Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

economie

Beoordeling 9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 4548 woorden
  • 20 juni 2018
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 9
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Economie

H1: Macro-economische kengetallen




  • Bruto binnenlands inkomen

  • Bruto binnenlands product

  • Bruto nationaal inkomen

  • Macro-economische kengetallen

  • Nationaal inkomen

  • Netto binnenlands inkomen

  • Netto binnenlands product

  • Netto nationaal inkomen

  • Primair inkomen



1.1 het binnenlandsproduct

De economie als geheel is ookwel de macro-economie en als we de economie als geheel beschrijven dan wordt er gekeken naar macro-economische kengetallen > de totale productie, de totale werkgelegenheid, het totale inkomen.

Het bruto binnenlands product [bbp]: de waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten. Drie methodes om het bbp te berekenen:

- de objectieve methode, de totale waarde die in een land door productie wordt toegevoegd. (objecten) => bruto toegevoegde waarde = TO – kosten ingekochte goederen en diensten

∆ winst = TO – TK (loon, huur)

∆ welke waarde voegt de overheid toe? -> er wordt gekeken naar de ambtenaar salarissen

=> bruto binnenlands product = optelsom alle bruto toegevoegde waarden + alle ambtenarensalarissen

∆ Bij de bruto toegevoegde waarde wordt geen rekening gehouden met afschrijvingen (machines die vervangen moeten worden > productie zorgt voor waardevermindering)

=> netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde – afschrijving

=> netto binnenlands product (nbp) = bruto binnenlandsproduct - afschrijvingen



- de subjectieve methode [1.2]

= de netto toegevoegde waarde worden in zijn geheel uitbetaald aan diegenen die de productiefactoren leveren. Primaire inkomens: de inkomens die verdiend worden met het ter beschikking stellen van productiefactoren. (uitkeringen worden uit primaire inkomens betaald).

Bruto binnenlands inkomen (bbi) = het totaal aan primair inkomen

Netto binnenlands inkomen (nbi) = bruto binnenlands inkomen – afschrijvingen


De beloning van productiefactoren (de primaire inkomens)

Arbeid geeft loon, Ondernemerschap geeft winst, Kapitaal geeft huur en rente, Natuur geeft pacht.

∆ als rekening wordt gehouden met de oorsprong van de productiefactoren, kan het inkomen van alle ingezetenen van een land worden bepaald = het nationaal product en het nationaal inkomen. Sommige productiefactoren bevinden zich in het buitenland of een Poolse bouwvakker werkt in de Nederlands bouw. Het saldo van de primaire inkomens moet worden bepaald =>

saldo primaire inkomens = primair inkomen binnenlands ingezetenen werkzaam in het buitenland – primair inkomen buitenlandse ingezetenen werkzaam in het binnenland = saldo primaire inkomens uit het buitenland – primaire inkomens naar het buitenland.



Bruto nationaal inkomen (bni): bruto binnenlands product + saldo primaire inkomens

Netto nationaal inkomen (nni) = bruto nationaal inkomen - afschrijvingen



Het netto binnenlands inkomen (nbi) = netto binnenlands product (nbp)

Bruto binnenlands product (bbp) = netto binnenlands product + afschrijvingen = netto binnenlands inkomen + inkomen



- de bestedingsmethode [wat is dit]



H2: Van micro naar macro

Algemeen evenwicht

Betalingsbalans

Buitenlandse valutareserve

Economische kringloop

Macro-economische identiteit

Monetaire kringloop

Nationaal spaarsaldo

Nationale rekeningen

Netto-investering

Overheidsbestedingen

Reële kringloop

Saldo overheidssector

Uitvoersaldo



2.1: De economische kringloop (= de schematische weergave van geld- en goederenstromen tussen de sectoren ve economie)

Macro-economische modellen beschrijven de economie als geheel > vijf sectoren: gezinnen (consumenten), bedrijven (producenten), overheid, buitenland, financiële instellingen.



Een reële kringloop = een economische kringloop van goederen- en dienstenstromen.



 









Bedrijven: het totaal aan geld dat naar de bedrijven stroomt: Consumptiegoederen, Overheidsgoederen, geleend geld voor netto-Investeringen, Export.

Netto-investeringen / uitbreidingsinvesteringen = de kapitaalgoederen voorraad neemt toe.

Bruto-investeringen = netto-investeringen + vervangingsinvesteringen (bestaande kapitaalgoederen worden vervangen).

