Bloed kan zich verplaatsen door het lichaam door:

- Het hart dat pompt

- Spieren in de wand van de slagaders trekken zich peristaltisch samen

- Tijdens het uitrekken van de wand drukken slagaders op aders die vlak langs de slagaders lopen. daardoor stuwen ze het bloed in de richting van het hart.

- skeletspieren trekken samen en helpen mee het bloed terug naar het hart te persen.

 

In de aders zitten kleppen om te voorkomen dat het bloed terugstroomt door de zwaartekracht.

 

Soorten bloedsomloop:

Open bloedsomloop: bij ongewervelde dieren, zoals schelpdieren, kreeften en insecten. Bloed kan vrij tussen de weefselcellen door. Gaat niet snel, insecten is uitzondering die maken gebruik van tracheeën om zuurstof te verplaatsen.

 

gesloten bloedvatenstelsel:

Bloed komt nooit in directe aanraking met de cellen. elk weefsel heeft veel haarvaten waar de uitwisseling van stoffen kan plaatsvinden. Wanden van de haarvaten zijn permeabel. Bloeddruk zorgt ervoor dat bloedvloeistof uit de haarvaten in de weefsels geperst wordt.

 

Enkelvoudige bloedsomloop:

hart bestaat uit een boezem en een kamer. Het bloed stroomt via de kieuwen en het lichaam terug naar het hard. Nadeel: bloed moet 2x door haarvatennet heen

 

Dubbelbloedsomloop:

Wat wij hebben, onderscheid tussen grote en kleine bloedsomloop. Kleine; van hart naar longen en terug naar hart. Grote: naar de weefsels en terug.

 

Endotheel: een laagje dekweefsel waar de holte van een bloedvat door omgeven word. Het is goed doorlaatbaar, zelfs voor grote macromoleculen. De wand van de haarcellen bestaan slechts uit enkele endotheelcellen.

 

De hoeveelheid bloed die door een haarvatennet stroomt kan worden geregeld door het samentrekken van kleine spiertjes rond de bloedvaten. De hoeveelheid bloed die door de huid stroomt is sterk afhankelijk van de lichaamstemperatuur. Als het ene orgaan meer bloed nodig heeft dan moet het ander het met minder stellen. Daarom krijg je als je net gegeten hebt en je dan gaat inspannen spierkrampen. Omdat je darmen veel bloed nodig hebben om voedingstoffen het lichaam rond te pompen.

 

De orgaandoorbloeding wordt geregeld door de verandering van de vaatwijdte. Hoe dik de vaten dus zijn. Als een orgaan zuurstof nodig hebt dan wordt de vaatwijdte groter. de spieren van de vaten van gladde spierweefsel kunnen zich ontspannen waardoor het bloedvat wijder wordt. Dit heet actief de hoeveelheid bloed dat door de spier stroom regelen.

 

Als door belangrijke organen zoals de hartspier minder goed doorbloed worden spreek je van een shock. Dit kan veroorzaakt worden door verminderende hartwerking, bloedverlies of door een plotselinge vaatverwijding in bep. delen van het lichaam (dat laatste kan het gevolg zijn van een infectie of van het vrijkomen van vaatverwijdende stoffen bijvoorbeeld van een bijensteek. Aders vormen samen met de lever het bloedreservoir. Daar wordt van gebruik gemaakt bij bloed prikken.

 

Ontwikkeling menselijk hart:

3de week zwangerschap ontwikkelen zich de bloedvaten en het hart. bestaat eerst uit een recht bloedvat met een gespierde wand. Begint te kloppen als het embryo 23 dagen oud is en 2,2 mm lang. (zie binas). Door de longen stroomt weinig bloed; functioneert niet omdat het embryo zuurstof krijgt van de placenta (van de moeder dus). Tussen de rechterboezem en linkerboezem zit een gat (ovale venster). Daardoor stroomt het bloed rechtstreeks van de linker naar de rechterkant. De longslagader is door een extra slagader (ductus botalli) verbonden met de aorta.

 

Dit verandert na de geboorte. de weerstand in de bloedvaten in de longen neemt af. Het bloed stroomt makkelijker de longslagader in en de druk in de rechterboezem wordt kleiner dan die in de linkerboezem. Een klep sluit het ovale venster. Ductus botalli verkleeft zodat het bloed via de longslagader bij de longen komt. Vanaf dat moment bestaat er een kleine en een grote bloedsomloop.

 

Volwassen hart:

Ongeveer zo groot als een vuist, licht links in de borstholte met de onderste punt linksvoor. Is een holle spier waarvan spiercellen zich kunnen samentrekken zonder dat het zenuwstelsel er aan te pas hoeft te komen (autonome spier). De samentrekkingen van het hart worden gecoördineerd door een 'pacemaker', inde wand van de rechterboezem zit een zenuwknoop (de sinusknoop). Daar begint het hart met samentrekken, dit breidt zich snel uit voer beide boezems en het bloed wordt in de kamers geperst (diastole). Tijdens het samentrekken van de boezems worden de uitmondingen van de aders in het hard dichtgedrukt en het bloed in de aders opgestuwd. De kleppen aan het begin van de slagaders blijven gesloten.


(binas tabel 84 D) Het zenuwsignaal gaat verder naar de zenuwknoop op de grens van de kamers en boezems, van daar gaat het via de bundel van His (speciale zenuwvezel) naar de punt van de kamers. De kamers trekken zich samen waarbij het bloed onder drukt komt (systole). De hartkleppen sluiten de toegang tot de boezems af. De halvemaanvormige kleppen sluiten als de druk in de kamers groter is dan die in de slagaders.


Daarna pauzeert het hart en de boezems lopen weer vol met bloed. Het bloed kan niet uit de slagaders terugvloeien omdat het tegen wordt gehouden door de halve maanvormige kleppen.

 

 Harttonen:

MBV de stethoscoop kan een arts 2 harttonen horen.

- een doffe lage toon die ontstaat bij het begin van de samentrekking van de kamers. wordt veroorzaakt door trillingen die ontstaan bij het sluiten van de kleppen tussen de boezems en kamers.

- een korte, hogere toon bij het begin van het ontspannen van de kamers. wordt voornamelijk veroorzaakt door het sluiten van de kleppen tussen de kamers en slagaders.

Wanneer tonen afwijken van het normale patroon kan er iets mis zijn met je hart.

 

Met een elektrocardiogram (ECG) kun je door elektrische stroompjes meten. (zie binas tabel 84 D-3)

 

4.5

Het slagvolume (hoeveelheid bloed die je in 1 slag wegperst is ongeveer 60 tot 85 ml bij gezonde mensen.  Dit gebeurt 60 tot 80x per minuut (frequentie). Het gemiddelde hartminuutvolume is 4 tot 6 liter. Bij zware inspanning nemen beide factoren toe en kan het hartminuutvolume 20 l worden.

De hartspier wordt gevoed met voedingstoffen en zuurstof door de kransslagaders. De ingang ligt in de aorta, dicht bij het hart. De doorbloeding van de kransslagaders vind voornamelijk plaats tijdens de hartpauze. Dit komt doordat de samentrekkende hartspier de aders dichtdrukt. Duur van de hartpauze is van groot belang voor zuurstofvoorziening van het hard. Als een kransslagadertje niet meer functioneert kan het spiergedeelte dat de slagader van zuurstof voorziet afsterven (hartinfarct).

 

Door de stroom van het bloed wordt de aorta wijder (zo'n bol ding met bloed dat door je aorta heen gaat). Tijdens de diastole wanneer de bloedaanvoer onderbroken wordt trekt de aortawand zich samen en herneemt zijn oorspronkelijke vorm.

De meeste slagaders liggen vrij diep tussen de spieren en andere organen. Bij de arm is dat niet zo, daar kun je je bloeddruk meten. Je moet officieel dan ook bij je boven arm meten, de waarde die daar uitkomt is de bovendruk, systole. Die uit je arm heet de onderdruk, diastole.

Het bloeddruk verval in de aders is gering. Daardoor is de kracht die het bloed terug moet voeren naar het hart klein, de rechterboezem werkt als zuigpomp.

 

In de haarvaten zitten kleine gaatjes in de vaatcellen. Daar kan een beetje bloed naar binnen, dit wordt tegengehouden door diffusie. Daarom moet de stroomsnelheid voldoende zijn. Het bloed gaat dmv osmose weer terug het vat in. De osmotische waarde moet wel hoog genoeg zijn. Dit kan een probleem zijn als er te weinig eiwitten  in het bloed zitten. Dan stroomt het bloed niet passief terug het vat in zodat de hoeveelheid weefselvloeistof toe blijft nemen en je weefsels vollopen. Als dit gebeurt heb je dus oedeem.

Per dag blijft er ongeveer 2 liter vloeistof achter bij het weefselvloeistof. Om dit af te voeren wordt het lymfestelsel gebruikt. Als het wordt opgenomen in het lymfestelsel heet het lymfe. De borstbuis is een deel van het lymfestelsel (lymfevaten uit de: darm, benen, linkerarm, linkerhelft borst hals en hoofd). Loopt in de linkerhelft van borstkas. De rest wordt afgevoerd door de rechterlymfebuis (die kleiner is)

Leren: Afb 4.26, blz: 110

 

Het lymfestelsel kan ook gebruikt worden om sommige grote moleculen zoals hormonen en vetmoleculen die geadsorbeerd zijn in de darm naar de bloedbaan.

Ook zorgt het lymfestelsel voor het maken van lymfocyten (witte bloedcellen die een belangrijke rol spelen bij de afvoer).

 

Er zijn 2 soorten bloedcellen: rode en witte. Daarnaast zitten er ook nog bloedplaatjes in het bloed. Bloedplaatjes zijn eigenlijk gefragmenteerde cellen. De productie van bloedcellen vindt zich plaats in het beenmerg. Daar bevinden zich de stamcellen die kunnen vermenigvuldigen en differentiëren tot de verschillende celtypen die in het bloed voorkomen.

 

Vorming van bloedcellen (binas tabel 84 I) wordt geregeld door hormonen via een mechanisme van negatieve terugkoppeling. Als de weefsels te weinig zuurstof krijgen gaan de nieren een hormoon genaamd EPO aanmaken. Dit stimuleert de aanmaak van rode bloedcellen. Door een verblijf in het hooggebergte kan het aantal rode bloedcellen toenemen (dat is wat sporters doen). EPO wordt ook gebruikt als doping.

 

Rode bloedcellen: kunnen makkelijk van vorm veranderen, zijn voor enkele maanden in het bloed aanwezig en worden daarna in de milt en in de lever vernietigd. Lever haalt het ijzer uit hemoglobine en geeft dit af aan het bloed. Dan word er van dat ijzer weer nieuwe rode bloedcellen gemaakt.

 

witte bloedcellen zijn groter dan rode en hebben wel een kern. Ze zijn bolvormig in rust en kunnen allerlei vormen aannemen als ze actief zijn. Er zijn 3 verschillende soorten: Granulocyten, monocyten en lymfocyten.

 

Granulocyten komen vrij in het bloed en in de weefsels voor, ze bevatten veel lysosomen die afbrekende enzymen bevatten. Door fagocytose kunnen zij stoffen die het lichaam zijn binnengedrongen geheel verteren.

 

Monocyten blijven kort in het bloed, ze verplaatsen zich naar weefsels waar ze uitgroien tot macrofagen, zijn in staat tot fagocytose.

 

Lymfocyten zijn in het bloed en in de lymfevloeistof te vinden. Zij ontwikkelen zich tot T- en B-cellen en spelen de hoofdrol in de afweerreacties van het lichaam.

Hun aanmaak wordt sterk beïnvloed door aanwezigheid van antigenen in het bloed.

 

Bloedplaatjes worden in het rode beenmerg gemaakt uit stamcellen die in fragmenten uiteenvallen. Bevatten een stof die een grote rol speelt bij de bloedstolling.

 

Rode bloedcellen blijven 120 dagen in het bloed, de witte 2 tot 3 dagen en bloedplaatjes 5 tot 9 dagen.

 

 

Bloedstolling

- Vrijkomen van het enzym trombokinase (uit stoffen in het bloedplasma, beschadigde weefselcellen en bloedplaatjes)

-  Het enzym zet met behulp van Ca2+ ionen, het onwerkzame protrombine (eiwit dat gemaakt en in het bloedplasma voorkomt) om in trombine.

- Door trombine worden enkele negatief geladen peptidenketens afgesplitst van de fibrinogeen moleculen

- fibrinogeen moleculen voegen zich samen in groepen waardoor fibrine ontstaat.

- Trombine wordt door fibrine geadsorbeerd stopt het stollingsproces

- daarna wordt de fibrine opgelost door het enzym plasmine dat als pro-enzym in het bloed aanwezig is.

(Binas tabel 84 O)

 

De bloedstolling wordt geremd door remstoffen in je bloed zodat je bloed niet gaat stollen bij een heel klein wondje.

 

Je kunt bloed onstolbaar maken door met een isotonsiche Na-oxalaat of Na-citraat oplossing de Ca2+ neer te slaan die voor het ontstaan van trombine nodig is. Doordat het niet stolt kun je de bloedbezinkingsnelheid meten die een dokter kan gebruiken bij een diagnose.

 

Als je uit bloedplasma de stollingseiwitten haalt heet het bloedserum en niet meer bloedplasma.

 

Als je vaatwanden door ziekte na een operatie veranderd zijn kan er stolling in die vaten optreden (trombose). Een bloedprop dus, dit kan losraken en als het dan in een bloedvat van je hersenen, hart of longen terecht komt kun je doodgaan.

Als je vaatwanden door ziekte na een operatie veranderd zijn kan er stolling in die vaten optreden (trombose). Een bloedprop dus, dit kan losraken en als het dan in een bloedvat van je hersenen, hart of longen terecht komt kun je doodgaan.

 

bij bloederziekte (hemofilie) heeft het bloed zijn stollingsvermogen geheel of gedeeltelijk verloren. Omdat er stollingsfactoren uit het bloedplasma ontbreken door een erfelijke afwijking treedt er opnieuw een bloeding op die niet gestopt wordt.

 

aderverkalking (arteriosclerose): een stof die een belangrijke rol speelt bij het ontstaan hiervan is cholesterol. Cholesterol is noodzakelijk voor de opbouw van celmembranen. Wordt vervoert door speciale bolletjes (lipoproteinen). Er bestaan daar 2 typen van:

- Lage dichtheid lipoproteinen (LDL) transporteert 60-70% van de cholesterol in het bloed. Wordt slecht cholesterol genoemd omdat het de ontwikkeling van arteriosclerose veroorzaakt.

- hoge dichtheid lipoproteine (HDL) neemt overtollig cholesterol op uit de weefels en brengt dit terug naar de lever waar het opnieuw gebruikt of afgebroken wordt. HDL -cholesterol vermindert het risico op hart en vaat ziekten en wordt goed genoemd. Het gaat vooral om de verhouding LDL en HDL als je wilt meten hvl cholesterol je hebt.

 

In jonge bloedvaten ontstaan aan de binnenwand ophopingen van cellen die gevuld zijn met cholesterol. In oudere bloedvaten is dit proces verder gegaan. Ze zijn aan de binnenzijde bedekt met plaques, bestaan uit een kern van cholesterolverbindingen met daaromheen vezelig bindweefsel. Hoe groter de plaques, des te meer belemmeren ze de bloedstroom in het betreffende bloedvat. Er kunnen hierdoor ook scheurtjes in het bindweefsel ontstaan. Daar treed dan bloedstolling op en raakt het vat verstopt. Als hierdoor weefsel afsterft noemt men dit een infarct.

 

factoren die het ontstaan van plaques bevorderen:

- LDL cholesterol in het bloed

- roken (giftige stoffen maken de vaatwanden kwetsbaar)

- hoge bloeddruk

- zwaarlijverigheid

- erfelijke aanleg

 

spataders zijn verwijde aders, die ontstaan als er langdurige druk op de aders taat. bijvoorbeeld door veel staan of tijdens zwangerschap. Het elastische bindweefsel van de ader verslapt, aderwand rekt uit en de kleppen sluiten niet goed meer. Komen vooral in de benen voor. wanneer de aders niet goed functioneren hoopt zich vocht met afvalstoffen op in de weefsels. dit is zichtbaar doordat het weefsel opzwelt en verkleurt. Wanneer een spatader door stoten opengaat geneest de wond door slechte doorbloeding niet gemakkelijk.

 

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.