ADVERTENTIE
Raad jij de studie?

Waarschijnlijk heb je al wat studies op het oog. Maar heb je echt alle studies overwogen? Grote kans dat je wat toffe opleidingen over het hoofd ziet. In deze video gaan Lauren, Lin & Marit raden welke studie wij zoeken! Misschien is dit ook wel wat voor jou?


Meer info

Samenvattingen Economie: ‘Boek 1’



Hoofdstuk 1: § 1 t/m § 12:



Belang= iets waar je voordel van hebt.



Maatschappelijk vraagstuk= het gat over een beslissing over de inrichting van de samenleving.



Schaarste =de spanning tussen behoefte en de middelen om in die behoeften te voorzien.



Productie= het inzetten van middelen om in behoefte te voorzien.



Welvaart= de mate waarin we in onze behoefte voorzien door schaarse middelen te gebruiken.



Welzijn= je lekker voelen zonder dat een keuzeprobleem een rol speelt.





Marktmechanisme= vrij spel van vraag en aanbod die van invloed is voor de prijs van een goed.



Nettoloon= Brutoloon- loonbelasting en sociale premies



Produceren= het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van productiefactoren door bedrijven en overheid.



CAO= geldt voor alle werknemers in dezelfde bedrijfstak.



Duurzame consumptiegoederen= Goederen die langere tijd meegaan.



Interne markt= er zijn geen handels belemmeringen tussen landen meer, alle handel binnen de EU.



Overheid= centrale overheid(het rijk), en de lagere overheid ( gemeente en provincies).



Invloed overheid:

- Gebruik productiefactoren;

- Nationaal inkomen herverdelen;

- Economische ontwikkelingen stabiliseren.



Absolute verandering= toe- of afname van iets



Relatieve verandering= absolute verandering : oorspronkelijke waarde





Hoofdstuk 2: § 1 t/m 14.



4 Productiefactoren:

- Natuur

- Arbeid

- Kapitaal

- Ondernemersactiviteit



Kapitaal= bedrag aan geld of waarde van bezittingen.



Natuur= natuurlijke omgeving, hulpbronnen ligging van een gebied.



Arbeid= betaald werk



Ondernemersactiviteit= economische risico’s die een eigenaar bereid is te nemen.



Vast kapitaal Vlottend Kapitaal



Gaan langer dan 1 Gaan maar 1 productieproces mee

Productieproces mee



Nationaal product= waarde van de productie in een land in een jaar.



Productie in formele zin= meetbare productie (geregistreerd)



Productie in informele zin= niet geregistreerde productie



Markt= een samenhangend geheel van vraag en aanbod van een goed.



Concrete markt= duidelijk aanwijsbare plaats waar vragers en aanbieders elkaar op vaste tijdstippen ontmoeten.



Abstracte markt= op alle mogelijke momenten is er sprake van vraag en aanbod van een product.



Markten voor productiefactoren: 1.Arbeidsmarkt- loon&salaris.

2.Vermogensmarkt- koers



Belangengroep= een organisatie die voordelen probeert te behalen voor de mensen die ze vertegenwoordigt.



2 soorten:

- Consumentenorganisaties;

- Vakbonden.



Interne arbeidsverdeling= arbeidsverdeling binnen een organisatie.

Externe arbeidsverdeling= verdeling tussen ondernemingen.



Geografische arbeidsverdeling= verdeling tussen regio’s en landen.



Arbeidsproductiviteit= productie per werknemer per tijdseenheid.



Diepte- investering= APT minder arbeiders. Hoeveelheid kapitaal neemt meer toe dan de hoeveelheid arbeid.



Breedte- investering= APT blijft gelijk.



Reëel= in % gecorrigeerd voor prijsverandering



Nominaal= in guldens.



Economische groei= % verandering van het reëel nationaal product in een bepaald jaar, vergeleken met het vorige.



Nationaal inkomen= het inkomen dat voor de bevolking vaneen land in een jaar ter beschikking komt. = totaal aan beloningen voor het gebruik van productiefactoren.



Nationaal product= nationaal inkomen.



Welvaartsgroei= de mate waarin de schaarste is teruggedrongen.



Netto toegevoegde waarde= bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen



= beloningen voor productiefactoren(rente, pacht, huur loon & winst)



Nationaal= bedrijven en overheid van een land.



Toegevoegde waarde overheid= som ambtenarensalarissen.



bruto- investeringen= vaste + vlottende activa(kapitaalgoederen)



Voorraad kapitaalgoederen verandert door de volgende soorten investeringen:

- Vervangings

- Uitbreidings

- Voorraadinvesteringen



Voorraad mutaties vlottend kapitaal



Netto = +



Bruto Uitbreidings Investeringen



Vast kapitaal

vervangins = afschrijven



5 deelnemers economisch verkeer:

1. Gezinnen; Y= inkomen, B= belasting, C= consumptie,S= besparingen.

2. Ondernemingen; I= particulieren investeringen

3. Overheid; O= bestedingen,B= ontvang

4. Financiële instellingen;

5. Buitenland; E= export, M= import



Productievolume= de werkelijke hoeveelheid voortgebrachte goederen en diensten.



Bezettingsgraad= deel van de productiecapaciteit dat word benut.



Recessie= kleine daling van het nationaal inkomen



Depressie= grote daling van het nationaal inkomen



Laaghoog conjunctuur= nationaal inkomen daaltstijgt.



Conjunctuur structurele

Korte termijn lange termijn

Vraagkant aanbodkant

Bestedingen manier van produceren

Constant verschillend



Krimp= afnemen van de productiecapaciteit.



Invloed op bestedingen(Conjunctuur)

- Rentestand

- Ontvangsten uitgaven overheid

- Wereldhandel



Indexcijfer= nieuw: oud = niet procentueel zie blz 85



Hoofdstuk 4 § 1 t/m § 14



Conjunctureel vraag naar arbeid:

- Totale omvang bestedingen



Structureel vraag naar arbeid:

- Daling koopkracht

- Kapitaalintensief

- Lagelonenlanden

- APT

- Arbeidsduurverkorting



Vier economische sectoren:

1. Primair : landbouw visserij bosbouw.

2. Secundair : verwerking van grondstoffen en fabricage.

3. Tertiair : commerciële dienstverlening strevend naar winst.

4. Quartair : commerciële dienstverlening niet strevend naar winst.



Marktsector= primair, secundair & tertiair.



Collectieve sector= quartair.



Mechanisatie= meer kapitaalgoederen zonder ontslagen



Automatisering= meer kapitaalgoederen, wel ontslagen.



Werkloosheid= verschil vraag en aanbod arbeid.



Conjunctuurwerkloosheid= vraag van arbeid is lager dan het aanbod van arbeid



Structuurwerkloosheid= APT stijgt minder dan de loonkosten



Frictiewerkloosheid= 1e drie maanden waarin je werkloos bent



Marktmechanisme= prijs hangt af van vraag en aanbod



Bureaucratisch= opgelegd door de overheid.



Budgetmechanisme



Democratisch= budgetplan word democratisch vastgesteld.



Nadelen marktmechanisme:

- Gebrek aan collectieve goederen

- Milieuvervuiling

- Varkenscyclus

- Sociale onrechtvaardigheid(inkomensverschillen)

- Starre marktprijzen



Collectieve goederen= zijn niet in aparte eenheden leverbaar.



Prijsstarheid= prijzen veranderen lange tijd weinig



Nadelen budgetmechanisme:

- Complexiteit

- Starheid

- Doelmatige prikkels ontbreken

- Individuele onvrijheid



Adviesorganen overheid:



SER- Economische raad

CPB- voorspellingen

CBS-verzamelt gegevens afgelopen jaren



Loonsstijgingen:



Prijscompensatie= loon stijgt met kosten



Initiële loonstijging= stijging op de prijscompensatie



Incidentele loonstijging= promotie, overwerk



Winstdeling regeling= werknemer deelt mee in de winst.



