Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 7 t/m 11

Beoordeling 4.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 2875 woorden
  • 5 februari 2005
  • 24 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.2
  • 24 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Samenvatting biologie hoofdstuk 7 t/m 11:

Prikkels worden door zintuigcellen omgezet in elektrische signalen -> impulsen.
De impulsen worden vaak via zenuwen naar de hersenen geleid, daar wordt je bewust van de informatie. Dit noemen we waarneming.
Niet alle impulsen hebben waarneming tot gevolg, in de hersenen vind selectie plaats, alleen de belangrijke impulsen leiden tot waarneming en eventueel reactie.

Zintuigcellen zijn gespecialiseerde cellen, een zintuigcel reageert maar op 1 bepaald soort prikkel: de adequate prikkel.

Zintuigcellen die gegroepeerd liggen in een orgaan noem je een zintuig.
Zintuigcellen hebben een prikkeldrempel (je voelt niet alles)
Hoe sterker een prikkel hoe groter de impulsfrequentie (aantal impulsen per s).
Gewenning = impuls houd lange tijd aan, minder impulsen worden doorgegeven.

De buitenste laag van de oogbol is het harde oogvlies (het wit van het oog) dit is zeer stevig, de oogspieren waarmee je je ogen kunt bewegen zitten eraan vast.
Aan de voorkant gaat het harde oogvlies over in het doorzichtige hoornvlies, achter het hoornvlies ligt een met vocht gevulde ruimte, de voorste oogkamer.
De voorste oogkamer is van de rest van het oog gescheiden door de iris met daarin de pupil.
Vlak achter de iris zit je ooglens.

Tegen de binnenkant van het harde oogvlies vinden we van buiten naar binnen de onderdelen:
- het vaatvlies, hier zitten veel bloedvaten voor aan en afvoer van stoffen.
- het netvlies, hier bevinden zich de lichtgevoelige zintuigcellen. De zenuwvezels komen samen in de oogzenuw, deze brengt de impulsen naar de hersenen.
- het glasachtig lichaam, dit is een doorzichtige glasheldere massa, die de ruimte tussen de lens en het netvlies vult.
De wenkbrauwen, oogleden met wimpers en traankliertjes beschermen het oog.

Accommoderen = het platter of boller worden van de lens.
Als de accomodatiespier ontspannen is, trekken de ophangbandjes strak, hierdoor wordt de lens platter, (meer dan 6 m)
Als de accomodatiespier samentrekt, de lensbandjes trekken niet meer aan de ooglens, deze word boller (minder dan 6 m)
Ruimtelijk beeld = de 2 beelden van de ogen samenvoegen zodat je afstand en diepte kan schatten.
Als er te veel of te weinig licht op het netvlies valt, treed een pupilreflex in werking.
Is er te veel licht, dan trekken de kringspieren die de pupil vernauwen, samen.
Is er te weinig ligt dan trekken de straalspieren, die de pupil verwijden, samen.

De zintuigcellen liggen met hun lichtgevoelige kant tegen de pigmentlaag. Het licht dat niet door de zintuigcellen wordt gevangen, krijgt de pigmentlaag. Bij nachtdieren is de lichtabsorberende pigmentlaag of een deel, vervangen door een reflecterende laag , de lichtstralen worden gereflecteerd zodat ze opnieuw op de zintuiglaag vallen.
De lichtzintuigcellen worden onderscheiden in staafjes en kegeltjes.
In de staafjes zit een lichtgevoelige stof, deze kleurstof (staafjesrood) verbleekt als er licht op valt. Hierdoor ontstaan impulsen. Gebrek aan vitamine a maakt de staafjes minder gevoelig voor licht omdat er dan te weinig staafjesrood word gevormd.(nachtblindheid).
De staafjes werken bij lage lichtintensiteit.
In de kleurgevoelige kegeltjes heeft met 3 kleurstoffen gevonden, blauw, groen en rood licht.
Een kegeltje bevat 1 kleurstof. De kegeltjes hebben een hoge prikkeldrempel, ze werken alleen bij veel licht. Kleurenblindheid ontstaat door 1 van de 3 soorten kegeltjes niet meer werkt.
De gele vlek is een plaats op het netvlies waar zich alleen kegeltjes bevinden, dit werkt alleen bij sterke belichting, het aantal zintuigcellen is ook groter.
We bewegen onze ogen voortdurend zodat het licht op de gele vlek valt.
Schakelcellen geven impulsen van de lichtzintuigcellen door aan zenuwcellen die ze doorgeven aan het centrale zenuwstelsel.
De blinde vlek, verlaten de zenuwcellen van het netvlies het oog, je kan hier niks zien omdat er geen zintuigcellen zijn.

