Heb jij spreekangst? Voor een item van RTL Nieuws doen we onderzoek naar spreekangst. Laat ons weten of jij nerveus wordt van spreken voor een groep. Meedoen duurt maar 3 minuutjes.

 


Naar de vragenlijst


ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!
Biologie NG 2

Hoofdstuk 1 Niets blijft hetzelfde.

De tak van de biologie die zich bezig houdt met het ordenen van soortgegevens, is de systematiek. Binnen de systematiek is een belangrijke plaats ingericht voor de taxonomie. Een taxonoom is iemand die organismen op kenmerken te onderzoeken en deze te plaatsten in een groep (taxon) waar ze thuishoren. Hij vraagt zich af op grond waarvan een soort ofwel species kan worden ingedeeld bij andere soorten met soortgelijke kenmerken in een grotere verzameling; een genus.
Een taxon is een groep die is geordend op grond van gemeenschappelijke kenmerken.
- Rijk (dieren)
- Hoofdafdeling (chordadieren)
- Afdeling (gewervelden)
- Klasse (zoogdieren)
- Orde (roofdieren)
- Familie (handachtigen)
- Geslacht (hond)
- Soort (huishond)

Kunstmatig systeem is niet gebaseerd op verwantschap.
Natuurlijk systeem is wel gebaseerd op verwantschap.

‘Een soort is een verzameling individuen die in staat zijn zich onderling voort te planten; de individuen van een soort komen in wezenlijk geachte kenmerken met elkaar overeen.’

Alle organismen zijn te verdelen in 4 groepen. Deze groepen worden rijken genoemd:
- Bacteriën
- Schimmels
- Planten
- Dieren
Prokaryoten -> geen echte kern; bacteriën.
Eukaryoten -> organismen die wel een kern hebben.
Organismen kunnen organische en anorganische stoffen uit het milieu opnemen. Organische stoffen zijn afkomstig van organismen of van producten van organismen. Anorganische stoffen komen in organismen en in de levensloze natuur voor.
Autotroof -> organismen die anorganische stoffen opnemen uit de omgeving en maken hier organische stoffen van; planten. Autotrofe organismen hebben geen andere organismen nodig voor hun voedsel.
Heterotroof -> organismen die zelf geen organische stoffen kunnen maken en hebben andere organismen nodig voor hun voedsel; dieren, schimmels en meeste bacteriën.
Virussen vallen buiten deze ordening omdat ze veel kleiner zijn dan de kleinste bacteriën en omdat ze tussen levend en levenloos in zitten.

Bacteriën en schimmels voeden zich met dode resten van organismen. Bacteriën zijn eencellig, hebben een celwand om de cel, hebben bijna geen organellen en de chromosomen liggen los in de kern. De chromosomen bestaan uit één groot circulaire DNA-molecuul.
Bacteriën planten zich voort door middel van deling. De meeste soorten zijn heterotroof, sommige zijn autotroof, zoals cyanobacteriën.

Schimmels kunnen eencellig of meercellig zijn. In de cellen komen organellen voor en om de cel zit een celwand. Meercellige schimmels bestaan uit schimmeldraden (hyfen) en planten zich voort door sporen. De sporen ontstaan aan de uiteinden van de hyfen die uit de voedselbron omhoog steken. Bij sommige schimmels ontstaan sporen in speciale organen (paddestoelen). De voortplanting kan geslachtelijk en ongeslachtelijk plaatsvinden.

Planten kunnen eencellig of meercellig zijn. In de cellen komen organellen voor en om de cel zit een celwand.
Het plantenrijk wordt ingedeeld in vijf afdelingen: wieren (algen), mossen, paardenstaarten, varens en zaadplanten.
- Wieren (algen) hebben geen wortels, geen stengels, geen bladeren en geen hout- en bastvaten. Wieren kunnen eencellig en meercellig zijn.
- Mossen hebben geen echte wortels, wel stengels en bladeren. Mossen hebben geen hout- en bastvaten. Mossen planten zich voort door middel van sporen die ontstaan in sporendoosjes.
- Paardenstaarten hebben wortels, stengels, bladeren en hout- en bastvaten. De stengels zijn hol en geleed. Paardenstaarten planten zich voort door middel van sporen die ontstaan in sporenvormende orgaantjes aan het uiteinde van de stengels.
- Varens hebben wortels, stengels, bladeren en hout- en bastvaten. Varens planten zich voort door middel van sporen die ontstaan in sporenhoopjes aan de onderzijde van de bladeren. De bladeren groot en meestal ingesneden.
- Zaadplanten hebben wortels, stengels, bladeren en hout- en bastvaten. Zaadplanten planten zich voort door zaden die ontstaan in bloemen. Zaadplanten worden ingedeeld in naaktzadigen en bedektzadigen. Bij naaktzadige planten zitten de zaden tussen de schubben van een kegel en bij bedektzadige planten zitten de zaden in een vrucht.

Dieren kunnen eencellig of meercellig zijn. In de cellen komen organellen voor en om de cel zit geen celwand.
Het dierenrijk wordt ingedeeld in tien afdelingen: de eencellige dieren, de sponzen, de holtedieren, de platwormen, de rondwormen, de ringwormen, de weekdieren, de geleedpotigen, de stekelhuidigen en de gewervelden.
Bij de indeling van dieren wordt gelet op symmetrie en het skelet. Dieren kunnen bilateraal (tweezijdig) symmetrisch, radiaal (straalsgewijs) symmetrisch of asymmetrisch zijn. Dieren kunnen een exoskelet (uitwendig skelet) of een endoskelet (inwendig skelet) hebben.
- Eencellige dieren zijn asymmetrisch, hebben geen skelet, bestaan uit één cel en leven in het water.
- Sponzen zijn asymmetrisch, hebben een skelet van naalden tussen de cellen en zitten vast op de bodem van de zee.
- Holtedieren zijn radiaal symmetrisch, hebben meestal geen skelet, leven in het water en vangen hun prooi met tentakels (vangarmen).
- Platwormen zijn bilateraal symmetrisch, hebben geen skelet en hebben een lang en dun lichaam waarvan de dwarsdoorsnede plat is.
- Rondwormen zijn bilateraal symmetrisch, hebben geen skelet en hebben een lang en dun lichaam waarvan de dwarsdoorsnede rond is.
Ringwormen zijn bilateraal symmetrisch, hebben geen skelet en hebben een lang en dun lichaam waarvan de dwarsdoorsnede rond is. Het lichaam is opgebouwd uit schijfjes (gesegmenteerd).
- Weekdieren zijn bilateraal symmetrisch en hebben meestal een schelp of huisje als skelet.
- Geleedpotigen zijn bilateraal symmetrisch en hebben een exoskelet van chitine.
- Stekelhuidigen zijn radiaal symmetrisch, hebben een endoskelet van kalk, de huid is bedekt met stekels of knobbels en ze leven op de bodem van de zee.
- Gewervelden zijn bilateraal symmetrisch en hebben een endoskelet met een wervelkolom.

De afdeling van de geleedpotigen bestaat uit vier klassen: duizendpoten, kreeftachtigen, spinachtigen en insecten.
De afdeling van de gewervelden bestaat uit vijf klassen: vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren.

Organismen behoren tot één soort als ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen voortbrengen. Een populatie is een groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich onderling voortplanten.

Binaire naamgeving: (Homo Sapiens Linnaeus)
Het eerste deel van de soortnaam is de genusnaam.
Het tweede deel duidt de soortnaam aan.
Achter de soortnaam staat nog de naamgever.
Een cladogram is een stamboom met stammen, knooppunten en eindpunten.
De lengte van de stam kan een maat zijn voor de tijd die is verstreken. De knopen geven een splitsing aan van één soort in twee soorten. De eindpunten geven de huidige of reeds uitgestorven soorten aan die het eindpunt zijn van een stamboom.

Evolutie is het ontwikkelen van steeds ingewikkeldere organismen uit eenvoudig gebouwde organismen waarbij er van wordt uitgegaan dat soorten kunnen ontstaan, veranderen en verdwijnen. Bij de evolutietheorie wordt uitgegaan van diversiteit (verscheidenheid) in genotypen, natuurlijke selectie en soortvorming door reproductieve isolatie.

Convergentie is een ontwikkeling van verschillende afstamming, met op elkaar lijkende resultaten.
Divergentie is het ontstaan van verschillen van deze homologe organen.

De individuen van één soort zijn erfelijk niet identiek, met als uitzonderingen de twee individuen van een eeneiige tweeling en individuen die door klonen zijn ontstaan. Binnen de soort is er verscheidenheid in uiterlijk en in genensamenstelling van de chromosomen.

Diversiteit in genotype treedt op door recombinatie bij geslachtelijke voortplanting en door mutaties.
Individuen die zich goed kunnen aanpassen aan het milieu hebben een grote overlevingskans. Dit wordt natuurlijke selectie genoemd.
Als een deel van een populatie geïsoleerd raakt, kunnen er in de geïsoleerde groep aanpassingen op het milieu plaatsvinden. Er ontstaan dan twee vormen van dezelfde soort. Als de twee vormen zich onderling niet meer kunnen voortplanten, is er een nieuwe soort ontstaan.

Strenge selectie laat de verscheidenheid in een populatie afnemen.
(alle zwakke genen verdwijnen)
Zwakke selectie laat de verscheidenheid in een populatie toenemen.
Fokken is kunstmatige selectie, steeds worden organismen met gewenste kenmerken met elkaar in contact gebracht.
Er zijn verschillende manieren waaruit informatie over evolutie kan worden gehaald. Uit fossielen kan informatie worden gehaald over het leven op aarde van heel lang geleden. Door de overeenkomsten in de embryonale ontwikkeling van verschillende organismen is het aannemelijk dat deze organismen een gemeenschappelijke voorouder hebben.
Homologe organen zijn organen bij verschillende organismen die op elkaar lijken.
De organen hebben dezelfde bouw, maar door aanpassingen aan verschillende milieus hebben ze een andere functie gekregen. Analoge organen zijn niet uit dezelfde grondvorm ontstaan, maar hebben wel een vergelijkbare functie. Rudimentaire organen zijn resten van organen die bij de aanpassing aan verschillende milieus hun functie hebben verloren.
Ook wordt er bij onderzoek naar verwantschap tussen soorten gekeken naar de samenstelling van stoffen zoals DNA en eiwitten.

Bij mutaties heb je 3 verschillende:
- Puntmutatie; dit is een mutatie op een kleine schaal, stukken DNA kunnen van plaats veranderen, verdubbelen of verdwijnen.
- Ploïdemutatie; dit is een mutatie waarbij hele chromosomen of zelfs sets chromosomen worden verdubbeld.
- Chromosoommutatie; dit is een mutatie waarbij er een stuk chromosoom bijkomt (insertie) of verdwijnt (deletie).

De kans dat een bepaald allel wordt doorgegeven bij willekeurig voortplanting is groter als een allel vaker in een populatie voorkomt. Een allel heeft binnen een populatie een genfrequentie. Als er geen andere beïnvloedende factoren zijn, zijn de genfrequenties in een populatie door de generaties heen constant. Normaal gesproken zijn er wel andere beïnvloedende factoren. Door natuurlijke selectie komt het allel met de grootste overlevingskans het meest voor. Door mutaties kunnen nieuwe allelen ontstaan die een grotere overlevingskans hebben. De meeste gemuteerde allelen zijn recessief.

Wet van Hardy & Weinberg:

p2 + 2pq + q2 = (p + q)2 = 1

Deze regel gaat alleen op:
- Het grote populaties betreft.
- Er geen mutatie plaatsvindt.
- Er geen immigratie of emigratie plaatsvindt.
- Er geen selectie op het betreffende gen is.

Hoofdstuk 2 Energie.
Het is mogelijk dat RNA werd gevormd in oeromstandigheden. RNA kan zich verdubbelen met wat hulp van een fosfaatrijke stof. Met behulp van de energie die vrijkomt bij het verbreken van de verbinding tussen de fosfaatgroepen van een ATP-achtige stof, kan een nieuwe RNA-keten worden gevormd uit losse nucleotiden die tegenover de oorspronkelijke streng liggen. Door deze verdubbeling is RNA in staat zichzelf te vermenigvuldigen. Daarbij kunnen mutaties optreden, zodat veranderingen in het RNA mogelijk zijn.
Sommige RNA-moleculen kunnen andere organische moleculen omzetten. De RNA-moleculen veranderen daarbij niet -> katalysator.
Omdat RNA hier dezelfde werking vertoont als enzymen en het een organische stof is, kunnen we RNA in dit geval ook een enzym noemen. Zo zouden door RNA twee levenskenmerken mogelijk worden: vermenigvuldiging en stofwisseling.

Er is een hypothese die ervan uitgaat dat er chemische reacties zijn geweest tussen aminozuren. Door condensatiereacties tussen naast elkaar gelegen aminozuren ontstonden kleine polypeptiden. Door de hulp van RNA vond deze reactie sneller plaats.
De huidige enzymen zijn eiwitten. Een polypeptideketen is de basisstructuur van zo’n eiwit. Het is goed mogelijk dat de door RNA gevormde polypeptiden zelf ook weer als enzym gingen werken.

Energie kan voorkomen als vrije energie en als gebonden energie. Vrije energie komt voor de vorm van warmte, beweging (kinetische energie), licht, elektrische stroom en geluid. Gebonden energie is energie die opgeslagen is (potentiële energie). Energie gaat nooit verloren, maar kan wel van de ene vorm in de andere overgaan (wet van behoud van energie). Energie die opgeslagen is in chemische verbindingen wordt chemische energie genoemd. Chemische reacties waarbij vrije energie wordt vastgelegd in chemische energie, worden endotherm genoemd. Reacties waarbij energie vrij komt, worden exotherm genoemd.
Het geheel van chemische processen in een organisme wordt stofwisseling genoemd.

Met behulp van vrije energie worden van kleine moleculen, grote organische moleculen gemaakt waar energie in is opgeslagen. Dit proces wordt assimilatie genoemd.
Als de grote organische moleculen afgebroken worden, komt er energie vrij. Dit wordt dissimilatie genoemd. De energie die vrijkomt, wordt gebruikt voor processen in het organisme. Dissimilatie met zuurstof wordt verbranding genoemd.
Om de energie die bij dissimilatie zo goed mogelijk te benutten, wordt chemische energie van de ene stof naar de andere stof overgebracht door middel van de stof ATP (adenosinetrifosfaat). Energie kan dan ergens anders in het lichaam weer afgegeven worden.

