§1 en 2

Isaac Newton- vermoeden elektriciteit speelt een rol in je lichaam

Luigi Galvani- elektrische prikkeling van buitenaf

Camillo Golgi- histologie van het zenuwstelsel - zenuwstelsel =1 groot netwerk van uitlopers

Ramon y Cajal- volmaakt kleuringmethode Golgi - zenuwstelsel=gepolariseerde zenuwcellen

Helmholtz- meting voortplantingssnelheid van impulsen

Theodor Schwann- cellen die mergschede vormen om zenuwceluitlopers

Ulf von Euler-Chepin- neurotransmitters in synapsen





Begrippen:

Neuronen- uitlopers met cellichaam

Zintuigcellen- cellen die gevoelig zijn voor een specifieke verandering

Homeostase van het inwendig milieu- zuurgraad, osmotische waarde van het bloed, koolstofdioxide gehalte in de weefsels en lichaamstemperatuur

Sensoriek- alle informatie die aan het zenuwstelsel wordt aangeboden

Sensorisch systeem- stelsel dat zich bezighoud met de ontvangst van de informatie en de vertaling ervan in een voor het zenuwstelsel bruikbare vorm

Sensor/ zintuigcel =receptor- cel die gespecialiseerd is in het opvangen van prikkels en het omvormen ervan ten behoeve van het zenuwstelsel

Zintuigen- ogen, oren, neus, tong, huid

Impulsen- kleine elektrische stroompjes



‘Vertalen’- vorm van energie word omgezet in elektrische energie

Impulsfrequentie- prikkelsterkte verhoogt→ toename impulsfrequentie



Drie typen zintuigcellen kijkend naar de ligging:

- Exterosensoren - liggen oppervlakkig tussen buitenwereld en lichaam, liggen in de zintuigen, prikkels komen van externe milieu

- Propriosensoren - zitten in pezen en gewrichten en evenwichtsorgaan, geven informatie over bewegingsapparaat

- Interosensoren - liggen in de wand van holle organen, vb.: mondholte, darmkanaal, longen, urinewegen, bloedvaten



Vijf typen zintuigcellen kijkend naar de prikkelsoort:

- chemosensoren - gevoelig voor verandering van de chemische samenstelling rondom cellen, chemische prikkels worden veroorzaakt door reukstoffen, smaakstoffen, koolstofdioxide, zuurstof en zuren. Vb.: smaakzintuigcellen, reukzintuig, chemosensoren in wand aorta en halsslagader

- Mechanosensoren - geprikkeld door verandering van de eigen celvorm door trilling, trekspanning of bewegingen van de omringende vloeistof. Vb.:tast- en drukzintuigen in je huid, bloeddruksensoren in wand aorta en rekkingssensoren in spieren en pezen

- Thermosensoren - registreren temperatuurveranderingen, in huid warmte- en koudezintuigen, maar ook in centraal zenuwstelsel→ temperatuurveranderingen in het bloed

- Elektromagnetische sensoren - prikkel is licht, vorm van elektromagnetische straling. Wordt ook wel lichtsensoren of fotosensoren genoemd. Liggen in de ogen.

- Pijnsensoren - gevoelig voor beschadiging of dreigende beschadiging. Liggen in huid en wand van holle organen. Waarschuwen voor dreigende beschadiging voor henzelf en directe omgeving



§3

neuronen- zenuwcellen - impuls geleidende cellen

gliacellen- steuncellen - dienen voor de voeding en bescherming van zenuwcellen

dendrieten- korte celuitlopers

axon/neuriet- lange celuitloper die impulsen van het cellichaam weg voert naar andere neuron/ spier/ klier

myelineschede- vetachtige stof die de axon omhuld

insnoeringen van Ranvier- insnoeringen die de myelineschede onderbreken

synaps- contactplaats voor impulsoverdracht

synaptische spleet- ruimte tussen beide cellen

synaptische blaasjes- in het cytoplasma van axon→bevatten neurotransmitter

neurotransmitter- chemische signaalstof

stimulerende neurotransmitters- wekken opnieuw impuls op

remmende neurotransmitters- zorgen dat de impuls niet verder gaat



Neuronen zijn gespecialiseerd in het opvangen en vervoeren van impulsen.

In een zenuwceluitloper is altijd sprake van eenrichtingsverkeer - synaps

Op dendrieten zijn honderden synapsen aangesloten, veel info tegelijk



3 typen neuronen op grond van hun functie:

- sensorische neuronen/ sensibele neuronen - vervoeren impulsen van de sensoren naar het centraal zenuwstelsel. 1 lange dendriet→bezit ook myelineschede, axon ook lang.

