De komende twee weken zijn 'seksweken' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


ADVERTENTIE
Geslaagd? Doneer je verslagen We zijn heel trots op je, supergoed gedaan. Waarschijnlijk ga je Scholieren.com nu voorgoed verlaten. Wil je ons nog bedanken voor 4, 5 of 6 jaar trouwe dienst? Upload dan nu al je verslagen en samenvattingen voor de generaties scholieren die na jou strijden voor dat diploma.

Nu uploaden

1. Hart en bloedsomloop

Het trainen van de hartspier (en de rest van de spieren) kan door het regelmatig sneller en harder te laten werken > cardiotraining.

Hartslag:

  1. Kamers vullen
  2. Leegpersen van de kamers
  3. Korte pauze

diastole

= boezems en kamers zijn ontspannen

Het bloed stroomt door de boezems naar de hartkleppen.

boezemsystole

= boezems trekken samen

Boezems persen hun bloed naar de kamers.

kamersystole

= kamers trekken samen

Er komt druk op het bloed waardoor

  • de hartkleppen sluiten
  • slagaderklep en aortaklep open gaan

Hierdoor stroomt het bloed de longslagaders en de aorta in.

diastole

De druk in de kamers wordt kleiner dan de druk in de longslagaders en aorta > kleppen sluiten

 

Hartcyclus = is het voortdurend herhalen van de hartslag

 

Als en arts luistert met een stethoscoop hoort hij bij één hartslag 2 tonen, bij de eerste sluiten de hartkleppen en bij de tweede de longslagaderklep en de aortaklep.

 

Enkelvoudige bloedsomloop

Het bloed stroomt van het hart eerst naar de kieuwen en dan naar de rest van het lichaam en daarna weer terug naar het hart.

  • Het hart heeft maar één boezem en één kamer
  • Aanvoer van zuurstof verloopt trager

Dubbele bloedsomloop

De grote en kleine bloedsomloop samen

  • Kleine bloedsomloop

De rechter helft van het hart pompt het zuurstofarme bloed via de longslagaders naar de longen. Daar komt de zuurstof in het bloed, dit gaat vervolgens naar de linker kamer.

  • Grote bloedsomloop

De linker helft pompt het zuurstofrijke bloed via de aorta en slagaders naar de organen, waar (een deel van) de O2 uitgaat naar de cellen.  Het zuurstofarme bloed gaat via aders en holle aders terug naar de rechter helft van het hart.

 

Gesloten bloedsomloop (= bloed zit altijd in bloedvaten)

  • Aders = vanaf de organen naar het hart (vaak vernoemd naar orgaan waar ze vandaan komen):
  • Kransslagaders > afvoeren van bloed uit hartspierweefsel
  • Holle aders (onderste en bovenste) > grote aders naar rechter boezem
  • Poortader > ader van de darmen naar de lever
  • Slagaders = stromen van het hart af naar de organen (bv. hersenen en nieren)
  • Haarvaten = in weefsel

 

Open bloedomloop

Hartbuis aan de rugzijde. Deze heeft gepierde hartkamers die samentrekken, waardoor het bloed gaat stromen. Het bloed wordt naar de kop gepompt en vanuit daar gaat het tussen de cellen door weer terug. De krijgen zuurstof via tracheeën.

Tekstvak: Mensen: dubbele gesloten bloedsomloop
Vissen: enkelvoudige gesloten bloedsomloop
Insecten: open bloedsomloop

 

 

 

 

 

Embryonale bloedsomloop

  • Zuurstofrijk bloed via navelstrengader
  • Opening tussen rechter en linker kamer > ovale venster (foramen ovale)
  • Ductus Botalli (= verbinding tussen longslagader en aorta)

 

De longen werken nog niet bij een embryo, maar moeten wel zuurstof krijgen (minder), daarom is de opening en de ductus Botalli er.

