Mitose en meiose

Beoordeling 5.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 858 woorden
  • 6 augustus 2006
  • 67 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.3
  • 67 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Basisstof 1:
In chromosomen zit informatie voor erfelijke eigenschappen van een individu. Deze komen tot uiting door enzymen. Enzymen zijn eiwitten. Eiwitmolecuul bestaat uit groot aantal aan elkaar gekoppelde aminozuren. In je lichaam 20 verschillende aminozuren. De eigenschappen en de werking van een eiwit worden bepaald door het aantal aminozuren waaruit een eiwitmolecuul bestaat, en de volgorde waarin de verschillende aminozuren voorkomen in het eiwitmolecuul. Molecuul bevat lange strook van DNA en veel eiwitmoleculen. DNA-molecuul ligt opgerold in eiwitmoleculen. DNA=molecuul bestaat uit 2 ketens, die in een dubbele spiraal om elkaar heen gewonden liggen. Elke keten bestaat uit vele duizenden aan elkaar gebonden nucleotiden. Nucleotiden bestaan uit een fosfaatgroep, desoxyribose(een suiker), een stikstofbase. In een DNA-molecuul komen 4 verschillende stikstofbasen voor: adenine(A), Thimine(T), Cytosine(C), Guanine(G). Deze zijn met elkaar verbonden A met T en C met G = basenparing. Chromosoom bevat een groot aantal genen. Een gen bestaat uit honderden nucleotiden. Stikstofbasen zijn gerangschikt. Hierin kunnen variaties voorkomen.

Basisstof 2:
Nieuwe cellen ontstaan door mitose = kerndeling en celdeling. Bij mitose deelt een celkern zich in tweeen waardoor er twee cellen ontstaan. Door plasmagroei worden de twee dochtercellen elk net zo groot als de oorspronkelijke moedercel. De periode tussen twee mitosen in wordt de interfase genoemd.


Voor de mitose begint, vormt elke chromosoom een tweede draad erbij. Hierbij wordt een nauwkeurige kopie gemaakt van het DNA-molecuul. Dit proces heet DNA-replicatie. In het DNA-molecuul worden de verbindingen tussen de basenparen verbroken. De ketens gaan uitelkaar. In het kernplasma komen vrije nucleotiden voor, die zich verbinden aan de vrijkomende basen in het DNA-molecuul. Steeds verbinden C8G en A&T. Zo worden 2 nieuwe nucleotideketens gevormd, aan elke oude keten een. Zo ontstaan 2 DNA-moleculen. De DNA-moleculen zijn beide identiek doordat de stikstofbasen steeds vaste paren vormen. Na de DNA-replicatie, bestaat een chromosoom uit twee identieke delen, de chromatiden. De plaats waar de chromatiden aan elkaar vastzitten heet de centromeer. Hierna gaan de chromatiden zich centraliseren, ze worden korter en dikker, ze worden zo zichtbaar met een microscoop.

De twee chromatiden bevatten dezelfde erfelijke eigenschappen. Elke dochtercel heeft zelfde informatie voor erfelijike eigenschappen als de moedercel, en ook evenveel chromosomen. Mitose = 2n à 2n + 2n. na afloop van mitose despiraliseren de chromosomen in de dochtercellen zich. Ze worden weer langer en dunner doordat de spiraalvorm verdwijnt.

Na afloop van de mitose, beginnen de moedercellen aan de interfase. De mitose en de interfase vormen samen de celcyclus. In de interfase zijn 3 perioden te onderscheiden; de periode tussen de celdeling en de DNA-replicatie = G1-fase, hierin vindt plasmagroei plaats. De periode van DNA-replicatie = S-fase. De G2-fase is de periode tussen de DNA-replicaties en de mitose(M-fase). Een rustfase = G0. dit kan voorkomen bij de G1-gase.

Basisstof 3:
Bij ongeslachtelijke voortplanting groeit een deel van een individu uit tot een nieuw individu. Bijvoorbeeld bij eencellige door deling. Bij aardappelplanten door knollen. Een knol is een verdikte stengel die veel reservevoedsel bevat. Een knol heeft knoppen. Bij bolgewassen door bollen. Een bol bestaat uit een bolschijf met rokken. Rokken zijn verdikte bladeren met veel reservevoedsel. Uit knop ontstaat de eindknop. Ongeslachtelijke voortplanting kan op natuurlijke manieren en op kunstmatige wijzen voorkomen. Bij fruitbomen vindt dit plaats door enten(kunstmatig). Hierbij worden takken vastgezet aan een afgeknipte onderstam, nu komt er een boom met dezelfde vruchten. Ongeslachtelijke voortplanting vindt plaats door mitose en celdeling. De nakomelingen hebben hetzelfde genotype als de ouder. Kloon is een groep van individuen die door ongeslachtelijke voortplanting is ontstaan. Het kweken hiervan wordt klonen/kloneren genoemd. Hierdoor kan een gunstig genotype behouden worden.

Bij weefselkweek wordt uit een gezonden, groeiende plant een stukje weefsel gesneden. Wordt ontsmet, en op geschikte voedingsbodem met voedingsstoffen en plantenhormonen gebracht. De cellen gaan zich delen, en er ontstaat callus = ongedifferentieerd weefsel. Dit komt weer op andere bodem, de cellen gaan zich weer delen en specialiseren, er ontstaan kleine plantjes uit het callus, de embryoiden. Deze embryoiden worden gescheiden, en ieder apart opgekweekt, met andere voedingsbodem. Als de plantjes zijn uitgegroeid, worden ze uitgeplant in een kwekerij. Ze worden tot dan steriel gehouden. Je kunt zo veel planten met hetzelfde genotype kweken.


Basisstof 4:
Bij de vorming van geslachtscellen vindt meiose plaats. Een deling waarbij de chromosomen van een paar uit elkaar gaan. Het bestaat uit 2 opvolgende delingen. Meiose 1: ontstaan uit een diploide cel twee haploide cellen. Deze deling wordt reductiedeling genoemd. Bij meiose 2: ontstaan uit twee haploide cellen vier haploide cellen.

Basisstof 5:
Het ontstaan van een nieuwe combinatie van genen wordt recombinatie genoemd. Hierdoor ontstaat een grote verscheidenheid(diversiteit)hierdoor heeft de soort ene grote overlevingskans. Veredeling = proberen alleen maar de beste eigenschappen te krijgen(bv. Bij een plant). Dit gebeurt tegenwoordig ook door genetische modificatie. Alleen de genotype bij klonen zijn gelijk, het fenotype niet. Een zuivere lijn is een groep planten die door geslachtelijke voortplanting is ontstaan en die homozygoot is voor een of meerdere(gewenste) eigenschappen. Men krijgt dit door uit te gaan van een ouder, die homozygoot is voor een of meerdere gewenste eigenschappen. Men kweekt nakomelingen door zelfbestuiving. Zo ontstaan steeds nakomelingen met hetzelfde genotype. Dit is zaadvast. Dieren die homozygoot zijn voor de gewenste eigenschappen zijn fokzuiver. Genetische variatie, sterft weg.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.