Hoofdstuk 5 § 1 t/m § 14



Ondernemingsvormen eigendom leiding aansprakelijkheid

Eenmanszaak eigenaar eigenaar eigenaar met verm.

Vof vennoten vennoten vennoten met verm.

BVNV aandeelhouders aangestelde rechtspersoon



Balans



Debet Credit

Bezittingen….. eigen +vreemd vermogen =schulden



Resultatenrekening



Opbrengsten & kosten- winst



Productievolume

----------------------- x 100%= bezettingsgraad

productiecapaciteit



Lange termijn:

(uitbreidingsinvesteringen) bepalende factoren omvang particulieren investeringen:

- Winstverwachting

- Afzetverwachting

- Vermogenskosten



Investeringen:



Voorraadmutaties vlottend kapitaal

netto

Bruto= uitbreidings

Vast kapitaal

Vervangings = afschrijvingen



- Diepte

- Milieubesparende

- Kapitaalbesparende



Innovatie= verbeteren of vernieuwen van producten



Totale kosten= totale variabele kosten + totale constante kosten

TK= TVK + TCK



Totale Winst= Totale opbrengst- Totale Kosten

TW= TO – TK



Break-even afzet= eenheden

Break- even omzet= eurogulden



P= prijs

Q= eenheden



Totale opbrengst= prijs x eenheden

TO= p x q



Substitutiegoederen = vervangende goederen



Complementaire goederen= goederen vullen elkaar aan



Qv= gevraagde hoeveelheid



Prijselasticiteit stencil!!!



Prijselastisch= groter als 1

Prijsinelastisch= tussen 1 en 0

Volkomen inelastische= 0



Qa= aangeboden hoeveelheid



Doelstellingen gemeenschappelijk landbouwbeleid EU:

- Gemeenschappelijk landbouwbeleid

- Vergroting productiviteit

- Redelijk inkomen

- Stabilisering van de prijzen

- Veilig stellen voedselvoorziening

- Redelijke prijzen voor consument



Kartel= overeenkomst tussen zelfstandige ondernemingen om onderlinge concurrentie te voorkomen.



Marketing- mix 4 p’s:



1. Promotie

2. Plaats

3. Prijs beleid

4. Productie



Rayon kartel= totale afzetgebied word verdeeld onder de verschillende deelnemers van het kartel.



Hoofdstuk 6 § 1 t/m § 14



BNP= alle bruto toegevoegde waarden

NNP= alle netto toegevoegde waarden



Progressief tarief= hoe meer je verdient hoe meer belasting je betaalt.



Marginaal tarief= belastingtarief voor een extra verdiende gulden.



Marginale druk=



Primair inkomen= inkomen dat je krijgt voor beloning voor je productiefactoren.



Secundair inkomen= primair- belastingen – sociale premies+ subsidies + sociale uitkering. ( Besteedbaar inkomen.)



Lorenz- curve----------



Categorale- inkomensverdeling= hoe het nationaal inkomen is verdeeld over de

Beloningen voor productiefactoren.



Loon

Loonquote= ----------------------x100%

Netto toegevoegde waarde.



Loonruimte= stijging van de APT + stijging verkoopprijzen



APT= netto toegevoegde waarde



Arbeidsinkomen= productiefactor kapitaal

Vermogensinkomen= overige productiefactoren



Arbeidsinkomen quote= loonsom + toegerekend loon zelfstandigen

-----------------------------------------------

netto toegevoegde waarden bedrijven



Overheid grijpt in, in marktproces:

- Maximumprijs

- Minimumprijs interventie prijzen

- Buffervoorraden= deel van de productie wordt opgeslagen.

- Vergunningen

- Collectieve goederen



Buiten de markt om= komen niet tot uitdrukking in de prijs.



Externe effecten= onbedoelde bijwerkingen van productie en consumptie die buiten de markt om welvaart van een ander beïnvloeden.



Duurzame ontwikkeling= voorzien in de behoeft van de huidige generatie, zonder dat de volgende generatie er last van heeft.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.