Het Expertisebureau Online KinderMisbruik (EOKM) en Slachtofferhulp Nederland doen onderzoek naar financiële afpersing met naaktvideo’s onder jongens (ofwel: sextortion). Is dit jou overkomen? Deel dan jouw ervaringen door mee te doen met het anonieme onderzoek. Met jouw bijdrage help jij de hulpverlening verbeteren!

 


Naar het onderzoek


Samenvatting biologie hoofdstuk 3

Paragraaf 3.1

Het eerste leven ontstond uit organische stoffen. Dit werden op den duur producenten die hun energie haalden uit anorganische verbindingen (chemo-autotrofen). Deze productie stelt erger niets voor als je dit vergelijkt met die van bladgroen(foto-autotrofe). Toch zijn er ook omstandigheden waarin de chemo-autotrofen weer in het voordeel zijn bijvoorbeeld in het donker. De eerste foto-autotrofe soorten waren de cyanobacteriën, deze worden ook wel groene algen of blauwgroene wieren genoemd. Planten zijn foto-autotroof door het bezit van bladgroenkorrels ofwel chloroplasten.

Paragraaf 3.2

In de celmembraan van purperen (=zwavelbacteriën) is het de purperen kleurstof dit het licht absorbeert, ook bij anderen foto-autotrofe en planten ligt het lichtabsorberende pigment in de membranen, alleen hier in de membranen van blaasjes in de cel. Met gaat er van uit dat plantencellen hun oorsprong hebben in een hetrotroof en cyanobacterië, de hypothese die hier van uit gaat heet de ‘endosymbionthypothese’.
Het licht word opgevangen in pigmenten deze houden het licht weg van de cellen zodat deze niet beschadigd raken. De pigmenten van een chloroplast liggen in de membranen van thylakoïden (kleine blaasjes).De ruimte tussen de thylakoïden het de stoma. Een chloroplast heeft geen kern, maar wel z’n eigen DNA, dit geld ook voor de cyanobacteriën.
Chloroplasten hebben een groene kleur, deze kleur ontstaat door de terugkaatsing van licht op verschillende pigmenten. Cyanobacteriën hebben weer een blauwgroene kleur. Elk pigment absorbeert licht van een bepaalde golflengte.
De planten om ons heen hebben vier a vijf pigmenten, deze belangrijkste is chlorofyl (bladgroen). Zodra een pigment wordt geraakt door licht van een bepaalde golflengte, wordt er een elektron op een hoger energieniveau gebracht, als dit weer terugvalt wordt er een waterstofpomp aangedreven en dit levert ATP. Behalve golflengte, hebben ook verlichtingssterkte, efficiëntie, en de hoeveelheid pigment invloed op de hoeveelheid ATP dat ontstaat.

Paragraaf 3.3

Bij activiteiten gaat potentiële energie (opgeslagen) over in kinetische energie (actief) en warmte. De zuurstofproductie blijkt afhankelijk te zijn van de golflengte van licht (bij rood licht maximaal). Bij grote lichtabsorptie wordt de meeste zuurstof geproduceerd (violet, blauw). In een bladgroenkorrel bevinden zich miljarden pigmentmoleculen, bij een bepaalde golflengte en verlichtingssterkte worden honderden moleculen actief (fotosysteem). De lichtenergie, die ontstaat doordat de elektronen op een hoger energieniveau komen, wordt omgezet in potentiële energie van een elektron. Je kan dit vergelijken met een redoxreactie waarin het water reductor is en het fotosysteem zelf oxidator. De waterstofionen worden gebruikt voor de fotosynthese, deze kunne van water komen maar ook van H2S, voor de zwavelbacterie is zuurstof namelijk dodelijk.
Als het elektron op een hoger energieniveau is gebracht bevat het potentiële energie, als je dit terug brengt naar een lager energieniveau zal de potentiële energie worden omgezet in een andere vorm van energie. Er is hier sprake van een reductie-oxidatie-reactieketen (redoxreacties!!!), deze elektronentransportketen heeft overeenkomsten met de oxidatieve fosforylering.
Een fotosysteem in licht raakt voortdurend elektronen kwijt, dit tekort wordt aangevuld uit watermoleculen, deze zijn te vinden in de nabijheid van het fotosysteem in het thylakoïd. Hierdoor ontstaat een H+ overschot in het thylakoïd.Door de eiwitpoorten van het thylakoïd stromen deze het stroma in, er ontstaat ATP!!! Dit heet ook wel fotofosforylering. De H+ bindt met NADP+ zodat NADPH ontstaat.
Bij de productie van ATP en NADPH zijn in werkelijkheid twee fotosystemen betrokken (1&2). Fotosysteem 1 kan zelf geen water splitsen en haalt zijn elektronen of uit een ander bron of uit het tweede fotosysteem, een foton brengt een elektron op een hoger energieniveau, water splitst in H+ en O2. Vervolgens wordt weer een foton omhoog geslingerd, een elektron valt weer terug naar een oxidator, hier NADP+. De energie die bij deze reacties vrijkomt drijft een protonenpomp aan. Protonen worden vanuit het stoma het thylakoïd ingepompt (de hoeveelheid protonen in het reservoir neemt hierdoor toe). De protonen diffunderen naar buiten door speciale poorten, hierbij ontstaat ATP.
(De purperbacterie heeft in het celmembraan alleen een caroteen, de opgenomen lichtenergie drijft een protonenpoorten over het celmembraan aan.)
Na het activeren van fotosysteem I en II is er ATP en NADPH ontstaan. Deze reacties zijn afhankelijk van licht en worden samen de lichtreactie van de fotosynthese genoemd. Er is nu enkel nog CO2 nodig en glucose kan gemaakt worden.
De synthese van glucose uit CO2 uit ATP en NADPH wordt ook wel de donkerreactie genoemd, dezelfde vinden ook plaats bij chemosynthese. De reactie vindt ook plaats in licht. Het maken van glucose gebeurt volgens de calvincyclus:
12 NADPH + 6CO2 + 18 ATP  C6H1206 + 12 NADP+ + 18 ADP + 18 P.
Om NADPH te vormen worden 12 water moleculen gesplitst. De totaal reactie van fotosynthese is:
6CO2 + 12H2O + lichtenergie  C6H12O6 + 6O2 + 6 H2O

Paragraaf 3.4


De ozonlaag is nog helemaal niet zo oud en werd gevormd door fotosysteem II. Grote meercellige kolonies van bacteriën zijn op land niet mogelijk, maar door het ontstaan van eukaryote cellen (endosymbiose) werd dit wel mogelijk. De eencellige individuen in de kolonie zijn niet afhankelijk van elkaar. Bij bolvormige kolonies zijn de cellen door plasmadraden (modesmen) met elkaar verbonden.
Bladeren hebben een groot oppervlak dat gunstig is voor fotosynthese. Beperking van verdamping door deze vorm kan door de was of kurklaag.
De Rhynia was een van de eerste landplanten. Elk ‘orgaan’ van een plant heeft een speciale functie, de wortel zet de plant vast in de bodem en neemt water en mineralen op. Door de houtvaten en stengel wordt dit vervoerd naar alle delen van de plant.
Door de vorming van steviger stengel en zijtakken werden de planten hoger. Na die tijd verdwenen er plantensoorten waarschijnlijk door de daling in temperatuur( door inslag van een grote meteoriet, hierdoor werd veel stof veroorzaakt door de afwezigheid van zonlicht koelde de aarde behoorlijk af). Hierna kwamen de coniferen (naaldbomen). De loofbomen en bloemplanten ontstonden pas 150 miljoen later.
Tot de eerste gespecialiseerde eukaryoten behoren de voortplantingscellen. Bij het ontstaan van zaadplanten werd voortplanting onafhankelijk van water. De eicellen liggen ingebed in het plantenweefsel en de makkelijk voortplantingscellen liggen in de stuifmeelkorrels. Na bevruchting wordt er zaad gevormd met kiemplantjes daarin.

Paragraaf 3.5


In de toppen van wortel en stengel bevindt zich het delingsweefsel, het meristeem. Deze cellen vermenigvuldigen zich door middel van mitosis. De twee cellen die hierbij ontstaan vertonen plasmagroei. Een van de twee cellen blijft zich delen, de andere strekt zich door wateropname waarna specialisatie optreedt. Dit gebeurt door activering van steeds weer andere genen en vorming van enzymen.
In stengels bevindt zich meer steunweefsel dan in bladeren, vooral de bladschijf gaat gauw slap hangen (deze bestaat voornamelijk uit parenchym).
Collenchym is een weefseltype dat de plant stevigheid geeft. Het collenchym ligt over het algemeen als een koker in de stengel en bestaat uit wandverdikkingen. Collenchymcellen kunnen ook nog stoffen uitwisselen met hun omgeving. Sklerenchym is een andere type steunweefsel, cellen in dit type weefsel zetten een dikke laag houtstof af langs de gehele wand. Op een gegeven moment kunnen ze hierdoor geen stoffen meer uitwisselen en gaan dood. Deze doden cellen vormen samen lange vezels in de lengterichting van de plant.
Houtvaten zijn net als sklerenchymvezels dode structuren. Ze hebben een ring, spiraal of netvormige afzetting tegen de celwand. Deze afzettingen houden de vaten open en geven stevigheid.

Let op: Als je een doorsnede van een stengel bekijkt vind je (onder andere) schorsparenchym, opperhuid, mergparenchym en vaatbundels. Als je dat laatste (de vaatbundels) van dichterbij bekijkt vind je sklerenchym, bastvat en houtvaten.

Boomstammen bestaan voor een groot deel uit houtvaten, deze houtvaten worden aangelegd door een deelvaardig weefsel, het cambium. Dit cambium vormt cellen die later differentiëren tot houtvaten, dit gebeurd naar binnen toe. De cellen die naar buiten toe worden gevormd worden in de loop van tijd bastvaten. Zowel het cambium en de bast kunnen mee groeien als de boom in omvang toeneemt.
De welbekende jaarringen worden gevormd door een verschil in grote van de houtvaten, deze zijn in de lente groot met dunne wand dit in tegenstelling met de zomer. Na de zomer vind er helemaal geen diktegroei meer plaats. De dikke houtvaten van de lente zorgen dus voor vorming van jaarringen.

Let op: In hout zijn niet alleen verticale vaten te vinden, maar ook horizontale, de mergstralen. Deze worden gevormd door parenchymatische cellen en maken transport mogelijk over het horizontale vlak.

Paragraaf 3.6


Het hout speelt een belangrijke rol in het transport van water en mineralen. Het water kan door de zeer dunne vaten gemakkelijk omhoog kruipen door de capillaire werking. De capillaire werking heeft betrekking op de aantrekkingskracht die watermoleculen worden aangetrokken door de wanden van de buizen en de watermoleculen door cohesiekracht meetrekken. (Hoe dunnen de vaten hoe sterker de kracht zie figuur 3.30 op blz. 114). Op een gegeven moment gaat de capillaire druk niet meer op dit komt doordat de hydrostatische druk groter is geworden.
Worteldruk wordt veroorzaakt door actieve zoutopname, met passieve osmose als gevolg. De zoutconcentratie is binnen de endodermis hoger dan erbuiten. Hierdoor komt de wateropname opgang, deze begint in de wortelharen en gaat via capillairen in de celwand naar de endodermis. Endodermiscellen scheiden zouten af aan de binnenzijde. Het gevolg daar van ontstaat er een hogere druk aan de binnenzijde en kan het water naar de binnenkant komen. Rond elke endodermiscel bevindt zich de wand een ondoorlatende kurklaag. Door deze laag is het onmogelijk voor stoffen om langs deze cellen te stromen deze kunnen alleen door plasmamembranen.
Voor zoutverplaatsing is energie nodig, daarom moeten er enzymen bij betrokken worden.
Alleen de capillaire werking van water is niet genoeg om genoeg water boven in de boom te krijgen, de andere kracht die een rol speelt wordt veroorzaakt door de verdamping en wordt geregeld door de huidmondjes. De sluitcellen bezitten bladgroenkorrels. In licht verbruiken deze koolstofdioxide, hierdoor wordt de concentratie hiervan heel laag, hierdoor stijgt de PH waarde. De hoge PH waarde, op haar beurt, stimuleert de enzymatische omzetting van zetmeel in glucose. Dit heeft weer een toename van de osmotische waarde in de sluitcellen tot gevolg. De cellen onttrekken water aan de omgeving, doordat ze opzwellen op en worden in de buurcellen gedrukt. Hierdoor gaan de huidmondjes open. Op een warme vochtige dag gebeurt dit niet. De turgor van de sluitcellen daalt en de huidmondjes sluiten zich.
Het water verdampt uit de celwanden van de cellen en komt terecht in de intercellulaire holten. Hiervan uit gaat het water via de huidmondjes naar buiten. Doordat de celwanden water kwijt raken wordt de druk hierin minder. Deze zuigen daardoor water uit de nabije celwanden. Als de celwanden dit bij een houtvat liggen onttrekt deze water uit het houtvat.

Let op: cohesie ( blz. 116) is een andere woord voor samenhang.
Let op: Er zijn een aantal factoren die van invloed zijn op de verdampingssnelheid, dit zijn: Luchtvochtigheid, de temperatuur, de hoeveelheid wind, het bladoppervlak en het aantal huidmondjes. Verder kunnen de dikte van de waslaag, de aanwezigheid van beharing en de beschutte ligging van de huidmondjes de verdamping beperken.

Assimilatieproducten (= de producten van het proces van omzetten van voedingsstoffen in organische verbinden) worden vervoerd via de bastvaten. Dit gebeurt met een snelheid van 100 cm per uur. Deze snelheid word waarschijnlijk veroorzaakt door de drukstroomtheorie en niet door diffusie of cytoplasmastroming. Volgens de drukstroomtheorie zijn alle cellen met elkaar verbonden zijn, zo is het mogelijk dat er een waterstroom van cel tot cel opgang komt. Deze stroom inclusief het opgeloste sacharose verplaatst zich van een hoge naar lage turgor. De hoge turgor vindt ontstaat in de bastvaten in de bladeren hier wordt onder andere sacharose afgegeven. Assimilatieproducten waaronder sacharose worden bij de lage turgor onttrokken aan de bastvaten, die gebeurt in de wortels en knoppen. Bij de afgifte en opname van sacharose spelen de begeleidende cellen ook een rol.

Paragraaf 3.7


Net als bij geld heb je bij planten ook te maken met bruto en netto. Een plant produceert bruto een bepaalde hoeveelheid glucose, maar daar wordt weer een deel van gebruikt voor het onderhouden van levensprocessen. Wat er daarna over blijft is de nettoproductie.
Chloroplasten produceren bij voldoende licht zuurstof, hoe meer licht hoe groter de productie. Bij een bepaalde verlichtingsterkte is de productie van glucose net zo groot als de dissimilatie van glucose. Dit is het compensatiepunt. Bij de vorming van een glucose molecuul ontstaan 6 zuurstof moleculen, voor de dissimilatie van zo’n zelfde molecuul zijn 6 zuurstof moleculen nodig. Als de zuurstofproductie gelijk is aan het gebruik, is er geen zuurstof nodig aan de omgeving, wordt de productie groter dan produceert de plant zuurstof.
Licht is dus van invloed op de fotosynthese, maar ook de temperatuur en de aanwezigheid van water en koolstofdioxide zijn belangrijke factoren.
Zetmeel is een ideaal opslagproduct, het lost niet op en is zo niet van invloed op de osmotische waarde van de oplossing kan het overal worden opgeslagen. Vooral in wortels, knollen, en bollen. Hierdoor bevatten deze veel energie en andere koolhydraten.
Niet alleen vis en vlees bevatten eiwitten ook planten kunnen deze produceren. Ze maken namelijk aminozuren, de bestanddelen van een eiwit. Aminozuren worden gemaakt uit koolstofdioxide, water, nitraat, en sulfaat. De laatste twee worden door de wortels opgenomen uit de bodem. Van aminozuren worden ook de organische basen, adenine, thymine, guanine en cytosine.
Cellulose is geen eetbare stof maar omdat het sterk is kan het gesponnen worden tot draad (katoen).

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.