Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Economie hoofdstuk 1

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 695 woorden
  • 26 mei 2013
  • 11 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 11 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Par. 1.1 Bruto- en nettoloon


Brutoloon: het arbeidsinkomen dat je met je werkgever hebt afgesproken.


Nettoloon: het bedrag dat je van je werkgever krijgt uitbetaald.


SV=loon voor sociale verzekeringen


ZvW=loon voor Zorgverzekeringswet


LH= loonheffing


Spaarloonregeling: werkgevers sluiten een contract met de bank -> storten elke maand ingehouden spaarloon bij bank -> werknemers kunnen dit+rente na 4 jaar opnemen (ook tussentijds voor bijv. aankoop van huis of scholing).


Levensloopregeling: werknemers die een deel van hun loon sparen voor perioden van onbetaald verlof -> tijdje stoppen met werken (bijv. voor zorg of extra studie).


Pensioenpremie: werknemers die via hun werk, boven op de AOW-uitkering, sparen voor hun pensioen -> hoe langer ze sparen, hoe hoger de premie -> geen belasting over premie.


VUT=vervroegde uittredingsregeling (bedrijfsleven)


FPU=flexibel pensioen en uittreden (overheid en onderwijs)


Bij deze regelingen kun je eerder met pensioen -> afgeschaft -> premie betalen om uitkeringen aan ouderen te financieren.


Premies werknemersverzekeringen: betaald door werkgever -> bij ontslag recht op WW-uitkering / arbeidsongeschikt WIA -> percentages over loon voor sociale verzekeringen.


ZVW: om zorgkosten van bijv. medicijnen te betalen


- nominale premie: elke maand een vast bedrag (naar zorgverzekeraar)


- inkomensafhankelijke premie: ingehouden op je inkomen (naar belastingsdienst)


Loonheffing: door werkgever ingehouden en afgedragen aan belastingdienst -> optelsom loonbelasting en premies volksverzekeringen.


Loonbelasting: belasting die door de overheid wordt gebruikt voor onderwijs, politie en wegenbouw -> hoe hoger het loon, hoe hoger de belasting.


Premies volksverzekeringen: op loon ingehouden om sociale uitkeringen te kunnen betalen, zoals AOW, ANW, AWBZ en AKW.



Par. 1.2 Besteedbaar inkomen


Primair inkomen: brutobeloningen voor het ter beschikking stellen van arbeid of vermogen.


Arbeidsinkomensquote+vermogensquote = 100%


Soorten arbeidsinkomen: lonen, honoraria, royalty's, courtage, ondernemingsloon.


Soorten vermogensinkomen: rente over spaargeld, huur, winst, pacht.  


Winstquote: geeft aan hoeveel procent van het in de bedrijven verdiende inkomen winst is -> hoe hoger quote, hoe hoger investeringsbereidheid in bedrijven -> productiecapaciteit stijgt -> extra arbeidskrachten nodig.


Overdrachtsinkomen: inkomens die mensen krijgen zonder tegenprestatie te leveren, zoals kindgebondenbudget, huurtoeslag, zorgtoeslag, studiefinanciering, kinderopvangtoeslag.


Producten: tastbare goederen. Diensten: niet-tastbare goederen.


Par. 1.3 Geld en geldontwaarding


Chartaal geld: munten en bankbiljetten.


Giraal geld: geld op bankrekening.


Directe ruil (ruil in natura): goederen tegen goederen ruilen.


Indirecte ruil: geld is ruilmiddel.


Intrinsieke waarde (metaalwaarde) = nominale waarde (waarde op munt) (goed geld)


Intrinsieke waarde < nominale waarde (slecht geld)


Bad money drives out good money=wet van Gresham, betekent: als er naast slecht geld ook goed geld in omloop is, zal het goede geld langzaam verdwijnen.


Fiduciair geld: bankbiljetten en girale geld op bankrekening.


Inflatie: algehele stijging van het prijspeil -> geld wordt minder waard.


Hyperinflatie: snelle geldontwaarding.


Inflatie -> minder goederen -> geldontwaarding.


Deflatie: algehele daling van het prijspeil -> koopkracht neemt toe.


Deflatie -> minder winst -> dalende investeringen -> minder werkgelegenheid.


Berekeningen:



  • Inflatiepercentage=(nieuw-oud)/oud x 100%

  • Geldontwaarding=(1-oud/nieuw) x 100%


Par. 1.4 Prijs- en inkomensindexcijfers


Prijsindexcijfer: drukt de prijs van een artikel in een bepaald jaar uit als percentage van de prijs van datzelfde artikel in het basisjaar (100).


Consumentenprijsindex (CPI): hoeveel procent het prijspeil van door huishoudens gekochte consumptiegoederen gemiddeld is gestegen t.o.v. een bepaald referentiejaar.


CBS berekent landelijke cijfers voor het gemiddelde persoonlijke besteedbare inkomen, voor het gemiddelde besteedbare inkomen van huishoudens, voor lonen.


Par. 1.5 Koopkracht, welvaart, welzijn


Nominale stijging: toename van inkomen in geld.


Reële (werkelijke) inkomensstijging: koopkrachtstijging van je inkomen.


Berekening:



  • Reëel: nominaal/CPI x 100


Indexcijfer: geeft aan met hoeveel procent de koopkracht is gestegen t.o.v. basisjaar.


Modaal inkomen: brutoloon van alleenverdiener in marktsector met partner en 2 kinderen.


Persoonlijke welvaart in ruime zin: mate waarin je met je beschikbare middelen in je behoeften kunt voorzien.


Persoonlijke welvaart in enge zin: meten door te kijken naar koopkracht van besteedbaar inkomen.


Goederen gemaakt door bedrijf/overheid -> arbeid, kapitaal en natuur nodig.


Schaarste: dat met de beschikbare productiemiddelen niet voldoende goederen geproduceerd kunnen worden om alle behoeften te kunnen vervullen.


Welvaartsgroei in ruime zin: als schaarste afneemt.


Welvaartsgroei in enge zin: als reële binnenlandse inkomen (per inwoner) toeneemt.


Welzijn: de mate waarin je je gelukkig voelt. 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.