 

Na de geboorte:

1.Baby huilt > longen vullen zich met lucht, vanaf dan stroomt er meer bloed naar de longen

2.Druk in de linker harthelft wordt hoger > foramen ovale sluit en vergroeit daarna met tussenschot

3.De Ductus Botalli sluit een paar dagen na de geboorte. Wat overblijft is een stuk bindweefsel

4.Bloedvat tussen navelstrengader en holle ader sluit na afknippen van de navelstreng

5.Bloedvaten van de navelsteng verschrompelen binnen enkele dagen

 

2 Bloeddruk

 

g-krachten

De zwaartekracht (g-kracht) bepaalt het gewicht van ons en van ons bloed en trekt het bloed naar beneden. Boven de 3g krijgen ongetrainde mensen problemen:

  • Slechter zicht > tunnelvisie, alleen zien op de gele vlek, want daar gaat nog wel bloed naartoe
  • g-LOC (bewusteloos)

Als er veel g is, stroomt meer bloed naar beneden. Bloedreceptoren in aorta en halsslagaders registreren dit, dan:

  • Vernauwen slagaders in benen
  • Hartslagfrequentie gaat omhoog

 

Straaljagerpiloten:

  • Aanspannen van spieren in armen en benen >  bloed naar romp persen
  • Speciale ademtechniek om de druk in de borstkas steeds even te verhogen > na inademing met gesloten neus en mond persen
  • Anti-g-pak > voorkomt door tegendruk dat bloed zich ophoopt in benen en buik

 

Bloeddruk bij bloedgolven

Bij elke kamersystole wordt 70 cm3 de slagaders ingepompt. De wanden van de slagaders rekken dan uit (polsslag). De elasticiteit van de slagaders dempt de drukverhoging een beetje. Na het sluiten van de slagaderkleppen worden ze weer smaller.

Systolische druk of bovendruk= tijdelijke bloedrukverhoging in de slagaders

Diastolische druk of onderdruk = in de diastole neemt de bloeddruk weer af tot de basiswaarde

 

Atherosclerose = vernauwing en verstijving van de bloedvaten, doordat er in de loop van de tijd kleine littekens ontstaan, waar vetachtige stoffen aan kunnen blijven kleven. Bv. cholesterol

 

Bloedrukmeting (slagader)

1.Manchet rond bovenarm (dezelfde hoogte als hart)

2.Oppompen tot 26 kPa > armslagader is dichtgedrukt

3.Druk langzaam laten afnemen totdat die net iets lager is dan die van de systole van de linker kamer. De art hoort bij elke hartslag het bloed > bovendruk aflezen (normaal: 16 kPa of 120 mm Hg)

4.Verder laten afnemen tot geluid van het langsstromende bloed verdwijnt > onderdruk aflezen (normaal: 10 kPa of 70 mm Hg)

 

3. Regeling hartwerking

Hartfilmpje = elektrocardiogram (ecg)

 

De sinusknoop geeft een elektrisch signaal aan de boezems, zodat deze samentrekken. Dit signaal wordt ook opgevangen door de AV-knoop (atrioventriculaire knoop). Hier is een vertraging in de stroomgeleiding waardoor de kamers later samentrekken dan de boezems. Via de bundel van His (geleidingscellen) gaan het signaal naar de hartpunt. In de Purkinjevezels verspreidende signalen over de wand van de kamers. De kamer systole begint in de hartpunt.

 

In een ecg zie je de elektrische activiteit met drie toppen:

  • P-top: samentrekken van de boezems
  • QRS-complex: samentrekken van de kamers
  • T-top: ontspannen van de kamervezels

Herstel van de boezemvezels is niet apart te zien, omdat dit tegelijk is met het samentrekken van de kamers. Verhoogde lijn tussen S en T komt door minder spierweefsel, door een hartinfarct.

 

Hartminuutvolume = aantal liter per minuut de slagaders ingepompt.

In rust: 70 slagen per min x 70 mL per slag = 4,9 L/min.

 

Slagvolume = de hoeveelheid bloed per hartslag

 

Bij inspanning wordt het slagvolume groter en hogere hartslag. Daardoor gaat het hartminuutvolume omhoog.