Verziendheid = lezen van boeken word moeilijk, dichtbij zien. (bolle lens in bril)
Bijziendheid = voorwerpen in de verte niet scherp kunnen waarnemen. (holle lens in bril)
Lui oog = het beeld van het slechtste oog word onderdrukt door de hersenen en daardoor stopt de functieontwikkeling van dit oog. Door het afplakken van het andere oog kan je dit verhelpen.
Bij grauwe staar word de ooglens troebel, iemand die dit heeft ziet wel licht maar geen beelden, door de ooglens te verwijderen kan iemand weer beelden zien.

Het zenuwstelsel kan je onderscheiden in het centrale en perifere zenuwstelsel
Centrale: grote, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg
Perifere: uitlopers van zenuwcellen en zenuwcellen in de romp en ledematen.
Autonoom: hartslag,spijsvertering. Geen controle over hoeven er niet over na te denken
Animaal: wat je kan beïnvloeden, wat je gaat doen, lopen, praten enz.
Autonoom bestaat uit sympathisch deel en parasympathisch deel. Het sympathische deel brengt het lichaam in een toestand van activiteit het parasympathische deel doet het omgekeerde.

Een zenuwcel kan elektrische signalen, impulsen, transporteren, met een snelheid tot 120 m/s.
En zenuwcel bestaat uit een cellichaam met lang en korte uitlopers. Dit alles kan impulsen geleiden, het impuls word opgewekt in het uiteinde van een uitloper en resit via het cellichaam naar de andere uitloper waar het doorgegeven word aan een andere zenuwcel, spier of klier.
Motorische zenuwcel: leiden van impulsen vanuit het centrale zenuwstelsel naar spieren of klieren.een lange uitloper die contact maakt met een spier kan wel 1 m lang zijn.
Secretorische zenuwcel: zelfde bouw maar brengt impulsen naar klieren.
Schakelcel: hier liggen ook die uitlopers binnen het centrale zenuwstelsel, sommige brengen verbindingen tot stand tussen sensorische en motorische zenuwcellen. Andere verzorgen verbindingen tussen schakelcellen onderling. De uitlopers zijn ook minder lang dan motorische zenuwcel.
Sensorische zenuwcel: deze geleid impulsen naar het centrale zenuwstelsel, het heeft 2 uitlopers, 1 lange die uitkomt op zintuigcel, 1 kortere uitloper die uitkomt op zenuwcel binnen het centrale zenuwstelsel.

Zenuwen zijn bundels uitlopers van zenuwcellen.
Motorische zenuw: alleen uitlopers van motorische zenuwcellen
Sensorische zenuw: een bundel uitlopers van sensorische zenuwcellen
Gemengde zenuw: uitlopers van sensorische en motorische zenuwcellen.

Segmentatie = opgebouwd uit stukjes.
Wervelkanaal = de wervelgaten van de wervels.
In het wervelkanaal bevindt zich het ruggenmerg dat beschermd word door 3 vliezen en een ruimte met vocht. Tussen elke wervel zit een linker en rechter ruggenmergzenuw.
De tak aan de rugzijde heeft een verdikking, de zenuwknoop
In de zenuwknoop liggen cellichamen van de sensorische zenuwcellen, die impulsen geleiden van zintuigcellen naar het centrale zenuwstelsel.
Aan de buikzijde ligt de motorische tak, deze brengt signalen naar spieren en klieren.
Functies van het ruggenmerg:
- reflex
- tast

een reflex is de snelst mogelijke reactie op een prikkel, deze is onbewust en gebeurt alleen bij bepaalde prikkels , bijv brandwond.

