Gehoorschade

  • Frequentie: aantal golfjes per seconde.
  • Decibels: de grootte van de trillingen.
  • Gewenning: je lichaam went aan een object dat je aanraakt of een geluid wat je hoort.
  • Haarcellen: sensoren in het slakkenhuis, die prikkels moeten verwerken, zijn gemaakt van zenuwweefsel, deze raken beschadigd door teveel lawaai, en zijn onvervangbaar.
  • Gehoorklachten: oorsuizen, hinder van te harde geluiden, ruis in je oren etc.
  • Tinnitus: ook wel oorsuizen, dan hoort een mens een geluid dat niet afkomstig is van de omgeving maar dat in het oor zélf ontstaat, het vervelende hiervan is dat het geluid niet kan worden uitgezet.
  • Hyperacusis: als de haarcellen stuk zijn kan de pijngrens teruglopen tot 75 dB.
  • Synchroniseren: het proces van iets gelijktijdig te maken.
  • Distortie: geluiden worden anders waargenomen.

Lekker en gezond

  • Schijf van Vijf: een hulpmiddel bij de voorlichting over goede en gezonde voeding.
  • Energiebalans: op gewicht blijven, niet teveel eten maar ook niet te weinig.
  • Overgewicht: een te groot lichaamsgewicht, oftewel je wordt dik.
  • Ondergewicht: je eet te weinig en verbruikt teveel, oftewel je wordt mager.
  • Grondstofwisseling: de stofwisseling tijdens rust.
  • Body Mass Index (BMI): hiermee kan berekend worden doormiddel van je lengte en gewicht, of je ondergewicht, overgewicht of een gezond gewicht hebt.
  • Verzadigde vetten: hierbij zijn de C-C-bindingen enkelvoudig en zijn de meeste andere bindingen, bindingen met koolstofatomen.
  • Onverzadigde vetten: hierbij is dit niet het geval (zie ’verzadigde vetten’), er is dan een dubbele binding tussen twee koolstofatomen en er is ruimte over om een andere stof zoals waterstof te binden.
  • Cholesterol: een vetachtige stof, het lichaam heeft dit nodig als bouwsteen voor celmembranen, bepaalde hormonen, vitamine D en gal.

Lucht in je lijf

  • Ademhalingsstelsel: dit bestaat uit de longen en de luchtwegen.
  • Luchtwegen: de neus- en mondholte, strottenhoofd, luchtpijp en bronchiën.
  • Strottenhoofd: het bovenste deel van de luchtpijp.
  • Slijmcellen: deze maken een stroperig vocht. Stofdeeltjes en ziektekiemen blijven hieraan vastplakken.
  • Trilhaarcellen: door de beweging van trilharen gaat het slijm  met afval naar de mondholte, het is dan uit te spugen of door te slikken.
  • Hoofdbronchiën: een vertakking van de luchtpijp, heeft dezelfde bouw als de luchtpijp.
  • Bronchiën: zijn van binnen gekleed met slijmvlies en kraakbeenschijfjes en bestaan uit bindweefsel en glad spierweefsel.
  • Longtrechtertjes: deze bestaat uit meerdere longblaasjes.
  • Longblaasjes: de binnenkant hiervan bestaat uit één cellaag. De cellen hier liggen dicht tegen elkaar aan, rondom de longblaasjes heel kleine bloedvaten.
  • Longhaarvaten: hele kleine bloedvaten die rondom de longblaasjes lopen.
  • Gaswisseling: zuurstof uit de lucht gaat door de wanden van het longblaasje en de longhaarvaten naar het bloed. Tegelijkertijd gaat koolstofdioxide vanuit het bloed naar de lucht in het longblaasje.
  • Diffusie: uitwisseling van gassen.
  • Astma: de spiertjes rondom de bronchiën trekken samen in een soort kramp toestand; een aanval van benauwdheid is het gevolg. Bij zo’n aanval moet men medicijnen gebruiken die de spiertjes laten ontspannen.
  • Huisstofmijt: een klein, spinachtig diertje van ongeveer 0.3 mm groot. Het beest leeft in huisstof, matrassen, stoffen vloerbedekking, gordijnen en beschimmelde muren. Het beestje leeft van huidschilfers van mensen en huisdieren. Een huismijtstof leeft 2 tot 4 maanden. Vrouwtjes leggen in die tijd gemiddeld 300 eitjes, een huismijtstof heeft 200 maal zijn eigen gewicht aan ontlasting, 10 % van de westerse bevolking is hier allergisch voor en kan hier allergische reacties zoals astma en eczeem.
  • Bronchitis: ontsteking van de bronchiën.
  • Longemfyseem: is een chronische ziekte waarbij de longblaasjes met elkaar in verbinding komen te staan. Hierdoor ontstaan grote, met lucht gevulde blazen in de longen. Steeds meer longblaasjes gaan verloren, de blazen die ontstaan drukken het gezonde longweefsel samen, daardoor werken de gezonde longblaasjes minder goed. Mensen met deze aandoening raken snel vermoeid en zijn kortademig. Bovendien lopen ze het risico om eerder te overlijden.