 

Bi inspanning is er dus veel meer bloed, maar vooral je spieren hebben veel meer bloed nodig, daardoor verandert de verdeling van het bloed. De kringspiertjes in de slagaders naar de organen trekken samen, waardoor die smaller worden.

 

4. Stoffentransport

 

Bloedplasma

Meeste stoffen zijn opgelost in het bloedplasma, zoals:

  • Zouten, voedingstoffen, afvalstoffen, hormonen, enz.
  • Kleine hoeveelheden gassen (O2, CO2 en N2)
  • Eiwitten > polymeren, lange ketens aminozuurmoleculen
    • transporteren moeilijk oplosbare stoffen (zoals vette en metalen)
    • rol bij afweer
    • helpen bij bloedstolling

De eiwitketens zijn niet opgelost maar fijn verdeeld (colloïd)

  • Rode bloedcellen  > ontstaan in het rode beenmerg (binas 84l), transporteren O2 en CO2
  • Witte bloedcellen > afweer tegen ziekteverwekkers
  • Bloedplaatjes > bloedstolling

 

Zuurstoftransport

Max. 3 mL O2 per L bloedplasma. Maar dankzij de rode bloedcellen 70x zoveel (200 mL/L). Rode bloedcellen hebben geen kern en ook gaan organellen, zoals mitochondriën.

 

Daardoor is er ruimte voor 200-300 miljoen hemoglobinemoleculen (Hb) per bloedcel. De moleculen bestaan uit 4 eiwitketens (globinen) met elk een heemgroep met elk een Fe+. De heemgroep kan aan de O2 binden.

 

 

 

 

De binding tussen hemoglobine en O2 is een oxygenatie (makkelijk te breken).

 

In de longen is een hoge partiële O2- spanning, de pO2 is 12-14 kPa. Het evenwicht gaat naar rechts en de hemoglobine raakt voor 96% verzadigd met O2. In de weefsel is de pO2 2 kPa en het evenwicht gaat naar links. Het percentage HbO2 daalt naar 20%. Het bloed geeft 76% van zijn O2 af aan de omliggende cellen.

 

lezen blz. 22-23 zuurstoftekort

 

Zuurstofafgifte

  1. Bij inspanning wordt meer O2 afgegeven aan de spieren. Hardwerkende spieren produceren veel CO2. Bij een hogere pCO2 wordt meer O2 afgegeven.
  2. Een hogere CO2-concentratie leidt tot een hogere pH (zuurtegraad). Een lagere pH leidt tot minder binding van hemoglobine aan O2.
  3. In hardwerkende spieren is ene hogere temperatuur. Een hogere temp. zorgt voor minder binding.

 

Bohr-effect = extra O2-afgifte als gevolg van hoge pCO2, lage pH of hoge temperatuur.

 

Spiercellen kunnen een deel van het O2 opslaan in het eiwit myglobine (één globineketen en één heemgroep). Myglobine bindt sterker dan globine en bij een erg lage pO2 geeft hij zij voorraad af.

 

Koolstofdioxidetransport (Binas 83E)

Chloride-ionen gaan vanuit het bloedplasma de bloedcel in om de negatieve lading te verheffen. Het bloed vervoert in rust ongeveer 60 mL CO2/L. In de haarvaten van de longblaasjes verloopt dit andersom en komt de CO2 weer vrij. Via de uitademingslucht verlaat de CO2 het lichaam.

 

Zonder rode bloedcellen lost alle CO2 op in het bloedplasma (pH van 3). De pH is normaal in slagader ong. 7,40 en in een ader ong. 7,36. De meeste heemgroepen en andere eiwitten binden aan H+. > pH-buffers. De concentratie H+ verandert steeds, maar de pH blijft 7,35-7,45 > enzymen kunnen optimaal werken.

