Hoofdstuk 8 Opslag, uitscheiding en bescherming

Beoordeling 5.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vmbo | 1035 woorden
  • 6 augustus 2006
  • 87 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.9
  • 87 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Hoofdstuk 8: opslag, uitscheiding en bescherming.

Doelstelling 1
Je moet kunnen beschrijven hoe bij de mens een vrij constant inwendig milieu wordt gehandhaafd.
· inwendig milieu: weefselvloeistof en bloedplasma.
- het constant houden van de samenstelling van het inwendige milieu vindt plaats door opname, opslag en uitscheiding van stoffen.
- Hierbij spelen hormonen (bijv. insuline en glucagon), zintuigen en zenuwcellen een belangrijke rol.
· opname: een tekort aan bepaalde stoffen wordt voorkomen doordat regelmatig stoffen worden opgenomen uit het uitwendige milieu.

- darmkanaal: opname van voedingsstoffen.
- Longen: opname van zuurstof.
· opslag: stoffen waarvan een teveel aanwezig is in het inwendige milieu worden eventueel in gewijzigde vorm in bepaalde organen opgeslagen.
- in de lever: glucose (dat wordt omgezet in glycogeen), bepaalde mineralen (o.a ijzer) en bepaalde vitamines.
- In spieren: glucose.
- In het onderhuidse bindweefsel: vet
- In het gele beenmerg van pijpbeenderen: vet.
· opgeslagen stoffen worden (eventueel in gewijzigde vorm) weer in het inwendige milieu gebracht.
- uit lever en spieren: glycogeen.
· uitscheiding: overtollige en of schadelijke afvalstoffen worden aan het inwendige milieu onttrokken en uit het lichaam verwijderd.
- nieren: urine met vooral water, ureum en zouten.
- Lever: gal met galkleurstoffen (afbraakproducten van dode rode bloedcellen).

- Longen: koolstofdioxide.

Doelstelling 2
Je moet de functies van lever kunnen noemen. Ook moet je kunnen omschrijven wat hepatitis is.
· constant houden van het glucosegehalte van het bloed.
- bij een hoog glucosegehalte van het bloed wordt in de lever glucose omgezet in glycogeen. Glycogeen wordt opgeslagen.
- Bij een laag glucosegehalte van het bloed wordt in de lever glycogeen omgezet in glucose.
· produceren van het bloedeiwit fibrinogeen.
· Afbreken van overtollig eiwitten.
- hierbij ontstaat de giftige afvalstof ureum.
· produceren van gal.
· Afbreken van dode rode bloedcellen.
- galkleurstoffen worden met de gal uitscheiden.
- IJzer wordt opgeslagen.
· opslag van mineralen (o.a ijzer) en vitamines.
· Ontgiften van het bloed.
- alcohol, drugs en medicijnen worden onwerkzaam gemaakt.
· hepatitis: ontsteking van de lever veroorzaakt door virussen of giftige stoffen.
- hepatitis A: wordt veroorzaakt voor een virus dat via uitwerpselen en besmet voedsel of water wordt overgebracht. Verschijnselen: vermoeidheid, verminderde eetlust, hoofdpijn en overgeven.
- Hepatitis B: wordt veroorzaakt door een virus dat via bloed, sperma of vocht uit de vagina wordt overgebracht. Verschijnselen: aanvankelijk dezelfde als bij hepatitis A: in een later stadium mogelijk leverkanker of levercirrose (afsterven van levercellen).

Doelstelling 3:
Je moet de delen van nieren en van de urinewegen kunnen noemen met hun functies en kenmerken.
· functies van de nieren en de urinewegen.
- uitscheiding van overtollig water, overtollige zouten, afvalstoffen (o.a ureum) en schadelijke stoffen. Deze stoffen worden samen urine genoemd.
- De samenstelling van urine is wisselend: deze is afhankelijk van de hoeveelheden van de stoffen in het inwendige milieu.
· delen van een nier:
- nierschors en niermerg: vorming van urine.
- Nierbekken: verzamelen van urine.
· delen van urinewegen.
- urineleiders: afvoer van urine naar urineblaas.
- Urineblaas: tijdelijke opslag van urine.
- Urinebuis: afvoer van urine naar buiten.

Doelstelling 4:
Je moet de delen van de huid en van het onderhuidsbindweefsel kunnen noemen met hun functies en kenmerken.
· de huid bestaat uit opperhuid en lederhuid.
· Opperhuid: hoornlaag en kiemlaag. In de opperhuid liggen geen bloedvaten.
- hoornlaag (dode, verhoornde celresten): bescherming tegen beschadigingen, uitdroging en infecties.
- Kiemlaag (levende cellen): pigment beschermt tegen ultraviolette straling. De onderste laag cellen deelt zich voortdurend. Hierdoor wordt de steeds afslijtende hoornlaag aangevuld.
- Haar met haarzakje (uitstulping van de kiemlaag) en talgklieren. Talg houdt het haar en de hoornlaag soepel. Ook gaat talg aantasting van de huid door ziekteverwekkers tegen.
· lederhuid: bevat bloedvaten, haarspiertjes, zweetklieren met zweet kanaaltjes, zenuwen en zintuigen (warmte, koude, druk, tastzintuigen).
· Onderhuids bindweefsel.
- opslag van vet in vetcellen: het vet heeft een warmte – isolerende werking.

Doelstelling 5:
Je moet kunnen beschrijven hoe de lichaamstemperatuur min of meer constant wordt gehouden.
· constante lichaamstemperatuur door evenwicht tussen warmteproductie en warmteafgifte.
- het temperatuurregelcentrum in de hersenen regelt de warmteproductie en de warmteafgifte van het lichaam.
- Warmteproductie door verbranding.
- Warmteafgifte via bloed dat door de huid stroomt en via zweet dat verdampt (door verdamping wordt warmte aan het lichaam onttrokken).
· bescherming tegen stijging van de lichaamstemperatuur.
- bloedvaten in de huid worden wijder (de huid wordt roder).
- Zweetklieren produceren meer zweet.
· bescherming tegen daling van de lichaamstemperatuur.
- bloedvaten in de huid worden nauwer (de huid wordt bleker).
- Zweetklieren produceren minder zweet.
- Warmteproductie door verbranding neemt toe (o.a rillen, klappertanden).

Doelstelling 6:
Je moet kunnen beschrijven hoe antistoffen bescherming bieden tegen infecties en op welke manieren immuniteit kan ontstaan.
· antigenen (lichaamsvreemde stoffen): stoffen die niet in het lichaam thuishoren.
- op het oppervlak van ziekteverwekkers komen lichaamsvreemde eiwitten voor.
· infectie: ziekteverwekkers dringen het lichaam binnen.
- witte bloedcellen van een bepaalde type produceren antistof tegen de lichaamsvreemde stof van de ziekteverwekker.
- De antistof hecht zich aan de lichaamsvreemde stof van de ziekteverwekker, waardoor deze onschadelijk wordt gemaakt.
- Een type antistof kan zich maar aan een type lichaamsvreemde stof hechten.
· immuniteit: na een infectie blijft de antistof tegen de ziekteverwekker in het bloed aanwezig, of kan bij een nieuwe infectie met dezelfde ziekteverwekker snel worden gemaakt.
- natuurlijke immuniteit: ontstaat doordat een persoon de ziekte doormaakt, bijv. waterpokken.
- Kunstmatige immuniteit: ontstaat door inenting.
- Bij actieve immunisatie wordt een vaccin ingeënt (met een dode of verzwakte ziekteverwekker). De persoon vormt dan zelf antistoffen.
- Bij passieve immunisatie wordt een serum ingeënt (met een of meer antistoffen). De persoon vormt dan zelf geen antistoffen.

Doelstelling 7:
Je moet de problemen kunnen beschrijven die door het afweersysteem worden veroorzaakt bij transplantaties en auto-immuunziekten.
· transplantatie: een aangetast weefsel of orgaan word vervangen door een ander weefsel of orgaan.
- zo mogelijk is dit van de patiënt zelf afkomstig, of van een nauw verwante persoon.
- Als het nieuwe weefsel of orgaan afkomstig is van een andere persoon (donor), kunnen afstotingsreacties optreden. Het lichaam maakt dan antistoffen tegen antigenen op het lichaamsvreemde weefsel of orgaan.
- Xenontransplantatie: de transplantatie van dierlijke organen naar mensen (wellicht in de toekomst mogelijk).
· auto-immuunziekte: ziekte waarbij het afweersysteem een lichaamseigen eiwit niet meer herkent (bijv. reuma).
- gevolg: er worden antistoffen gevormd tegen een lichaamseigen eiwit. Cellen met dit eiwit worden vernietigd.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

mooie samenvatting

egt bedankt

11 jaar geleden

A.

A.

Erg handig, vooral als je morgen de toets hebt en je boek bent vergeten.

10 jaar geleden