Consument en producent

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 1e klas havo | 1095 woorden
  • 18 augustus 2004
  • 38 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 38 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Economie:
Samenvatting Consument en producent.

Hoofdstuk 1 DE KLANT:


Marktaandeel –> geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk en de totale afzet van een productvorm. Kan ook met de omzet.

Individuele reclame –> als een bedrijf reclame wilt maken voor zijn eigen merk.
Collectieve reclame –> dat bedrijven samen reclame maken voor een bepaald product.

Prijsvraaglijn dalend –> hoe lager de prijs, hoe groter de gevraagde hoeveelheid.
hoe hoger de prijs, hoe lager de gevraagde hoeveelheid.


Prijsvraaglijn verschuift als:
het aantal vragers verandert
de prijzen van andere goederen veranderen
het inkomen van de consumenten verandert
de behoeften en voorkeuren van de consumenten veranderen

Oorzaak-gevolgrelatie –> als de overheid door een prijsverhoging iets wil verminderen.

Elasticiteit –> verband tussen oorzaak en gevolg.
Elasticiteit = relatieve verandering gevolg
relatieve verandering oorzaak
Soorten elasticiteit =
-prijselasticiteit van de vraag.
-inkomenselasticiteit van de vraag.
-prijselasticiteit van het aanbod.

Prijselasticiteit = procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid –> Ev = Qv

procentuele verandering van de prijs P

Prijselastisch –> bij niet noodzakelijke goederen - minteken groter dan 1.
Prijsinelastisch –> bij noodzakelijke goederen - minteken tussen 0 en 1.

Afzet –> de verkopen gemeten in hoeveelheden.
Omzet –> de waarde van de verkopen.

Marktonderzoek –> kunnen bedrijven gegevens verzamelen over het verband tussen de hoogte van de prijs en de gevraagde hoeveelheid van een bepaald product.

Duurzame ontwikkeling –> ontwikkeling die niet ten koste gaat van toekomstige generaties en het milieu.

Hoofdstuk 2 DE KOSTEN:

Redenen voor verschuiving van de aanbodlijn:
-de productiekosten voor het product veranderen.
-door natuurlijke omstandigheden.
-door verandering van het aantal aanbieders.

Break-evenafzet –> als de kosten precies gedekt zijn. Geen winst + geen verlies.

Constante kosten –> kosten die in totaal niet afhangen van de productieomvang, bijvoorbeeld kosten voor aanschaf machines + ontwikkelingskosten.
Variabele kosten –> kosten die in totaal wel afhangen van de productieomvang, bijvoorbeeld grondstofkosten.

afk. betekenis berekening
q geproduceerde en verkochte hoeveelheid -
TCK totale constante kosten GCK x q
TVK totale variabele kosten GVK x q
TK totale kosten TVK + TCK
GCK gemiddelde constante kosten (constante kosten p.pro) TCK / q
GVK gemiddelde variabele kosten (variabele kosten p.pro) TVK / q
GTK gemiddelde totale kosten (totale kosten per product) TK / q
TO totale opbrengst (omzet) q x p
GO gemiddelde opbrengst (opbrengst p product) TO / q
TW totale winst -

Berekenen van winst =
(1) TO = p x q
(2) TK = GVK x q + TCK
(3) TW = TO - TK

Hoofdstuk 3 DE CONCURRENTIE:

Hoe meer concurrenten, hoe beperkter de macht van een individueel bedrijf.

Concrete markt –> hier kunnen vragers en aanbieders elkaar werkelijk ontmoeten.
Abstracte markt –> kopers en verkopers ontmoeten elkaar niet echt.

Functies van een markt =
-de vragers en aanbieders komen bij elkaar.
-de prijs komt er tot stand.
-de markt ruimt, dat betekent dat men goed kan verkopen en kopen.

Homogeen –> als het de consument niet uitmaakt van welke aanbieder het product afkomstig is.
Heterogeen –> producten die niet homogeen zijn. Hier gaat het ook om de service van het bedrijf en het imago van een merk. (bv nike en bier)

Volkomen concurrentie (=volledige mededinging)
-veel vragers
-veel aanbieders
-homogene goederen
Deze komt bijna niet voor doordat de individuele aanbieder geen invloed heeft op de prijs. Ook is er bijna nooit sprake van echt homogene producten. Ook wel hoeveelheid- aanpasser genoemd, doordat de producent niet de prijs kan bepalen , maar wel de hoeveelheid.