Onze hersenen zijn goed beschermd door 3 hersenvliezen, het bot van de schedel en daaromheen de huid met lagen vet en bindweefsel.
Net om de hersenen heen ligt een dun vlies dat het hersenoppervlak van bloed voorziet, daaromheen ligt een ander vlies en tussen deze 2 vliezen zit de hersenvloeistof. Het buitenste vlies is dik en leerachtig voor bescherming.
De hersenstam is een voortzetting van het ruggenmerg en vormt een belangrijke verbinding tussen het ruggenmerg en de kleine en grote hersenen.uitlopers van de linkerlichaamshelft gaan naar de rechterhersenhelft en andersom. De zenuwcellen hiertussen zijn met elkaar verbonden. Via de hersenstam verlopen sommige reflexen: het pupilreflex, het fixeren van de ogen, het draaien van de ogen naar een geluid. Ook het centrum van het hoestreflex, het geeuwreflex, niesreflex en reflexen van buikspieren. Ook ademhaling, lichaamstemperatuur, peristaltische bewegingen, slaap en waakritme en seksuele gevoelens worden geregeld door de hersenstam.
De kleine hersenen zorgen voor de regeling van de samenwerking van spieren en handhaving van evenwicht. Hiervoor hebben ze informatie nodig over de spanningstoestand van skeletspieren. Dit wordt gemeten door de spierspoeltjes. Dit zijn uitlopers van zenuwcellen die om spiervezels heen liggen.
De grote hersenen liggen over de andere hersenen heen, ze bestaan uit 2 helften, links en rechts. De helften zijn verbonden door hersenbalk. De hersenschors een dunne buitenste laag is grijs van kleur, door veel plooien heeft dit een groot oppervlak, en bestaat voor een groot deel uit zenuwcellen.
Centraal vinden we de hersenholte, dit is gevuld met vocht.
De hersenschors is verdeelt in sensorisch deel en motorisch deel.
De gevoelens en beweginscentra zijn verbonden en werken samen.

Autonoom ligt meer in hersenstam, animaal ligt in grote en kleine hersenen, centrale zenuwstelsel.
Sympathisch = lichaam in positie brengen voor actie, snellere hartslag, ademhaling en minder zin in eten. Dit wordt geregeld vanuit de grensstrengen, een verzameling zenuwknopen die in het ruggenmerg liggen. Van hieruit lopen zenuwen naar de organen.
Parasympatisch = minder actief , hartslag laag, ademhaling laag, zin in eten.
Word geregeld vanuit de hersenstam. Para en sympathisch werken elkaar tegen, en doen elkaars omgekeerde.
Als een zenuwcel geactiveerd word door wat dan ook loopt er een elektrisch stroompje lang het membraan, de impuls. Elke prikkel word als een serie impulsen doorgegeven. Als de prikkel sterker moet worden er meer impulsen doorgegeven geen sterkere.
Een contactplaats tussen 2 zenuwcellen noemen we synaps. De smalle ruimte tussen de 2 noemen we synapsspeelt.
Neurotransmitter word afgegeven en komt in de synapsspeel terecht, door diffusie komt de transmitter bij receptoren op het celmembraan van de volgende zenuwcel. Er is altijd 1 richtingsverkeer in het zenuwstelsel. Geen signalen kunnen terugreizen.

De snelheid waarmee impulsen worden afgegeven, hangt af van dikte van uitloper, en de aanwezigheid van de mergschede, dit is een mantel van eiwitten en vetten. Op sommige plaatsen is deze onderbroken, de knopen van ranvier.
De impulsen verlopen dan niet langs het celmembraan maar springen van knoop tot knoop, dit verhoogt de snelheid.
Dunne uitloper zonder mergschede, 0,5 m/s
Dunne uitloper met mergschede, 20 m/s
Dikke uitloper met mergschede, 120 m/s

Een hormoon wordt afgescheiden door een hormoonklier.
Deze geeft zijn product rechtstreeks af aan het bloed. Een hormoon wordt vervoerd via het bloed en kan alle cellen bereiken. Toch beïnvloed het alleen de doelwitcellen. Dit komt door de unieke structuur van elk hormoon, dat pas alleen op de receptoren van de doelwitcellen. Een hormoon word binnen enkele uren afgebroken maar het effect is lange tijd merkbaar.
Nog een paar eigenschappen van hormonen:
- ze zijn in lage concentraties werkzaam
- de concentratie van een hormoon in het bloed is bepalend voor de mate van reactie door doelwitcellen
- te hoge en te lage concentraties kunnen tot ziekteverschijnselen leiden
- niet soortspecifiek, waardoor het mogelijk word stoffen uit hormoonklieren van dieren voor medisch gebruikt bij mensen.

