te veel gaan lenen en investeren en dat daardoor veel investeringen niet rendabel blijken. De bedrijven kunnen de rentelasten over hun leningen niet meer betalen en de banken stoppen met geld uitlenen, waardoor een crisis ontstaat. De werkloosheid gaat achteruit waardoor er minder aankopen worden gedaan. Dat leidt ertoe dat bedrijven minder gaan investeren en lenen waardoor de rente daalt. Als de rente laag genoeg is kunnen bedrijven weer goedkoop lenen waardoor ze gaan investeren en meer werknemers aannemen.

· De onderbestedingstheorie stelt dat de consumenten de conjunctuurbewegingen veroorzaken. Als zij minder te besteden hebben gaan consumenten minder kopen, waardoor er minder hoeft te worden geproduceerd waardoor de productie wordt verminderd. De werkloosheid stijgt waardoor de vraag nog verder afneemt. Er is dan sprake van onderbesteding. Doordat de vraag laag is zullen de prijzen dalen, waardoor er uiteindelijk weer meer wordt verkocht, vooral uit het buitenland. Dat leidt ertoe dat bedrijven hun productiecapaciteit weer gaan uitbreiden en de werkgelegenheid weer toeneemt. Dat zorgt voor nog meer bestedingen en nog meer werkgelegenheid. Uiteindelijk gaan door de vraag de prijzen weer stijgen waardoor er overbesteding ontstaat. Dit heet bestedingsinflatie.
· Conjunctuurgolven
· De Kitchin-cyclus wordt veroorzaakt door voorraadinvesteringen
· De Juglar-cyclus wordt veroorzaakt door duurzame investeringen
· De Kuznets-cyclus wordt veroorzaakt door woningbouw
· De Kondratieff-cyclus wordt veroorzaakt door basisinnovaties
· Een conjunctuurprognose bevat gegevens over de orderportefeuille, het consumentenvertrouwen, het productenvertrouwen en de maatschappelijke geldhoeveelheid.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.