De komende twee weken zijn 'seksweken' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


ADVERTENTIE
Geslaagd? Doneer je verslagen We zijn heel trots op je, supergoed gedaan. Waarschijnlijk ga je Scholieren.com nu voorgoed verlaten. Wil je ons nog bedanken voor 4, 5 of 6 jaar trouwe dienst? Upload dan nu al je verslagen en samenvattingen voor de generaties scholieren die na jou strijden voor dat diploma.

Nu uploaden

Gehoorschade

Een mens, dier of ding brengt lucht in trilling. Die luchttrillingen worden opgevangen door de oorschelp. Veel of weinig golfjes per seconde, de frequentie bepalen de toonhoogte. De grootte van de trillingen bepaalt het volume, de decibels. De regering heeft in de Wet Arbeidsomstandigheden, Arbowet, richtlijnen opgesteld. Geluid boven 80 dB levert gevaar op. Elke 3 dB luider, is een halvering van de tijd dat zonder schade geluisterd kan worden. Bij een concert buiten staan overal boxen omdat het geluid uitwaaiert. Binnen kaatsen de trillingen weer terug dus is het geluid overal even hard.

Risicofactoren van oordopjes

  1. Het kleine beetje lucht in de oordoppen gaat trillen en dat word direct overgebracht naar het oor.
  2. Via een koptelefoon wordt er weinig ‘laag’ gevoeld, waardoor de neiging ontstaat hem harder te zetten
  3. De gewenning aan het geluidsniveau, het ‘kan’ steeds harder.

Beschadigingen van het oor:

Trommelvlies stuk = nieuwe inzetten

Gehoorbeentjes vast of beschadigd = kunststof gehoorbeentjes ingezet

De haarcellen(sensoren) van het slakkenhuis kapot = onvervangbaar

Gehoorklachten

  1. Oorsuizen of tinnitus: een mens hoort een piep of gebrom uit het oor dat niet weggaat.
  2. Hyperacusis: als de haarcellen stuk zijn, kan de pijngrens teruglopen tot 75 dB. Dus

          een zacht geluid kan hard klinken.

       3.  Synchroniseren niet: je linkeroor en rechteroor nemen iets anders waar, je hersenen maken er weer een geheel van, als je hersenen niet goed synchroniseren hoort elke oor zijn eigen geluid.

       4. Het kan ook dat een geluid anders word waargenomen. Dat is distortie. Het vervormt alle geluiden.

Lekker en gezond

Je hebt een goede energiebalans als je gezond eet en veel beweegt. De stofwisseling tijdens rust heet de grondstofwisseling, dit is voor spijsvertering, ademhaling en op temperatuur houden van het lichaam. Een verstoorde energiebalans kan leiden tot overgewicht of ondergewicht. Daarvoor kun je je Body Mass Index(BMI) berekenen. Je BMI = lichaamsgewicht(kg): lichaamslengte(m) in kwadraat.

Vet levert de meeste energie op: 36kJ per gram. Vetten zijn verbindingen van vetzuren en glycerol. In producten zitten verzadigde en/of onverzadigde vetten, het verschil zit in de vetzuren. Vetzuren bestaan uit koolstofatomen met waterstofatomen. Bij verzadigde vetten zijn de C-C-bindingen enkelvoudig en zijn de andere bindingen meestal met koolstof. Bij onverzadigde vetten is er een dubbele binding tussen 2 koolstofatomen en is er ruimte voor bijv. waterstof.

Vetzuren hebben invloed op je cholesterolgehalte in het lichaam, het lichaam heeft cholesterol nodig als bouwsteen voor celmembranen, bepaalde hormonen, vitamine D en gal. Het lichaam maakt zelf ook cholesterol en een klein deel komt uit de voeding. Verzadigde vetzuren verhogen het cholesterolgehalte in het bloed, dat draagt bij aan het ontstaan van hart- en vaatziekten. Onverzadigde vetten verlagen het cholesterolgehalte. En je lichaam maakt alleen verzadigde vetten, dus het is beter om onverzadigde vetten te eten zodat de wanden van je bloedvaten soepel blijven. Verzadigde vetten zijn bij kamertemperatuur gestold en onverzadigde vetten zijn vloeibaar. Doordat er in groente fruit en brood veel vezels zitten ontstaat er minder snel trek in een tussendoortje.

Lucht in je lijf

Het ademhalingsstelsel bestaat uit de longen en de luchtwegen. De luchtwegen bestaan uit: neus- en mondholte, strottenhoofd, luchtpijp en bronchiën. Het is beter om door de neus te ademen omdat, er in de neus een slijmvlies zit dat ziektekiemen en stofdeeltjes tegenhoud. Het bovenste deel van de luchtpijp is het strottenhoofd, daar zitten de stembanden. Aan de buitenkant zit kraakbeen dat ervoor zorgt dat de luchtpijp altijd open blijft. Tussen dat kraakbeen zit elastisch bindweefsel en aan de achterkant ligt de slokdarm ertegenaan. Aan de binnenkant van de luchtpijp zit slijmvlies dat bestaat uit slijmcellen en trilhaarcellen. Hieraan blijven stofdeeltjes en ziektekiemen aan plakken.