Functie dendriet: impulsrichting is van periferie (huid, ingewanden, spieren) naar cellichaam

Functie axon: stuurt impulsen naar centraal zenuwstelsel

- motorische neuronen - vervoeren impulsen van centraal zenuwstelsel naar rest lichaam, verbinden cz.met uitvoerders( spieren, klieren). 1 groot cellichaam, 1 lange axon, meerdere korte dendrieten→axon eindigt in verbreding/ vertakking

- schakelneuronen - dragen impulsen over van de ene op de andere zenuwcel. Dendrieten en axon kort→ meeste neuronen in ruggenmerg en hersenen.



3 functionele gedeelten van zenuwcel

- receptief gedeelte - opvangende gedeelte: dendrieten en cellichaam

- conductief gedeelte - geleidende gedeelte: axon

- transmissief gedeelte - overdragende gedeelte: synaps (van zenuwcel naar zenuwcel), motorisch eindplaatje( zenuwcel naar spier/ klier cel)



§4

grijze stof- cellichamen en dendrieten→ schakelcentrum

witte stof- gemyeliniseerde zenuwceluitlopers→ geleidingsweg

baan- gemyeliniseerde axonen binnen cz.→opstijgend (ben.naar boven) met sensorisch zenuwweefsel, afdalend met motorisch zenuwweefsel→witte stof

kern- ophoping cellichamen en dendrieten met gemeenschappelijke functie binnen cz.→grijs

zenuwknoop (ganglion)- kern buiten de hersenen

gemengde zenuw- sensorische en motorische zenuwbundels worden samengevoegd

ruggenmergzenuwknoop (spinaal ganglion)-cellichamen van sensorische zenuwen

centrale kanaal- bevat hersenvocht

ruggenmerg- snelweg waarlangs impulsverkeer gaat van en naar de periferie en hersenen.

Piramidenbanen- dikke banen met alleen maar motorische zenuwweefsels

Piramidekruising- kruising van p.banen op overgang van verlengde merg en ruggenmerg

Piramidecellen- bijbehorende motorische zenuwcellen in hersenen

Hersenzenuwen- zenuwen die ontspringen aan het verlengde merg

Olijfkernen- schakelcentra voor info over evenwicht (te zien als verdikkingen tussen uittredende hersenzenuwen)

Merg- witte stof in midden van kleine hersenen

Schors- grijze stof aan buitenkant kleine hersenen

Hemisferen- spiegelbeeldige helften van grote hersenen

Ventrikel- holten gevuld met hersenvocht

Schorsgebied (schorsveld)- afgrenzend schorsgedeelte met bekende functie



zenuwstelsel naar ligging (anatomisch)

- centrale zenuwstelsel- hersenen en ruggenmerg. Ligt in benig omhulsel (schedel en wervelkolom)

- perifere zenuwstelsel- zenuwen die de organen van het lichaam met hersenen en ruggenmerg verbinden



zenuwstelsel naar functie (functioneel)

- animale zenuwstelsel- reguleert wisselwerking tussen individu en omgeving. Bestuurt dwarsgestreepte skeletspieren→doelwitorganen

- autonome zenuwstelsel- reguleert en coördineert organen die te maken hebben met het levensonderhoud van de cellen→regelt hartwerking,spijsvertering,uitscheiding enz. doelwitweefsels:gladde spieren,klieren,hartspier→werkt nauw samen met: endocriene stelsel



zenuwen zijn onderdeel van het perifere stelsel

zenuwvezels omringd door myeline en daaromheen bindweefsellaagje →honderden=zenuwbundel, omgeven door bindweefselmantel

→meerdere=zenuw, bindweefsel jasje

meeste zenuwen bevatten sensorische als motorische axonen - gemengde zenuwen



Ruggenmerg

ligging: wervelkolom, van achterhoofdsgat tot 1e of 2e lendenwervel (tussen elke wervel ontspringen vier bundels zenuwvezel→rug=sensorisch, buik=motorisch)

32 paar ruggenmergzenuwen en ruggenmergzenuwknopen.

Kern van ruggenmerg wordt gevormd door vlindervormige structuur→grijze stof van cellichamen van motorische zenuwcellen en schakelcellen.

Middenin structuur ligt centrale kanaal, rondom witte stof met



Hersenstam

Ruggenmerg gaat over in hersenstam bij achterhoofdsgat, verbindingsweg.

