ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
§4.1
Een groep cellen bij elkaar: weefsel. Deze cellen hebben dezelfde vorm en dezelfde functie. Een aantal weefsels samen vormen samen een orgaan. Één van de weefsels voert de hoofdtaak uit, de andere weefsels ondersteunen die functie. Een aantal organen samen vormen een orgaanstelsel. Bijvoorbeeld het ademhalingsstelsel.

§4.2
Een loep vergroot vijf tot tien maal. Met een microscoop kun je voorwerpen tot 1mm bekijken. De voorwerpen snij je in hele dunne plakjes: coupes. Met een elektronenmicroscoop kun je voorwerpen tot ongeveer 0,0000005 mm zien.

§4.3
(Te zien met een microscoop)
Een cel bestaat uit protoplasma. Dit bestaat voor 80% uit water. Dit protoplasma is te onderscheiden in het kernplasma en het cytoplasma. In het cytoplasma komen organellen voor.

Om de kern zitten chromosomen. Deze zijn verantwoordelijk voor de erfelijke eigenschappen van de cel. Om de kern heen zit een kernplasma, door de poriën heen kan de uitwisseling van stoffen plaatsvinden.

Bacteriën hebben geen kern, zij worden prokaryoten genoemd, eukaryoten hebben wel een kern.

In veel plantencellen vind je chloroplasten, dit zijn bladgroenkorrels. Ze bevatten groene kleurstof, chlorofyl, die zorgt voor fotosynthese.

Een plant bevat ook chroroplasten, dit zijn rode of gele kleurstoffen die de plant kleur geven.
Leucoplasten worden groen als ze worden belicht. Ze bevatten reservestoffen, zoals zetmeel. Veel cellen bevatten vacuoles, dit zijn met vocht gevulde blaasjes. Ze bevatten bijvoorbeeld reservestoffen of afvalstoffen. Ook geven ze de plant stevigheid.

Cellen worden omgeven door een celwand. Deze geeft stevigheid en bescherming. Bij de vorming hiervan ontstaat pectine, later wordt hier cellulose tegen gezet.

(Te zien met een elektronenmicroscoop)
Het celmembraan beschermt de cel. Transporteiwitten in een cel zorgen voor de opname en afgifte van stoffen door de cel. Het endoplasmatisch reticulum zorgt voor het transport van stoffen door de cel. Hierop liggen ribosomen, die spelen een rol bij het maken van eiwitten.
In de mitochondriën vindt verbranding plaats. De energie die hierbij vrijkomt, wordt opgeslagen in moleculen. Deze moleculen worden overal als energiebron gebruikt.

§4.4
Cellen hebben veel functies. Ééncellige organismen kunnen al die taken uitvoeren. Voor speciale taken zijn er gespecialiseerde cellen. Deze cellen kunnen niet delen. Specialisatie maakt kwetsbaar.

§4.5
Elke cel bestaat uit verschillende stoffen. Een zuivere stof bestaat uit maar één soort stof.
Moleculaire stof: ongeladen moleculen. Bestaat uit niet-metaal atomen.
Zouten: geladen ionen. Bestaat uit niet-metaal atomen en metaal atomen.
Metalen: geladen ionen en vrije elektronen. Bestaat uit metaal atomen. Dit is een vaste stof.
Anorganisch: kleine eenvoudige moleculen uit de levenloze natuur. Bijvoorbeeld: water, koolstofdioxide, zuurstof en zouten.
Organisch: deze stoffen worden door cellen gemaakt.

Moleculen zijn opgebouwd uit bouwstenen.
Molecuul: Bouwstenen:
Eiwit Aminozuren
Nucleïnezuur Nucleotiden
Koolhydraat Monosachariden
Vet Vetzuren en glycerol

Koolhydraten: de belangrijkste bouwstenen zijn monosachariden. De meest voorkomende is glucose. Het is een brandstof.
Disachariden: worden door twee monosachariden gevormd. Er komt dan een molecuul water vrij.
Polysachariden: bestaan uit lange monosacharidenketens.
Vetten: grote molecullen. Verzadigde vetten vermeerderen de afzet van cholesterol, slecht voor de gezondheid. Onverzadigde vetten zijn goed voor de gezondheid. Vetten zijn een belangrijke reservestof voor cellen.
Eiwitten: de structuur is afhankelijk van de restgroep: denaturatie.
DNA: bestaat uit nucleotiden. Elk DNA-molecuul heeft zijn eigen patroon, het bestaat uit twee strengen. Het zijn bouwstoffen en enzymen. Ze bestaan uit een suiker, fosfaat en een stikstofgroep.
RNA: slechts 1 streng.
DNA is opgebouwd uit: T-A en C-G
RNA is opgebouwd uit: U-A en C-G

Aantekeningen:
§4.1
structuren in een cel
de celkern bevat genetisch materiaal.
Celmembraan omsluit de cel.
Kern: centrale regelkamer die de celprocessen regelt.
Erfelijk materiaal = DNA (chromosomen)
Endoplasmatische reticulum (ER): de ‘lijndiensten’ voor transport van de stoffen.
rER: ruwe endoplasmatische reticulum= er bevinden zich ribosomen op het ER.
Ribosomen: productie van eiwitten.
Galgi-apparaat: ‘verpakking en verzend afdeling’
Mitochondrien: ‘energiecentrales van de cel’
ADP: energie arm. Door verbranding van glucose met zuurstof ontstaat: ATP: energie rijk.
Met zuurstof ontstaat er 38 ATP, zonder zuurstof ontstaan er maar 2 ATP.
Celmembraan: de ‘poort’ van de cel. Die controleert de in en uitgaande stoffen.
Lysosoom: afvalverwerking (ook tegen bacteriën) bevat verteringsenzymen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.