De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen


§ 2.1 Soorten

Ecologische en biologische akkerbouwers gebruiken kunstmest om hun akkers te verbouwen en proberen zo weinig mogelijk gebruik te maken van chemische bestrijdingsmiddelen.

Organismen worden beïnvloedt door factoren uit het milieu.

Biotische factoren – factoren afkomstig uit de levendenatuur  (bijv. voedsel)

Abiotische factoren – factoren afkomstig uit de levenlozenatuur (bijv. temperatuur, licht, water, wind)

Predatie – de aanwezigheid van roofdieren.

Tolerantiegebied–een reeks waarden van een abiotische factor waarbij de individuen van een soort kunnen (over)leven.

Wetenschappelijkenaam – de naam van een plant of dier in het Latijn, die naam bestaat uit de geslachtsnaam en de soortaanduiding.

Binaire naamgeving:

Haas – Lepus Europaeus L

  • Lepus duidt het geslacht aan.
  • Europaeus duidt het soort aan.
  • L van Linnaeus de bedenker.

De indeling van klein naar groot:

  • individu – soort – geslacht – familie – orde

§ 2.2 Populaties

Monocultuur– Als op één gebied maar één soort verbouwd wordt (bijv. alleen maïs)

  • Voordeel: goedkoop
  • Nadeel: gevaar op plagen

Exoten – Organismen die van nature niet in een gebied voorkomen.

Klonen – organismen die door ongeslachtelijkevoortplanting ontstaan zijn. Ze zijn dus genetischidentiek aan de moeder (plant).

Voorbeelden van ongeslachtelijke voortplanting zijn:

  • Knollen (aardappelen)
  • Bollen (bloembollen)
  • Uitlopers (aardbeienplanten

Door de mens:

  • Stekken van planten
  • Weefselkweekà je schraapt wat weefsel af van een plant en kweekt elke cel op tot een nieuwe plant.

Populatie – het aantal organismen van een soort binnen een bepaald gebied.

Populatiedichtheid – aantal organismen per m2.

Draagkracht – de maximalepopulatiegrootte wat een gebied aan kan. Er heerst dus een biologisch evenwicht.

§2.3 Relaties

Productiebosmonocultuur voor het leveren van hout, er is een grote kans op lagen.

Natuurlijkbos – zeer gevarieerd, hierdoor is de kans op plagen veel minder.

Ecosysteem –afgegrensd gebied waar organismen leven in wisselwerking met plaatselijke abiotische en biotische factoren.

Systeemaarde – oppervlak + atmosfeer + zeeën + oceanen.

Een ecosysteem streeft naar dynamischevenwicht. Dit wordt geregeld door een negatieve terugkoppeling

Dynamischevenwicht – als de predatorpopulatie en de prooipopulatie in evenwicht is.

 

Negatieve terugkoppeling –als een populatie groter wordt nemen predatieziekten en parasitisme toe, maar de hoeveelheid voedsel neemt af. Hierdoor wordt de populatie kleiner en neemt de voedselhoeveelheid toe.

§ 2.4 Samenwerking

Symbiose – de relatie tussen organismen van verschillende soorten.

Vormen van symbiose:

  • Mutualisme – een vorm van symbiose waarbij beide soorten een voordeel hebben. (+/+)
  • Commensalisme – als één soort een voordeel heeft en de andere soort geenvoordeel maar ook geennadeel heeft. (+/o)
  • Parasitisme – als één soort een voordeel heeft en de andere soort een nadeel. (+/-)

Chemische bestrijding – bestrijding met behulp van gifstoffen.

Natuurlijkebestrijding – met behulp van natuurlijke vijanden.

§2.5 Voedselketens

Producenten – planten

Consumenten – dieren en mensen

Reducenten – bacteriën en schimmels

Producenten zijn autotroof – zelf voedend, zij kunnen van anorganische stoffen organische stoffen maken door middel van fotosynthese.

Bij fotosynthese:

  • Anorganische stoffen – water, koolstofdioxide en licht.
  • Organische stoffen – glucose en zuurstof

Consumenten en de meeste reducenten zijn heterotroof – zij moeten organische stoffen opnemen om eigen stoffen van te maken.

Organische stoffen – grote, ingewikkelde gebouwde moleculen (bijv. koolhydraten, eiwitten en vetten)

Anorganische stoffen – kleine, simpel gebouwde moleculen  (bijv. O2, H2O, CO2, Ca, Fe, ….)

Herbivoren – planteneters

Carnivoren – vleeseters

Omnivoren – alleseters

Duurzame energie komt uit bronnen die nooit opraken. (bijv. zonlicht, windenergie en chemische energie uit biogas)

Niet-duurzame energie komt uit bronnen die wel op kunnen raken. (bijv. steenkool, olie en gas)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Rick

Rick

Bij de binaire naamgeving hoort de soortnaam met een kleine letter.

5 maanden geleden

Antwoorden

gast

gast