∆ een bedrijf hoeft voor vervangingsinvesteringen geen geld te lenen.



Bedrijven geven geld uit aan ingekochte producten / iMport en aan het salaris van hun werknemers (Y). De totale waarde die bedrijven creëren wordt in zijn geheel uitgekeerd aan de productiefactoren die gebruikt zijn om die waarde te creëren (arbeid, kapitaal).

=> het totaal aan geld dat vanaf de bedrijven naar andere partijen stroomt is gelijk aan Y+M >

Y + M = C + I + O + E (= het geld dat naar bedrijven stroomt) / Y = C + I + O + (E – M)

(een macro-economische identiteit, een wetmatigheid die per definitie geldt) => de waarde van de totale productie van bedrijven is altijd gelijk aan de optelsom van wat er uitgegeven wordt aan consumptiegoederen.



Gezinnen: ontvangen salaris (beloning voor het ter beschikking stellen van de productiefactor arbeid) > inkomen (Y = het netto nationaal inkomen). Gezinnen spenderen geld aan Consumptiegoederen, Belastingen, Spaargeld. => Y = C + B + S



De overheid: de overheid ontvangt Belastinggeld en koopt goederen bij de bedrijven (de Overheidsbestedingen) => saldo overheidssector = B – O

∆: als er sprake is van een financieringstekort / begrotingstekort dan moet de overheid geld lenen bij de financiële instellingen.



Het buitenland: het uitvoersaldo = Export – iMport



Financiële instellingen:

- het particulier spaarsaldo (gezinnen + bedrijven) = Spaargeld - I (= geld dat wordt uitgeleend aan bedrijven).

- het nationaal spaarsaldo (particuliere sector + overheidssector) = (S – I) + (B – O)

Ingaande geldstromen zijn altijd gelijk aan de uitgaande geldstromen => (E – M) = (S – I) + (B – O) => het uitvoersaldo is altijd gelijk aan het nationaal spaarsaldo.

∆ het is ook mogelijk dat de overheid spaart. B is dan groter dan O. Ook het buitenland kan bijdragen aan de nationale spaarreserve. Dit gebeurt wanneer E kleiner is dan M.



2.2: De nationale rekening (een systematisch overzicht van de geldstromen tussen de economische sectoren in het afgelopen kalenderjaar)

De nationale rekening laat zien welke sector meer besteedt dan hij aan middelen heeft en welke sector middelen overhoudt. (verschil ingaande geldstroom en uitgaande geldstroom). Bladzijde 29



De bestedingsmethode: het bruto binnenlands product volgens de finale bestedingen = de totale bestedingen (C, I, O, E-M) verrekend met de afschrijving plus het saldo van de primaire inkomens.

* de finale bestedingen = de aankopen van gezinnen, bedrijven en de overheid.



[VRAGEN OVER DE BESTEDINGSMETHODE]



2.3: De betalingsbalans [overzicht van de handel tussen landen]

= saldo lopende rekening + saldo kapitaal rekening

- De lopende rekening, het saldo op de lopende rekening is gelijk aan het nationaal spaarsaldo (E-M)

 - goederenrekening: hierop staan de betalingen van de import en export van goederen

 - dienstenrekening: internationale handel in diensten en toerisme (= geld dat het land verlaat)

 - primaire-inkomensrekening: beloningen van de productiefactoren > loon, pacht/huur, rente, winst

 - inkomensoverdrachtrekening: inkomensoverdrachten die over de grens gaan en waar geen prestatie tegenover staat > ontwikkelingshulp in de vorm ve gift (rechterkant), het prijzengeld dat een Nederlander wint bij de Belgische staatsloterij (linkerkant)

 - De kapitaal rekening, hierop staan alle internationale investeringen en beleggingen => een belegging van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds in Amerikaanse staatsobligaties komt aan de rechterkant



Bij een negatief saldo is er sprake van een netto geldstroom naar het buitenland. Heeft dit buitenland een andere valuta, dan neemt de buitenlandse valutareserve af (= het buitenlandse geld in binnenlandse handen) > deze buitenlandse valutareserve neemt weer toe als de handel met een land met een andere valuta toeneemt.



Bij een positief saldo wordt er meer uit het buitenland ontvangen dan dat er aan het buitenland wordt betaald.



