Biologie samenvatting
3.2
- Glucose en vet zijn brandstoffen, deze zijn energierijk.
Zuurstof reageert met veel stoffen. Als in ons lichaam zuurstof met glucose reageert, ontstaat er koolstofdioxide en water. Dit is verbranding, en doen bijna alle levende wezens en planten.
- vormen van energie zijn licht, warmte en beweging. Die laatste 2 ontstaan door verbranding in ons lichaam.
- Koolstofdioxide lost goed op in bloed. Het bloed wordt hier zuur door. Als wij uitademen, gaat het koolstofdioxide weer uit het bloed en wordt het bloed weer minder zuur.
Als je hard rent komt er meer koolstofdioxide in het bloed en moet je dus vaker (hogere ademfrequentie) en dieper (meer lucht verversen) ademhalen. Je hersens geven dan door aan de ademhalingsspieren dat het bloed sneller zuur wordt.
3.3
- de spieren die je helpen bij het inademen (dus je borstkas vergroten) zijn:
De tussenribspieren (spieren die aan de buitenkant de ribben verbinden). Als zijn samentrekken beweegt de borstkas zich omhoog en neemt het volume toe. Daarmee ook het volume van de longen want de longen zijn verbonden met de borstkas. Dit is rib- of borstademhaling
Het middenrif trekt zich samen. Normaal staat het met de top van de bolling naar boven, maar daarna wordt het afgeplat. Longen zitten aan het middenrif vast. Dit is de middenrif- of buikademhaling
De hele borstkast kan opgetild worden door inspanning van de schouderspieren
Gevolg van volumevergroting is drukverlaging (druk van longen wordt lager dan luchtdruk buiten). Lucht stroomt de longen binnen.
- Passieve uitademing: uitademen maar geen spieren samentrekken.
Actieve uitademing: je buikspieren aanspannen, daardoor komt je middenrif sneller terug in z’n oude positie. Snellere uitademing
- Als je lucht langs je stembanden blaast, krijg je geluid.
Strak gespannen stembanden: geluid is hoog, minder strak gespannen: geluid is laag.
Snel lucht langs stembanden: geluid is hard, langzaam: geluid is zacht.
- Ademhalingsspieren zorgen ervoor dat lucht ververst wordt. Ze spelen een grote rol bij het in- en uitademen.
Hoe groter je longinhoud is, hoe lager de ademfrequentie die nodig is om lucht te verversen.
- Oppervlakte van je longen is heel groot. Je longen zijn erg geplooid.
- de rode bloedcellen vervoeren zuurstof. Dit nemen ze mee vanuit je longblaasjes, die het opnemen en koolstofdioxide afgeven. Dit doen ze erg snel.
3.4
- Je longen kunnen sterk afkoelen door koude lucht, maar ook uitdrogen! De longblaasjes kunnen hierdoor beschadigt raken. Het is daarom beter om door je neus adem te halen, daar wordt de lucht opgewarmd.
- Lucht wervelt door je neusholte, daar blijft veel stof hangen. Daarna gaat het van je keelholte naar je luchtpijp. Als je door je neus ademt gaat je adem minder snel dan door je mond. Het vuil wat je inademt blijft kleven aan de slijmlaag in al die plekken.
- de trilhaartjes in de luchtpijp zorgen dat het slijm in de richting van de keelholte beweegt. Daardoor gaat het via de slokdarm naar de maag.
- Slijm is heel belangrijk. Er zitten namelijk verterende stoffen, bacteriedodende stoffen, glijmiddelen en kleefstoffen in. Te dik of teveel slijm geef ademhalingsproblemen.
3.5
- als je allergisch bent (overgevoelig), reageert je afweersysteem te sterk op een onschuldige stof. Een allergie kan erfelijk bepaald zijn.
- Je krijgt het benauwd (astmapatiënten) als je kringspiertjes rond de longtrechtertjes zich samentrekken en/of de slijmlaag van de dunste ademhalingsbuisjes opzwelt. Hierdoor kunnen de longblaasjes moeilijker zuurstof en koolstofdioxide afgeven en opnemen. Door spanning kan astma erger worden, door inhalers, waar stoffen inzitten die de kringspieren weer verslappen, wordt het minder erg.
- taaislijmziekte (cystische fibrose) heb je als het slijm te dik is. Het kan niet naar boven en veroorzaakt vaak ook longontsteking, want er zitten altijd nog levende bacteriën in.
- nicotine zorgt ervoor dat de trilhaartjes niet meer zo goed werken, hierdoor blijft er veel slijm (met teer erin) in de longen en luchtpijp steken. Teer kan longkanker veroorzaken.
Koolstofmono-oxide is giftig. Hierdoor kan minder zuurstof door het bloed worden vervoerd.
- per dag gaan 30 tot 40 mensen dood door ziekten waarbij roken een rol speelt.
- van luchtverontreiniging hebben veel mensen last. Hierdoor werkt het ademhalingssysteem regelmatig niet goed.
- Pneumococcen (bacteriën) veroorzaken longontsteking, oorontsteking, Legionella en hersenvliesontsteking. Je krijgt pas een ontsteking als je bacteriën hebt én je weerstand afneemt. Antibioticum is een antie-bacterie-medicijn wat je dan krijgt.
Verkoudheid en griep krijg je door virussen.
3.6
- Een insect heeft adembuizen (tracheeën). Hierin zit lucht met zuurstof. Ze hebben geen bloedvaten. Die buisjes werken bijna hetzelfde als onze longblaasjes. Insecten hebben dus gaatjes in hun lichaam waar de adembuizen uitkomen.
Sommige insecten ademen wel door hun lichaam als harmonica te gebruiken, dan wordt de druk in hun buisjes namelijk verschillend en ademen ze in en uit.
- vissen krijgen zuurstof binnen door kieuwen. Het water wat er doorheen spoelt bevat zuurstof wat de bloedvaatjes in de kieuwen opnemen. Als de vliesjes waar deze bloedcellen in zitten aan elkaar vastplakken (omdat ze niet omringd zijn door zuurstof) stikt de vis.
- kikkers ademen met hun huid, omdat die heel dun en vochtig is. Door dit vocht kunnen ze zuurstof opnemen. Maar kikkers kunnen niet genoeg zuurstof opnemen met hun huid dus hebben ze ook longen.
3.7
- spinnen maken luchtbellen onder water door een web te spinnen. Als er een flinke luchtvoorraad in zit hoeft ze niet steeds weer naar boven om adem te halen.
De luchtbel gaat lang mee omdat zuurstof wordt opgenomen door de spin. Deze stoot koolstofdioxide uit, maar dat gaat via het water weer weg. Het water geeft ook zuurstof aan de luchtbel. Daardoor haalt ze meer water uit de luchtbel dan erin zat.
- Waterkevers bewaren hun voorraadje lucht onder hun schild, wij halen ze uit luchtflessen.
Muggenlarven gebruiken een soort snorkels om onder water te blijven, dit noem je een adembuis.
4.2
- bloedvaten kan je onderverdelen in 3 soorten:
Slagaders; vervoeren het bloed met een hoge snelheid. Ze hebben een vrij dikke gespierde wand en kunnen geen zuurstof opnemen of koolstofdioxide afgeven. Het bloed stroomt hierin altijd van het hart af. Je hebt verschillende slagaders. Een daarvan is de aorta (lichaamsslagader) in het midden van je lichaam.
Aders; vervoeren bloed met lage snelheid onder lage druk. De wand is ook vrij dun, maar en kan niet zuurstof/koolstofdioxide worden afgegeven/opgenomen. Aders hebben kleppen omdat het bloed zo langzaam stroom dat het terug zou kunnen stromen. Dit houden de kleppen tegen.
Haarvaten; vervoeren bloed van slagaders naar aders. De kleinste zijn met het blote oog niet te zien. In deze haarvaten loopt het bloed per rode bloedcel achter elkaar, waardoor ze makkelijk alles kunnen uitwisselen wat het lichaam nodig heeft. Haarvaten hebben kringspieren die de vaten kunnen sluiten.
De bekleding van bloedvaten is het endotheel. (slag)aders hebben ook nog een spierlaag daar omheen.
- slagaders zitten vaak ver onder de huid, er zijn maar een paar plaatsen waar je ze kunt zien. Als dit niet zo zou zijn zou je veel bloedverlies hebben als je ze stoot.
4.3
- Het hart heeft kleppen en werkt als een pomp. Het heeft eigenlijk vier pompen. De twee belangrijkste zijn de hartkamers. De kleppen daarin zijn aan de ‘zuigkant’ de boezemkamerkleppen en aan de ‘perskant’ de slagaderkleppen. De andere twee pompen zijn de boezems.
- Als een klep lekt, stroomt er bloed weg en het pompt niet goed meer. Dan vervangen ze het door een kunstklep.
- Het bloed komt eerst vanuit de onderste en bovenste holle ader in de rechterboezem (zie je links). Het gaat dan via de rechterboezem naar de rechterkamer. Deze perst het weer naar de longslagaders.
- Als er het uit longen komt in de longaders, komt het terecht in de linkerboezem (zie je rechts). Vanuit daar wordt het naar de linker kamer gebracht en die perst het in de aorta (lichaamsslagader).
- Je hebt verschillende bloedsomlopen:
Grote bloedsomloop; gaat door je hele lichaam. Verlaat het hart (met zuurstofrijk bloed) via de aorta en komt terug (met zuurstofarm bloed) via de holle aders.
Kleine bloedsomloop; gaat van je hart naar de longen en terug. Verlaat het hart (met zuurstofarm bloed) via de longslagaders en komt terug (met zuurstofrijk bloed) via de longader.
- Het hart zelf krijgt voedsel en zuurstof via de kransslagader. Deze loopt om het hart en vormt een hele kleine bloedsomloop. hij verlaat het hart via de kransslagader en komt terug via de kransader.
4.4
- Als je teveel eet, en dus dik best, zit er soms vet in je bloed. Hierdoor kunnen de bloedvaten dichtslibben. Hierdoor kan het gebeuren dat er niet genoeg bloed naar het orgaan toestroomt. Dit orgaan gaat dan pijn doen, en het deel waar te weinig bloed naartoe wordt gepompt, ‘sterft’. Dit noemen we een infarct, als dit gebeurt bij je kransslagaders en dus een stukje hart ‘sterft’, noemen we het een hartinfarct.
- Als je een hartinfarct hebt is dat heel gevaarlijk voor je hersenen, want die kunnen geen minuut zonder zuurstof.
- De wanden van een dichtgeslibd bloedvat zijn verhard door een kalkafzetting. Als de wanden de bloeddruk niet meer aan kunnen barsten ze open en is er spraken van een bloeding. Als dit in je hersenen gebeurt kan het leiden tot verlammingsverschijnselen.
- de darm levert glucose aan het bloed. Dit gebeurt door de bloedvaten van het poortaderstelsel (bloedvaten vanaf de maag en darm naar de lever). Je longen leveren zuurstof aan het bloed.
- door de longen en luchtpijp raken we koolstofdioxide kwijt.
- Ureum is een afvalstof die wordt gemaakt uit eiwitten. De lever ontmanteld medicijnen. Als afvalstoffen onschadelijk zijn gemaakt worden ze weer aan het bloed gegeven. Die afvalstoffen worden door de nieren uit het bloed gehaald en plassen we uit.
Gal scheidt afvalstoffen ook uit. Dit wordt opgeslagen in de galblaas. Met ook de stoffen voor de vetvertering. Daar wordt het weer opgenomen door de poortader.
4.5
- Bloedonderzoeken worden gehouden in het ziekenhuis en bekeken in een lab om te kijken welke ziekte iemand heeft.
- Als je een bacterie-infectie hebt, heb je meer witte bloedcellen en bacteriën in je bloed. Want door de infectie maak je meer witte bloedcellen aan. Dit wordt in het laboratorium onderzocht door het bloed even te laten staan, dan bezinkt het bloed en de witte bloedcellen liggen op de bodem. Antibiotica doodt bacteriën.
- Als je te weinig rode bloedcellen hebt, heb je bloedarmoede. Je bent dan vaak moe. Je hebt dan een ijzergebrek en moet staalpillen slikken.
- Als je suikerziekte hebt zit er teveel glucose in je bloed. Dit wordt opgespoord door een urineonderzoek.
4.6
- Als een mug je prikt komt er heparine in je bloed. Dit gaat de stolling tegen en veroorzaakt jeuk.
- Bloed stolt door de aanraking met een vreemd oppervlak. Cellen bloed barsten en ook bloedplaatjes gaan kapot. Daarin zit trombine. Dit komt vrij en daardoor ontstaat er een chemische reactie, het bloed wordt stroperig. Hierbij ontstaat fibrine (een eiwit). Dit zorgt voor een velletje (een korstje).
- Als je hemofilie (bloederziekte) hebt ontbreekt een van de stollingsfactoren (stoffen die bij de bloedstolling ook belangrijk zijn). Dit is erfelijk.
- Als je trombose hebt stolt je bloed te goed. Daardoor kunnen bloedvaten verstopt raken. Je krijgt dan bloedverdunnende middelen.
4.7
- Als je een bloeding hebt, hoeft deze niet zo goed zichtbaar te zijn. Bloed wat uit de bloedvaten stroomt is bloedverlies.
- Bij trombose kunnen sommige organen soms niet genoeg bloed meer krijgen. Om het te verdunnen wordt soms een infuus met een vloeistof aangebracht. Het is geen water, er moet een zoutoplossing en meestal ook glucose aan toegevoegd worden.
- Als er echt bloed moeten worden ingebracht is dat meestal bloed met rode bloedcellen. Als dat niet mogelijk is in ieder geval bloedplasma. Dit komt van de bloeddonoren die het bij bloedbanken afgeven.
- Als je bloed ontvangt van een bloeddonor (dan ben je acceptor) moet je wel dezelfde bloedgroep hebben, voor een goede transfusie. Je hebt de bloedgroepen A, B, AB en 0. Als je niet de goede bloedgroep krijgt kan het bloed gaan klonteren.
4.9
- een insect bestaat uit 3 stukken: kop, borststuk en achterlijf. Het heeft geen hoornhuid, zoals wij, maar een pantser, bestaand uit een stof: chitine. Daar zitten ademopeningen (stigmata) in. De buisjes die vanuit de stigmata beginnen heten tracheeën.
- insecten hebben een hart want niks voorstelt. Het is een lange buis met een verdikte, gespierde wand. Het heeft nog een klein stukje aorta maar geen bloedvaten. Het hart brengt lichaamsvloeistoffen in het lichaam in beweging door aan de voorkant “bloed” weg te pompen en achter “bloed” aan te zuigen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.