Ook deze week is het nog 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Biologie samenvatting.


Hoofdstuk 2, Voortplanting.

Regeling door hormonen, hormonen zijn signaalstoffen en worden doorgegeven door het bloed.

Vrouwelijke geslachthormonen, Oestrogeen en Progesteron remmen de aanmaak van FSH en LH.
- Oestrogeen. Wordt gevormd in de eierstokken en zorgt voor de ontwikkeling van primaire geslachtskenmerken (baarmoeder, vagina) en de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken (borsten, schaamhaar etc.)
- FSH; stimuleert de rijping van de follikels.
- LH; beïnvloedt de verdere follikelrijping en veroorzaakt de ovulatie, en houdt het gele lichaam in stand.
- Progesteron; wordt door het gele lichaam gemaakt. Zorgt voor verdere ontwikkeling van het baarmoederslijmvlies en de baarmoeder spieren.

Mannelijke geslachtshormonen;regelen de aanleg van de mannelijke geslachtsorganen en zorgen ook voor de uiterlijke geslachtskenmerken en de aanmaak van sperma.
- Testosteron; wordt gevormd in de zaadballen en zorgt voor de ontwikkeling van de primaire geslachtsorganen, productie zaadcellen, laat spiermassa toenemen, versnelt lengte groei, versnelt botgroei, activeert seksuele activiteit in de hersencentra en zorgt voor secundaire geslachtskenmerken (lichaamsbeharing, groei strottenhoofd.) Remt FSH en LH!!
- FSH; stimuleert de aanmaak van zaadcellen in de zaadbal.
- LH; zorgt ervoor dat cellen in de zaadbal testosteron gaan aanmaken.

Testosteron en Oestrogeen stimuleren onder andere het groeihormoon. Jongen vormen eerder
Sneller en veel testosteron waardoor zij langer worden dan meisjes.

Regeling door zenuwstelsel. De zenuwen reageren sneller dan hormonen (bijvoorbeeld; erectie of blozen) door signaalstoffen in hun cellen; de neurotransmitters. Deze acties worden geregeld door de hypothalamus en de hypofyse in de hersenen.

Het groeihormoon is de belangrijkste groeistimulerende factor. Het is een eiwit en wordt gemaakt in de hypofyse. Dit hormoon piekt vaak na het eten en als je slaapt, je groeit dan ook het meest in de puberteit en als baby zijnde.
Het groeihormoon stimuleert;
- Groei van weefsel (botweefsel)
- Bevordert aanmaak eiwitten en afbraak vetten.
- Stimuleert de celdelingen.

De schildklier produceert het hormoon thyroxine dat de stofwisseling van bijna alle lichaamscellen stimuleert en ondersteund de werking van het groeihormoon.

Epifysairschijven; laten zien hoeveel je nog groeit en bestaan uit kraakbeencellen die nog niet verbeend zijn, daardoor zijn de doorzicht op de röntgenfoto’s. hoe dikker de groeischijf hoe langer je uiteindelijk wordt.
Groeistornissen;
- Dwerggroei; te weinig groeihormonen.
- Te lang; kan behandelt worden met geslachtshormonen.
- Onvoldoende voedingsstoffen en emotionele factoren hebben een groeistoornis tot gevolg.

Groeibevorderende stoffen, zijn bijvoorbeeld anabolen en hebben dezelfde werking als testosteron.

Soa’s worden veroorzaakt door ziekteverwekkers en groeien goed in slijmvliezen en bloed daardoor kunnen ze gemakkelijk worden door gegeven. Je kan ze voorkomen door veilig te vrijen.
- Chlamydia en druiper zijn te verhelpen via een antibiotica kuur.
- Syfilis, Hepatitis B en HIV-infecite zijn moeilijk te behandelen en te verhelpen.


