ADVERTENTIE
Schoolexamens

Wist je dat je de boeken Examenbundel, Examenidioom, Zeker Slagen! en Samengevat ook heel goed kunt gebruiken bij het voorbereiden voor je schoolexamens?! Ze zijn momenteel in de aanbieding bij o.a. Bol.com.

Nu bestellen

Tussen binnen- en buitenzijde van het membraan van de cellen in je lichaam kun je een spanningsverschil meten. Deze spanning heet rustpotentiaal en varieert van 70 tot 100 mV, afhankelijk van het celtype. Het membraan is gepolariseerd door een ongelijke verdeling van geladen deeltjes. Die ongelijke verdeling komt tot stand door een (actief) mechanisme van transporteiwitten in het celmembraan: de natrium-kalium pomp. Zintuig-, zenuw- en spiercellen hebben in hun celmembraan speciale transportpoorten voor Na+ en K+. In rust zijn deze eiwitpoorten gesloten. Prikkeling van het membraan veroorzaakt een vormverandering in de eiwitporten. Het eerste effect van die verandering treedt op bij de Na+-poorten, die in rust vrijwel geen Na+ doorlaten. Doordat Na+ de cel in stroomt, verandert het potentiaalverschil. Wanneer de waarde verlaagt tot –50mV (de drempelwaarde) treedt een massale Na+-verplaasting op. Het membraanpotentiaal komt daarbij boven de 0mV, het membraan is gedepolariseerd. Hierna sluiten de Na+-poorten, terwijl de doorlaatbaarheid voor K+ in het membraan juist toeneemt. Doordat K+ de cel uitstroomt, raakt het membraan weer gerepolariseerd tot de rustwaarde van –70mV. Deze ionen uitstroom heet actiepotentiaal of impuls. Omdat de repolarisatie door de K+-stroom iets te lang aanhoudt, treedt heel even hyperpolarisatie op. Na een impuls zijn er meer Na+-ionen binnen en K+-ionen buiten de cel dan daarvoor. De Na+/K+-pomp herstelt de begin situatie. Niet alleen elektrische prikkels kunnen een impuls veroorzaken. Dat kan ook door chemische- en mechanische prikkels. Wanneer een prikkel niet sterk genoeg is om de drempelwaarde te laten passeren, ontstaat er geen impuls, maar slechts een lokale potentiaalverandering. Dit heet ‘de alles of niets wet’. De prikkelsterkte is van invloed op de impulsfrequentie: als een sterkere prikkel wordt toegediend, ontstaat in het neuron een groter aantal actiepotentialen per seconde. Op het moment dat een actiepotentiaal ontstaat, kan de cel niet op een tweede prikkel reageren. Deze periode duurt ongeveer 10-3s. en heet de absolute refractaire periode. Zolang de K+-kanalen nog openstaan verkeerd de cel in de relatief refractaire periode. Gedurende deze tijd kan alleen een heel sterke prikkel een (nieuwe) impuls opwekken.



De Na+ die de zenuwcel instroomt, verplaatst zich bijvoorbeeld nog géén millimeter opzij. Toch lijkt het of de ionen zich langs het zenuwcelmembraan verplaatsen. Dat komt door een opeenvolging van gebeurtenissen:



1. (ten gevolge van een prikkel) stroomt Na+ plaatselijk de cel in. Op die plaats wordt het celmembraan gedepolariseerd.

2. In de omgeving van de prikkelplaats heerst nog een rustpotentiaal. Er is dus een spanningsverschil met de directe omgeving ontstaan.

3. Het spanningsverschil is een elektrische prikkel voor het celmembraan in de omgeving. Ook daar gaan Na+-kanalen open.

4. Wanneer de omgeving van de prikkelplaats de drempelwaarde wordt gepasseerd ontstaat ook daar een impuls. Dit herhaalt zich: ‘de impulswave’ gaat lopen.

Sommige zenuwceluitlopers zijn wel een meter lang. Ze hebben een isolerende myelineschede. Deze bestaat uit cellen van Schwann, die een aantal keren om de uitloper gewikkeld zijn. In het membraan van Schwann-cellen zit een vetachtige stof: myeline. Om de 1 á 2 mm zit er een kleine ruimte tussen de Schwann-cellen: de insnoering van Ranvier. Op zo’n punt bevinden zich extra veel Na+- en K+-poorten. In de insnoering ontstaan de depolarisaties. De depolarisatie ‘springt’ daardoor één insnoering verder. In cellen met myelineschede gaat de geleiding sprongsgewijs. Dit verhoogt de snelheid van impulsgeleiding aanzienlijk. Aan het einde van een axon bevindt zich een synaps. Hier vindt chemische overdracht van impulsen plaats via neurotransmitters. Onder invloed van een impuls komen uit een presynaptische cel neurotransmitters vrij door exocytose. Hoe hoger de impulsfrequentie, des te meer neurotransmitter vrijkomt.



Stimuleren van de ene effector gaat gepaard met het remmen van de antagonist. In het zenuwstelsel zijn daartoe twee typen neurotransmitter werkzaam:



1. Stimulerende neurotransmitters: bijvoorbeeld acetycholine en noradrenaline. Ze veroorzaken depolarisatie van het postsynaptisch membraan.

2. Remmende neurotransmitters: bijvoorbeeld de stof GABA (gamma-amino-boterzuur). Deze neurotransmitter veroorzaakt hyperpolarisatie van het postsynaptisch membraan.

Iedere zenuwcel maakt slechts één type neurotransmitter. Door de vele contacten met andere zenuwcellen ontstaat er een netwerk van zenuwweefsel. Sommige contacten zullen de impulsfrequentie verhogen (excitatie), andere werken verlagend (inhibitie).

Bij een schrikreactie vormen pijnzintuigen samen met zenuwcellen en spieren een reflexboog (bestaat uit zintuigcellen, sensorische- en motorische zenuwcellen). Bij reflexen gaan impulsen altijd via het centrale zenuwstelsel (CZS): het ruggenmerg of de hersenstam. Het CZS bevat de cellichamen van de schakel- en motorische zenuwcellen uit de reflexboog. De aan- en afvoerende delen van het CZS vormen het perifere zenuwstelsel. Wanneer impulsen de hersenschors bereiken, start de bewustwording en kun je iets voelen. Bewustwording treedt niet alleen bij reflexen op. Bij een reflex zijn vele honderden zenuwcellen betrokken, waarvan de uitlopers in bundels bij elkaar liggen. Zo’n bundel zenuwceluitlopers omgeven door bindweefsel heet zenuw. Bevat de zenuw uitsluitend uitlopers van motorische of sensorische zenuwcellen, dan heet die zenuw een motorische respectievelijk sensorisch. Een gemengde zenuw bevat uitlopers van beide typen.



Zenuw- en hormoonstelsel werken nauw samen. Neuro-endocriene reflexen verlopen via hypothalamus en hypofyse. Het deel van je zenuwstelsel dat je orgaanfuncties regelt is het autonome zenuwstelsel. Die regeling gebeurd buiten je bewuste controle om. Via aparte zenuwen (sympatisch [vooral actief bij inspanning] en parasympatisch [vooral actief in rust]) prikkelen je hersenstam en ruggenmerg de organen voortdurend tot meer of minder activiteit. Je animale zenuwstelsel stuurt je skeletspieren. Een aantal neuronen in je hersenschors reageert op de informatie die vanuit je gezichts- en gehoorcentrum binnenkomt. Er gaan signalen naar een groep neuronen in de voorhersenen, de basale kernen. Deze activeren de hersenstam en in het ruggenmerg. De boodschap loopt via vele schakelingen door naar bepaalde romp en armspieren. Er is voortdurend terugkoppeling naar de hersenen, zodat de kleine hersenen je spieren kunnen bijsturen. Veel activiteiten doe je via motorprogramma’s. Zenuwcellen uit je ruggenmerg sturen bepaalde spieren aan zonder dat je daar bewust van bent.



Elk deel van de hersenenschors heeft zijn eigen functie. De impulsen uit je huid hebben een sensorisch centrum in je schors bereikt, dat de informatie verwerkt en vertaalt. Andere centra in de hersenschors prikkelen de spieren van je hand of activeren je beenspieren. Die centra zijn motorisch. De motorische schors is de plaats waar je motorprogramma’s start. Sommige motorprogramma’s zijn aangeboren. Normaal gesproken staan motorprogramma’s onder invloed van regelcentra in de hersenstam. Toch kun je ze via de motorische schors bewust beïnvloeden. In de hersenschors ontstaat dus de bewust wording. Wanneer je schrikt, verdrietig bent of juist blij, zijn in je hersenen centra van het limbische systeem actief. Dit systeem heeft vele verbindingen met de hypothalamus (en hypofyse). Langs deze weg hebben emoties invloed op je lichaam.



Als de kringspiertjes in de iris zich samen trekken wordt je pupil kleiner.

Het hoornvlies bestaat uit een laagje doorzichtige, levende cellen. Op het grensvlak van lucht en het waterige hoornvlies treedt de lichtbreking op. Dit komt door het verschil in dichtheid. De lichtbreking wordt vergroot doordat het oppervlak van je hoornvlies gebogen is. De taak van je ooglens is ervoor zorgen dat de beelden, onafhankelijk van de afstand van het voorwerp, scherp op je netvlies komen. De ooglens zit met een groot aantal lensbandjes vast aan het straalvormig lichaam. Dat bestaat uit een groot aantal kringspiertjes. Het straalvormig lichaam krijgt een grotere diameter en trekt via de lensbandjes de lens plat. Het resultaat is een scherp beeld. Als de lensbandjes verslappen krijgt je lens door zijn elasticiteit een bolle vorm. De vormverandering van je ooglens bij het scherpstellen heet accommoderen. Je ziet een beeld alleen scherp als het beeld op de gele vlek valt. In de gele vlek bevinden zich uitsluitend lichtgevoelige cellen met een spits uiteinde, de kegeltjes. Naar de zijkanten van het netvlies toe neemt het aantal kegeltjes af. Kegeltjes sturen wanneer ze in rust zijn, een constante stroom van informatie naar je hersenen. Ze bevatten pigment dat bij belichting uiteenvalt. Dit leidt tot een keten van chemische reacties, waardoor ionenkanalen sluiten en de informatiestroom naar de hersenen vermindert. De zintuigcellen in je oog werken precies tegenovergesteld aan je zenuwcellen, die pas informatie doorgeven wanneer ze geprikkeld worden. Voor je hersenen is het verminderen van de informatiestromen toereikend om een gekleurd beeld van je omgeving samen te stellen. Buiten de gele vlek bevat het netvlies miljoenen andere lichtreceptoren, de staafjes. Bij een niet te hoge lichtintensiteit werken zowel de kegeltjes als de staafjes. Staafjes zijn veel gevoeliger voor licht. Wanneer er veel licht is, zijn ze ‘verzadigd’. De ionenkanalen zijn dicht. In het schemerdonker wanneer de kegeltjes ‘in rust’ zijn, reageren staafjes echter wel op de zwakke lichtprikkels. Ze kunnen daarbij geen onderscheid tussen verschillende lichtkleuren maken, maar reageren uitsluitend op lichtintensiteit. Omdat in zwak licht de gele vlek niet actief is, is de scherpte van het beeld weg.



De bewerking en analyse van de beelden die je oog binnen komen beginnen al in het netvlies. De staafjes en kegeltjes geven hun impulsen door aan neuronen. In het netvlies zijn dat bipolaire cellen. Op zijn beurt geeft een bipolaire cel informatie door aan meerdere ganglion cellen. Bovendien zijn er neuronen die dwarsverbindingen leggen. Het menselijk netvlies bevat zo’n 125 miljoen staafjes en 7 miljoen kegeltjes. De informatie uit deze zintuigcellen gaat langs 1 miljoen zenuwcel-uitlopers door de oogzenuw naar de hersenen. Uit de aantallen kun je afleiden dat niet elk staafje of kegeltje rechtstreeks verbonden kan zijn met de hersenen. Staafjes en kegeltjes zijn in groepen geschakeld door de miljoenen vertakte zenuwcellen in het netvlies. Zo’n geschakelde groep zintuigcellen vormt met de afvoerende zenuwcellen een receptief veld. Van de 130 miljoen mogelijke beeldpunten blijven er door deze schakeling maar 1 miljoen over. Toch is deze opbouw zeker niet nadelig voor de beeldkwaliteit. In het netvlies wordt informatie selectief vernietigd om het contrast van je waarneming te verhogen. Dot is noodzakelijk om de vorm van objecten goed te kunnen waarnemen. Receptieve velden zijn cirkelvormig. De zintuigcellen in het centrum van een veld beïnvloeden bij belichting de doorgifte van impulsen vanuit de buitenring of andersom. Er zijn twee typen ganglioncellen gevonden: ‘aan’- en ‘uit’-cellen. Receptieve velden zijn er in twee uitvoeringen; aan-receptorvelden met aan-cellen in het centrum en uit-cellen in de buitenring en uit-centrumvelden met de uit-cellen in het centrum en aanceleen in de buitenring. Beide typen receptieve velden komen willekeurig verspreid in gelijke aantallen over het netvlies voor. Via de oogzenuw komen de impulsen in de thalamus, een gebied in de hersenen ter hoogte van de slapen. Vandaar geven neuronen de impulsen door naar de visuele schors in het achterhoofd. De visuele schors bestaat uit een aantal lagen neuronen. Elke laag is gespecialiseerd. Één laag analyseert bijvoorbeeld binnengekomen informatie en probeert verbanden te leggen tussen onderdel van het beeld. Verder is er een laag voor beweging, voor vorm en kleur en voor de contouren van objecten in beweging. Alle lagen werken samen. De visuele schors zendt vervolgens impulsen naar andere gebieden in de hersenen. Die zenuwcellen vergelijken de informatie met al opgeslagen informatie. Als je een lui oog hebt zie je soms nog maar voor 5%. Dat heeft te maken met de kruising van de oogzenuwen in de hersenen. Daarbij gaan uitlopers van de neuronen uit de linkerhelften van beide netvliezen naar één kant en die uit de rechterhelften naar de andere kant van de hersenen. De beelden van een voorwerp rechts van je, gaan dus naar je linker visuele schors en omgekeerd. Sommige uitlopers zoeken in de visuele schors contact met elkaar, andere verbreken hun band juist weer. Na zes jaar is dit proces voltooid, Vaak gaan in de schors de neuronen van één oog de boventoon voeren. Een erg actief oog verdringt zo het andere ‘luie’ oog. Plak je het dominante oog af, dan kan het andere oog het verloren terrein terugwinnen.



