H2 §2



Organellen- celstructuren die omgeven zijn door celmembraan.

Kernporiën- openingen in kernmembraan.

Chromatine- DNA in combinatie met speciale eiwitten

Nucleolus- kernlichaampje

Fosfolipiden- vetmoleculen met fosfor groepen eraan vast.

Glycocalyx- buitenkant cel, bestaat uit: koolhydraten, eiwit en vet moleculen

Contactinhibitie-cellen stoppen met delen door contact glycocalyxen.

Cristae- instulping naar binnen bij de mitochondriën.

Intermembraanruimte- ruimte tussen de twee membranen bij mitochondriën.



Matrix- ruimte binnen het binnenmembraan bij het mitochondrion.

Celplasma- inwendige van de cel.

Lysosomen- blaasjes die enzymen bevatten

Secretie blaasjes- blaasjes die naar celmembraan getransporteerd worden (legen buiten cel)

Fagocytosen- insluiten van vaste deeltjes

Pinocytose- insluiting van vloeibare deeltjes

Apoptose- gerichte afbraak, is noodzakelijk.

Necrose- afsterven van cellen door bijv. lekkage van celmembraan.

Chromoplasten- gekleurde plastiden

Leukoplasten- niet gekleurde plastiden

Chloroplasten- bladgroenkorrels

Stroma- ruimte opgevuld met vloeistof bij bladgroenkorrels.

Amyloplasten- zetmeelkorrels

Tonoplast- centrale vacuole in gespecialiseerde plantencellen.





Kern:

Kern bevat erfelijke info: DNA (desoxyribonucleïnezuur)→bestuurt celprocessen.

Mitochondriën en bladgroenkorrel bevatten ook genen.

Bij delen word chromatine zichtbaar:chromosomen. Mensen 46→23 paar. Geslachtscel enkel dus 23 chromosomen.

Nucleolus maakt eiwitten voor opbouw ribosomen aan.



Membranen:

Celmembraan bestaat uit dubellaag van vetmoleculen.

Via celmambraan worden stoffen door cel opgenomen en afgegeven.

Membraan zorgt voor orde in celprocessen binnen cel.

Alle cellen omgeven door membraan→dierlijke hebben daaromheen nog celwand→bij planten bestaat deze uit cellulose, bij schimmels chitine, bij bacteriën murëine.

Fosfolipiden→naar binnen gekeerd waterafstotend naar buiten wateropnemend.

Tussen fosfolipiden eiwitmoleculen→zorgen voor transport van voedingsstoffen of receptor.

Celmembraan scheid celplasma van buitenkant.

Opp. Membraan zijn koolhydraten→zijn aan eiwit en vet moleculen gekoppeld.

Opgebouwd uit membranen: Mitochondrien,kernmembraan,ER,Golgi-systeem,lysosoom, bij planten ook plastiden. Uitsteeksels ook: flagellen, ciliën.



Mitochondriën:

Energieleveranciers in cel→hoe actiever cel, hoe meer mitochondriën.

Vermeerderen door deling. Hebben dubbelmembraan→binnenste sterk naar binnen geplooid.

Verbranding van koolhydraten→komt energie vrij→vastgelegd in TPA(energie) moleculen.

Voor verbranding is zuurstof en brandstof(koolhydraten) nodig. Eindproduct=koolstofdioxide (CO2) en water (H2O) en energie.

Mitochondrion heeft DNA om 13 eiwitten te maken voor verbranding.



Endoplasmatisch Reticulum (ER):

Netwerk van membranen. Membraan van ER en membraan van cel lopen in elkaar over.

-Ruwe ER (ribosomen): maken eiwitten→worden omgevormd tot glycoproteïnes→ word lang ER vervoerd en in blaasjes opgeslagen.

Is in staat eigen membranen te synthetiseren.

-Gladde ER: is betrokken bij processen (vorming van vetzuren), deel van steroïde hormonen word hier gemaakt. Bevat calcium (om spieren samen te trekken).



Ribosomen:

Groot deel met ruwe ER verbonden, rest ligt los in celplasma, soms groepjes als polysomen.

Bestaan niet uit membranen maar eiwitmoleculen met stukjes erfelijk materiaal (RNA).

Als cel veel eiwit produceert heeft het ook veel ribosomen→essentieel voor eiwitsynthese.

Geproduceerde eiwitten kunnen gebruikt worden:aanmaak van materiaal(structuur),versnellen van omzettingen(enzymen)en transport van stoffen door celmembraan.



Golgi-systeem:

Bestaat uit op elkaar gestapelde membranen waaruit door afsnoering aan de zijkanten nieuwe blaasjes ontstaan (blaasjes eerst afkomstig uit ER).

G-syst.=soort fabriek waar producten worden bewerkt→eiwitten, suikers en vetten worden bewerkt tot verbindingen die in de cel gebrukkt kunnen worden.

G.syst. bevat heel veel enzymen (ieder type omzetting=ander enzym)



Lysosomen:

Door mebranen omgeven zakjes→liggen enzymen opgeslagen die betrokken zijn bij afbraak van grote moleculen (eiwitten, vetten).

Lysosomen vooral belangrijk bij intracellulaire vertering van voedsel dat via fagocytose en pinocytose is binnengekomen.

Membranen zorgen dat inwendig lysosoom op goede zuurgraad blijft.

Soms lekken lysosomen waardoor enzymen in celplasma komen→inhoud cel word afgebroken en cel lost op→lysosomen zijn “suicide bags” (zelfmoordzakjes).

Tay Sachs: ziekte die veroorzaakt word door defecte lysosomen. Vetsplitsend enzym ontbreekt in lysosoom v. cenuwcellen→vet hoopt op in zenuwen→overdracht van elektrische impulsen geblokkeerd.

Vb. apoptose kikker→staart valt af. Mens→vliezen en staartje.

Vb. necrose→ door bloedpropje in haarvaten stagneert bloedtoevoer en sterft deel van longweefsel af→longembolie



Celskelet en celspieren:

-Microtubuli: celskelet: dunne buisjes die door cel lopen→zorgen voor handhaving van vorm van cel en vormverandering en verplaatsing van organellen. Soort steigers: worden opgebouwd en afgebroken zodat ze star EN flexibel zijn. Zorgen voor spoelfiguur in Mitose en meiose en voor uitsteken van schijnvoetjes van witte bloedcellen.

-Microfilamenten: celspieren: kleinere draadjes die door cel lopen→zorgen voor beweging zoals intrekken van membraanblaasjes bij fagocytose. Doen dit door langs elkaar te schuiven. Filamenten die zorgen voor contractie van spiervezels zijn filamenten die in grote getale parallel gerangschikt liggen.



Plastiden:

Worden gevormd uit proplastiden.Kunnen door uitwendige omstandigheden in elkaar overgan

Komen alleen bij planten voor.

-Chromoplasten: komen vooral voor in rijpe vruchten (banaan, tomaat). Kleur maakt vrucht opmerkzaam zodat dieren zaden in vruchten verspreiden.

- Een van de chromoplasten=chloroplast→bladgroenkorrels. Bevindt zich in blad en stengel (fotosynthese), hebben dubbelmembraan, binnenmembraan omgeeft stroma en op elkaar gestapelde membraan schijfjes→bevatten pigment chlorofyl

-Leukoplasten: dienen om stoffen zoals vet, zetmeel en eiwitten op te slaan→ zetmeelkorrels→bevinden zich in wortels of aardappelen en zaden.

Leukoplasten die licht zien worden chloroplasten.



Vacuoles:

Soort blaasjes. Verschillenden functies→in voedselvacuole komen voedingsstoffen voor die door fagocytose zijn opgenomen. Door versmelting met lysosomen word dit afgebroken.

Door versmelting ontstaat bij gespecialiseerde plantencellen tonoplast.

Door osmose vult vacuole zich met water→strekkingsgroei→cel blaast op en strekt zich→celplasma word tegen celwand aangeduwd, daartussen celmembraan.



§3



Planten:

-hebben plastiden

-hebben centrale vacuole

-hebben celwandÚopgebouwd uit meerdere lagen, buitenste laag (primaire celwand) bestaat uit cellulose→geeft cel elasticiteit, binnenste geeft stevigheid→houtstof word afgezet→elasticiteit verdwijnt→maximale stevigheid

Dun elastische laagjes tussen cellen bestaan uit pectine→pectine vormt middenlamel.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.