2.4: Algemeen evenwicht

Markten zijn wederzijds afhankelijke van elkaar, als het evenwicht op een markt verandert (en dus de prijs) dan worden vraag en/of aanbod op andere markten beïnvloed. (= een kettingreactie door het streven naar evenwicht). Algemeen evenwicht: de situatie waarin alle markten tegelijkertijd in evenwicht zijn. => voorbeeld arbeidsmarkt op bladzijde 38 tm 40 [MISSCHIEN UITWERKEN]



Het macro-economisch model dat de Nederlandse economie beschrijft, wordt ontwikkeld en beheerd door het Centraal Planbureau > voorspelt de toekomst en rekent de effecten door van het economisch beleid.



H3: welvaart



Belastingvrije voet

(De)nivellering (van inkomens)

Eng welvaartsbegrip

Gemiddeld belastingtarief

Gini-coëfficiënt

Heffingskorting

Human Development Index

Informele sector

Lorenzcurve

Marginaal belastingtarief

Progressieve belasting

Proportioneel tarief

Ruim welvaartsbegrip

Vlaktaks



3.1: Het meten van welvaart

Het meten van welvaart is ingewikkeld en in de praktijk gebruikt men macro-economische kengetallen om de welvaart in een land te meten -> het bbp per hoofd van de bevolking.

Het bbp alleen is geen goede indicator voor de welvaart van een land.

bbp per hoofd van de bevolking / het gemiddeld inkomen = bbp / het aantal inwoners.

MAAR het bbp is geen perfecte maatstaf voor het meten van de welvaart:

- het consumentensurplus is een onderdeel van de welvaart, maar wordt meegerekend en dus is het  bbp als welvaartsmaatstaf onvolledig. (blz 50)

- Bij een stijging van de productie (en dus het bbp) kunnen er negatieve externe effecten optreden en dan moet het voordeel van de gestegen productie afgewogen worden tegen het nadeel van de negatieve externe effecten.

- onbetaalde arbeid wordt niet opgenomen in het bbp , terwijl deze arbeid wel waarde toevoegt.

(de informele sector: alle economische activiteit die waarde toevoegt, maar niet wordt geregistreerd)



Eng welvaartsbegrip: een welvaartsmaatstag die externe effecten buiten beschouwing laat. => het totale surplus van een markt, het totale bbp van een land.

Ruim welvaartsbegrip: een welvaartsmaatstaf die wel rekening houdt met externe effecten. => het groene bbp. Geeft een beter beeld van de werkelijke toegevoegde waarde, maar er staat niet precies vast wat er nu wel en niet in meegenomen moet worden.



Human Development Index (HDI): een alternatief voor het meten van de welvaart. Er wordt gekeken naar de levensverwachting, de mate van scholing en het inkomen. Voor ieder land is de HDI een getal tussen 0 en 1, hoe hoger, hoe welvarender. MAAR het HDI geeft niet een heel ander beeld over welvaart dan het bbp. Rijkere landen kunnen meer investeren in onderwijs en de volksgezondheid en hierdoor stijgen de levensverwachting en het gemiddeld opleidingsniveau.




  • Het bbp is een indicator die sterk samenhangt met zaken die we als welvaart ervaren, het is voor ieder land op dezelfde manier gedefinieerd, maar het is wel een onnauwkeurige indicator van de welvaart.



3.2: de verdeling van de welvaart

De lorenzcurcve
: laat zien hoe het bbp verdeeld is en in hoeverre het inkomen scheef verdeeld is.

Als iedereen hetzelfde verdient, dan valt de lorenzcurve samen de diagonaal in de grafiek > hoe verder de curve afligt van de diagonaal, hoe schever het inkomen is verdeeld.



De Gini-coëfficiënt: hoe groter de Gini-coëfficiënt, hoe verder de lorenzcurve van de diagonaal is verwijderd en hoe ongelijker de inkomensverdeling, met 100% als maximum. De Gini-coëfficiënt is gelijk aan oppervlakte I als percentage van oppervlakte I en II



3.3: Het herverdelen van welvaart

De overheid heft belasting omdat:

* financiering collectieve goederen en andere overheidstaken

* beïnvloeden inkomensverdeling (belastingstelsel = alle verschillende belastingen met de bijbehorende regels)



Het secundaire inkomen = primair inkomen – (belastingen + premies volksverzekeringen) + (uitkeringen + subsidies) => het besteedbaar inkomen, het inkomen na de belastingen.

Vlaktaks = de situatie waarbij iedereen dezelfde loonbelasting betaald, het belastingpercentage hang dus niet af van de hoogte van het loon (= een proportioneel tarief, een vaste proportie) > de relatieve inkomensverschillen worden niet beïnvloed, daarom: een belastingvrije voet => over de eerste ‘€1.000’ aan loon hoef je geen belasting te betalen, dit zorgt ervoor dat mensen met een lager inkomen relatief minder belasting gaan betalen en mensen met een hoger inkomen relatief meer = de verdeling vh secundaire inkomen is minder scheef dan de verdeling van het primaire inkomen.



Gemiddeld belastingtarief = bⅇlastingbruto-ⅈnkomⅇn x 100% = het percentage dat iemand gem. aan belasting betaald. Bruto-inkomen = het primair inkomen (geen belastingen, premies, subsidies etc.)

Het marginale belastingtarief = het percentage dat iemand over zijn laatst verdiende euro aan belasting betaald.  (berekening blz 62 nog een x goed doorlezen)



Een progressief belastingstelsel: het marginale en het gemiddelde belastingpercentage stijgen bij een stijgend inkomen, mensen met een hoog inkomen betalen relatief meer belasting dan mensen met een laag inkomen => nivellering: mensen met een laag primair inkomen houden naar verhouding een hoger secundair inkomen over, dan mensen met een hoog primair inkomen.

Om de inkomensverschillen kleiner te maken, zitten er in de meeste belastingstelsels meerdere belastingtarieven > over het eerste deel van het loon wordt weinig belasting geheven, over het tweede deel al meer … (= progressieve belasting)

Heffingskorting: een manier om die inkomens te nivelleren > de belastingplichtige mag een bedrag aftrekken van het te betalen belastingbedrag.

Een degressief belastingstelsel: mensen met een hoog inkomen betalen naar verhouding minder belasting dan mensen met een laaginkomen, de verdeling van het secundaire inkomen is schever dan dat van het primaire inkomen (= denivellering)



Hoe werkt de heffingskorting nivellerend?

Als de korting, het bedrag, niet afhankelijk is van het inkomen, profiteren mensen met een laag inkomen hier naar verhouding meer van dan mensen met een hoog inkomen. Want als percentage van het inkomen is de heffingskorting groter naarmate je minder verdient. Als daarnaast de korting afhankelijk wordt gemaakt van het inkomen, wordt de nivellerende werking versterkt > hoe hoger het inkomen, hoe lager de korting.



3.4: Het Nederlandse belastingstelstel (= het boxenstelstel)







Hoe bereken je de betalen belasting…




  1. Bepaal het belastbaar inkomen

    -> het bruto-inkomen – de aftrekposten

  2. Bereken de loonbelasting aan de hand van box 1

  3. Als mensen geld hebben geïnvesteerd in een bedrijf betalen ze de belasting uit box 2 (aanmerkelijk belang)

  4. In box 3 wordt het inkomen uit sparen en beleggen belast. 

  5. Nadat alle te betalen belastingen berekend zijn, worden de heffingskortingen bepaald en deze worden in mindering gebracht => de belastingaanslag (= de te betalen belasting)





Hoofdstuk 4: Economische groei

4.1: De groei van het bbp


De verandering van het bbp wordt ook wel de economische groei genoemd >

Economisch groei = bbp dit jaar – bbp vorig jaar / bbp vorig jaar x 100%

Nominale economische groei: procentuele verandering van de nominale waarde van het bbp door de tijd, er wordt geen rekening gehouden met de inflatie [groei vh bbp door stijging vd prijs] [?]

Reële economische groei: procentuele verandering van de reële waarde van het bbp door de tijd, er wordt wel rekening gehouden met de inflatie [groei vh bbp door stijging vd productie] [?].

> als het reële bbp per hoofd van de bevolking groeit, wordt er meer verdiend in de economie en nemen dus ook de belastinginkomsten toe … > meer geld voor uitkeringen = inkomensongelijkheid daalt



4.2: De structuur van een economie

De 7 belangrijke macro-economische structuurkenmerken: menselijk kapitaal, fysieke infrastructuur, relatieve sectorgrootte, sociale infrastructuur, categoriale inkomensverdeling, monetaire infrastructuur, internationale betrekkingen. (maatstaven prestatie ve economie)

Menselijk kapitaal = de omvang van de beroepsbevolking en haar opleidingsniveau. Het aanbod van arbeid wordt beïnvloed door: de wet- en regelgeving > leerplicht + pensioen > hangen af van de levensverwachting => bij vergrijzing moet de leerplicht worden verlengd (arbeidsproductiviteit moet stijgen) en de pensioengerechtigde leeftijd moet stijgen om alles op te kunnen vangen.

het verschil tussen de loonkosten (brutoloon + premies die moeten worden betaald) en het nettoloon (= de wig) > hoe groter de wig (= kleiner brutoloon), hoe kleiner het arbeidsaanbod.