De luchtpijp vertakt zich in twee hoofdbronchiën en die vertakken zich in een aantal bronchiën, aan het eind van die vertakkingen zitten longtrechtertjes, elk longtrechtertje bestaat uit longblaasjes. Rondom de longblaasjes lopen de longhaarvaten, via de wanden vind gaswisseling plaats. Bij gaswisseling gaat er zuurstof naar het bloed en koolstofdioxide in het longblaasje naar buiten. Dit vindt plaats door diffusie. Moleculen botsen de hele tijd tegen elkaar, ze bewegen van een hoge concentratie moleculen naar een lage concentratie. Dit heet diffusie. Hiervoor zijn een aantal factoren:

  1. Er moet een groot oppervlakte zijn: dit doen de longblaasjes doordat ze niet rond zijn maar met holletjes
  2. Er moet een kleine afstand zijn: de longblaasjes en longhaarvaten bestaan allebei maar uit een cellaag
  3. Er moet een groot concentratieverschil zijn: ???

De formule: Diffusiesnelheid = Concentratieverschil x oppervlakte

Bij astma trekken de spiertjes rondom de bronchiën zich samen, waardoor benauwdheid ontstaat. Als dat gebeurt, moet men medicijnen innemen waardoor de bronchiën wijder worden. Zo’n aanval ontstaat door het inademen van stoffen die de luchtwegen prikkelen: zoals rook, huisstofmijt en huisdieren. Huisstofmijt is een klein diertje dat leeft in matrassen of vloerbedekking. Door hun uitwerpselen en huid kun je gezondheidsklachten krijgen.

COPD zijn blijvende aandoeningen die de doorstroming van lucht moeilijk maken. De ziektes zijn chronische bronchitis en longemfyseem. Bronchitis is een ontsteking van de bronchiën waarbij veel slijm ontstaat, dit maakt het ademhalen moeilijker. Hiervoor kun je luchtwegverwijders, slijmoplossers of ontstekingsremmers voor gebruiken. Bij longemfyseem komen de longblaasjes met elkaar in verbinding te staan. Hierdoor ontstaan grote blazen in de longen en is er minder oppervlakte voor diffusie. Mensen raken snel vermoeid en kunnen ook eerder overlijden. Ze gebruiken luchtwegverwijders en onstekingsremmers.

Spieren

Spieren worden aangestuurd door de hersenen. Zintuigen zorgen voor het waarnemen van de omgeving. Ze ontvangen prikkels die aan de hersenen worden doorgegeven. De hersenen kunnen impulsen sturen naar de spieren om samen te trekken. Een reflex is een supersnelle verbinding tussen zintuigen en spieren, dit gebeurt in het ruggenmerg. Een spier zit vaak met pezen vast aan twee botstukken. Pezen trekken nooit samen. Spieren hebben veel glucose en zuurstof nodig.

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Spieren worden aangestuurd door de hersenen. Zintuigen zorgen voor het waarnemen van de omgeving. Ze ontvangen prikkels die aan de hersenen worden doorgegeven. De hersenen kunnen impulsen sturen naar de spieren om samen te trekken. Een reflex is een supersnelle verbinding tussen zintuigen en spieren, dit gebeurt in het ruggenmerg. Een spier zit vaak met pezen vast aan twee botstukken. Pezen trekken nooit samen. Spieren hebben veel glucose en zuurstof nodig.

Een zenuwprikkel uit de hersenen zorgen ervoor dat twee eiwitdeeltjes(filamenten) in een spiervezel langs elkaar heen schuiven en zich vastzetten, bij ontspanning laten ze weer los. Dit heet contractie.

Er zijn drie soorten spieren:

  1. De willekeurige dwarsgestreepte spieren: de skeletspieren, deze staan onder invloed van de wil. Ze reageren snel en worden snel moe. Ze hebben strepen die je kunt zien als er contractie is.
  2. Onwillekeurig glad spierweefsel: deze reageren op impulsen vanuit de orgaanstelsels in het lichaam zoals de maag en de darmen. Deze spieren reageren trager maar gaan altijd door.
  3. Onwillekeurig dwarsgestreept hartspierweefsel: een combinatie van de andere twee, deze spieren zitten in het hart.

Een spier heeft een spierbuik met daaraan een pees. De spierbuik is opgebouwd uit spierbundels. Deze bestaan weer uit bundels spiervezels. De spiervezels bestaan uit spiercellen en de filamenten. Om elke spierbundel zit een vlies van stevig bindweefsel met aan de uiteinden de pees.

Spieren werken samen. Antagonistisch: de spieren werken samen maar ze doen het tegenovergestelde, bijv. bij het buigen van de onderarm zal de biceps samentrekken, maar bij het strekken zal de biceps moeten ontspannen en trekken de triceps samen. Als spieren samenwerken en hetzelfde doen zijn ze synergistisch. Bijv. bij de kuit zijn drie spieren die gelijk samentrekken zodat het onderbeen word gebogen.

Het belasten van spieren kan op twee manieren: er is geen beweging maar wel actie= statische belasting, langere tijd in dezelfde houding. Dynamische belasting: afwisseling in beweging. RSI is ook statische belasting, het is een blessure door herhalende belasting bijv. een muisarm of op het werk. Doordat je urenlang in dezelfde houding zit of alsmaar dezelfde spieren zijn aangespannen knijpen de bloedvaatjes in de spieren samen, waardoor en minder aanvoer van zuurstof is en minder afvoer van koolstofdioxide en afvalstoffen. Zenuwen en spieren kunnen voor altijd beschadigd raken. Een ergonoom weet veel over een goede werkplek. Een fysiotherapeut kan helpen bij blessures en een verkeerde houding.

Ziekte en afweer

Bij een infectie dringt een ziekteverwekker het lichaam binnen. De ziekteverwekker kan een schimmel, een eencellig diertje of een worm zijn. De bekendste zijn echter bacteriën of virussen. Als een infectieziekte zich snel uitbreidt binnen een bepaald gebied is er een epidemie. Een epidemie die zich over een groot deel van de wereld uitbreidt is een pandemie: zoals aids. Een bacterie is een eencellig organisme zonder celkern. Bacteriën planten zich voort door celdeling. De meeste bacteriën zijn onschadelijk, veel bacteriën zijn zelfs nuttig, bijvoorbeeld in de darmen of om afval af te breken. Met speciale geneesmiddelen(antibiotica) zijn ziektes, die door bacteriën zijn veroorzaakt, te bestrijden.

Een virus bestaat uit erfelijk materiaal in een omhulsel van eiwit. Virussen hebben geen stofwisseling en kunnen zich niet zelfstandig voortplanten, het kan zich alleen voortplanten als het is binnengedrongen in de gastheercel. Binnenin de gastheercel geeft het erfelijk materiaal van het virus de opdracht om nieuwe virussen te maken, hierdoor gaat de gastheercel meestal dood. Een virusinfectie kun je niet bestrijden met antibiotica, maar een arts geeft dat soms om te voorkomen dat er ook een bacterie-infectie komt. Geneesmiddelen voor virussen zijn antivirale middelen.

Griep, soa en aids zijn voorbeelden van besmettelijke ziektes. Besmetting ontstaat door een ander organisme. Het kan overgebracht worden door: seks, ontlasting, bloed, urine of speeksel. De periode tussen besmetting en de eerste ziekteverschijnselen is de incubatietijd. Je bent dan niet ziek, je kunt het wel doorgeven. De buitenste laag van de huid, de hoornlaag, zorgt ervoor dat ziektekiemen niet in het lichaam kunnen. Witte bloedcellen bestrijden bacteriën en virussen. Er zijn verschillende typen. De eerste die in actie komen zijn de macrofagen. Deze zitten in het bloed maar kunnen ook daarbuiten en eten ze ziekteverwekkers op. Als de afweer van de macrofagen onvoldoende is, word je ziek. Dan komen twee andere typen witte bloedcellen: de T-lymfocyten en B-lymfocyten. Deze lymfocyten bestrijden één bepaalde ziekteverwekker. Ze herkennen de ziekteverwekkers aan eiwitten die aan de buitenkant zitten. Deze eiwitten heten antigenen. T-lymfocyten kunnen ziekteverwekker verteren en B-lymfocyten maken antistoffen. Antistoffen helpen bij de bestrijding. Bij de bestrijding gaan de meeste T- en B-lymfocyten dood. Maar er blijven er een paar over, dat zijn geheugencellen. Die onthouden welke ziekteverwekkers ze hebben bestreden. Zo kan het lichaam sneller reageren op een tweede aanval van dezelfde ziektekiemen. Het lichaam is immuun. Bij sommige ziektes is de immuniteit kort en voor sommige, zoals de waterpokken, is de immuniteit levenslang. Een mens heeft deze ziektes vaak in de kindertijd, daarom heten ze kinderziektes.

Door vaccinatie kun je een ziekte voorkomen, dan wordt er een stof ingebracht die mensen immuun maakt. Bij actieve immunisatie brengen ze verzwakte ziekteverwekkers in het bloed. Hiervan word je niet ziek, maar je lichaam gaat wel antistoffen en geheugencellen maken. Bij passieve immunisatie spuiten ze antistoffen in. Hierdoor komt de afweer op gang, maar er worden geen geheugencellen gemaakt, dus ben je niet immuun.

Sommige mensen laten hun kinderen niet inenten vanwege bijwerkingen of geloof. Maar vaak worden ze niet ziek, want ze raken niet besmet van andere kinderen want die zijn ingeënt, dit heet free-ride.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

echt een topsamenvatting! ga zo door

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast