Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Thema 4

Beoordeling 5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 939 woorden
  • 11 juli 2007
  • 15 keer beoordeeld
  • Cijfer 5
  • 15 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Thema 4
Bacteriofaag: Virussen die bacteriën infecteren. Daarbij ontstaat een groot aantal bacteriofagen in de bacterie. Waarna de bacterie te gronde gaat en de bacteriofagen vrijkomen.

Basenparing: De stikstofbasen van de beide nucleotidenketens van een DNA-molecuul zijn twee aan twee met elkaar verbonden. De stikstof basen vormen vaste paren. Relatie: DNA-molecuul Voorbeeld: Adenine (A), Cytasine (C), Guanine (G), Thymine (T).

Biotechnologie: Het gebruiken van organismen om producten te vervaardigen voor de mens. Relatie: recombinant DNA techniek.


Bollen: Verdikte bladeren (rokken) met knopen. Deze ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting. Voorbeeld: tulpen.

Celcyclus: De celcyclus bestaat uit een interfase en de mitose. De interfase bestaat uit G1-fase, G2-fase, G3-fase.

Celfusietechniek: Techniek in de biotechnologie. Twee typen cellen (een plasmacel en een tumorcel) versmelten tot één hybridecel.

Chromosoom: Een chromosoom bestaat uit één lang DNA-molecuul, dat opgerold ligt rond vele eiwitmoleculen. Het geheel van DNA- en eiwitmoleculen is spiraalsgewijs opgevouwen. Relatie: nucleotiden.

DNA-fingerprinting: Techniek in de biotechnologie. Ieder persoon heeft een eigen, uniek DNA-patroon. Het kan een rol spelen bij bewijsvoering tegen personen die van misdrijven worden verdacht.

DNA-molecuul: Bestaat uit twee lange ketens van nucleotiden. Deze nucleotidenketens zijn in een dubbele spiraal om elkaar heen gewonden.


DNA-replicatie: Van een DNA-molecuul wordt een nauwkeurige kopie gemaakt.

Echoscopie: Een vorm van een prenatale diagnostiek. Door middel van hoogfrequente trillingen wordt het embryo zichtbaar gemaakt op een scherm.

Eiwitten: Eiwitmoleculen bestaan uit een groot aantal aan elkaar gekoppelde aminozuurmoleculen. In de eiwitten van een mens komen 20 verschillende aminozuren voor. Voorbeeld: enzymen.

Enten: Een tak wordt vastgemaakt op een onderstam. Een voorbeeld van ongeslachtelijke voortplanting. Voorbeeld: fruitbomen.

Erfelijkheidsadvisering: Men onderzoekt hoe groot de kans is op een ernstige ziekte of afwijking bij een kind. De ouders kunnen dan beslissen over een eventuele zwangerschap. Relatie: prenatale diagnostiek.

Fokken: Bij het fokken van dieren probeert men door kruisingen en selectie een combinatie van gunstige eigenschappen in één nakomeling te verkrijgen.

G1-fase: Onderdeel van de interfase in de celcyclus periode tussen de mitose en DNA-replicatie. In deze fase vindt plasmagroei plaats. De chromosomen zijn draadvormig en niet zichtbaar. Vooral de G1-fase bepaalt de duur van een celcyclus. In weefsel waarin veel celdelingen plaatsvinden, duurt de G1-fase kort.
G2-fase: Onderdeel van de interfase in de celcyclus. Periode tussen DNA-replicatie en mitose.

Genetische Modificatie (manipulatie): Techniek in de biotechnologie. Bij een organisme is kunstmatig DNA van een ander organisme ingebracht.

Geslachtelijke Voortplanting: Bij geslachtelijke voortplanting verschilt het genotype van een nakomeling van
dat van de ouder(s). Na bevruchting treedt recombinatie op: er ontstaan nieuwe combinaties van genen.

Kloon: Alle individuen die daar ongeslachtelijke voortplanting uit één ouder zijn ontstaan. Individuen uit een kloon hebben hetzelfde genotype, niet hetzelfde fenotype. Bij ongeslachtelijke voortplanting verder kweken onder dezelfde omstandigheden leveren individuen uit een kloon dezelfde nakomelingschap.

Knollen: Verdikte stengels met knoppen. Deze ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting. Voorbeeld: aardappelplant.

Meiose: Bij meiose worden uit diploïde (met 2n chromosomen per cel) moedercellen haploïde geslachtscellen gevormd (met n chromosomen per cel). Bij een man vindt meiose plaats in de teelballen. Bij een vrouw vindt meiose plaats in de eierstokken.

Metastase(uitzaaiing): Cellen uit de primaire tumor komen in het bloed of in de lymfe terecht en veroorzaken in andere organen secundaire tumoren. Relatie: kanker, primaire tumor (gezwel).

M-fase: Onderdeel van celcyclus. Periode van mitose en celdeling. Hierbij worden nieuwe cellen gevormd door groei, vervanging en herstel.

Mutant: Een individu waarbij een mutatie tot uiting komt in het fenotype. Mutanten komen vaker voor wanneer twee familieleden zich voortplanten (inteelt).

Mutatie: Plotselinge verandering van het genotype. Relatie: kortgolvige straling, bepaalde chemische stoffen, virussen.

Nucleotide (DNA): Een nucleotide bestaat uit een fosfaatgroep, desoxyribose en een stikstofbase.

Nucleotide (RNA): Een nucleotide bestaat uit een fosfaatgroep, ribose en een stikstofbase.

Ongeslachtelijke Voortplanting: Een deel van een individu groeit uit tot een nieuw individu. Voortplanting die plaats vindt door mitose en celdeling. De nakomelingen hebben hetzelfde genotype als ouder. Voorbeeld: knollen, bollen, uitlopers, stekken, enten.

Polyploïdie: Techniek in de biotechnologie. Behandeling met colchicine, waardoor na mitose geen celdeling optreedt. Hierdoor ontstaan polyploïde cellen (met een veelvoud van het oorspronkelijke aantal chromosomen).

Prenatale diagnostiek: In een embryonaal stadium worden mogelijke afwijkingen opgespoord. Relatie: echoscopie, vlokkentest, vruchtwaterpunctie.

Recombinant- DNA-techniek: Techniek in de biotechnologie. Een stukje DNA van een bepaald organisme wordt overgebracht in een cel van een ander organisme. Op deze manier kunnen erfelijke eigenschappen van verschillende soorten organismen met elkaar worden gecombineerd.

S-fase: Onderdeel van de interfase in de celcyclus. Periode waarin DNA-replicatie plaatsvindt.

Stekken: Een stuk van een stengel of blad wordt afgesneden. Een voorbeeld van kunstmatige ongeslachtelijke voortplanting. Voorbeeld: kamerplanten.

Syndroom van Down: Elke cel bevat het 21e chromosoom in drievoud. (trisomie 21)

Uitlopers: Horizontaal groeiende stengels. Deze ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting. Voorbeeld: aardbeiplanten.

Veredeling: Bij het veredelen van landbouwgewassen probeert men door kruisingen en selectie een combinatie van gunstige eigenschappen in één nakomeling te verkrijgen. Relatie: geslachtelijke voortplanting, fokken.

Virus: Een virus bestaat uit één molecuul nucleïnezuur, met daaromheen een capside (eiwitmantel). Virussen vallen buiten de indeling van organismen in rijken. Ze bestaan niet uit cellen, ze bevatten óf alleen DNA, óf alleen RNA. Ze kunnen zich niet zonder gastheercel voortplanten. Relatie: bacteriofaag.

Vlokkentest: Een vorm van prenatale diagnostiek. Er wordt wat vlokkenweefsel uit de placenta weggehaald. Hiervan worden de chromosomen in een karyogram onderzocht. Relatie: prenatale diagnostiek.

Vruchtwaterpunctie: Een vorm van prenatale diagnostiek. Er wordt wat vruchtwater met cellen van de foetus uit de baarmoeder weggehaald. Hiervan worden de chromosomen in een karyogram onderzocht. Relatie: prenatale diagnostiek.

Weefselkweektechniek: Een stukje weefsel wordt uit een plant gesneden en onder steriele omstandigheden opgekweekt tot nieuwe planten.

Wildtype: Het fenotype waarbij geen enkele mutatie tot uiting komt in het fenotype.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.