De mate waarin arbeid flexibel ingezet kan worden, dus de plaats van werken (thuis) en over het aantal uur dat gewerkt kan worden. Hoe flexibeler hoe meer aanbod.

Arbeidsparticipatie = het percentage van de beroepsbevolking dat betaalde arbeid verricht.

De fysieke infrastructuur: spoorwegnetwerk, de havens, wegennetwerk, ICT-infrastructuur, waterleidingennetwerk … > hoe beter de fysieke infrastructuur, hoe sneller multinationals geneigd zijn een deel van hun activiteiten ergens te vestigen => gevolgen vd economische structuur.

 Relatieve sectorgrootte = de omvang van de verschillende sectoren zegt ook iets over de economische structuur > de primaire sector (landbouw, delfstoffen, jacht), de secundaire sector (industrieel), de tertiaire sector (diensten) en de quartaire sector (non-profit: giften, belasting).

De omvang van de quartaire sector geeft aan hoe het primaire inkomen wordt verdeeld (hoeveel belasting?).

Sociale infrastructuur = regels en instituties die het ruilen stimuleren > het rechtssysteem, mededingingsautoriteit, rekenkamer, nationale ombudsman, de manier waarop het onderwijs is georganiseerd*, de mate van corruptie => als het systeem / instituties / regels falen ontstaat er onzekerheid en risico’s > er wordt minder geruild en dus wordt er minder waarde gecreëerd. 

*: een gemiddeld hoger opgeleide beroepsbevolking verhoogt de gemiddelde arbeidsproductiviteit en als gevolg daarvan wordt er meer waarde gecreëerd.

Categoriale inkomensverdeling = de verdeling vh binnenlandse inkomen over de inkomenscategorieën loon, pacht, interest en winst. Om de relatieve inzet van productiefactoren op een rijtje te zetten wordt er gekeken naar de beloning v productiefactoren = de categoriale inkomensverdeling.

> de loonquote = loon / binnenlands inkomen x 100% > geeft aan welk deel vh binnenlandse inkomen naar de productiefactor arbeid gaat

> de winst (pacht, interest) quote = winst / binnenlands inkomen x 100%

-> quote overig inkomen / restquote = winstquote + interestquote + pachtquote



Arbeidsinkomen = looninkomen + winst zelfstandigen met een eenmanszaak (winst zelfstandige is eigenlijk zijn beloning vd arbeid)

> arbeidsinkomensquote = arbeidsinkomen / binnenlands inkomen x 100%.

De inkomensquote geven aan hoeveel er relatief verdiend wordt door een productiefactor > zijn er veel mensen in loondienst (loonquote), zijn er veel ondernemingen / is er ruimte voor bedrijfsinvesteringen (winstquote)

Monetaire infrastructuur = de financiële kant van ruil > een eigen munt, een eigen centrale bank, geldautomaten, pinpassen, creditcards => een slechte monetaire infrastructuur bemoeilijkt het ruilen en dan wordt er minder waarde gecreëerd.

Internationale betrekkingen = het lidmaatschap van internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, de Europese Unie, de Wereldbank etc. zijn belangrijke structuurkenmerken van een land > dit zorgt namelijk voor rust en politieke stabiliteit (geen oorlog als je lid bent van dezelfde organisatie) => politieke stabiliteit geeft ruimte aan economische activiteit.



4.3: De prestaties van de economie

De economische structuur is bepalend voor de prestaties van een economie. Door te kijken naar de volgende punten, krijg je ook een goed beeld van de prestaties ve economie (niet alleen econ. groei):

- Productiviteit= als deze toeneemt, wordt er meer toegevoegde waarde gecreëerd met dezelfde inzet van productiefactoren -> het bbp groeit. Innovatie is essentieel voor de productiviteit (= economische groei). Als het bbp groeit, heeft de overheid meer middelen tot haar beschikking (onderwijs, bedrijventerreinen) => toekomstige groei productiviteit

- Technologische vooruitgang= de kwaliteit van leven wordt beïnvloed door de stand van de techniek. Het CBS meet de technologische vooruitgang.