Monopolistische concurrentie
-veel vragers
-veel aanbieders
-heterogene goederen
Deze komt veel voor. De producenten hebben weinig invloed op de prijs, ze moeten rekening houden met wat de concurrenten doen. Deze markt is vooral de markt van kleding en schoenen.

Oligopolie
-veel vragers
-enkele aanbieders
-homogene en heterogene goederen
Deze komt veel voor. Er is veel vrijheid in het vaststellen van de prijs maar er moet ook rekening gehouden worden met de concurrenten. 1 Bedrijf kan de prijszetter zijn. Je hebt heterogene producten zoals koffie en computers en homogeneMonopolie
-veel vragers
-1 aanbieder
Deze komt weinig voor. Het bedrijf kan zelf de prijs vastzetten, want die heeft geen concurrentie, zoals de NS.

Doorzichtige markt –> is een transparante markt, de belangrijke gegevens zijn er helder en duidelijk te verkrijgen. Volledige mededinging en monopolie zijn goed te vergelijken. Monopolistische concurrentie is het minst doorzichtig.

Marketingmix –> bevat een aantal marktingsinstrumenten die bedrijven kunnen gebruiken in hun concurrentiestrijd. De mix wordt gebruikt doordat men alle wapens in combinatie met elkaar kan worden toegepast:
-de prijs
-productiebeleid
-promotiebeleid
-plaatsbeleid

Consumentenorganisaties –> geven voorlichting aan hun leden over producten en over de rechten die je als consument hebt. Ook verlenen ze juridische bijstand.

Hoofdstuk 4 DE PRIJSVORMING:

Prijs van een product komt tot stand door vraag en aanbod.

Vraagoverschot –> de gevraagde hoeveelheid groter dan de aangeboden hoeveelheid.

Evenwichtsprijs –> als aangeboden hoeveelheid en gevraagde hoeveelheid precies aan elkaar gelijk zijn.

Monopolie = moet niet te hoge prijs vragen, hij verkoopt dan bijna niets. Hij moet rekening houden met substitutiegoederen, een goed dat een ander kan vervangen.

Oligopolie = paar aanbieders. Betekent letterlijk ‘de macht ligt in handen van enkelen’. Er kan een prijzenoorlog ontstaan. Ook een kartel - er kunnen onderling afspraken worden gemaakt.

Prijskartel –> als er afspraken gemaakt worden over de prijzen.

Schaalvoordelen –> het produceren op grote schaal is veel voordeliger dan op kleine schaal. Dit is het voordeel van een kartel.

Monopolistische concurrentie –> veel rekening houden met de concurrent. De kleinhandel krijgt vaak adviesprijzen van fabrikanten - ze kunnen anders uitgesloten worden van levering. Ze kunnen ook overgaan in het heterogeen oligopolie als je als bedrijf een groot deel van de afzet in handen krijgt.
Hoofdstuk 5 DE OVERHEID:

De overheid houdt zich bezig met de manier waarop prijzen tot stand komen, de mate van verkoop en houdt zich bezig met wat er verkocht wordt:
-het heffen van belastingen en accijnzen + tegenhouden.
-verlagen van prijzen door subsidies + stimuleren.
-geven van voorlichting.
-stellen van kwaliteitseisen.
-verbieden van bepaalde producten.

Bemoeigoederen –> zijn goederen waar de overheid zich mee bemoeid.

Demerit-goederen –> producten die de overheid wilt stimuleren.

Warenwet - deze wet bepaald wat er in een product mag zitten en wat niet.

Mededingingsbeleid –> het bevorderen van de concurrentie. Het verbod op kartels, als de prijzen dan stijgen zullen de kleine bedrijven verdwijnen, dit maakt de bedrijven lui. Verder verbieden ze het verkopen van producten onder de kostprijs.

Belastingen –> belasting op inkomen, winst en vermogen zijn directe belastingen. De BTW is indirecte belasting, het zit op producten. De belastingen zijn de belangrijkste inkomen voor de overheid.

Maximumprijs –> bescherming consument. De overheid kan een evenwichtsprijs maatschappelijk onaanvaardbaar achten. Zij zal de prijs verlagen door een maximumprijs te geven die onder de evenwichtsprijs zal liggen.
Lager dan de evenwichtsprijs.

Minimumprijs –> beschermt de producent. Als de evenwichtsprijs te laat is wordt de minimumprijs boven de evenwichtsprijs gelegd. Het aanbodoverschot wat dan ontstaat wordt door de overheid opgekocht.
Hoger dan de evenwichtsprijs.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.