De stofwisselingsreacties lopen door de omstandigheden die in een cel heersen niet of erg langzaam. Enzymen zorgen ervoor dat reacties lopen of versnellen. Enzymen worden hierbij niet verbruikt. De stof waarop een enzym inwerkt, wordt substraat genoemd en de stof die ontstaat wordt product genoemd. Om een reactie te kunnen laten verlopen, moet de energiedrempel van een reactie worden overschreden. Door een enzym wordt de energiedrempel van een reactie verlaagd, zodat er minder activeringsenergie nodig is.
Enzymen zijn reactiespecifiek. Dat wil zeggen dat elk enzym slechts op één soort stof kan inwerken. De snelheid waarmee een enzym een stof omzet, wordt de enzymactiviteit genoemd. De enzymactiviteit is afhankelijk van de temperatuur en de zuurgraad (pH). Een zure oplossing heeft een pH lager dan 7 en een basische oplossing heeft een pH hoger dan 7.
Door een activator wordt de enzymactiviteit verhoogd en door remstoffen wordt de enzymactiviteit verlaagd.
Glucose is de belangrijkste stof in cellen voor het vrijmaken van energie. Bij dissimilatie van glucose in aanwezigheid van zuurstof (aërobe dissimilatie) worden glucosemoleculen, met behulp van zuurstof, volledig afgebroken en worden water- en koolstofdioxidemoleculen gevormd. Dit proces wordt verbranding genoemd. Om er voor te zorgen dat de energie die vrijkomt bij verbranding gebruikt kan worden voor de synthese van ATP en dat de cel geen schade ondervindt aan de vrijgekomen warmte, moet de dissimilatie geleidelijk plaatsvinden. Ook mogen de vrijgekomen energierijke elektronen niet meteen met zuurstof reageren. Ze moeten overgedragen worden aan acceptormoleculen, zodat de energie geleidelijk vrij komt. De energie die vrijkomt, moet benut kunnen worden voor het opbouwen van ATP-moleculen.
Aërobe dissimilatie bestaat uit drie reactieketens:
- Bij de glycolyse wordt een glucosemolecuul in tweeën gesplitst, waardoor er twee moleculen pyrodruivensuiker (C3H4O3) ontstaan. Glycolyse vindt plaats in het cytoplasma zonder organellen (grondplasma).
- Bij de citroenzuurcyclus worden de pyrodruivensuikermoleculen verder afgebroken tot CO2-moleculen. De citroenzuurcyclus vindt plaats in de mitochondriën.
- Bij de oxidatieve fosforylering staan energierijke elektronen hun energie geleidelijk af voor de synthese van ATP. Dit vindt plaats in de mitochondriën.

Aërobe Dissimilatie

1 Glycolyse (in cytoplasma)
C6H12O6 + 2 NAD -> 2 CH3COCOOH + 2 NADH2
+ 2 ADP + 2 P + 2 ATP

2 Oxidatieve Decarboxylering
2 CH3COCOOH + 2 HcoA -> 2 CH3COCoA + 2 CO2
+ 2 NAD + 2 NADH2

3 Citroenzuurcyclus (in mytochondrien)
2 CH3COCoA + 6 H2O -> 4 CO2 + 2 HCoA
+ 6 NAD + 2 FAD + 6 NADH2 + 2 FADH2

4 Ademhalingsketen (in mytochondrien) (= Oxidatieve Fosforylering)
10 NADH2 + 6 O2 + 2 FADH2 -> 10 NAD + 12 H2O + 2 FAD
+ 36 ADP + 36 P + 36 ATP

Eindreactie:
C6H12O6 + 6 O2 + 6 H2O -> 6 CO2 + 12 H2O
+ 38 ADP + 38 P + 38 ATP

Anaëroob Aëroob
Zonder O2 Met O2 (sommige bacteriën iets anders bv. SO2-4)
In cytoplasma In cytoplasma + mitochondrien
Per molecuul glucose Per molecuul glucose
Ontstaat 2 ATP Ontstaat 38 ATP
Organische afvalproducten Anorganische afvalproducten
(bevat veel Energie & zijn giftig)

Pyrodruivenzuur = C3H4O3

Anaërobe dissimilatie van glucose vindt plaats zonder zuurstof. Het proces wordt gisting genoemd en vindt vooral plaats bij gisten (eencellige schimmels) en melkzuurbacteriën.

Gisting = Glucose & reactie waarbij NADH + H+ weer geoxideerd word tot NAD.
(-> H-tjes worden overgedragen op H-acceptor)
Bijvoorbeeld:
Melkzuurgisting = C3H4O3 + NADH + H+ -> NAD + C3H6O3.

Koolstofassimilatie is de omgekeerde reactie van aërobe dissimilatie van glucose. Hierbij wordt ATP verbruikt en zijn energierijke elektronen nodig. Fotosynthese vindt plaats in autotrofe organismen en wordt ook wel fotosynthese genoemd als organismen energierijke elektronen krijgen door licht. Fotosynthese wordt mogelijk gemaakt door bladgroen in de chloroplasten. Bij fotosynthese wordt koolstofdioxide en water, met behulp van licht, omgezet in zuurstof en glucose. In de membranen van chloroplasten liggen onder andere chlorofyl, andere fotosynthetische pigmenten, elektronenacceptoren en enzymmoleculen. De energie uit licht wordt door andere fotosynthetische pigmenten geabsorbeerd en afgegeven aan chlorofyl. De elektronen van de chlorofylmoleculen worden hierdoor ‘aangeslagen’. Dat wil zeggen dat ze in een ruimere baan om de atoomkern terecht komen en energierijk zijn. Met de energierijke elektronen kunnen twee dingen gebeuren. Bij de reactieketen van fotosysteem 1 wordt de energie gebruikt voor het vormen van ATP.
In fotosysteem 2 worden energierijke elektronen overgedragen aan een elektronenacceptor. Het achtergebleven pigmentmolecuul zorgt voor de vorming van zuurstof door het opnemen van een elektron uit water.
Fotosynthese

6 CO2 + 6 H2O + Licht -> C6H12O6 + 6 O2
bestaat uit 2 deelprocessen:

1 Licht-Energie + 12 H2O + 12 NADP -> 12 NADPH + H+ + 6 O2
+ ADP + P + ATP

Dit is een energie leverende reactie -> “De Lichtreactie”
-----------------------------------------------------------------------

2 6 CO2 + 12 NADPH + H+ -> C6H12O6 + 6 H2O + 12 NADP
+ ATP + ADP + P

Bij deze reactie worden de eindproducten van reactie 1 gebruikt -> “De Donkerreactie”

Koolstofassimilatie kan ook plaatsvinden door de energie die vrijkomt uit de verbranding (oxidatie) van een anorganische stof. Dit proces wordt chemosynthese genoemd en kan voorkomen bij verschillende soorten bacteriën.
Chemosynthese

Anorganische stof + O2 -> andere Anorganische stof
+ NADP + ADP + P + NADPH + H+ + ATP
(= een energie leverende reactie)
CO2 + NADPH + H+ -> C6H12O6 + H2O + NADP
+ ATP + ADP + P
(= C-assimilatie)

Uit glucose kunnen verschillende organische stoffen gevormd worden zoals koolhydraten, eiwitten en vetten. Dit proces wordt voortgezette assimilatie genoemd en kan ook bij heterotrofe organismen plaatsvinden. De energie die bij voortgezette assimilatie nodig is, wordt geleverd door ATP.
Stoffen gaan in de natuur niet verloren, maar ondergaan een kringloop. Koolstof is een voorbeeld van een stof die een kringloop ondergaat. Producenten (planten) nemen koolstofdioxide op. Koolstof komt in verschillende stoffen van een plant te zitten. Organismen die de plant eten (consumenten), krijgen hierdoor ook koolstof binnen. Bij dissimilatie komt koolstofdioxide vrij. Organische stoffen in dode organismen en in uitwerpselen worden door bacteriën en schimmels (reducenten) verbruikt bij dissimilatie. Hierbij komt koolstofdioxide vrij.
Stikstof maakt ook een kringloop door. Stikstof komt voor in eiwitten en in DNA. Planten halen stikstof uit de bodem. Stikstof komt in de bodem voor in nitraat en wordt door planten gebruikt bij de omzetting van glucose in aminozuren en plantaardige eiwitten. Als een dier een plant eet wordt een deel van de plantaardige eiwitten omgezet in dierlijke eiwitten. Bij deze omzetting komt ammoniak vrij.
Rottingsbacteriën gebruiken dierlijke en plantaardige eiwitten uit dode resten van planten en dieren als brandstof. Hierbij ontstaat ammoniak.
Een deel van de vrijgekomen ammoniak verdwijnt als gas in de lucht en een deel lost op in het grondwater en omgezet in ammoniumionen. Nitrietbacteriën kunnen van ammoniumionen nitrietionen maken. Nitraatbacteriën kunnen van nitrietionen nitraationen maken. Nitraationen kunnen weer door planten worden opgenomen.
Het ammoniakgas wordt omgezet in stikstofgas. Stikstofbindende bacteriën zetten stikstofgas uit de lucht om in ammoniak en daardoor wordt de bodem rijker aan stikstof.

Hoofdstuk 3 Groene opslag.
De endosymbionthypothese is de hypothese die ervan uitgaat dat plantencellen hun oorsprong hebben in een heterotroof plus cyanobacterie.

Het licht word opgevangen in pigmenten deze houden het licht weg van de cellen zodat deze niet beschadigd raken. De pigmenten van een chloroplast liggen in de membranen van thylakoïden (kleine blaasjes).De ruimte tussen de thylakoïden heet de stoma. Een chloroplast heeft geen kern, maar wel z’n eigen DNA, dit geldt ook voor de cyanobacteriën.
Chloroplasten hebben een groene kleur, deze kleur ontstaat door de terugkaatsing van licht op verschillende pigmenten. Cyanobacteriën hebben weer een blauwgroene kleur. Elk pigment absorbeert licht van een bepaalde golflengte.
De planten om ons heen hebben vier a vijf pigmenten, de belangrijkste is chlorofyl (bladgroen). Zodra een pigment wordt geraakt door licht van een bepaalde golflengte, wordt er een elektron op een hoger energieniveau gebracht, als dit weer terugvalt wordt er een waterstofpomp aangedreven en dit levert ATP. Behalve golflengte, hebben ook verlichtingssterkte, efficiëntie, en de hoeveelheid pigment invloed op de hoeveelheid ATP die ontstaat.

Bij activiteiten gaat potentiële energie (opgeslagen) over in kinetische energie (actief) en warmte. De zuurstofproductie blijkt afhankelijk te zijn van de golflengte van licht (bij rood licht maximaal). Bij grote lichtabsorptie wordt de meeste zuurstof geproduceerd (violet, blauw).
In een bladgroenkorrel bevinden zich miljarden pigmentmoleculen, bij een bepaalde golflengte en verlichtingssterkte worden honderden moleculen actief (fotosysteem). De lichtenergie, die ontstaat doordat de elektronen op een hoger energieniveau komen, wordt omgezet in potentiële energie van een elektron. Je kunt dit vergelijken met een redoxreactie waarin het water reductor is en het fotosysteem zelf oxidator. De waterstofionen worden gebruikt voor de fotosynthese, deze kunnen van water komen maar ook van H2S, voor de zwavelbacterie is zuurstof namelijk dodelijk.
Als het elektron op een hoger energieniveau is gebracht bevat het potentiële energie, als je dit terug brengt naar een lager energieniveau zal de potentiële energie worden omgezet in een andere vorm van energie. Er is hier sprake van een reductie-oxidatie-reactieketen (redoxreacties), deze elektronentransportketen heeft overeenkomsten met de oxidatieve fosforylering.
Een fotosysteem in licht raakt voortdurend elektronen kwijt, dit tekort wordt aangevuld uit watermoleculen, deze zijn te vinden in de nabijheid van het fotosysteem in het thylakoïd. Hierdoor ontstaat een H+ overschot in het thylakoïd.Door de eiwitpoorten van het thylakoïd stromen deze het stroma in, er ontstaat ATP. Dit heet ook wel fotofosforylering. De H+ bindt met NADP+ zodat NADPH ontstaat.
Bij de productie van ATP en NADPH zijn in werkelijkheid twee fotosystemen betrokken (I&II). Fotosysteem I kan zelf geen water splitsen en haalt zijn elektronen of uit een ander bron of uit het tweede fotosysteem, een foton brengt een elektron op een hoger energieniveau, water splitst in H+ en O2. Vervolgens wordt weer een foton omhoog geslingerd, een elektron valt weer terug naar een oxidator, hier NADP+. De energie die bij deze reacties vrijkomt, drijft een protonenpomp aan.
Protonen worden vanuit het stoma het thylakoïd ingepompt (de hoeveelheid protonen in het reservoir neemt hierdoor toe). De protonen diffunderen naar buiten door speciale poorten, hierbij ontstaat ATP.

Na het activeren van fotosysteem I en II is er ATP en NADPH ontstaan. Deze reacties zijn afhankelijk van licht en worden samen de lichtreactie van de fotosynthese genoemd. Er is nu enkel nog CO2 nodig en glucose kan gemaakt worden.
De synthese van glucose uit CO2 uit ATP en NADPH wordt ook wel de donkerreactie genoemd, dezelfde vinden ook plaats bij chemosynthese. De reactie vindt ook plaats in licht. Het maken van glucose gebeurt volgens de calvincyclus:
12 C6H1206 + 12 NADP+ + 18 ADP + 18 P.®NADPH + 6CO2 + 18 ATP
Om NADPH te vormen worden 12 water moleculen gesplitst. De totaal reactie van fotosynthese is:
C6H12O6 + 6O2 + 6 H2O®6CO2 + 12H2O + lichtenergie

De ozonlaag is nog helemaal niet zo oud en werd gevormd door fotosysteem II. Grote meercellige kolonies van bacteriën zijn op land niet mogelijk, maar door het ontstaan van eukaryote cellen (endosymbiose) werd dit wel mogelijk. De eencellige individuen in de kolonie zijn niet afhankelijk van elkaar. Bij bolvormige kolonies zijn de cellen door plasmadraden (modesmen) met elkaar verbonden.
Bladeren hebben een groot oppervlak dat gunstig is voor fotosynthese. Beperking van verdamping door deze vorm kan door de was of kurklaag.
De Rhynia was een van de eerste landplanten. Elk ‘orgaan’ van een plant heeft een speciale functie, de wortel zet de plant vast in de bodem en neemt water en mineralen op. Door de houtvaten en stengel wordt dit vervoerd naar alle delen van de plant.
Door de vorming van steviger stengel en zijtakken werden de planten hoger. Na die tijd verdwenen er plantensoorten waarschijnlijk door de daling in temperatuur( door inslag van een grote meteoriet, hierdoor werd veel stof veroorzaakt door de afwezigheid van zonlicht koelde de aarde behoorlijk af). Hierna kwamen de coniferen (naaldbomen). De loofbomen en bloemplanten ontstonden pas 150 miljoen later.
Tot de eerste gespecialiseerde eukaryoten behoren de voortplantingscellen. Met het ontstaan van zaadplanten werd voortplanting onafhankelijk van water. De eicellen liggen ingebed in het plantenweefsel en de voortplantingscellen liggen in de stuifmeelkorrels. Na bevruchting wordt er zaad gevormd met kiemplantjes daarin.
In de toppen van wortel en stengel bevindt zich het delingsweefsel, het meristeem. Deze cellen vermenigvuldigen zich door middel van mitotische delingen. De twee cellen die hierbij ontstaan vertonen plasmagroei. Een van de twee cellen blijft zich delen, de andere strekt zich door wateropname waarna specialisatie optreedt. Dit gebeurt door activering van steeds weer andere genen en vorming van enzymen.
In stengels bevindt zich meer steunweefsel dan in bladeren, vooral de bladschijf gaat gauw slap hangen (deze bestaat voornamelijk uit parenchym).
Collenchym is een weefseltype dat de plant stevigheid geeft. Het collenchym ligt over het algemeen als een koker in de stengel en bestaat uit wandverdikkingen. Collenchymcellen kunnen ook nog stoffen uitwisselen met hun omgeving. Sklerenchym is een andere type steunweefsel, cellen in dit type weefsel zetten een dikke laag houtstof af langs de gehele wand. Op een gegeven moment kunnen ze hierdoor geen stoffen meer uitwisselen en gaan dood. Deze dode cellen vormen samen lange vezels in de lengterichting van de plant.
Houtvaten zijn net als sklerenchymvezels dode structuren. Ze hebben een ring, spiraal of netvormige afzetting tegen de celwand. Deze afzettingen houden de vaten open en geven stevigheid.

De Plant

Wortel -> Opnemen water + Mineralen (=zouten)

Celtypen:

- Parenchyn = Grondweefsel.
- meestal niet erg typische kenmerken
- vaak intercellulaire ruimte tussen de cellen

- Epidermis = Opperhuid.
- cellen tegen elkaar

- Vaten 1 Houtvaten
- dode cellen (binnenkant)
- transport water + zouten vanuit wortel naar andere delen.
- (opstijgende sapstroom)

2 Bast/Zeefvaten
- levende cellen (buitenkant)
- transport organische stoffen uit groene naar niet groene delen.
- (dalende sapstroom)

- Steunweefsel
= Een verdikte celwand, waarvan de functie stevigheid is. (dode cellen)
1 Sklerenchym (= een zeer dikke celwand)
2 Collenchym (= een op de hoeken verdikte celwand)

Als je een doorsnede van een stengel bekijkt vind je (onder andere) schorsparenchym, opperhuid, mergparenchym en vaatbundels. Als je dat laatste (de vaatbundels) van dichterbij bekijkt vind je sklerenchym, bastvat en houtvaten.

Boomstammen bestaan voor een groot deel uit houtvaten, deze houtvaten worden aangelegd door een deelvaardig weefsel, het cambium. Dit cambium vormt cellen die later differentiëren tot houtvaten, dit gebeurt naar binnen toe. De cellen die naar buiten toe worden gevormd worden in de loop van tijd bastvaten. Zowel het cambium en de bast kunnen mee groeien als de boom in omvang toeneemt.
De welbekende jaarringen worden gevormd door een verschil in grote van de houtvaten, deze zijn in de lente groot met dunne wand dit in tegenstelling met de zomer. Na de zomer vindt er helemaal geen diktegroei meer plaats. De dikke houtvaten van de lente zorgen dus voor vorming van jaarringen.

In hout zijn niet alleen verticale vaten te vinden, maar ook horizontale, de mergstralen. Deze worden gevormd door parenchymatische cellen en maken transport mogelijk over het horizontale vlak.

Het hout speelt een belangrijke rol in het transport van water en mineralen. Het water kan door de zeer dunne vaten gemakkelijk omhoog kruipen door de capillaire werking. De capillaire werking heeft betrekking op de aantrekkingskracht die watermoleculen worden aangetrokken door de wanden van de buizen en de watermoleculen door cohesiekracht meetrekken.
Worteldruk wordt veroorzaakt door actieve zoutopname, met passieve osmose als gevolg. De zoutconcentratie is binnen de endodermis hoger dan erbuiten. Hierdoor komt de wateropname opgang, deze begint in de wortelharen en gaat via capillairen in de celwand naar de endodermis. Endodermiscellen scheiden zouten af aan de binnenzijde. Het gevolg daar van ontstaat er een hogere druk aan de binnenzijde en kan het water naar de binnenkant komen. Rond elke endodermiscel bevindt zich de wand een ondoorlatende kurklaag. Door deze laag is het onmogelijk voor stoffen om langs deze cellen te stromen deze kunnen alleen door plasmamembranen.
Voor zoutverplaatsing is energie nodig, daarom moeten er enzymen bij betrokken worden.

Alleen de capillaire werking van water is niet genoeg om genoeg water boven in de boom te krijgen, de andere kracht die een rol speelt wordt veroorzaakt door de verdamping en wordt geregeld door de huidmondjes. De sluitcellen bezitten bladgroenkorrels. In licht verbruiken deze koolstofdioxide, hierdoor wordt de concentratie hiervan heel laag, hierdoor stijgt de PH waarde. De cellen onttrekken water aan de omgeving, doordat ze opzwellen op en worden in de buurcellen gedrukt. Hierdoor gaan de huidmondjes open. Op een warme vochtige dag gebeurt dit niet. De turgor van de sluitcellen daalt en de huidmondjes sluiten zich.
Het water verdampt uit de celwanden van de cellen en komt terecht in de intercellulaire holten. Hiervan uit gaat het water via de huidmondjes naar buiten. Doordat de celwanden water kwijt raken wordt de druk hierin minder. Deze zuigen daardoor water uit de nabije celwanden. Als de celwanden dit bij een houtvat liggen onttrekt deze water uit het houtvat.

Er zijn een aantal factoren die van invloed zijn op de verdampingssnelheid, dit zijn: Luchtvochtigheid, de temperatuur, de hoeveelheid wind, het bladoppervlak en het aantal huidmondjes. Verder kunnen de dikte van de waslaag, de aanwezigheid van beharing en de beschutte ligging van de huidmondjes de verdamping beperken.

Transportkrachten in houtvaten

1 Capillaire opstijging (=passief)
veroorzaakt door:
- Adhesie = Aantrekkingskracht tussen watermoleculen en glasdeeltjes.
- Cohesie = Aantrekkingskracht tussen watermoleculen onderling. (vanderwaals)
*Hoe nauwer het buisje des te groter de Capillaire opstijging.

2 Zuigkracht van de bladeren (=passief)
- osmose: osmotisch water aangezogen uit houtvaten.
- verdamping: uit cellen in interne ruimtes.
- diffusie: uit interne ruimtes naar buiten blad. ( voornamelijk via huidmondjes)

Proces = sterk afhankelijk van milieufactoren.
= afhankelijk van bouw blad.

Bouw blad bepaalt de zuigkracht, maar daardoor ook hoeveelheid diffusie en de hoeveelheid waterverlies.

Hoeveelheid diffusie: Wet v. Fick = K x A x (P1 – P2/d) A = oppervlak
Deze is afhankelijk van de temperatuur en de soort stof. d = distance
K = constante
Beperking waterverlies kan door:
1 Dik blad
2 Blad oppervlak kleiner
3 Aantal huidmondjes/ mm2 kleiner
4 Verzonken huidmondjes
5 Dikke cuticula
6 Oprollen van het blad
7 Mate opening huidmondjes

3 Worteldruk (=actief)
Deze is afhankelijk van pO2 bodem (te laag, geen worteldruk) en de temperatuur.

- Endodermis cellen moeten gepasseerd worden om uit merg naar schors of andersom te komen.
- Endodermis selecteert welke stoffen in welke richting kunnen.
- Endodermis cellen pompen bepaalde mineralen uit schors naar merg.
(dit is actief want zouten gaan tegen de concentratie gradient in)
1 Water zou osmotisch meegaan.
2 Ophoping van water + zouten in merg.
3 Opwaartse druk water + zouten via houtvaten omhoog gedrukt.

Milieufactoren
1 Temperatuur: Hoe hoger, des te groter de zuigkracht.
2 Vochtigheid: relatieve vochtigheid =
Hoeveelheid vocht in de lucht/maximale hoeveelheid vocht in 1 liter lucht bij die temp.
3 Wind(snelheid): Hoe meer wind, des te meer diffusie en meer zuigkracht.

Assimilatieproducten (= de producten van het proces van omzetten van voedingsstoffen in organische verbinden) worden vervoerd via de bastvaten. Deze snelheid wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de drukstroomtheorie en niet door diffusie of cytoplasmastroming. Volgens de drukstroomtheorie zijn alle cellen met elkaar verbonden zijn, zo is het mogelijk dat er een waterstroom van cel tot cel opgang komt. Deze stroom inclusief het opgeloste sacharose verplaatst zich van een hoge naar lage turgor. De hoge turgor vindt plaats in de bastvaten in de bladeren hier wordt onder andere sacharose afgegeven. Assimilatieproducten waaronder sacharose worden bij de lage turgor onttrokken aan de bastvaten, die gebeurt in de wortels en knoppen. Bij de afgifte en opname van sacharose spelen de begeleidende cellen ook een rol.

Bij planten heb je ook te maken met bruto en netto. Een plant produceert bruto een bepaalde hoeveelheid glucose, maar daar wordt weer een deel van gebruikt voor het onderhouden van levensprocessen. Wat er daarna over blijft is de nettoproductie.
Chloroplasten produceren bij voldoende licht zuurstof, hoe meer licht hoe groter de productie. Bij een bepaalde verlichtingsterkte is de productie van glucose net zo groot als de dissimilatie van glucose. Dit is het compensatiepunt. Bij de vorming van een glucose molecuul ontstaan 6 zuurstof moleculen, voor de dissimilatie van zo’n zelfde molecuul zijn 6 zuurstof moleculen nodig. Als de zuurstofproductie gelijk is aan het gebruik, is er geen zuurstof nodig aan de omgeving, wordt de productie groter dan produceert de plant zuurstof.
Licht is dus van invloed op de fotosynthese, maar ook de temperatuur en de aanwezigheid van water en koolstofdioxide zijn belangrijke factoren.
Zetmeel is een ideaal opslagproduct, het lost niet op en is zo niet van invloed op de osmotische waarde van de oplossing kan het overal worden opgeslagen. Vooral in wortels, knollen, en bollen. Hierdoor bevatten deze veel energie en andere koolhydraten.
Niet alleen vis en vlees bevatten eiwitten ook planten kunnen deze produceren. Ze maken namelijk aminozuren, de bestanddelen van een eiwit. Aminozuren worden gemaakt uit koolstofdioxide, water, nitraat, en sulfaat. De laatste twee worden door de wortels opgenomen uit de bodem. Van aminozuren worden ook de organische basen, adenine, thymine, guanine en cytosine.
Cellulose is geen eetbare stof maar omdat het sterk is kan het gesponnen worden tot draad (katoen).

Hoofdstuk 4 Biologische controle in ecosystemen.
4.2
Schollen -> Hier bestaat de aarde uit, deze zijn altijd in beweging.
De plek waar de schollen tegen elkaar liggen, daar is de kans op een aardbeving het grootst.
Een voorbeeld is: de Sint Andreasbreuk in San Francisco.
Door het verschuiven van de schollen zijn klimaatzones op de continenten veranderd.
Divergentie -> Een verschil in ontwikkeling vanuit gemeenschappelijke voorouders.
Bioom -> Een gemakkelijk te herkennen gebied.
6 verschillende biomen
- Tropische bossen - Naaldbossen
- Loofbossen - Grasland
- Woestijn - Toendra’s (alpine en arctische)
Het is afhankelijk van de ligging van de continenten ten opzichte van de zon, welke biomen er ontstaan.
Abiotische factor -> Een niet levende factor die invloed heeft op het voorkomen van bepaalde dier- en plantensoorten. (Temperatuur, Neerslag, Licht, Bodemgesteldheid, etc).
Biotische factor -> Een levende factor die invloed heeft op het voorkomen van bepaalde dier- en plantensoorten.
Convergentie -> Het ontstaan van overeenkomsten in bouw tussen soorten die weinig verwant zijn.
Tolerantiegrenzen -> Dit heeft elke soort voor zijn abiotische factor.
Optimaal -> Hierbij functioneert een individu het best.

4.3
Ecosysteem -> een min of meer begrensd deel van de biosfeer. (zoals een veld, een bos, een meer of een duin.)
Biotoop -> Het niet-levende deel van een ecosysteem. (de abiotische factoren)
Levensgemeenschap -> Alle soorten organismen in een ecosysteem.
Populatie -> De groep individuen van een soort in een bepaald gebied.
Biotische potentiaal -> Het vermogen zich onder optimale omstandigheden voort te planten.
Draagkracht -> De maximum dichtheid van een populatie in een bepaald gebied.
Immigratie -> Individuen van buiten de populatie voegen zich bij de populatie.
Emigratie -> Individuen verdwijnen uit de populatie.
Nettomigratie -> Deze wordt bepaald door het verschil te nemen tussen het aantal emigranten en het aantal immigranten per tijdseenheid.
Geboortecijfer -> Het aantal individuen in de populatie dat per tijdseenheid door voortplanting ontstaat.
Sterftecijfer -> Het aantal individuen van een populatie dat per tijdseenheid sterft.
Populatiedichtheid -> Het aantal individuen van de populatie per eenheid van ruimte.
Evenwicht -> als het aantal individuen ieder jaar ongeveer even groot is.
S-vormige groeikromme ->Dit is een groeipatroon van een paar individuen in een nieuwe omgeving. In fase 1 is er een langzame groei, in fase 2 neemt de populatie exponentieel toe en in fase 3 neemt de groei af tot een evenwichtsfase. (in fase 3 heeft de populatie de maximumdichtheid die in de omgeving mogelijk is.)
J-vormige groeikromme -> Dit is een groeipatroon voor typische insectensoorten die maar een generatie nakomelingen krijgen per jaar. In fase 1 is er een langzame start, in fase 2 neemt de populatie heel snel toe (steil) en in fase 3 bereikt de kromme geen evenwichtsfase, maar stort in als het maximum is bereikt.
Een verklaring is dat deze soorten hele specifieke omgevingsfactoren vereisen.

4.4
Predator -> roofdier
Predatie -> vangen van prooien door roofdieren.
Demostaatmodel -> Soort grafiek of tabel.
Dichtheidonafhankelijke factoren -> Factoren die invloed hebben op de populatie en die niks te maken hebben met de dichtheid van de populatie.
(Bv. Strenge winter).
Dichtheidafhankelijke factoren -> Factoren die invloed hebben op de populatie en die te maken hebben met de dichtheid van de populatie.
(Bv. Predatie, Ziekten, Voedselconcurrentie, Competitie, etc).
Competitieve uitsluiting -> Het effect dat een andere soort de andere soort weg concurreert.
Co-existentie ->Het effect dat een soort naast de andere gaat leven waardoor concurrentie wordt vermeden.
Coöperatie -> Populaties leven samen, maar zijn niet afhankelijk van elkaar.
Symbiose ->Samenwerking tussen 2 organismen.
Mutualisme -> Samenwerking tussen 2 organismen, waarbij beide soorten voordeel er aan hebben. (vorm van Symbiose).
Commensalisme -> Samenwerking tussen 2 organismen, waarbij de ene soort er voordeel aan heeft en ander geen nadeel. (vorm van Symbiose).
Parasitisme -> Samenwerking tussen 2 organismen, waarbij de ene soort er voordeel aan heeft en ander een nadeel. (vorm van Symbiose).

4.5
Natuurlijke vijanden -> Soorten die worden ingezet tegen een bepaalde plaag.
Habitat -> De “woonplaats” van een soort.
Epidemie -> Een besmettelijke ziekte die zich zeer snel en op grote schaal verspreidt.
Ecologische niche-> De rol die een soort in een ecosysteem speelt, deze kan in verschillende omstandigheden verschillend zijn.
Microklimaat -> Het klimaat van de habitat.
Sluipwesp -> Wesp dat zijn eieren legt in een larve van een andere soort.
Niche:
- Als de niches van twee populaties elkaar helemaal overlappen, is er competitie tot een van de twee soorten overblijft in die niche. In een stabiel ecosysteem kan dus maat één soort één niche bezetten.
- Verschillende populaties kunnen samen voorkomen als ze er verschillende niches bezetten.

4.6
Bio-industrie -> Onze industrie van landbouw, tuinbouw en intensieve veeteelt.
Beperkende factor -> Dat is de abiotische factor die het minst optimaal aanwezig is, hierdoor wordt de snelheid van de groei bepaald. Een tuinder streeft erna om alle abiotische factoren optimaal te maken.
Monocultuur ->Verbouwen van één gewas op een akker.
Resistent -> Is er tegen bestand.
Aselectief -> Niet slectief.
Biologische bestrijding -> het gebruiken van natuurlijke vijanden tegen plagen.
DDT -> Chemisch middel voor bestrijding.
Accumulatie ->ophoping van gif in een hele voedselketen.
Persistent bestrijdingsmiddel -> bestrijdingsmiddel dat in de natuur slecht afbreekbaar is.
Gecombineerde gewasbescherming -> combie: selectieve chemische bestrijding + biologische bestrijding.

Hoofdstuk 5 Dynamiek.

5.2
Oligotroof -> Gebieden die arm aan mineralen zijn. (hoogveengebieden)
Eutroof -> Gebieden die rijk zijn aan mineralen.
Netto primaire productie -> De bij de fotosynthese gevormde hoeveelheid glucose, na aftrek van de glucose die gebruikt wordt voor dissimilatie.
Bruto primaire productie -> De totale hoeveelheid bij de fotosynthese gevormde glucose.
Compensatiepunt -> De situatie waarbij een plant of een groep planten evenveel glucose produceert bij de fotosynthese als verbruikt wordt bij de dissimilatie. Hierbij kan de plant niet groeien en ook niet voortplanten.
Herbivoren -> Consumenten van de 1e orde. Dit zijn organismen die planten eten.
Carnivoren -> Consumenten van de 2e orde. Dit zijn organismen die herbivoren eten.
Omnivoren -> Consumenten van de 2e orde. Dit zijn organismen die herbivoren eten.
Filter Feeders -> Een soort dat leeft van al het neerdwarrelend organisch materiaal dat ze uit het water filteren.
Poikilotherm -> Organismen die niet in staat zijn om hun eigen lichaamstemperatuur op een constant niveau te houden.
Homoiotherm -> Organismen die wel in staat zijn om hun eigen lichaamstemperatuur op een contant niveau te houden ondanks de omgevingstemperatuur.

5.3
Autotroof -> een organisme dat al zijn organische stoffen zelf kan opbouwen uit an-organische stoffen. Je hebt 2 soorten:
* Fototroof (energie uit licht)
* Chemotroof (energie uit bepaalde an-organische stoffen)

Heterotroof -> een organisme dat minstens één organische stof met zijn voeding moet opnemen. Je hebt 2 soorten:
* Consument (haalt organische stoffen uit levende organismen)
* Reducent (haalt organische stoffen uit dooie organismen of resten daarvan of urine of uitwerpselen)
Assimilatie -> Opbouw van stoffen, waarbij energie wordt vastgelegd.
Dissimilatie -> Afbraak van stoffen, waarbij energie vrijkomt.
Organische stoffen -> Stoffen met koolstof (C) en waterstof (H). Bv: Koolhydraten, eiwitten, vetten, kernzuren en vitaminen. Deze stoffen zijn biologisch bruikbaar voor energie.
An-organische stoffen -> Stoffen met koolstof (C) of waterstof (H) of stikstof (N), etc.
Bv: CO2 (koolstofdioxide), H2O (water), N2 (stikstof), O2 (zuurstof) en zouten.
Biomassa ->Totale hoeveelheid of gewicht van een verzameling organismen in een bepaalde biotoop. Biomassa wordt meestal uitgedrukt in drooggewicht. Dit is het gewicht dat je krijgt als je het water uit de desbetreffende organismen verwijdert.
Standing Crop -> De hoeveelheid stoffen/organismen die niet worden verbruikt.
Trofisch niveau -> Of het dier een consument, producent of reducent is. Welk trofisch niveau die zit.
Energiestroomdiagram-> Diagram dat laat zien hoeveel energie er verbruikt wordt, en naar de volgende ”level” gaat.

5.4
In een gesloten ecosysteem kunnen geen stoffen van buiten komen en kunnen er ook geen stoffen het ecosysteem verlaten.
Producenten -> nemen mineralen op en verwerken ze in stoffen zoals ATP, DNA en fosfolipiden.
Consumenten -> eten planten en/of andere consumenten en wenden een gedeelte van de opgenomen mineralen aan voor eigen gebruik.
Reducenten -> zetten gestorven producenten en consumenten en hun producten om in anorganische stoffen.
Tabellen Blz. 183 & 185

5.5
Eutrofiëring -> De overmatige toename van de hoeveelheid mineralen in een ecosysteem.
Zuiveringsinstallatie -> Hier kan het afvalwater van organische resten, nitraten en fosfaten worden ontdaan.
1e trap: Mechanische zuivering (in een voorbezinktank komt het rioolslib tot bezinking.)
2e trap: Biologische zuivering. (met behulp van bacteriën worden organische bestanddelen, die in het water zweven, afgebroken. Hiervoor is veel zuurstof nodig, vandaar dat deze tank voortdurend wordt belucht.)
3e trap: Fysisch-chemische zuivering. (Hierbij worden onder andere fosfaten neergeslagen met calciumsulfaat.)

5.6
Successie -> Opeenvolging van levensgemeenschap op een bepaalde plaats in verloop van de tijd, veroorzaakt door veranderingen die door de aanwezige soorten zijn ontstaan. (verandering van een ongestoord ecosysteem)
1 Pioniers -> 2 Tussenstadia ->3 Climaxstadium.
1: Hier begint het proces met een beperkt aantal planten en dieren.
2: Dit is het stadia midden in de veranderingen, het aantal soorten neemt toe. Maar later in de ontwikkeling kan het aantal soorten iets afnemen.
3: Hier veranderd er niet zoveel meer in het ecosysteem, het ecosysteem is stabiel.