- Werkloosheid= als er werkloosheid is, blijft een deel van de productie capaciteit ongebruikt > de omvang van de werkloosheid is een belangrijke prestatiemaatstaf > werkloosheidspercentage.

- Scholing en kwaliteit van arbeid



4.4: economische convergentie en divergentie

Door internationale mobiliteit van productiefactoren gaan economieën op elkaar lijk en dus zal hun productiviteit hetzelfde worden. MAAR er zijn ook productiviteitsverschillen tussen landen (= verschil in welvaart). In de EU groeien de inkomens naar elkaar toe, omdat de convergentie belemmerende factoren zoveel mogelijk weggenomen worden.

-> Waarom groeien in een mondiale wereld de gemiddelde inkomens niet naar elkaar toe?

* landen hebben verschillende sectoren (= verschil in productiviteit > verschil in inkomen)

* culturele verschillen > moeizame uitwisseling van mensen, producten en kennis

* verschillen in staatsinrichting > niet met alle landen is vrij verkeer van mensen, producten en kennis goed mogelijk

* politieke overwegingen > het is niet in het belang van de rijke landen als de arme landen zich te veel ontwikkelen (grondstoffen enzo)

* historische ontwikkelingen > een bestaande situatie heeft de neiging zichzelf in stand te houden > veel ontwikkelingslanden zitten in een vicieuze cirkel: weinig geld – weinig geld om de productie factoren te verbeteren – ze raken steeds verder achterop



Internationale handel verbetert de mobiliteit van productiefactoren en kan door stimulatie de inkomensverschillen verkleinen. > Invoerrechten = extra belasting op geïmporteerde producten.

Afschermen van de binnenlandse markt voor buitenlandse producten door:

> protectie = afschermen van de binnenlandse productie voor buitenlandsaanbod. Om bijvoorbeeld de jonge industrie een kans te geven en ze te beschermen tegen buitenlandse concurrentie (= infant industry argument). Invoerquotum = de overheid bepaalt hoeveel buitenlandse producten geïmporteerd mogen worden (= contingentering). Een overheid kan ook de binnenlandse producten goedkoper maken voor het buitenland -> subsidiëren van de export. Dumping = bij een soortgelijke subsidie kan het zijn dat de prijs onder de kostprijs komt te liggen, als deze producten aangeboden worden op de buitenlandse markt is er sprake van dumping.



H1: De conjunctuurbeweging



Anticyclische variabele

Conjunctuurklok

Conjunctuurlijn

Consumentenvertrouwen

Econometrie

Economische depressie

Economische recessie

Inkomensoverdrachten

Langetermijngroeipad

Onvrijwillige werkloosheid

Procyclische variabele

Producentenvertrouwen

Trendmatige groei

Vrijwillige werkloosheid



1.1: De economische conjunctuur

Reële economische groei: de groei van het bbp gecorrigeerd vd inflatie, hier kijken we naar om de beweging vd economie inzichtelijk te maken > de conjunctuurlijn (boven x-as groei, onder krimp vd economie).

De conjunctuurbeweging= de slingerbeweging van de conjunctuurlijn. 3 kenmerken > onregelmatig + onvoorspelbaar, beweging verloopt tegengesteld aan aantal werklozen, meeste macro-economische variabelen vertonen dezelfde conjunctuurbeweging.

-> de trendmatige groei, is de gemiddelde groei over de afgelopen 10 jaar (=langetermijngroeipad)

Hoogconjunctuur als de economie sterker groeit dan de trendmatige groei > weinig werkloosheid, er wordt veel uitgegeven.

Laagconjunctuur als de economie minder sterk groeit dan de trendmatige groei > stijging werkloosheid, minder uitgaven, financieringstekort loopt op

-> economische recessie: 2 kwartalen achter elkaar economische krimp

-> economische depressie: 3+ kwartalen achter elkaar economische krimp.

Econometrie meet en voorspelt economische verschijnselen mbv wiskundige modellen en statistiek.

Conjunctuurindicatoren om de conjunctuur op korte termijn te voorspellen aan de hand van waarde die eerder bekend zijn dan het bbp => het aantal uitgegeven bouwvergunningen.

Conjunctuurklok is een hulpmiddel (CBS) om de stand vd conjunctuur weer te geven > hoogconjunctuur met een dalende / stijgende beweging & laagconjunctuur met een dalende / stijgende beweging.

De conjunctuurbeweging omvat de gehele economie => alle macro-economische variabelen worden erdoor beïnvloed.