3 delen: verlengde merg, brug van Varol (pons) en middenhersenen

- verlengde merg- ong. zelfde als ruggenmerg: vlinderfiguur (schakelcellen) en witte stof (banen)→opstijgende en afdalende banen van ruggenmerg. 2 piramidebanen

12 paar hersenzenuwen

regelcentra in grijze stof: hartregulatiecentrum, ademcentrum, temperatuurregulatiecentrum. Ook olijfkernen→info naar: grote hersenen (bewustwording), kleine hersenen (coördinatie tussen balans en beweging) en hersenstam (reflexen)

- pons- schakelcentrum, te zien aan anatomische vorm→dwarse streping van links naar rechts→veel zenuwbanen naar beide helften van kleine hersenen

- middenhersenen- schakelcentrum tussen ruggenmerg en bepaalde delen van hersenen.



Kleine hersenen

Ligging: boven en achter hersenstam.

Opp. Schors is geplooid voor meer ruimte

Zorgen voor regulatie en coördinatie van lichaamsbewegingen. Staan in verbinding met grote hersenen, hersenstam en ruggenmerg.

Vb. opnemen van telefoon.

Grote hersenen sturen. Spieren worden door motorische zenuwcellen geprikkeld. Kopie word naar kleine hersenen gestuurd en die nemen coördinatie over (remmen, goede plek). Sensorische info komt terug via verlengde merg en hersenstam (olijfkernen)



Tussenhersenen:

Ligging: tussen hersenstam en grote hersenen.

Regelcentra:

- thalamus- reguleert sensorische informatie→ te veel info voor grote hersenen (kou, en van zintuigen) dus thalamus filtert wat er door mag.

- Hypothalamus

• belangrijke regelcentra: bloeddrukcentrum, temperatuurcentrum, dorst en hongercentrum.

• Beïnvloed werking van hypofyse en hormoonklier (zitten eraan vast)



Grote hersenen:

Zorgen voor bewust handelen.

Binnen witte stof (merg), buiten grijs (schors). Buitenkant schors sterk geplooid.

Merg bestaat uit banen→ 3 groepen:

- associatie banen: banen binnen een hemisfeer. Verbinden schorsgebieden.

- Commissuren: banen tussen beide hemisferen. Hersenbalk belangrijk commis.

- Opstijgende (sensorisch) en afdalende (motorisch) banen: verbinding tussen hersenen en lager gelegen delen van zs. Belangrijke afd. banen zijn piramidebanen.



Concentraties van grijze stof=kernen→bevatten specifieke schakelcentra (straatkernen, lensvormige kernen)

Elktype zintuig heeft eigen primaire zintuigcentrum→ ontvangen prikkels van zintuig.

Ook een secundair zintuigcentrum→interpretatie, info opslaan, verbinden met ervaringen

Zintuigcentra=sensorische centra

Motorische centra→bewuste bewegingen. Impulsen worden naar skeletspieren gezonden.

Links bestuurt rechts en andersom→piramidekruising.

Hersenhelften lijken gelijk maar links meestal overheersend (rechtshandig)

Primaire motorische schorscentra- geven opdrachten voor bewegingen en bewegingspatronen (onbewust en zeer bewust). Bepaalde gebieden besturen bepaalde delen

Secundaire motorische schorscentra- sturen impulsen weg die een rol spelen bij coördinatie van gecompliceerde bewegingen (aangeleerd→geheugen)



Geheugen:

Ligging: verspreid over schors.

- Ultra-kortetermijngeheugen- alleen veranderingen die impulsen in zenuwcellen teweegbrengen (zintuiglijke info). Kleine capaciteit.

- Kortetermijngeheugen- veranderde RNA-activiteit in cytoplasma van zenuwcellen. Duurt ong. half uur . activiteiten verrichten zonder alles op te slaan

- Langetermijngeheugen- levenslange veranderingen in cel activiteit. Aanmaak van speciale eiwitten.



Slapen en dromen:

Slapen- herstellen van activiteiten→aanvullen van neurotransmitter blaasjes.

Rustige slaap- geen droom. Vast in slaap (slaapwandelen)

Droomslaap- spierslapte, onregelmatige hartslag en ademhaling, dromen, spiersamentrekkingen (ledematen en gezicht), ogen maken snelle bewegingen→ REM-slaap (rapid eye movements). 4 tot 5 keer droomslaap.



PET-scan en functionele MRI (ct, echo, MRI, röntgen→zie aant.) (zie ook opdr.13)

PET-scan (positron-emissie-tomografie):

Voor de PET scan word er gebruik gemaakt van een radioactieve stof. Deze word in je lichaam ingespoten en verspreid zich over je lichaam. Als het verspreid is zend het straling uit die met detectoren kan worden waargenomen.

Met de PET scan kan in het hele lichaam gekeken worden.

Het nadeel is dat de patiënt wel eerst een radioactieve stof moet worden ingespoten



Functionele MRI:

Bij de functionele MRI worden er tijdens de behandeling kleine opdrachtjes uitgevoerd. De hersenactiviteit op zo’n moment word door de MRI vastgelegd. Op deze manier kan er gekeken worden welk deel van de hersenen werkzaam is, en of elk deel van de hersenen werkt zoals het hoort.



§5

antagonistischs- tegengesteld

dubbele innervatie- doelwitorgaan krijgt zowel orthosympathische als parasympathische impulsen

interne norm- normaalwaarde voor een factor

effector- uitvoerder (spier of klier)

osmotische waarde- hoeveelheid water die het aantrekt.

Bewegingsapparaat- botten, gewrichten, spieren en zenuwen

Gewricht- verbinding tussen twee aan elkaar grenzende botstukken

Gewrichtskom (gewrichtskogel)- aan elkaar liggende botten passen op/in elkaar.

Scharniergewricht- kan alleen buigen en strekken

Meniscus- sikkelvormig stukje kraakbeen

Motorische eenheid- spiervezel en bijbehorende neuron

Synergistisch- versterkend

Reflex- spontane activiteit van orgaan als gevolg van een of andere prikkel

Ruggenmergreflexen- reflexen die via het ruggenmerg lopen

Hersenstamreflexen- reflexen van hoofd en nek



autonome zenuwstelsel- zorgt voor werking van en coördinatie tussen inwendige organen (5 stelsels). 2 delen met tegensgestelde werking→parasympathisch en orthosympatisch

bestaat uit zenuwknopen met zenuwen verbonden met organen en ruggenmerg en hersenen



5 stelsels (handhaving van de homeostase van het inwendige milieu):

- Circulatiestelsel. Hart, bloed, bloedvaten, lymfevaten

- Spijsverteringsstelsel. Maagdarmkanaal, spijsverteringsklieren

- Uitscheidingsstelsel. Lever, nieren, urinewegen

- Ademhalingsstelsel. Luchtwegen, longen

- Huid



Orthosympatische deel:

Actief wanner jij actief bent. Stimuleert hartactiviteit en ademhaling, verhoogt bloedsuikerspiegel en spanning in skeletspieren, remt spijsverteringsorganen

Parasympathische deel:

Actief als jij passief bent (na eten). Verlaagt bloedsuikerspiegel, remt hart en ademhalingsact.

Doelwitorganen: gladde spieren, hartspier en klieren.



Regelkringen:

- zenuwcellen ontvangen, vertalen→cz, registreerd.

- Cz. Vergelijkt verandering met interne norm.

- Verschil in verandering kan leiden tot uitzenden van signalen naar effector→reageren

- Reactie kan leiden tot opheffing of vermindering van het verschil tussen registratie en interne norm, of andere regelkring in werking

- Zintuigcellen signaleren nieuwe waarde en koppelen naar cz.

- Cz. Vergelijkt opnieuw en corrigeert nieuwe situatie



Terugkoppeling is belangrijk voor evenwicht.



Bloeddruk:

- Wand aorta zitten sensoren. In verlengde merg worden impulsen verwerkt→remt of stimuleert hartactiviteit (hartspiercellen=effector)

- Vernauwen of verbreden van bloedvaten

Bloeddruksensoren blijven meten, verandering kan blijven plaatshebben.

Hoge bloeddrukk→vernauwde bloedvaten door cholesterolafzetting of aderverkalking→medicijnen voor bloeddruk verlagen en cholesterolgehalte verlagen.



Co2-gehalte:

Aorta en halsslagader zitten zintuigcellen→informeren hersenen. Ademcentrum stuurt impulsen naar spieren die ademhaling beïnvloeden. Adem inhouden kan je meten bij welke maximale co2-concentratie ademcentrum zulke sterke impulsen uitzend dat je moet ademhale



Glucosegehalte:

In hypothalamus zit honger en verzadigingscentrum. Belangrijke factoren zijn:

- glucosegehalte van bloed→sensoren in hongercentrum. Honger=weinig glucose

- mate van rekking van maagwand→reksensoren in maagwand→impulsen naar hongercentrum

Niet met voedingswaarde te maken, glas water neemt ook tijdelijk honger weg



Osmotische waarde:

Zintuigen in hypothalamus (osmoreceptoren of osmosensoren)→siganleren te hoge of lage ion-concentratie→zetten processen van oplossing of uitscheiding op gang.

Neurale regelkring verloopt via dorstcentrum in hypothalamus.

Vb. zoute drop gegeten. Dorstcentrum signaleert hoge osmotische waarde→nieren worden hormonaal beinvloed (hormoon ADH)→minder vocht uitscheiden of drinken.



Temperatuur:

Hersencentra en hypothalamus. Als bloedtemp. Stijgt of daalt→Impulsen naar bloedvaten voor bloedvatvernauwing (afkoeling) of verwijding (verhitting).

Dreigende hoge lichaamstemp.→hijgen

Dreigende lage temp.→schildklier getimuleerd meer thyroxine te maken. Thyroxine verhoogt celstofwisseling waardoor warmte vrijkomt.

Nog te koud→skeltetspieren trillen en haren omhoog, bewust reageren: schuilen, aankleden.

koorts→thermostaat in hypothalamus te hoog afgesteld.



Regeling van lichaamsprocessen is gevoelig voor stemming en emoties.



Lichaamsbewegingen

Skeletspieren worden bestuurd door motorische zenuwcellen van animale zenuwstelsel.

Animale stelsel bestuurt bewuste bewegingen.

Met bewegingsapparaat bestuur je: houding, beweging, voortbewegen, gebaren, vermogen om gereedschappen te hanteren.



Skelet:

Geeft steun van binnenuit, biedt tegengewicht aan zwaartekracht, bescherming van inwendige organen, aanmaken van rode bloedcellen in bepaalde botdelen met rood beenmerg. Meer dan 200 botten door gewrichten verbonden.

Spieren zijn door middel van pezen aan botten verbonden, overbruggen gewricht en maken beweging van botten mogelijk. Gewrichtsbanden houden botstukken op z’n plaats.



Kniegewricht:

Scharniergewricht. Dijbeen en onderbeen passen niet precies: kiert. Ruimte opgevuld door menisci. strekken→gewrichtsdelen passen precies (grootste stabiliteit). buigen→ruimte in het gewricht, je kan je onderbeen ten opzichte van bovenbeen draaien. Kruisbanden zorgen ervoor dat knie niet te ver doorbuigt.



Skeletspieren:

Dwarsgestreepte spieren (kunnen we laten bewegen onder invloed van onze wil), meer dan 600, vast aan skelet behalve: aangezichtsspieren (lippen, oogleden), middenrifspieren, kringspieren bij blaas en anus, tongspieren, oogspieren.

Functie: lichaam bewegen, lichaamshouding, vormen beschermende wand (wang, buikwand), produceren warmte.

Spier=meerdere spierbundels omgeven door bindweefselvlies.

Spierbundel=grote hoeveelheid spiervezels→kunnen verkorten→spier trekt samen.

Verkorten kost energie dus niet alle spiervezels in actie. Na spanning altijd ontspanning



Spierbewegingen:

Betrokken bij simpele beweging: twee botten, gewricht, spier, twee pezen en motorische zenuw (geeft commando). Elk spiervezel wordt door neuron bestuurd.

Meerdere spieren bij een beweging: synergistisch of antagonisch.

Elke spier heeft antagonist. Bij spannen ontspant antagonist.



Reflex:

Automatische motorische reactie op sensorisch impuls. Snel want impuls gaat niet eerst naar hersenen. Buiten wil.

Reflexen van autonome zs. Zonder dat we het merken. Glad spierweefsel (pupil, maagportierreflex), hartspier en klieren (speekselklieren).

Andere reflexen (met spieren) merken we wel (terugtrekreflex). Kan je onderdrukken.

Later pas bewust, dan pas naar grote hersenen, of je stapt er (bewust) overheen (punaise).



Reflexboog:

Weg die impuls aflegt vanaf plaats van prikkeling tot plaats van handelen.

zintuigcel→sensorische zenuwcel→schakelcel in ruggenmerg of hersenstam→motorische zenuwcel→spier of klier cel.



Reflexen waar ledematen bij betrokken zijn, ontlastingsreflex en urinelozingreflex=ruggenmergreflexen

Speekselreflex, pupilreflex, slikreflex, ooglidslagreflex, niesreflex=hersenstamreflexen



Kniepeesreflex:

Spanning in kniepees verhoogt→spiercellen in bovenbeen uitgerekt→rekking word gevoeld en impulsen naar ruggenmerg→overgedragen op motorische zenuwcel→stimuleert om samen te trekken→onderbeen wipt omhoog.

Natuurlijke oorzaak=achteroverhellen van je lichaam.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.