Hoofdstuk 2

Beoordeling 10
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 843 woorden
  • 20 juni 2016
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 10
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!

Paragraaf 1 weefselonderzoek




Tumor : is een ander woord voor gezwel (de celdeling is ontregeld) de meeste tumoren zijn goed aardig



Biopsie : het verzamelen van weefsel, zodat de tumor onder de microscoop kan om te onderzoeken of het een goed of kwaad aardige tumor is.



De arts stuur de biopsie naar een pathologisch laboratorium. Die onderzoekt het weefsel




Paragraaf 2 zelf cellen bekijken




Preparaat : Dit is een glasplaatje waar je cellen op kunt leggen, die je door behulp van een microscoop kunt waarnemen.



Tubes : buis waar het oculair in zit



Statief : hieraan pak je de microscoop vast



Tafel : hier leg je het preparaat op



Grote schroef : knop voor grove scherpstellingen 



Kleinen schroef : knop voor kleine scherpstellingen



Oculair : de bovenste lens



Objectieven : de onderste lens



Preparaat klem : klemt het preparaat vast



Revolver : draaibare schroef waar de objectieven aan vast zitten



Diafragma : regelt de hoeveelheid licht die door de lens valt




Paragraaf 3  




Celmembraan : hier zijn alle cellen door omgeven en bevat vooral uit vetmoleculen



Celkern : daar liggen de chromosomen



Kernmembraan :  beschermd de kern (celkern)



Cytoplasma : bestaat uit water met daarin organellen



Intercellulaire ruimte :  de ruimte tussen de cellen



Plastide :  vormen een groep organellen. Er zijn 3 soorten plastide




  • Chloroplasten > bladgroenkorrels

  • Chromo plasten > kleurstofkorrels

  • Leukoplasten > zetmeelkorrels



Vacuole : speelt een belangrijke rol bij de stevigheid bij planten.



Vacuolemembraan :  beschermd het vacuole




Paragraaf 4 weefsels en organen




Stamcellen : zijn cellen die nog niet ontwikkeld zijn tot een bepaald type cel, en nog geen specifieke functies hebben.



Embryonale stamcellen : dat zijn stamcellen die nog tot allerlei verschillende cellen kan uitgroeien dit gebeurd in de buik (embryo)



Adulte stamcellen : zijn uitgegroeid tot een specifieke stamcel. Dus b.v. een spiercel kan geen bloedcel worden.



Weefsel : een groep cellen met dezelfde vorm en functie



Dekweefsel : beschermd delen van een organisme of hele organismen



Tussencelstof : bij veel weefsels liggen de cellen niet tegen elkaar. Daardoor ontstaat tussencelstof. Meestal vormen de cellen van het weefsel dit 




Celorganellen




Kernplasma : dat zit binnenin de celkern



Kern poriën : regelen het transport van stoffen in en uit de kern



DNA : bevat erfelijke eigenschappen dit word tijdens de celdeling zichtbaar



Edoplasmatisch reticulem :  bevind zich in het cytoplasma kom de celkern heen. En maakt eiwitten en andere stoffen zoals hormonen



Ribosomen : liggen vooral op het edoplasmatisch reticulem maar komen ook los in het cytoplasma voor. En maken de stoffen



Golgisysteem : bestaat uit opeengestapelde platte blaasjes. Hierin krijgen de eiwitmoleculen hun uiteindelijke vorm. En zorgt ervoor dat de gemaakt stoffen op de juiste plekken terecht komen



Lysosomen : dit zijn blaasjes die van het golgisysteem afsnoeren, en blijven in de cel. Lysosomen bevatten stoffen die enzymen afbreken.



mitochondriën : zijn bolvormige organellen, in het mitochondriën komt energie vrij. Deze energie word opgeslagen in het ATP






Paragraaf 6 diffusie en osmose




Concentratie : hoeveelheid opgeloste stoffen



Diffusie : bij diffusie verplaatsen stoffen van een hoge concentratie naar een lagere concentratie totdat de concentratie in evenwicht is



Osmose : bij osmose verplaatst water zich van een lage concentratie opgeloste stoffen naar een hoge concentratie stoffen.




Paragraaf 7 membranen en het transport van stoffen 






Eiwitten : zorgen voor het transport van stoffen. Ook zijn er eiwitten die als enzym functioneren.



Membraan- eiwitten : zijn poortjes van de cel. Sommige zijn selectief d.w.z. dat het allen bepaalde stoffen doorlaat, en andere poortjes laten alle stoffen door



Extern milieu : is de omgeving van het organisme.



Intern milieu : is het inwendige van het organisme



Tussen het extern en intern milieu bevind zich ten minseten een celmembraan. Bij meercellige organisme bevind zich tussen de cellen weefselvloeistof



Passief transport : er is geen energie nodig om de stoffen te transporteren. Diffusie en osmose zijn hier voorbeelden van. 



Porie eiwitten : transport gaat altijd van ene hoge naar een lage concentratie dit gebeurd bij passief transport



Actief transport : kost de cel wel energie omdat het tegen het concentratieverschil ingaat.



Fagocytose : wanneer een afsnoerend blaasje van het celmembraan voedsel opneemt.



Cytoskelet : vezels binnen de cel die de vorm en bewegingen binnen de cel mogelijk maken. En vormt het pad tussen celorganellen. Er zijn twee soorten van deze vezels.




  • Microfilament

  • Microtubulus




Paragraaf 8 stevigheid door osmose




Celwanden van planten zijn permeabel. Dat wil zeggen dat planten water op kunnen slaan en dat de cel zich kan gaan vervormen. Dit word turgor genoemd.



Een plantencel die in een gelijke osmotische waarde komt heeft geen druk om stevig te blijven. Als de osmotische waarde van de omgeving hoger is dan die van de osmotische waarde in de cel. Gaat de plant slaphangen dit word plasmolyse genoemd.




Paragraaf 9 celdeling




Moedercel : de cel die zich reproduceert (deelt)



Dochtercellen : ontstaan uit de moedercel die deelt



Na de reproductie is de moedercel verdwenen en blijven de dochtercellen over.



Mitose : kerndeling 



Plasmagroei : na de celdeling vormen de cellen nieuwe cytoplasma en het aantal celorganellen neemt toe.



Er zijn twee fases in de celdeling:




  • Interfase

  • M-fase



G1 fase > vind er plasmagroei plaats en er worde nieuwe cellenorganellen gemaakt



S fase > DNA word verdubbelt



G2 fase > cel groeit veder



M fase > de cel splits zich (mitose)






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.