 

Sneller ademen (meer CO2 afvoeren):

  • Daling pH
  • Hogere pCO2

 

5. Bloedvaten

 

Wanden van slagaderen en aderen (binas 84C2):

  1. Dekweefsel (endotheel) > één cellaag                                                                                
  2. Basaalmembraan > membraam van eiwitten met sterke colageenvezels
  3. Elastisch bindweefsel en gladde spieren
  4. Bindweefsel

 

Haarvaten of capillairen:

1.Dekweefsel

2.Basaalmembraan

 

Haarvaten

In de haarvaten stroomt het bloed langzaam en kan tussen de dekweefselcellen door. Hierdoor kan uitwisseling met van stoffen met weefsels plaatsvinden.

 

Slagaderen

Hebben een sterke en elastische wand en zijn erop gebouwd om een hoge bloeddruk te kunnen weerstaan. Kleine slagaders kunnen wel barsten bij extreem hoge druk.

 

Aders

Hebben een slappe wand. Hierdoor kunnen de skeletspieren de aders samendrukken en leegpersen. Kleppen in de aders voorkomen dat het bloed de verkeerde kant op stroomt.

Bij beschadigingen > atherosclerose, dat zorgt voor:

  • Hoge bloeddruk
  • Verstopte vaten

Reparatie bloedvat:

1.Zorgen voor de omzetting van protrombine naar trombine

  • Tromboplastine uit beschadigde weefselcellen
  • Stollingsfactoren uit bloedplaatjes
  • Bloedplasma met stollingsfactoren, vitamine K en Ca2 –ionen

2. zorgt dat vloeibaar fibrinogeen in fibrine (draden) kan worden omgezet

3.Bloedplaatjes

  • Bloedplaatjes hechten aan de beschadigde collageenvezels van het basaalmembraan
  • Ze worden plakkerig en vormen in de beschadiging een ‘plaatjesprop’ > voorkomt bloedverlies
  • Geven stoffen af aan het bloed, zodat het haarvat samentrekt (minder bloed er doorheen)

4.Fibrinedraden hechten zich aan elkaar en aan de raden van de wond, om de plaatjesprop. In dit raken meer bloedplaatjes en rode bloedcellen gevangen. Na een half uur trekt het net samen en ontstaat een stolsel (inwendig) of korst (uitwendig). > bloedstolling.

5.In de loop van de tijd breken de fibrinedraden weer af tot fibrinogeen door het enzym fibrinolysine. Op de plek van de beschadiging ontstaat door deling nieuwe cellen.

Het is een cascade, omdat de ene omzetting voor de andere omzetting zorgt. Het fibrinogeen is in het bloed vloeibaar, omdat anders overal korstjes zouden ontstaan.

 

Weefselvloeistof (binas 84G)

Doordat de druk in het haarvat laag is gaat het bloedplasma eruit (ook opgeloste stoffen) > filtratiedruk

De filtratie druk neemt aan het einde van het bloedvat steeds meer af. Buitenbloedvat is bloedplasma weefselvloeistof.

 

Grote stoffen (bloedcellen en grote eiwitmoleculen) kunnen er niet doorheen. Hert hoge concentratie bloedeiwitten (colloïden) zorgen voor een hogere (colloïd) osmotische waarde ten opzichte van het weefselvloeistof. Daardoor wordt de weefselvloeistof weer terug gezogen. Dit is nodig voor aanvoer van stoffen en afvoer van afvalstoffen.

Door de colloïd osmotische druk wordt weefselvloeistof terug gezogen (aan einde van bloedvat)

Lymfe

De netto filtratiedruk is hoger dan de netto colloïd osmotische druk, daardoor gaat niet alle weefselvloeistof terug. Dit weefselvloeistof gaat via de lymfevaten terug naar het bloedplasma. Lymfecapillairen beginnen tussen de cellen en het weefselvloeistof gaat door kleine openingen. Door spierbeweging van omringde sieren is er transport en kleppen zorgen dat het de goede kant op gaat.

Onderweg stroomt de lymfe door lymfeknopen (met veel witte bloedcellen)> filtreren van bv. afvalstoffen of lichaamsvreemde stoffen. Uiteindelijk komt het in de sleutelbeenaders terug in het bloed.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Anna

Anna

Hele fijne samenvatting!!

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast