Thema 7, Bescherming

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1438 woorden
  • 18 juli 2006
  • 143 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 143 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Hoofdstuk 7 Bescherming

Basisstof 1: De huid en het onderhuidse bindweefsel
De huid beschermt het lichaam tegen invloeden van buiten, zoals beschadiging, infecties, ultraviolette straling en uitdroging.
De huid bestaat uit twee delen, de opperhuid en de lederhuid:
• De opperhuid bestaat uit twee lagen:
o De hoornlaag:
Deze bestaat uit dode, verhoornde epitheelcellen (dekweefselcellen). De hoornlaag beschermt de huid.
o De slijmlaag:

Deze bestaat uit levende epitheelcellen. De onderste laag cellen van de slijmlaag, de kiemlaag, deelt voortdurend. In de slijmlaag liggen pigmentvormende cellen, de melanocyten. Deze vormen het donkere pigment melanie.
In de opperhuid liggen geen bloedvaten. De epitheelcellen krijgen voedingsstoffen en zuurstof via de weefselvloeistof vanuit de lederhuid. Door de opperhuid steken haren. Haren groeien vanuit haarzakjes. In haarzakjes bevinden zich talgklieren.
• De lederhuid:
De lederhuid bestaat grotendeels uit bindweefselcellen. In de lederhuid liggen zintuigcellen, uitlopers van zenuwcellen, haarspiertjes, bloedvaten en zweetklieren

Onder de huid ligt het onderhuidse bindweefsel. In het onderhuidse bindweefsel ligt vet opgeslagen in vetcellen. Het vet heeft een
warmte-isolerende werking. Je lichaamstemperatuur kan constant worden gehouden als er een evenwicht is tussen de warmteproductie en de warmteafgifte (de warmtebalans)
• De warmteproductie is vooral afhankelijk van de intensiteit van de stofwisseling en de activiteit van de skeletspieren.
• Bij de warmteafgifte spelen het bloed en de huid een belangrijke rol.


Het lichaam geeft warmte af aan de omgeving:
• Van straling is sprake als het lichaam warmte afgeeft aan een voorwerp zonder dat het er contact mee heeft.
• Geleiding speelt onder andere een rol bij de warmteafgifte van het binnenste deel van het lichaam aan de huid.
• Van stroming is sprake als de lucht rondom de huid in beweging is.
• Door verdamping van zweet wordt warmte aan het lichaam onttrokken.

Basisstof 2: Afweer
Het binnendringen van ziekteverwekkers in je lichaam wordt een infectie genoemd.
• Schimmels, bacteriën en dieren geven giftige stoffen af.
• Virussen dringen cellen van je lichaam binnen.
• je kunt ook ziek worden als je schadelijk stoffen inademt of inslikt of als er stoffen via je huid naar binnen dringen.
Stoffen of cellen die niet in je lichaam thuishoren, noemen we lichaamsvreemd.
Je lichaam wordt op veel manieren beschermd tegen lichaamsvreemde cellen en stoffen:
• De bouw van de huid en de slijmvliezen van een aantal stelsels bemoeilijken, zodat het binnendringen van ziekteverwekkers en schadelijke stoffen minder makkelijk is
Dit is mechanische afweer
• Maagsap bevat o.a. zoutzuur waardoor bacteriën worden gedood
Dit is een voorbeeld van chemische afweer.

Er zijn twee typen afweermechanismen:
• Specifieke afweer: gericht tegen 1 type ziekteverwekker.
• Aspecifieke afweer: gericht tegen vele verschillende typen.
Koorts: de lichaamstemperatuur wordt als reactie op een infectie verhoogd.

Het rode beenmerg:
Bevindt zich vooral in de wervels, in platte beenderen en in uiteinden van pijpbeenderen.
Bloedcellen en bloedplaatjes ontstaan uit hetzelfde type moedercel, de stamcellen. Uit bepaalde stamcellen ontwikkelen zich bloedplaatjes, rode bloedcellen en fagocyten, uit andere stamcellen ontwikkelen zich lymfocyten.
Fagocyten en lymfocyten zijn witte bloedcellen.
Aspecifieke afweer:
Fagocyten zorgen voor aspecifieke afweer, ze nemen ziekteverwekkers in zich op, dat proces heet fagocytose:
• Granulocyten
• Monocyten: spelen ook een rol in specifieke afweer.
Granulocyt -> smelt het blaasje met bacterie en lysosoom -> bacterie gedood + verteerd -> enzymen -> granulocyt dood -> etter, pus
Monocyten -> veranderen van vorm -> macrofagen.
Specifieke afweer:
Wordt opgewekt door antigenen. Het herkennen van lichaamsvreemd antigeen -> receptoreiwitten op celmembranen gaan een binding aan met het antigeen.
Receptoreiwitten zijn onderdeel van het MHC-systeem. Receptoreiwitten zijn specifiek; elk type receptoreiwit kan één type antigeen binden.
De receptoreiwitten van het MHC-systeem worden in twee groepen verdeeld: MHC-I-eiwitten en MHC-II-eiwitten.
Lymfocyten ontstaan uit bepaalde stamcellen uit het rode beenmerg
• B-lymfocyten
• T-lymfocyten
Een groot deel van de B- en T-lymfocyten komt terecht in de lymfeknopen en de milt. Lymfeknoppen, de milt, het beenmerg en de thymus worden lymfoïde organen genoemd. Het overige deel wordt opgenomen in fijne lymfevaten en heet dan lymfe, dat komt uiteindelijk terecht in de rechterlymfestam en de borstbuis.

Antigeen-presentatie
Een macrofaag met lichaamsvreemd antigeen op het celmembraan wordt een antigeen-presenterende cel (APC) genoemd. Ook andere cellen kunnen dat.
Antigeen-presenterende cellen -> bloed/lymfe -> lymfoïde organen -> antigenen aangeboden aan lymfocyten -> lymfocyten worden geactiveerd -> geactiveerde T-lymfocyten delen zich -> T-helpercellen, cytotoxische T-cellen en T-geheugen cellen.
• T-helpercellen geven verschillende soorten cytokinen af. Bepaalde cytokinen stimuleren de ontwikkeling van cytotoxische T-cellen.
• Cytotoxische T-cellen vernietigen lichaamscellen die met virussen zijn geïnfecteerd. Dit heet cellulaire afweer. Ook reageren ze op lichaamscellen die door bepaalde vormen van kanker zijn aangetast en op de cellen van een orgaan bij een transplantatie.
• T-geheugencellen blijven inactief bij een infectie. Bij een volgende infectie herkennen ze een antigeen, waardoor er een snellere afweerreactie volgt.
B-lymfocyten
• Plasmacellen vormen antistoffen tegen antigenen. Antistoffen zijn eiwitten, ze worden ook wel immunoglobulinen (Ig) genoemd. Een antigeen en een antistof passen op elkaar als een sleutel op een slot. Hierdoor kunnen ze een antigeen-antistofcomplex vormen. Afweer door antistoffen noem je ook wel humorale afweer.
• B-geheugencellen herkennen bij een nieuwe infectie een antigeen. Je bent immuun geworden voor een ziekteverwekker.

Basisstof 3: Immuniteit
• Primaire reactie: antistofvorming
• Secundaire reactie: er wordt vrijwel gelijk antistof gevormd. De hoeveelheid antistof wordt groter en neemt minder snel af.
Natuurlijk immuniteit: immuniteit wordt verkregen als reactie op het binnendringen van een ziekteverwekker.
Immunisatie: immuniteit wordt kunstmatig opgewekt (vaccinatie).
Vaccin: bevat gedode of verzwakte ziekteverwekkers
Je wordt ingeënt tegen:
• Difterie
• Kinkhoest
• Tetanus
• Polio
• Haemophilus influenzae type b
• Bof
• Mazelen
• Rodehond
• Meningokokken C
Dit noemen we actieve immunisatie. In sommige gevallen wordt passieve immunisatie toegepast. Er wordt dan een serum ingespoten. Dit serum bevat antistof tegen het antigeen waarmee de persoon is besmet.
Met behulp van de biotechnologie is men in staat antistof van één type te produceren. Dit noemen we monoklonale antistof.

Basisstof 4: transplantaties en bloedtransfusies
Transplantatie: een aangetast weefsel of orgaan wordt vervangen door een ander weefsel of orgaan.
Is het weefsel of orgaan afkomstig van een donor, dan vormen afstotingsreacties een groot probleem. Afstotingsreacties worden opgewekt door MHC-eiwitten op de celmembranen van het getransplanteerde weefsel of orgaan. Deze MHC-eiwitten worden door het afweersysteem van de acceptor herkend als lichaamsvreemde antigenen. Vooral de antigenen van het HLA-systeem spelen een rol. Het HLA-systeem komt vrijwel op alle membranen van cellen voor. Door het HLA-systeem kunnen lymfocyten eigen cellen van lichaamsvreemde cellen onderscheiden.
Voordat er tot transplantatie wordt over gegaan, moet er worden onderzocht of het HLA-systeem van de donor past bij het HLA-systeem van de acceptor (HLA-matching). Donoren gaven toestemming voor het afstaan van organen door een donorcodicil in te vullen. Nu worden deze gegevens geregistreerd in het donorregister.

Afstotingsreacties
Afstotingsreacties treden vooral op door cellulaire afweer. Cytotoxische T-cellen van de acceptor herkennen in samenhang met MHC-I-eiwitten de antigenen op de celmembranen van het donorweefsel of donororgaan. De donorcellen worden dan door de cytotoxische T-cellen vernietigd. Afstotingsreacties kunnen worden onderdrukt met medicijnen die het gehele afweersysteem onderdrukken.

Bloedgroepen
Op de celmembranen van rode bloedcellen komen ook antigenen voor. Op grond van deze antigenen zijn er enorm veel systemen ontwikkeld om bloedgroepen in te delen. De belangrijkste zijn het ABo-systeem en de resusfactor.

De vorming van de antistoffen in het bloed wordt vanaf de geboorte opgewekt door bacteriën die in het darmkanaal voorkomen. Als bloedcellen samengeklonterd zijn blijven ze steken in de haarvaten. Ze gaan te gronde, waardoor hemoglobine vrijkomt in het bloedplasma. Dit proces wordt hemolyse genoemd. Het kans hersen- en nierbeschadigingen tot gevolg hebben.

Ontvanger Ontvanger Ontvanger Ontvanger

Donor o A B AB
o    
A  
B  
AB 

Resusfactor
Bij 85% van de mensen komt op de celmembranen van de rode bloedcellen een eiwit voor dat ook op de celmembranen van het resusaapje voorkomt. Dit eiwit wordt daarom resusantigeen of resusfactor genoemd.
Rh-: resusnegatief
Rh+: resuspositief
Mensen maken pas een antistof tegen het resusantigeen als ze in contact komen met resuspositief bloed. Bij de eerste bloedtransfusie maakt deze resusfactor niet uit. Bij de volgende bloedtransfusie met resuspositief bloed, zorgt deze factor voor samenklontering.
Problemen bij de zwangerschap:
Als een Rh- vrouw zwanger is van een Rh+ kind kunnen door scheurtjes in de placenta rode bloedcellen van het kind in de bloedsomloop van de moeder terecht komen. De moeder maakt dan antiresus. Als bij een volgende zwangerschap het kind weer RH+ is kan er antiresus uit het bloed van de moeder door de placenta in het bloed van het kind komen. Er kan dan hemolyse optreden. Een kind bij wie deze verschijnselen optreden, wordt een resuskindje genoemd.
Dit probleem voorkomt men door bij een resusnegatieve moeder antiresus in te spuiten direct na de geboorte van het kind. Als er dan rode bloedcellen met resusantigeen van het kind in het bloed van de moeder terecht zijn gekomen, klonteren deze door het ingespoten antiresus meteen samen en worden ze afgebroken.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

-.

-.

mooi!

15 jaar geleden

M.

M.

Gaat jullie boek maar tot Basistof 4 ofzo, want bij mij gaat ie tot 7

11 jaar geleden

G.

G.

hé mx, die basistoffen 5 6 7 zijn extra basistoffen.. niet belangrijk dus!!

basistof 2 snap ik echt niks van!!!!!!

11 jaar geleden

T.

T.

bedankt :)

10 jaar geleden

A.

A.

ik vind het een vet mooie samenvatting, alleen deze informatie is niet genoeg om je pw mee te maken.

10 jaar geleden