In het begin van de successiereeks zijn die soorten in het voordeel die zich snel kunnen voortplanten. Op die manier kunnen zij in een korte tijd een gebied bezetten. Later in de successie vindt selectie op andere eigenschappen plaats. De bronnen, zoals mineralen, zijn moeilijker te bereiken en specialisten krijgen de overhand. In het begin van de successie neemt de biomassa snel toe. Er is een overmaat aan mineralen, doordat er in het begin nog zo weinig organismen zijn die deze stoffen opnemen. De overmaat aan mineralen maakt een snelle groei van de producenten mogelijk. Hierdoor wordt er veel meer organische stof gemaakt dan er wordt gedissimileerd door alle organismen in de levensgemeenschap bij elkaar. De consumenten kunnen snel in aantal groeien door dit grote voedselaanbod. Kortom de biomassa van de totale levensgemeenschap neemt toe.
Later in de successiereeks is de biomassa van de producenten zo groot geworden, dat er te weinig mineralen in de abiotische omgeving zijn om al deze producenten te voeden. De toevoer van de mineralen uit de omgeving schiet te kort in verhouding tot de toegenomen biomassa van de producenten. De producenten worden afhankelijk van de snelheid waarmee de mineralen de kringloop doorlopen en afgegeven worden door de reducenten. De kringloop raakt steeds meer gesloten. Dat wil zeggen dat stoffen waaruit organismen bestaan, na hun dood weer ter beschikking komen en worden gebruikt voor de opbouw van nieuwe organismen.
Hoofdstuk 6 De mens selecteert.

Samenvatting H1
Een menselijke lichaamscel bevat 46 chromosomen. Deze chromosomen bestaan voor het overgrote deel uit DNA en eiwit. DNA bestaat uit nucleotiden. Een nucleotide bestaat uit desoxiribose (een suiker), een fosfaargroep en een van de basen A (adenine), G (guanine), C (cytosine) en T (thymine). Drie van deze nucleotiden vormen samen een erfelijke code. Deze drie-eenheid heet een triplet. Er zijn 64 verschillende tripletten mogelijk. De meeste van die tripletten zijn de code voor aminozuren; elk triplet codeert voor een bepaald aminozuur. Er zijn in een menselijke cel maximaal twintig verschillende aminozuren. Er zijn meer dan driemaal zoveel tripletten als aminozuren. Dat betekend dat er voor één typ aminozuur meer dan één code is. Een triplet werkt niet alleen. Een aantal tripletten samen vormen de code voor een aantal aminozuren samen. Zo zijn drieduizend tripletten in staat om een aminozuurketen te maken van drieduizend aminozuren. Een verbinding bestaande uit veel aminozuren wordt een eiwit genoemd. Een combinatie van tripletten is dus een code voor een eiwit. Zo’n combinatie van tripletten die codeert voor een eiwit heet een gen.

De codes in het DNA worden pas werkzaam na een aantal processen. Eerst wordt een stuk DNA enkelstrengs. Er gaan dan tegenover een van de openliggende DNA-strengen RNA-nucleotiden liggen. De tripletten van het DNA krijgen RNA-nucleotiden tegenover zich. Van deze RNA-nucleotiden zijn drie er nagenoeg hetzelfde als die van het DNA. RNA bevat in plaats van thymine (T), uracil (U). Een ander verschil is dat de suiker in DNA-nucleotiden desoxiribose is en in RNA robose. Ribose heeft één zuurstofatoom meer dan desoxiribose.
RNA-nucleotiden worden met behulp van enzymen samengevoegd en er ontstaan een molecuul mRNA. Dit mRNA verlaat de kern en gaat via e.r. naar een ribosoom. Op het ribosoom krijgen de mRNA-tripletten (codons) weer tripletten tegenover zich, anticodons van het tRNA. Moleculen tRNA hebben een aminozuur bij zich. Welk aminozuur door een tRNA wordt vervoerd, hangt af van de samenstelling van het anticodon. De aminozuren worden op het oppervlak van het ribosoom samengevoegd door enzymen. Er is een eiwit ontstaan. Dit eiwit moet vervolgens nog een aantal bewerkingen ondergaan voordat het werkzaam kan worden.

In de touwladder (DNA) zijn de tripletten van de ene streng verbonden aan tripletten aan de andere streng door waterstofbruggen. Elk gen zit zo als het ware met zijn spiegelbeeld in een DNA-keten. Een gen kan pas werkzaam worden als zijn tripletten worden ‘bevrijd’ door enzymen. Tussen reeksen van werkzame tripletten liggen reeksen van tripletten die niet mogen meedoen. Deze tripletten worden genegeerd. De reeksen werkzame tripletten worden exons genoemd, de niet werkzame introns.

Een gen bevat een code voor een eiwit. Een werkzaam eiwit kan een bouweiwit zijn voor een haar of een spier. Het kan ook een enzym zijn. De lange weg die het eiwit nog te gaan heeft slaat op de chemische reacties die het nog moet ondergaan, voordat het kan functioneren.
Die chemische reacties worden stuk voor stuk tot stand gebracht door enzymen. Die enzymen zijn op hun beurt weer ontstaan uit de werking van een gen. Ook zij hebben een serie van reacties ondergaan voordat zij hun functie gingen vervullen. Het hangt daarmee niet van één gen af of een werkzaam eiwit zal geproduceerd worden. Als één van die genen niet goed functioneert, ontstaat er waarschijnlijk geen eiwit of een slecht functionerend eiwit.

De ‘niet-optimale’genen worden niet direct ‘defect’ genoemd. Een gen is pas defect als een ernstige ziekte of een handicap op de werking van dat gen is terug te voeren. Ongeveer vierduizend ziekten en handicaps zijn ontdekt die zijn terug te voeren op de mindere goede werking van één gen in elke lichaamscel -> monogene ziekten.
In lichaamscellen komen genen dubbel voor; van elk gen zijn er twee. Als het defecte gen recessief is, kan de ziekte pas tot uitdrukking komen als beide genen het defect hebben.
Een ziekte komt al bij een defect in een van beide genen tot uitdrukking als het gendefect dominant is.

CF is een ziekte die niet is te genezen met gewone medicijnen. In 1991 werd echter voor het eerst een manier toegepast om het CF gen te vervangen door het normale CF, ofwel muco-gen. Deze gentherapie is veelbelovend voor mensen met een niet-goed werkend gen. Er zijn twee manieren waarop een defect gen kan worden gecompenseerd:
- De eerste manier is om cellen van de patiënt buiten het lichaam te voorzien van een goed werkend gen. Dit gebeurt door de cellen uit het lichaam te halen en deze dan te behandelen met een virus waarin het gewenste gen aanwezig is. Vervolgens worden de behandelde cellen terug geplaatst tussen de cellen met het defecte gen. De teruggeplaatste cellen moeten dan gaan delen en in ieder geval een gedeelte van de ziekteverschijnselen terugdringen. Deze behandeling wordt ex-vivo behandeling genoemd.
- De tweede manier van gentherapie bestaat uit een behandeling met adenovirussen (DNA-virussen). De virussen zijn behandeld zodat ze niet agressief meer zijn en voorzien van een goed functionerend mucogen. De virussen met het goed functionerende mucogen kunnen via de aërosolmethode (toegediend door nevelapparaatje) worden ingebracht. De virussen infecteren de cellen en worden ingebouwd in het DNA van cellen van de patiënt. De cellen kunnen dan bij CF weer slijm produceren door een herstelde werking van de chloride poortjes.
Een therapie met virussen die een goed gen bij zich hebben, kan alleen slagen als het afweersysteem onderdrukt wordt met medicijnen. Hierdoor is gentherapie nog geen succes.
Een andere manier om de ‘goede’stukje DNA in de cel te krijgen, is door liposomen. Dit zijn vetbolletjes die versmelten met het celmembraan en dan hun inhoud in het grondplasma vrijgeven. Helaas is de effectiviteit van deze methode zeer onder de maat en dus geen succes.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.