Je aandacht bepaalt voor een groot deel welke details je ziet van je omgeving. Je kijkt selectief.

In je binnenoor bevindt zich een gangenstelsel: het labyrint. Dat bestaat onder andere uit drie halfcirkelvormige kanalen, gevuld met een vloeistof, de endolymfe. Elk kanaal heeft een verdikt gedeelte. Op de bodem van deze verdikking bevinden zich zintuigcellen met lange zintuigharen (ciliën). Die haren steken in een geleiachtige massa, de cupula, die als een klapdeur in de endolymfe ligt. Bij elke beweging van je hoofd, bewegen de wanden van de kanalen met je hoofd mee. De endolymfe in die kanalen blijft door haar traagheid even stilstaan. Daardoor beweegt de cupula en geven de zintuigcellen impulsen af. Je zintuigen zijn gespecialiseerd in slechts één type prikkel: de adequate prikkel. Een verandering in de stand van je hoofd is de prikkel voor je evenwichtsorganen. Die prikkel moet echter wel voldoende sterkte hebben. Wanneer de cupula beweegt, wordt de prikkeldrempel overschreden waardoor er impulsen door de zenuw gaan. Mensen vertonen verschil in zowel het bereik van de adequate prikkel als in de hoogte van de prikkeldrempel. Je bewaart je evenwicht door het verwerken van informatie uit ogen, spieren en evenwichtsorganen.



Het zijn talloze, tussen de spiervezels gelegen zintuigjes, de spierspoeltjes, die informatie leveren. Spierspoeltjes zijn in rust ‘actief’: dan gaat er een constante hoeveelheid impulsen naar de hersenen. Wanneer de spier samentrekt, rekt het spierspoeltje op waardoor de impulsfrequentie toeneemt. Wanner er impulsen lopen naar de spiervezels, gaan ze ook naar de spierspoeltjes. Deze veranderen dan met de spieren mee, zodat ongewenste reflexen uitblijven. Zintuigjes die wel altijd op rek van spieren reageren, zijn de peeslichaampjes. Hoe meer spanning, hoe meer impulsen naar de hersenen gaan. Komt er te veel spanning op een pees, dan treedt een reflex op waardoor de spier verslapt. Dit voorkomt blessures, zoals het scheuren van een pees. Bij elke beweging zijn gewrichten betrokken. De hoek tussen je onder- en bovenbeen wordt gemeten door rekreceptoren uit het kniegewricht. Tijdens het intrekken zijn het telkens andere gewrichtszintuigjes die de buiging van je knie registreren. Hoe sneller de verandering, hoe meer impulsen. Met behulp van deze informatie coördineren je kleine hersenen de bewegingen van spieren en gewrichten. Door inspanning gaat je hart sneller kloppen. De bloeddruk stijgt. Dat neem je waar met een dun membraan in de aortaboog. Een sterkere rek van de wand leidt tot impulsen naar het hartregulatiecentrum in de hersenstam. Deze negatieve terugkoppeling gaat een verdere stijging van het hartritme zoveel mogelijk tegen.