Voorbehoedsmiddelen.
Onbetrouwbaar zijn; periodieke onthouding, terugtrekken (voor het zingen de kerk uitgaan).
Betrouwbare zijn; Condoom (beschermt tegen soa’s), de pil (geen eisprong, kan geen innesteling plaats vinden, slijmprop in de ingang van de baarmoeder ondoordringbaar voor zaadcellen), implanon, spiraaltje, pessarium, sterilisatie.

Geslachtsorganen mannen;
- Penis; daarin zitten de urinebuis en de drie zwellichamen (bestaan uit sponsachtig weefsel en bevatten veel bloedvaten, die bij seksuele opwinding wordt de afvoer van bloedbeperkt, er ontstaat een erectie  Erectie; de voorhuid wordt terug geschoven en de eikel zichtbaar.
- Eikel; bevat een groot aantal zintuigcellen. Door het heen en weer bewegen van de voorhuid komt er een zaadlozing.
- Zaadballen; zitten in een zakje van de huid, de balzak. De temperatuur is lager dat is beter voor de aanmaak van zaadcellen. zaadcellen; zijn opgebouwd uit een kop en een staart.
- Bijballen; door de zure omgeving en gebrek aan zuurstof zijn de zaadcellen onbewegelijk. Bij een zaadlozing worden ze door spierweefsel in de wand van de bijbal naar de zaadleiders gedreven.
- Zaadleiders; verbinden de bijballen met de urine buis. En voegt vloeistof van de zaadblaasjes en prostaat bij de zaadcellen.

Geslachtsorganen vrouwen;
- Binnenste en buitenste schaamlippen; omgeven de clitoris, uitgang urinebuis, ingang schede.
- Maagdenvlies; sluit de schede af bij maagden.
- Baarmoeder; zijn aan de binnekant voorzien van een laag bloedrijk slijmvlies. Aan de onderkant zit de baarmoederhals.
- Eileiders; vormen een verbinding tussen de eierstokken en de baarmoeder. Bevat trilhaar cellen.
- Eierstokken; hebben twee functies – het maken van geslachtshormonen en het vormen van rijpe eicellen.
- Follikel; cel met voedingsstoffen en eicel.
- Ovulatie; de eicel verlaat de follikel.
- Gele lichaam; de rest van de follikel, blijft achter en vormt nog twee weken hormonen.

Wanneer een eicel wordt bevrucht en deze zich gaat innestelen in het baarmoederslijmvlies, blijft het gele lichaam bestaan. Het progesteron houdt nu het baarmoederslijmvlies intact en er vindt geen menstruatie plaats. Tevens blijft het FSH geremd en kan er geen nieuwe follikelrijping plaatsvinden. Langzamerhand wordt de productie van progesteron overgenomen door de placenta en verdwijnt het gele lichaam.
Bevruchting; vind plaats in de eileider. De kop van de zaadcel smelt samen met de kern van de eicel, nu zijn er weer 46 chromosomen. Zo’n cel heet een zygote. Al delend wordt deze cel naar de baarmoeder vervoerd waar innesteling plaats vind.
Uiteindelijk ontstaat er uit de zygote een embryo, dat omgeven wordt door vruchtwater dat als stootkussen fungeert.

Placenta; wordt door moeder en kind gevormd, en ontstaat uit een aantal cellen en cellagen van het groeiende embryo en het baarmoederslijmvlies. De placenta houdt de meeste gevaarlijke stoffen buiten maar niet allemaal zoals, alcohol, nicotine of drugs. Maar ook ziekteverwekkers als HIV en rode hond en sommige soa’s.
De placenta vormt ook hormonen die zorgen dat er geen nieuwe eicel rijpt en dat de baarmoeder groeit en dat de melkklieren in de borsten zich ontwikkelen. HCG

Twee-eiige tweeling; er komen twee eicellen vrij die beiden worden bevrucht.
Eeneiige tweeling ontstaan wanneer tijdens de eerste delingen van de zygote de cellen van elkaar losraken en tot twee zelfstandige embryo’s ontwikkelen.

Geboorte; 1. Weeën (sterke samentrekkingen van de spieren) 2. Ontsluitingsfase. 3. Breken vruchtvliezen. 4. Uitdrijvingsfase. 5. Nageboorte (placenta).




Hoofdstuk 3, bouw en functie van cellen.

Elke cel is bezig zijn eigen leven te leiden en toch maakt elke cel deel uit van een groep; een weefsel.
Weefsel; een groep cellen met dezelfde vorm en één bepaalde functie.
Verbindingen; bij sommige weefsels is de manier waarop de cellen in het weefsel gerangschikt zijn heel belangrijk. In spierweefsel bepaalt de onderlinge verbinding van de spiercellen het vermogen van de spier.
Organen; hun taak is het uitvoeren van speciale taken. Bestaat uit verschillende soorten weefsels. Eén van die weefsel voert de hoofdtaak uit de rest ondersteunt die. Een voorbeeld is zorgen voor aan- en afvoer van stoffen.
Orgaanstelsels; organen die met elkaar in verbinding staan. Bijvoorbeeld het ademhalingsstelsel en de spijsvertering.

Een loep kan je gebruiken om een blad te bekijken. Om een lichtmicroscoop te kunnen gebruiken moet het niet te dik zijn het licht moet er nog doorheen kunnen, onder een lichtmicroscoop kunnen levende dingen geplaatst worden. Bij een elektronenmicroscoop is dat niet het geval, het voordeel is wel dat er kleinere dingen kunnen worden bekeken.

Er zijn verschillende celtypen; planten en dierlijke cellen, eukaryoten cellen (met kern), prokaryoten cellen (zonder kern voorbeeld; bacterie. Deze cellen bevatten wel erfelijk materiaal).
Protoplasma; geleiachtige vloeistof dat voor 80 % uit water bestaat de rest zijn eiwitten, vetten suikers, mineralen.
Chromosomen; bevinden zich in de celkern en bepalen welke processen zich afspelen in een cel. Chromosomen worden steeds doorgegeven aan de dochtercellen en zijn verantwoordelijk voor erfelijke eigenschappen.
Kernmembraan; de buitenkant van de celkern. Door de poriën in het kernmembraan is een uitwisseling van stoffen tussen kernplasma en cytoplasma mogelijk.

Plastiden (komen alleen voor bij planten);
- Chloroplasten – bladgroenkorrels – kleurstof chlorofyl zorgt voor fotosynthese. De energie hieruit komt vrij door verbranding als de cel energie nodig heeft.
- Chromoplasten; de rode en gele kleurstoffen hierin geven de plantendelen kleur.
- Leucoplasten; zijn kleurloos, maar bij belichting kunnen ze groen worden. Ze bevatten zetmeel.

Vacuoles; zijn blaasjes gevuld met vocht en bevatten afvalstoffen. In planten cellen zijn vacuoles belangrijk voor de stevigheid van een cel. In dierlijke cellen heetten vacuoles naar hun functie – transportblaasjes of lysosoom.
Celwand; geeft stevigheid en beschermt de cel tegen beschadigingen en is een dood product maar doorlaatbaar voor veel stoffen. Vorming celwand; 1. Ontstaan celwand d.m.v. pectine, 2. Uiteindelijke grootte celwand d.m.v. cellulose, 3. Sommige cellen extra versteviging d.m.v. houtstof. Als de celwand helemaal verhoud is sterft hij.
Celmembraan; is een barrière tussen cel en omgeving en bevat water en gassen voor opname van andere stoffen zijn transport eiwitten nodig. Die andere stoffen worden actief opgenomen, afhankelijk van de behoefte van een cel. Het celmembraan regelt de opname en afgifte van de stoffen. Receptoren helpen bij de communicatie tussen cellen.
Endoplasmatisch reticulum; is het netwerk van membranen die platte holten en buizen vormen en staan in contact met het kernmembraan en met het celmembraan. Het ER zorgt voor het transport van eiwitten. Op het ER liggen ribosomen die een rol spelen bij het maken van eiwitten.
Mitochondriën; hierin vind verbranding plaats glucose wordt afgebroken met behulp van zuurstof en hierbij komt energie vrij die weer wordt opgeslagen in speciale moleculen die in een chemische reactie snel energie kunnen afstaan. De glucose en zuurstof worden via het cytoplasma aangevoerd.

Cellen hebben verschillende taken;
- Voedsel opnemen en verteren.
- Afvalstoffen verwijderen.
- Stoffen maken voor vervanging en groei.
- Reageren op de omgeving.
- Energie vrijmaken voor al deze processen.

Gespecialiseerde cellen zijn helemaal aangepast op hun taak en afhankelijk van de taak die een cel moet uitvoeren, beschikken ze over meer mitochondriën, een grote vacuole of een sterk geplooid celmembraan.

Anorganische stoffen voorbeelden zijn; koolstofdioxide, zuurstof, zouten als keukenzout , natriumchloride en calciumsulfaat.
Organische stoffen bestaan uit een combinatie van C-, H- en O-atomen ze zijn door organismen gemaakt voorbeelden zijn koolhydraten, eiwitten, vetten, nucleïnezuren (DNA) eiwitten en nucleïnezuren bevatten ook N-, S- en P-atomen.

Aminozuren bestaan uit bouwstenen die volgens een vast patroon ten opzichte van elkaar zijn gerangschikt.












Koolhydraten; bevatten Vetten bestaan ook uit de CHO atomen Eiwitten bestaan uit CHON en
de elementen C, H, O en en vormen een 3 tand. soms S moleculen. De bouwsten-
hebben een kristalvorm. En heette aminozuren.

Nucleïnezuren bestaan uit suiker, fosforgroepen en stikstofbasen.
De bekendste vorm is DNA.





Koolhydraten; de meest eenvoudige koolhydraten die in organismen voorkomen zijn de monosachariden een voorbeeld is galactose en suiker (glucose). Glucose is de belangrijkste brandstof en bouwsteen voor nde grote koolhydraten en lost op in water.

Vetten; Een verschil met de koolhydraten is dat vetmoleculen heel veel koolstof en waterstof en weinig zuurstof bevatten. Vetten zijn belangrijk als reservebrandstof voor de cellen/ bovendien vormen speicale vetcellen een beschermende laag aan het oppervlak van veel organismen en rond organen ze zijn ook een belangrijk bestanddeel van membranen.
Onverzadigde vetten; is wanneer in een vetzuur één of meer dubbele bindingen voorkomen. Ze bevorderen ook het vervoer van cholesterol naar de lever, waar het teveel van deze stof wordt afgebroken.
Verzadigde vetten; bevorderen de afzetting van cholesterol tegen de wand van de bloedvaten. En zijn vaak van dierlijke oorsprong en zitten in plataardige producten. Fosfolipiden bestaan uit glycerol, twee vetzuren en een fosforgroep.

Eiwitten; bestaan uit aan elkaar gekoppelde aminozuren door verschillende koppelingen hierin kunnen er verschillende soorten eiwitten worde gevormd. De belangrijkste functies zijn, zorgen voor transport via het membraan, zijn een bouwstof voor haren, nagels en bindweefsels, zorgen ervoor dat de spieren samentrekken, opslag van aminozuren voor het embryo.

Nucleïnezuren; de bekendste is DNA. In de lengterichting zijn heel veel verschilleden volgorden van nucleotiden mogelijk elk DNA-molecuul heeft zo zijn eigen patroon van nucleotiden.


Indicatoren gebruik je om de aanwezigheid van een bepaalde stof aan te tonen.
Hoofdstuk 4, de levenscyclus van cellen.

Stamcel; is een cel die dat proces van specialisatie nog niet heeft doorgemaakt. Stamcellen zijn vooral te vinden in een embryo, beenmerg. In beenmerg kunnen ze nog verschillende typen bloedcellen aannemen.
Voor zenuw- nier- en hartcellen heeft een volwasssen mensen geen stamcellen meer.

Een cel kan zich tot verschillende soorten cellen specialiseren, spiercel, bloedcel of zenuwcel. Het zijn gedifferentieerde cellen (ze hebben allemaal hun eigen taak).
Het niet goed functioneren van cellen die niet vervangen kunnen worden is de rede van veroudering.

De interfase wordt verdeeld in drie kortere periodes;
- G1; aan het eind van G1, de eerste groeifase, gaat een deel van de cellen een nieuwe celcyclus in. Een ander deel blijft in G1 specialiseert zich en verliest de mogelijkheid om te delen. Als deze cellen sterven, worden ze vervangen vanuit de voorraad stamcellen. Sommige cellen gaan een rustfase in, GO.
- S (synthese); de S fase wordt gekenmerkt door synthese van DNA. Elke DNA-streng wordt verdubbeld. Als deze zogenaamde replicatie is afgerond, bestaat elk chromosoom uit twee identieke DNA-moleculen, die nog één punt, het centromeer, aan elkaar vast zitten.
- G2; tijdens de G2 fase worden de laatste voorbereidingen getroffen voor de eigenlijke celdelingen. Er worden onder meer spoeldraden gevormd. Tijdens de M-fase deelt de kern zich. In dat proces worden vijf fasen onderscheiden. In het laatste stukje van de M-fase is de kern al gedeeld. Nu splitst de cel in tweeën.

Homoloog; twee dna-moleculen zijn nagenoeg gelijk.
Chromatiden; de twee dna-moleculen zitten nog aan elkaar vast.

Mitose (zie binas 75);
- Profase; de dochterchromosomen rollen zich op. Zo lang ze aan elkaar vast zitten, noemt men ze chromatiden. Het kernmembraan valt nu uit een en in het cytoplasma ontstaat een spoelvormige afbeelding van fijne plasmadraden.

- Metafase; de chromosomen bewegen zich dan naar het midden van de cel, het equatriale vlak.

- Anafase; de chromatiden worden uit elkaar getrokken. Dit gebeurt door middel van de draden uit de spoelafbeelding, die zich aan de chromatiden hecten. Van elk paar chromatiden gaat er één naar het enen uiteinde van de spoelafbeelding, één naar het andere uiteinde.

- Telofase; de chromatiden zijn nu zelf standige chromosomen geworden. Rondom de chromosomen wordt een nieuw kernmembraan gevormd. De spoelafbeelding verdwijnt en de chromosomen despiraliseren zich.

Geslachtscellen worden gevormd door meiose (zie binas 75)
Tijdens de eerste deling worden de chromosomen verdeeld. Van elk paar chromosomen komt er één aan elke pool van de cel terecht. Het andere chromosoom gaat naar de andere pool. Tijdens de tweede deling worden de chromatiden uit elkaar getrokken. In deze deling onderscheidt men dezelfde fasen als in de mitose. Uit een cel waarin elk chromosoom tweevoud voorkomt ontstaan zo dus vier cellen waarin elk chromosoom één maar voorkomt.











Hoodstuk 5, invloed van DNA.

Bio-katalysatoren noemen we enzymen. Enzymen bestaan uit een eiwitmolecuul met daarin vaak nog een andere stof. Elk enzym is daardoor specifiek en het kan maar één reactie versnellen.
Enzymen zijn bepalend voor wat er in een cel gebeurt.

Van DNA tot enzym.
Eiwitten worden gemaakt in het cytoplasma, op de ribosomen, en bestaan uit een keten van aminozuren.
Om een eiwit te maken, heb je een heleboel verschillende losse aminozuren nodig. Die krijg je in je cellen door het voedsel dat je hebt afgebroken. Via het bloed worden de aminozuren naar alle cellen vervoerd.

Volgorde aminozuren koppelen;
mRNA; Er werden moleculen gevonden die de ribosomen laten weten welke eiwitten ze precies moeten maken en welke aminozuren ze daarvoor aan elkaar moeten koppelen.
- Wordt in de kern gemaakt.
- Maken van mRNA gebeurt op dezelfde wijze als de verdubbeling van DNA.
- Het mRNA wordt vanuit de kern naar de ribosomen in het cytoplasma vervoerd.
- De basen volgorde van het RNA vertelt hen in welke volgorde ze de verschillende aminozuren achter elkaar meoten zetten. Zo bepaalt de basenvolgorde van het DNA de basenvolgorde van het mRNA en dus ook de volgorde van de aminozuren in elk eiwit.

Gen op eiwit wordt afgelezen  eiwit  bepaalde taak in de cel.

Mutatie; tijdens de verdubbeling van het DNA is er een verkeerde base ingebouwd. Dus verkeerd mRNA, verkeerd eiwit. Hierdoor heeft een mutatie invloed op het functioneren op van de cel.
Bij een mutatie kan het ook zijn dat stukken van een chromosoomuitgewisseld worden tijdens de celdeling. Het gevolg hiervan is bijvoorbeeld het syndroom van down.
De mutatatiefrequentie wordt verhoogdt door bijv. UV-Straling, röntgenstraling, chemsiche stoffen etc.

De bedoeling van de HUGO was om de volgorde van de nucleotiden in het DNA te bepalen en ook dat die informatie voor iedereen beschikbaar kwam.

Een DNA-code is bij iedereen verschillend het wordt daardoor ook een universele code genoemd.
Er zijn verschillende soorten knip-enzymen en elke soort knipt DNA afhankelijk van een bepaalde nucleotidenvolgorde kapot.
Genetisch gemodificeerde organismen of transgene organismen; er zit in het organisme een gen van een ander organisme.
Sommige onderzoeken met gentisch gemodificeerde organisme hebben niet alleen een wetenschappelijk belang maar soms ook een economisch belang;
• Vergroten van de voedsleproductie.
• Dieren aanzetten tot hogere productie.
• Productie van eiwitten, dieren gebruiken voor de productie van een eiwit dat ze zelf niet maken en dat als medicijn kan dienen.
• Transgene dieren kunnen gebruikt worden om het tekort aan organen optelossen.

Groeiregelgenen kunnen beschadigd raken, wanneer dat het ’t geval is kan de cel zich onbeperkt gaan delen terwijl er geen behoefte is aan nieuwe cellen. Soms worden deze cellen door het lichaam zelf opgeruimd als dat niet het geval is en er opnieuw een mutatie optreedt ontstaan er cellen die niet alleen afwijkende genen hebben, maar ook afwijkend van vorm zijn. Er onstaat een tumor. (Een opeenhoping van cellen).
Als een tumor groter wordt, verdringt hij het oorspronkelijke weefsel, waar dit zijn functie nauwlijks meer kan uitoefenen. Als deze cellen los laten van het oorspronkelijke weefsel en in de bloed baan terecht komen, worden ze verspreid door de rest van het lichaam, er is dan sprake van een uitzaaiing.
Kwaadaardig; metastasen zijn moeilijk te bestrijden doordat ze niet op één plaats blijven.
Goedaardig; vormt geen metastasen.
Kankercellen zijn ongevoelig voor de normale regeling van de celdeling en blijven niet op hun plaats.
Therapieën voor kanker; chirugie, radiotherapie (röntgenstraling, gammastraling), chemotherapie.


Hoofdstuk 6, Erfelijkheid.

Fenotype; alle uiterlijke waarneembare eigenschappen van een organisme. Het fenotype wordt bepaalt door erfelijke eigenschappen en het milieu. Genotype; alle erfelijke eigenschappen van een organisme samen.
De kenmerken van een organisme worden dus bepaald door het genotype en het milieu samen.

Gen; een stuk DNA in een chromosoom bevat een code die uiteindelijk voor een bepaald kenmerk zal zorgen. Locus is de plaats waar het gen op het chromosoom ligt.
Allelen; genen komen in verschillende vormen voor en we spreken dan van allelen.

Dominant; onderdrukt recessief. ; G P: GG x gg
Recessief; wordt onderdrukt door dominant. ; g F1: Gg
F2: GG, Gg, Gg, gg

Homozygoot; combinatie met twee dezelfde kenmerken (GG). Heterozygoot met twee verschillende kenmerken (Gg).
Monohybride kruising; wanneer twee organismen gekruist worden en we kijken naar de overerving van één gen.
Intermediar fenotype; het fenotypen ligt tussen dat van de ouders in (voorbeeld Roze bij Rood en Wit)
Co-dominantie; Beide allelen zijn even dominant (zie Intermediar fenotype)

Dihybride kruising; een kruising tussen twee individuen die in twee eigenschappen verschillen.

Als een er een bevruchting heeft plaats gevonden en dit hoopje cellen is gegroeid tot een embryo wordt en soms een test gedaan om te zien of het kindje wel helemaal gezond heeft. Dit kan via;
- Vlokkentest; hierbij wordt een aantal celln van het buitenste vruchtvlies gehaald.
- Vruchtwaterpunctie; er wordden cellen van de baby uit 20ml vruchtwater gehaald.
- Echografie; d.m.v. ultrageluidonderzoek wordt de baby in beeld gebracht. Groeiafwijkingen en afwijkingen aan hart en bloedvaten kunnen in beeld gebracht worden.


Hoofdstuk 7, Alles verandert.

Continentale drift; de ontstane bewegingen van de platen op de aarde die verschuiven.
Een manier om de geschiedenis van het leven op aarde te onderzoeken is het gebruik maken van fossielen. Fossielen; zijn overblijfselen of sporen van vroeger leven op aarde.

De mens is een zoogdier en stamt oorspronkelijk af van de primaten (mensapen). De primaten zijn zoogdieren met een aantal overeenkomstige kenmerken. Ze hebben grijphanden, en kunnen goed afstanden schatten door de ligging van hun ogen, hun knobbelkiezen (alleseters).

Generatio spontanea; het ontstaan van leven uit levenloze materie.
Endosymbiose-theorie; ze gingen ervan uit dat de meest ingewikkelde cellen (cellen met een membraan om de kern) ontstaan zouden zijn doordat eenvoudige bacteriën versmolten met organismen die al fotosynthese kenden.

Veranderingen binnen een soort waren al veel langer bekend. Door kruisen en fokken, we spreken van kunstmatige selectie, konden kwekers huisdieren en voedselgewassen verbeteren.
Charles Darwin – evolutietheorie; 1. Organismen platen zich voort, 2. Er ontstaan meer nakomelingen dan er ouders zijn, 3. De nakomelingen verschillen onderling (variatie), 4. Alleen de best aangepaste nakomelingen zijn is staat zich te vermenigvuldigen, 5. Veranderingen in de omgeving leiden tot veranderingen binnen de soort.
Omdat organismen van één soort allemaal een beetje verschillend zijn, zullen de best aangepaste individuen de grootste kans op nakomelingen krijgen.

Populaties; als een groep organismen van één soort onderling zo gescheiden zijn dat er weinig kans is op voortplanting. Populaties kunnen gescheiden worden van elkaar door geografische isolatie (het uiteendrijven van de continenten, eiland- of gebergtevorming of veranderingen in het klimaat zoals de vorming van een woestijn). Als de populaties eenmaal van elkaar gescheiden zijn, worden door mutatie en selectie de verschillen steeds groter.
De verschillen kunnen zo groot zijn dat er geen paring meer mogelijk is tussen de individuen van de verschillende populaties.
We spreken van nieuwe soorten als de uitwisseling van voortplantingscellen onmogelijk is geworden. De populaties moeten dus van elkaar geïsoleerd raken dat;
- De bevruchting ondanks de paring niet plaats vindt;
- De nakomelingen niet levensvatbaar of steriel zijn.
Homoloog; de kenmerken van twee of meer organismen zijn ontwikkeld vanuit een gemeenschappelijke voorouder.

Ontstekingsreactie; rood worden, warm worden, opzwellen, pijn doen.

Niet-specifieke afweer;
Het immuunsysteem maakt gebruik van een aantal organen, waaronder je zwezerik, beenmerg, weefsels en lymfe.
Weefselvloeistof; bestaat uit plasma (bloed) en kan buiten je haarvaten komen.

De eerste verdedigingslinie van ons lichaam bestaat uit de huid en de slijmvliezen. Deze afweer is niet specifiek, op elke indringer wordt op dezelfde manier gereageerd.
De tweede verdedigingslinie bestaat uit een ontstekingsreactie als de bacteriën toch zijn binnen gedrongen. Er komen dan macrofagen naar de plaats des onheil en proberen de lichaamsvreemde stof te vernietigen door als een soort packman de indringer op te eten. Dit heet fagocytose!

Specifieke afweer;
De specifieke afweer werkt met een systeem van herkenning van lichaamsvreemde indringers.
Antigene determinanten; Op de buitenkant van de indringer zitten speciale moleculen die door ons lichaam als lichaamvreemd worden herkend.
Antigeen; dragers van de antigene determinanten.
De specifieke afweer bestaat uit twee nauw samenwerkende systemen de cellulaire afweer en de humorale afweer.

- Cellulaire afweer;
De antigenen kom in onze bloedbaan en ze komen ook in de lymfeknopen. Daar liggen een heleboel witte bloedcellen te wachten. Een groot aantal is ooit ontstaan in de zwezerik en heette T-cellen.
In het beenmerg ontstaan de B-cellen die ook antigene kunnen herkennen.
Voor elk antigeen is er een speciale T-cel. Die cel kan zich delen en en dan zijn er drie verschillende mogelijkheden. De geactiveerde cel kan veranderen in;
• Cytotoxische T-cel; een T-cel die andere cellen waar op dezelfde antigenen opzitten kapot maken.
• Een geheugen T-cel; die alvast klaar ligt voor een snelle herkenning als het antigeen een volgende keer binnen komt.
• Een T-helper cel; die belangrijk is voor de rest van het verhaaaaltje….

- De humorale afweer;
De T-helper cel kan in contact komen met andere witte bloedcellen die in het beenmerg zijn ontstaan, de B-cellen. Wanneer een T-helper cel de juiste B-cel tegenkomt dan verandert de B-cel, hij gaat zich delen en elke gedeelde cel gaat opzwellen en verandert in zogenaamde plasmacellen en een aantal B-cellen verandert niet na activatie in een plasmacel. Zij gaan door als B-geheugencellen.
B-cellen hoeven niet perse geactiveerd te worden door T-helper cellen ze kunne ook direct door binding met het antigeen geactiveerd worden.

Op elke cel zitten receptoren voor een bepaald antigeen. Die witte bloedcellen worden eerst gekeurd in de lymfeknopen waarna ongeveer 90% word vernietigd omdat zij een receptor voor lichaamseigen stoffen bevatten. De overige 10% bevat een receptor voor lichaamsvreemde stoffen en kunnen een specifiek lichaamsvreemd antigeen herkennen. (natuurlijke selectie)

Aangeboren afweer; krijg je mee via de placenta en borstvoeding van de moeder. Bij het binnenkomen van een lichaamsvreemde stof hoeft de baby zelf geen antistoffen te maken.

Actieve immunisatie; het vaccin zorgt ervoor dat je zelf antistoffen gaan maken.
Passieve immunisatie; vaccin dat wordt ingespoten met antistoffen tegen het betreffende antigeen, je maakt dan zelf geen antistoffen. Hierbij hoort ook de aangeboren afweer die je als baby mee krijgt.

Auto-immuunziekte; de ziekteafweer van je lichaam maakt soms ook foutjes. Je afweer richt zich dan tegen je eigenlichaam en daardoor kun je ziek worden.
Allergie; histamine zorgt voor een allergiereactie van je lichaam. Overgevoeligheid ontstaat door een te heftige reactie van je T-cellen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.