-> procyclische variabelen, hun patroon verloopt gelijk met de conjunctuurlijn

-> anticyclische variabelen, hun verandering door de tijd is tegengesteld aan de conjunctuurbeweging.



1.2: De stand van de economie

In een periode van laagconjunctuur neemt de onvrijwillige werkloosheid toe -> de overheidsuitgaven stijgen, omdat meer mensen een uitkering nodig hebben & de directe belastingopbrengsten dalen => verslechtering overheidsfinanciën.

Een waardevaste uitkering = stijgt mee met de inflatie en dus blijft de koopkracht gelijk.

∆: in tijden van laagconjunctuur kan de overheid geen waardevaste uitkeringen garanderen.

Een welvaartsvaste uitkering = uitkering die meegroeit met de loonontwikkeling -> vaak in periode van hoogconjunctuur: dalende werkloosheid en stijgende belastinginkomens (=genoeg geld).

Ook is er in periodes van hoogconjunctuur meer sprake van vrijwillige werkloosheid en stijgen de lonen door krapte op de arbeidsmarkt.



Ten tijde van hoogconjunctuur is er sprake ve positief consumentenvertrouwen en andersom -> het consumentenvertrouwen wordt elke maand gemeten door het CBS, net als het producentenvertrouwen.



Internationale handel & conjunctuur = de conjunctuur in het ene land heeft invloed op de conjunctuur in het andere land => als de vraag in land A daalt, daalt de import uit land B en dus daalt de export van land B en verzwakt de conjunctuur in land B (ook).



Hoofdstuk 2: De verklaring van de conjunctuurbeweging



Geaggregeerd aanbod

Geaggregeerde vraag

Loonstarheid

Macro-economisch evenwicht

Natuurlijke productieomvang

Prijsrigiditeit

Prijsstarheid



2.1: Geaggregeerde vraag

Op lange termijn zijn alle markten in evenwicht, de economie bevindt zich op het langetermijngroeipad. NIET op korte termijn > het kost tijd om op iedere markt vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen.

Geaggregeerde vraag is wat de bevolking van een land als geheel aan goederen en diensten vraagt.

> hoe hoger het prijsniveau, hoe kleiner de geaggregeerde gevraagde hoeveelheid.

Geaggregeerd aanbod is het aanbod van alle markten in een land samen. (het totaal ve economie)



2.2: Geaggregeerd aanbod: korte termijn en lange termijn

Het geaggregeerde aanbod = het netto binnenlands product (nbp).

Op korte termijn is er sprake van prijsrigiditeit / prijsstarheid >

* Aanbieders zijn minder snel geneigd hun prijzen aan te passen in reactie op verandering van de vraag, klanten zullen dan afhaken. Aanbieders zullen wel hun prijzen aanpassen als ze hier een goede reden voor hebben (kostenstijging), klanten hebben hier begrip voor, want door de verhoging wordt er geen voordeel gehaald voor de producent.

* De productiekosten kunnen niet snel aangepast worden

-> contacten kunnen niet zomaar worden aangepast, als de marktomstandigheden veranderen

-> loonstarheid, lonen kunnen niet zomaar veranderen, als de vraag naar arbeid verandert > coa, loonvoet, contracten

* Het is moeilijk om te bepalen welke prijs de winst nu maximaliseert. Als ze bij een bepaalde winst voldoende winst maken, laten ze het liever zo om geen klanten kwijt te raken bij een eventuele verhoging.

* Geldillusie, mensen denken in nominale waarden en niet in reële waarden. De prijzen kunnen minder snel naar boven of beneden worden bijgesteld.

=> het geaggregeerd aanbod kan op korte termijn niet veranderen, omdat het prijsniveau niet verandert bij een verschillend aanbod (?)



De natuurlijke productieomvang, als alles productiefactoren zo goed mogelijk benut worden, brengt een economie op lange termijn voort wat zij maximaal kan voortbrengen. (het nbp op lange termijn).

-> het geaggregeerde aanbod wordt op lange termijn bepaald door de stand vd techniek, de beschikbare productiefactoren en hoe deze worden gebruikt.

Het langetermijn-geaggregeerde aanbod is niet afhankelijk van het prijsniveau en verloopt dus verticaal (LTGA-lijn). Door technologische vooruitgang kan de LTGA-lijn, op lange termijn, naar rechts verschuiven. De natuurlijke productieomvang stijgt. Daarnaast verschuift de LTGA-lijn naar rechts als er meer productiefactoren zijn.

 



2.3: Trendmatige groei

Het macro-economische evenwicht op de lange termijn volgt uit het snijpunt vd geaggregeerde-vraaglijn met de langetermijn-geaggregeerde-aanbodlijn.

Door technologische ontwikkelingen en uitbreiding van de hoeveelheid productiefactoren verschuift de LTGA-lijn door de tijd heen gestaag naar rechts verschuift. (het lange termijn geaggregeerde aanbod). De geaggregeerde-vraaglijn verschuift (ook) naar rechts, omdat door de productiviteitsstijging (door technologische vooruitgang) de lonen zullen stijgen en daardoor zullen gezinnen meer te besteden hebben.

=> en zo ontstaat het langetermijngroeipad, zo ‘beweegt’ de economie

{filmpje?}



2.4: De conjunctuurbeweging

=> lezen en begrijpen, misschien een filmpje?



H3: Macro-economisch beleid



Anticyclisch beleid

Automatische stabilisator

Internationale concurrentiepositie

Inverdieneffect

Procyclisch beleid

Uitverdieneffect



3.1: Anticyclisch en procyclisch conjunctuurbeleid

Anticyclisch beleid, de overheid voert een economisch beleid om de conjunctuurgolf af te zwakken.

Procyclisch beleid, de overheid voert een economisch beleid dat de golfbeweging van de conjunctuur juist versterkt.



Laagconjunctuur = onvrijwillige werkloosheid, meer sociale uitkeringen, minder belastinginkomsten, verkoop loopt terug…

Hoogconjunctuur = lage werkloosheid, relatief weinig uitkeringen, hoge belastinginkomsten, vraag naar arbeid, lonen stijgen ….



3.2: Anticyclische overheidsuitgaven en structurele aanpassingen

In tijden van laagconjunctuur wordt de conjunctuurgolf afgezwakt door de vraag te stimuleren > de overheid doet extra uitgaven om de mensen aan het werk te houden. Deze extra uitgaven in de laagconjunctuur, worden gefinancierd met de hoge inkomsten ten tijde van de hoogconjunctuur.      (= ruilen over de tijd) -> inverdieneffecten: de investering van de overheid wordt meteen voor een deel terugverdiend. Bijvoorbeeld: het aanleggen ve weg levert direct geld op doordat de investering mensen aan het werk houdt  > minder uitkeringen.

-> Uitverdieneffecten: de bezuiniging van de overheid wordt verzwakt door de bijbehorende daling vd belastingopbrengst en de mogelijke vergroting vd uitgaven aan de sociale uitkeringen. Bijvoorbeeld wanneer de aanleg ve weg wordt afgebroken en er dus minder mensen werk hebben > meer uitkeringen. => in- en uitverdieneffecten beperken de effectiviteit van anticyclisch overheidsbeleid



De laagconjunctuur kan ook worden tegengegaan door versterking van de internationale concurrentiepositie, want door een betere concurrentiepositie neemt de vraag vanuit het buitenland toe > versterking door invoering van structurele hervormingen:

- loonmatiging, personeelskosten voor een bedrijf dalen en hierdoor kunnen producten goedkoper worden aangeboden op de wereldmarkt. De werknemers moeten hiermee akkoord gaan of de overheid moet via belastingen, premies en subsidies de loonkosten verlagen.

∆ de koopkracht daalt ten opzichte van de situatie zonder loonmatiging.

- verhoging van de arbeidsproductiviteit, hoe hoger de arbeidsproductiviteit > hoe lager de loonkosten per product => scholing. In tijden van laagconjunctuur kan de overheid het makkelijk maken voor werkzoekende om een opleiding te volgen. Ze zijn dan bijvoorbeeld tijdelijk niet verplicht om te solliciteren.

- beteugeling van de inflatie



3.3 Automatische stabilisatoren

= mechanismen in de economie die de conjunctuurbeweging afvlakken.

Sociale uitkeringen. In tijden van laagconjunctuur zorgen de werkloosheidsuitkeringen ervoor dat de vraag niet opeens daalt, de vraaguitval wordt gedempt. De sociale uitkeringen vlakken de conjunctuurbeweging af, het is een automatische stabilisator.

Progressieve belasting. Met een progressief belastingstelsel wordt er relatief meer belasting betaald in tijden van hoogconjunctuur, maar er wordt ook relatief minder belasting betaald in tijden van laagconjunctuur. Dit stabiliseert de automatische conjunctuurbeweging.

 





 







 




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.