Spieren

  • Impulsen: hierdoor worden spieren aangestuurd.
  • Zintuigen: deze zorgen voor het waarnemen van de omgeving (horen, zien, voelen, ruiken en proeven).
  • Prikkels: zintuigen ontvangen prikkels, die worden aan de hersenen doorgegeven. Als reactie kunnen hersenen seintjes naar spieren sturen om samen te trekken.
  • Reflex: supersnelle verbinding tussen zintuigen en spieren.
  • Pezen: strengen sterk bindweefsel.
  • Contractie: samentrekken van een spier, veroorzaakt beweging.
  • Willekeurige dwarsgestreepte spieren: oftewel de skeletspieren. Bijvoorbeeld een tas oppakken, de hersens geven automatisch een seintje.
  • Onwillekeurig glad spierweefsel: deze spieren reageren trager, maar gaan altijd door. Bijvoorbeeld de maag, die kneedt altijd het voedsel en daar komt geen menselijke wil bij kijken.
  • Onwillekeurig dwarsgestreept: dit is een combinatie van willekeurig dwarsgestreepte spieren en onwillekeurig glad spierweefsel, het hart bestaat uit deze spieren.
  • Spierbuik: een onderdeel van een spier, waaraan een pees vastzit.
  • Spierbundels: hieruit is de spierbuik opgebouwd.
  • Spiervezels: deze bestaan uit spiercellen en de eiwitdeeltjes die langs elkaar heen schuiven bij het samentrekken van een spier.
  • Spiercellen: deze cellen maken de beweging mogelijk.
  • Pees: verbinding tussen spier en bot waarmee de spieractiviteit op het bot wordt overgedragen.
  • Antagonistisch: twee spieren die samenwerken maar het tegenovergestelde van elkaar doen, de een trekt samen de ander ontspant.
  • Synergisten: twee spieren die samen werken en hetzelfde doen, ze ontspannen allebei of ze trekken allebei samen.
  • Statische belasting: langere tijd dezelfde houding aanhouden maar wel je spieren gebruiken door ze aan te spannen om in de houding te blijven bijvoorbeeld.
  • Dynamische belasting: afwisseling in beweging, je werkt met je spieren en beweegt je lichaam.
  • Ergonoom: iemand die zich beroepsmatig met ergonomie bezighoudt; ergonomie is de wetenschappelijke studie van de mens in relatie tot zijn omgeving. Het komt in ons dagelijks leven voor, vooral met arbeid.
  • Fysiotherapeut: is een specialist in ‘bewegen’ en kan helpen bij blessures en een verkeerde houding.

Spieren

  • Impulsen: hierdoor worden spieren aangestuurd.
  • Zintuigen: deze zorgen voor het waarnemen van de omgeving (horen, zien, voelen, ruiken en proeven).
  • Prikkels: zintuigen ontvangen prikkels, die worden aan de hersenen doorgegeven. Als reactie kunnen hersenen seintjes naar spieren sturen om samen te trekken.
  • Reflex: supersnelle verbinding tussen zintuigen en spieren.
  • Pezen: strengen sterk bindweefsel.
  • Contractie: samentrekken van een spier, veroorzaakt beweging.
  • Willekeurige dwarsgestreepte spieren: oftewel de skeletspieren. Bijvoorbeeld een tas oppakken, de hersens geven automatisch een seintje.
  • Onwillekeurig glad spierweefsel: deze spieren reageren trager, maar gaan altijd door. Bijvoorbeeld de maag, die kneedt altijd het voedsel en daar komt geen menselijke wil bij kijken.
  • Onwillekeurig dwarsgestreept: dit is een combinatie van willekeurig dwarsgestreepte spieren en onwillekeurig glad spierweefsel, het hart bestaat uit deze spieren.
  • Spierbuik: een onderdeel van een spier, waaraan een pees vastzit.
  • Spierbundels: hieruit is de spierbuik opgebouwd.
  • Spiervezels: deze bestaan uit spiercellen en de eiwitdeeltjes die langs elkaar heen schuiven bij het samentrekken van een spier.
  • Spiercellen: deze cellen maken de beweging mogelijk.
  • Pees: verbinding tussen spier en bot waarmee de spieractiviteit op het bot wordt overgedragen.
  • Antagonistisch: twee spieren die samenwerken maar het tegenovergestelde van elkaar doen, de een trekt samen de ander ontspant.
  • Synergisten: twee spieren die samen werken en hetzelfde doen, ze ontspannen allebei of ze trekken allebei samen.
  • Statische belasting: langere tijd dezelfde houding aanhouden maar wel je spieren gebruiken door ze aan te spannen om in de houding te blijven bijvoorbeeld.
  • Dynamische belasting: afwisseling in beweging, je werkt met je spieren en beweegt je lichaam.
  • Ergonoom: iemand die zich beroepsmatig met ergonomie bezighoudt; ergonomie is de wetenschappelijke studie van de mens in relatie tot zijn omgeving. Het komt in ons dagelijks leven voor, vooral met arbeid.
  • Fysiotherapeut: is een specialist in ‘bewegen’ en kan helpen bij blessures en een verkeerde houding.

Ziekte en afweer

  • Infectie: een ziekteverwekker dringt het lichaam binnen. Vooral  bij vermoeidheid is de weerstand minder, dan zien ziekteverwekkers hun kans.
  • Epidemie: een infectieziekte spreidt zich snel explosief uit binnen een bepaald gebied.
  • Pandemie: een epidemie die zich over een groot deel van de wereld uitbreidt, een voorbeeld is aids.
  • Bacterie: eencellig organisme zonder celkern. Elke 20-40  minuten deelt een bacterie zich. Sommige bacteriën zijn goed voor het menselijk lichaam, andere slecht, je kunt er bijvoorbeeld ziek van worden.
  • Antibiotica: speciale geneesmiddelen die ziektes die door bacteriën veroorzaakt zijn, bestrijden.
  • Virus: bestaat uit erfelijk materiaal in een omhulsel van eiwit. Virussen hebben geen stofwisseling en kunnen zich niet zelfstandig voortplanten. Een virus kan zich alleen voortplanten als het is binnengedrongen in een andere cel, een gastheercel. Elk virussoort kan zich slechts voortplanten in een bepaald soort gastheercel. Binnen in de gastheercel geeft het erfelijk materiaal van het virus de opdracht om nieuwe virussen te maken. De gastheercel gaat hierdoor meestal dood. Als het virus is binnengedrongen in heel veel cellen van een organisme kan dit organisme er zelfs aan sterven. Een virusinfectie kan niet bestreden worden met antibiotica, alhoewel artsen soms dit wel voorschrijven om te voorkomen dat een bacterie-infectie als complicatie optreedt.
  • Gastheercel: zie virus.
  • Antivirale middelen: geneesmiddelen om virusinfecties te bestrijden.
  • Besmettelijke ziektes: dit ontstaat door ziekteverwekkers die afkomstig zijn van een ander organisme. Vaak het het om een ander mens, maar sommige ziekteverwekkers kunnen ook afkomstig zijn van dieren. Er zijn veel manieren om dit over te brengen, bijvoorbeeld via seks, ontlasting, bloed, urine of speeksel.
  • Incubatietijd: periode tussen het binnendringen van de ziekteverwekker en het optreden van de eerste ziekteverschijnselen. Hoe lang dit duurt hangt af van de ziekte.
  • Hoornlaag: de buitenste laag van de huid. Deze zorgt ervoor dat veel ziektekiemen niet in het lichaam komen. Bovendien leven er miljoenen onschadelijke bacteriën op onze huid.
  • Macrofagen: witte bloedcellen die het eerst in actie komen, deze zitten niet alleen in het bloed, doordat ze hun vorm kunnen aanpassen kunnen ze door kleine openingen in de wand van de kleinste bloedvaten, ook buiten de bloedvaten komen. Daar nemen ze ziekteverwekkers op en verteren ze.
  • T-lymfocyten: kunnen ziekteverwekkers verteren.
  • B-lymfocyten: deze maken antistoffen aan.
  • Antigenen: de eiwitten die aan de buitenkant van de cel van de ziekteverwekkers zitten.
  • Antistoffen: helpen bij het bestrijden van ziektekiemen.
  • Geheugencellen: cellen die zijn overgebleven van T- en B-lymfocyten. Deze cellen onthouden met wie ze in aanraking zijn geweest, zo kan het lichaam sneller reageren op een tweede aanval van een ‘oude bekende’.
  • Immuun: doordat ze cellen sneller reageren op een tweede aanval van ziekteverwekkers, hebben de ziekteverwekkers geen kans.
  • Kinderziektes: ziektes die een mens eenmaal in z’n leven krijgt, meestal komen die in de kindertijd voor.
  • Vaccinatie: er wordt een stof in het lichaam aangebracht die mensen of dieren kustmatig immuun maken.
  • Actieve immunisatie: men brengt verzwakte ziekteverwekkers in het bloed. Deze ziekteverwekkers veroorzaken geen of nauwelijks ziekteverschijnselen. Het lichaam maakt echter hierop wel antistoffen en geheugencellen. Daardoor is het lichaam beschermd tegen contact met de echte ziekteverwekker.
  • Passieve immunisatie: men spuit antistoffen in. De afweer komt snel op gang, maar er ontstaat geen immuniteit. Er worden nu immers geen geheugencellen gemaakt.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.