Informatie komt binnen via zintuigen. Sommige informatie is op het eerste gezicht niet te plaatsen. Je reuk is een belangrijk zintuig. Geuren die je waarneemt, kunnen zo sterk werken dat ze weggezakte herinneringen weer oproepen. Verwar je reukzintuig niet met je smaakzintuig. Een belangrijk deel van wat je denkt te proeven betreft waarnemingen van vluchtige stoffen via de neus. Vandaar dat je minder smaak hebt als je neus verstopt is. Geur is ook een belangrijke factor in de communicatie tussen mensen. Meestal ben je je daar niet van bewust. Onder je oksels, rond je tepels en in de schaamstreek heeft je huid speciale geurklieren. Hiermee produceer je feromonen. Deze stoffen zijn signalen voor soortgenoten. Geurstoffen, waaronder feromonen, lossen op in het vocht van het neusslijmvlies en prikkelen de daar aanwezige reukzintuigcellen. Via de reukzenuw gaat de informatie naar het reukcentrum in de hersenen. Onderaan het neustussenschot zitten gespecialiseerde cellen. Dit deel, het vomeronasale orgaan, heeft een andere verbinding met de hersenen dan de overige reukzintuigcellen. Waarnemen doe je met je huid. Die bevat exteroreceptoren. Betasten gaat het beste met je lippen, want die bevatten de meeste tastzintuigcellen. Ze zitten overal in je huid, maar niet overal dicht op elkaar. Lippen hebben bovendien een dunne opperhuid, waardoor die tastcellen dicht aan het oppervlak liggen. Verspreid in de huid heb je ook thermoreceptoren. Dat zijn warmte- en koudezintuigcellen. In je elleboog zitten veel warmtezintuigcellen. Het combineren van opgeslagen informatie (geheugen) met nieuwe informatie uit de zintuigen schept iets nieuws. De manier waarop je deze informatie verwerkt: analytisch, creatief of chaotisch, hangt af van je erfelijke aanleg. Ergens in dat proces zit een stap die je als intuïtie kunt omschrijven. Het resultaat van het verwerkingsproces dringt door tot je bewustzijn.



Zwarte beren blijven ’s winters 5 maanden achter elkaar in hun hol. De vrouwtjes krijgen jongen die ze zogen en verzorgen. Vijf maanden lang eten ze niets. Ze drinken ook niets en scheiden ook geen urine uit. Voor ze in hun hol kruipen, bouwen ze een dikke vetlaag op. Als ze er zuinig mee omgaan, geeft dit vet voor de hele winter genoeg energie. De beren bewegen zo weinig mogelijk en brengen een groot deel van hun tijd soezend door (winterrust). Van eiwitten kan een beer echter net zomin als een mens grote voorraden. Hoewel beren eiwitten afbreken, zijn ze na vijf maanden niet verzwakt. Het ureum dat bij de afbraak ontstaat en in urine terechtkomt, wordt met urine en al weer uit de blaas in het bloed geresorbeerd. Daarna splitst de beer het ureum en maakt daaruit alle benodigde aminozuren voor nieuwe eiwitten. Reuzenpanda’s eten bijna alleen maar bamboescheuten. Ze zijn oorspronkelijk vleeseters, hebben dus zo’n gebit en darmkanaal. Daarom eten ze meer. Panda’s in wild nauwelijks vetlaag.



Een walvis gebruikt zelfs z’n tong om de temperatuur van z’n lichaam constant te houden. Wanneer de walvis zijn mond opendoet om (koud) water met voedsel te happen, koelt het warme bloed in z’n tong sterk af. Dat bloed stroom niet ‘gewoon’ terug naar centrale deel ven het lichaam, maar passeert een speciaal wondernetwerk. Hierin ontvangt het koud geworden bloed uit de tong warmte vanuit het slagaderlijk bloed. Dit heeft twee voordelen:

- het bloed in de tong wordt weer warm en heeft daardoor weinig invloed op de kerntemperatuur,

- het slagaderlijkbloed staat z’n warmte af ten behoeve van de kerntemperatuur en verliest het niet aan het koude zeewater.

Eenzelfde tegenstroomprincipe gebruiken walvissen in zwempoten en staartvin. Bovendien kan een walvis de hoeveelheid bloed die langs huid stroomt aanpassen via verandering van de diameter van de huidslagadertjes. Sommige kleine zoogdieren verlagen hun lichaamstemperatuur wanneer de omgevingstemperatuur sterk daalt. Hun bloed bevriest niet, waarschijnlijk doordat het diertje van tevoren alle deeltjes die als startpunt voor ijsvorming kunnen dienen uit z’n bloed. Ook heeft hij bruin vet. Bruin vet komt voor bij pasgeboren zoogdieren en in dieren die in winterslaap kunnen gaan. Bruin vet wordt niet stijf en onbruikbaar bij –3 ºC door het hoge gehalte aan onverzadigde vetzuren. De cellen met het bruine vet bevatten veel mitochondriën met ontkoppelingseiwitten. Deze buigen de energiestroom om van ATP- naar warmteproductie.



Endotherm betekent dat er inwendige warmteproductie plaats vindt waarmee zoogdieren en vogels een constante lichaamstemperatuur handhaven, gewoonlijk hoger dan de omgeving. Ectotherm betekent dat warmte voor de lichaamstemperatuur van een dier van buitenaf komt. Er bestaan ectotherme organismen die actief kunnen zijn in een erg breed temperatuurgebied door het bezit van isozymen zijn verschillende enzymen die dezelfde reactie katalyseren.



Voor dieren met longen is ademhalen onder water onmogelijk. Om twee uur te kunnen duiken is een zuurstofvoorraad voor twee uur nodig. Een extra grote longen zijn voor dit doel niet geschikt vanwege het inklapgevaar, zeker als het om erg diep duiken gaat. Het longvolume van langduikers zoals walvissen en zee-olifanten, is in verhouding maar de helft van die van landzoogdieren van dezelfde grootte. Langduikers hebben per kilo lichaamsgewicht twee keer zoveel bloed als niet-duikers. De rode bloedcellen bevatten meer hemoglobine (Hb) dat daarbij een grotere zuurstof bindende capaciteit heeft dan bij niet-duikers. De spieren van duikers zijn donker rood, soms zwart. Ze bevatten veel myoglobine (Mb), een aan Hb verwante zuurstofbindend eiwit. Mb heeft een grote affiniteit voor zuurstof. Hierdoor diffundeert zuurstof heel gemakkelijk uit het bloed naar de spieren. Door de hierboven beschreven ‘voorzieningen’ slaan langduikers per liter bloed twee keer zoveel zuurstof op als niet-duikers. Toch verklaren deze aanpassingen niet helemaal de duikprestaties van langduikers. Hun ‘geheim’ is dat ze tijdens het duiken zuinig met zuurstof omspringen. De volgende acties leveren zuurstofbesparing op:

- ze doorbloeden alleen die organen die niet zonder bloed kunnen;

- ze verlagen hun hartfrequentie;

- in hun spieren teren ze op de zuurstof uit het Mb. Na een kwartier is die zuurstof op. Voor hun energieleverantie schakelen de spieren over op een chemisch proces waarbij geen zuurstof nodig is. Het hierbij gevormde melkzuur wordt later, na de duik, met behulp van zuurstof omgezet. De hersteltijd na zo’n topprestatie is lang: voor een duik van 45 minuten ruim100 minuten.

Op grote hoogten is de lucht ijler dan op zeeniveau. Door specifieke aanpassingen valt er met zuurstoftekort (hypoxie) te leven. De rode bloedcellen van alpaca’s (hoogtedieren) zijn klein, ovaal van vorm (en niet biconcaaf) en bevatten meer hemoglobine dan die van andere zoogdieren. Bovendien heeft dit hemoglobine een grotere affiniteit voor zuurstof dan dat van andere zoogdieren. Een ‘hoogtedier kan hierdoor op zijn hoeveelheid bloed bezuinigen.



De hoge bloeddruk bij giraffen wordt opgevangen door een tegendruk van dikke vaatwanden, een dikke, stugge huid en hersenvloeistof.

Alleen in hun bouw aangepaste dieren overleven het op grote diepten. Zo is de borstkas van diepduikers niet in te drukken; de longen wel. Het aantal verbindingen tussen longen en borstkas is bij diepduikers veel kleiner dan bij andere zoogdieren. De longen klappen tijdens het duiken dicht en de aanwezige lucht wordt in de sterkere delen van de luchtwegen geperst, waar rode bloedcellen geen zuurstof opnemen. Wanneer de longen dichtklappen, ontstaat er in de borstkas geen vacuüm doordat het duikende dier zijn grote bloedvaten bij de longen vol pompt met bloed. Deze ‘bloedzakken’ vullen de vrijgekomen ruimte en leveren tegendruk.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.