Om gezond te blijven moet het inwendig milieu tamelijk constant blijven. Hormonen hebben een belangrijke functie. Als er te grote afwijkingen zijn van de normwaarde, word een hormoon afgegeven dat ervoor zorgt dat de normwaarde herstelt wordt, hierbij werken autonoom zenuwstelsel en hormoonstelsel samen.
Zintuigcellen in het bloed reageren op veranderingen in bloedsamenstelling, ze geven dit door aan de hersenstam. De zenuwcellen in de hersenstam zenden impulsen uit naar hormoonklier die de hormoon productie verhoogt waardoor de normwaarde herstelt wordt. Zo gauw deze herstelt is krijg de hersenstam deze info weer binnen. Het gevormde hormoon heeft een remmende werking op de hormoonklier waardoor de productie weer sterk daalt, dit heet negatieve terugkoppeling.

De hypofyse is een heel kleine maar hele belangrijke hormoonklier, het ligt tegen de onderzijde van je hersenen. Het produceert het groeihormoon, FSH en LH.
De stofwisseling word geregeld door hormonen die gevormd worden in de schildklier, dit ligt onder het strottenhoofd, de schildklier is de enige hormoonklier die zijn product tijdelijk kan opslaan. Om het schildklierhormoon te maken (thyroxine) is jodium nodig.
Thyroxine versnelt de stofwisseling, doordat het de verbranding bevordert, het bevordert ook de groei. Als je teveel maakt, is je temp hoog, vermager je wat je ook eet, en transpireer je voortdurend. Als je te weinig maakt, temp laag.
De activiteit van schildklier word geregeld vanuit de hypofyse, door TSH.
TSH bevordert het schildklierhormoon en het schildklierhormoon remt de TSH weer.
Adrenaline word geproduceerd in de bijnieren, adrenaline werkt snel ipv langzaam.
Het bijniermerg en bijnierschors maken hormonen.
Het bijniermerg levert adrenaline, verhoging van adrenaline versnelt de hartslag, verwijding van bloedvaten in ledematen, het werkt darmperistaltiek tegen, ook glycogeen wordt omgezet in glucose hierdoor.
Samen zorgen ze ervoor dat je snel kan reageren in noodsituaties.

In de alvleesklier zijn groepjes cellen te vinden die een eigen functie vervullen: de eilandjes van Langerhans.
Ze bevatten 2 soorten cellen die hormonen produceren, de alfa en betacellen.
De alfacellen produceren glucagon, de betacellen insuline.
Glucose is de belangrijkste energieleverancier voor je lichaam.
Insuline bevordert de opname van glucose in de cellen, insuline verlaagt de bloedsuikerspiegel.
Glucagon bevordert de afbraak van glycogeen en vet, bloedsuikerspiegel verhoogt.

We hebben dwarsgestreept spierweefsel en glad spierweefsel.
Het dwarsgestreepte is verder te verdelen in skeletspierweefsel en hartspierweefsel, glad spierweefsel bevind zich in de wand van holle organen,zoals maag en bloedvaten.
Dwarsgestreept spierweefsel kun je met je wil beïnvloeden, uitzondering is je hart.
Skeletspierweefsel is dus altijd dwarsgestreept, Ook spieren is je gezicht.
Skeletspieren zijn opgebouwd uit spiervezels, deze ontstaan door vele spiercellen.
Een spiervezel van een dwarsgestreepte spier bevat dus meerdere celkernen.
Een groep spiervezels vormt een spierbundel, de hele spier is omgeven door de spierschede.
Pees = verbinding tussen spier en bot, kunnen niet samentrekken.
In spiervezels bevinden zich vele evenwijdig lopende fibrillen. Je hebt donkere en lichte fibrillen.
Elke spiersamentrekking word gevolgd door spierontspanning. Een spier kan zich alleen samentrekken, niet langer worden, daarom heeft elke spier een antagonist nodig. Bijv bicept triceps.
Constante spanning van spieren, heet tonus.
Glad spierweefsel kan niet door de wil beïnvloed worden, en zit in je darmwand, maagwand enz.
Een gladde spier is trager en kan veel langer samentrekken (vermoeid minder snel) dan een dwarsgestreepte. Elke gladde spiercel is dmv 2 zenuwuitlopers met het autonome zenuwstelsel verbonden, de ene heeft een stimulerend de ander een remmend effect op de gladde spiervezel. Ook deze spieren hebben een antagonist.
Het hart is een holle spier opgebouwd uit dwarsgestreept spierweefsel.
De hartspier vermoeid helemaal niet, de snelheid van samentrekken word door autonome zenuwstelsel geregeld.

Wit spierweefsel, is voor krachttraining, rood spierweefsel voor duurtraining.

Een mens kan alleen overleven wanneer hij zijn inwendig milieu constant kan houden. De lichaamscellen kunnen alleen functioneren als ze genoeg voedsel en zuurstof krijgen, als afvalstoffen worden afgevoerd, temp rondom de cellen 37 graden is en beschermd worden tegen uitdroging.

De huid is maar 2 mm maar beschermd ons tegen uitdroging.
De huid houd ziektekiemen buiten en heeft ook een functie bij temperatuurregeling.
Ze beschermd tegen uvstraling, kan vitamine D produceren en reservevoedsel opslaan in vorm van vet.

De huid bestaat uit de opperhuid en lederhuid, daaronder ligt het onderhuids bindweefsel, de huid maakt ongeveer 15 % van het gewicht van een mens uit en is daarmee het zwaarste orgaan.
De opperhuid bestaat uit lagen dekweefsel. De kiemlaag de onderste 1cel dikke laag van de opperhuid bestaat uit levende cellen die zich voortdurend delen.
De cellen schuiven langzaam door naar boven, na 4 a 5 weken zijn de cellen dood. Op plaatsen waar regelmatig druk op staat ontstaat eelt, hoornlaag word dikker.
Plotseling grote druk krijg je een blaar van. Tussen de cellen van de kiemlaag, liggen melanocyten die melanine produceert, dit is een donkere vloeistof, dit word aan cellen afgegeven. Daar schermt het melanine het dna in de celkern af voor uvlicht.
De lederhuid bestaat uit bindweefsel, waarin zintuigen, haren ,spiertjes enz liggen. Door de gevoelszintuigen heeft de huid ook een zintuiglijke functie.
De lederhuid gaat geleidelijk over in het onderhuids bindweefsel, dat de huid met onderliggend weefsel verbind.

Bij een wondje, het gladde spierweefsel van de bloedvatenwand trekt zich samen terwijl bloedpaatjes zich aan de wand vasthechten, de bloedplaatjes verliezen hun vorm en vormen uitlopers, ze hechten zich zo makkelijk aan elkaar en de wand. Ze geven ook een vaatvernauwende stof af om het wondje te sluiten. Na ongeveer 20 seconden start de bloedstolling, de wond word afgesloten doordat zich een trombus (bloedprop) vormt. In het bloedplasma bevind zich het vloeibare eiwit fibrinogeen, dat in de lever gemaakt wordt.
Bij bloedstolling gaat fibrinogeen over in fibrine, er vormt zich een netwerk van fibrinedraden waarin bloedserum en cellen worden opgesloten. Het stolsel trekt samen en perst een gele vloeistof uit, dit droogt uit en vormt een korst.

Trombose= er vormt stolling zonder wond.
Embolie= verstopping door prop in vaten.
Hemofilie= bloed heeft geen stollingsvermogen.
Albinisme = ontbreken van kleurstof in de huid.
Huidkanker wordt veroorzaakt door uvlicht omdat het het dna van de huidcellen beschadigt.
Melanomen zijn moedervlekker die groter worden of veranderen, moeilijker te genezen dan huidkanker.
Sproeten zijn het gevolg van een te sterke vorming van melanine onder invloed van zonlicht.

1ste graads verbranding: oppervlakkige huidlaag beschadigd
2de graads verbranding: we zien blaren
3de graads verbranding: huidweefsel en onderliggende weefsel beschadigd zodat het afsterft
acne is ontsteking van de huid, doordat een haarzakje door talg verstopt raakt.

Ons lichaam geeft warmte af door verdamping en geleiding
Verdamping vind plaats via de huid en ademhalingsoppervlak
Geleiding van warmte naar voorwerpen in directe omgeving is afhankelijk van de grootte van het opp. Het temp verschil en warmtegeleidend vermogen van materiaal

De regeling van productie en afgifte van warmte gebeurt reflectorisch door het warmteregelingscentrum in de hypothalamus, hier komt ook informatie binnen van de tempzintuigjes in de huid en die het bloed meten.
Als je het te warm hebt worden de bloedvaten in de huid wijder, meer bloed aan de oppervlakte, de zweetklieren werken harder.
Als je het te koud hebt, worden de huidbloedvaatjes nauwen, zweetkliertjes geven minder vocht af en de haren gaan rechtop staan, omdat de haarspiertjes samentrekken.
Koorts, je lichaam stelt de temperatuur tijdelijk een paar graden hoger af dan 37. menopauze = overgang. De hormoonproductie word onregelmatig, hierdoor reageert het warmtecentrum op onregelmatige momenten waardoor je gaat zweten.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.