Hoofdstuk 2

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 973 woorden
  • 23 november 2016
  • 2 keer beoordeeld
Cijfer 5.5
2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Fix onze energie!

Studeer energie & techniek. Iedereen staat te springen om jou! We hebben namelijk veel technische toppers nodig die de energie van morgen fixen. Met een opleiding in energie & techniek ben je onmisbaar voor de toekomst. Check Power Up The Planet en ontdek welke opleiding het beste bij je past! 

Check Power Up The Planet!

1. Weefselonderzoek
Bij kanker is de celdeling ontregeld en ontstaat er een gezwel ook wel een tumor, deze zijn meestal goedaardig en geen kanker. Met biopsie kan je weefsel uit je lichaam halen om deze met een echoapparaat  te onderzoeken. In een pathologisch laboratorium onderzoeken ze dit dan, met een microtoom wordt die in plakjes gesneden om te onderzoeken.
2. Zelf cellen bekijken
Om dingen door een lichtmicroscoop te bekijken moet je eerst een preparaat ervan maken, als het te dik is kan je het niet goed bekijken de vergroting bereken je door de vergroting van oculair en het objectief te vermenigvuldigen. Een betere microscoop is de elektronenmicroscoop die vergroot tot 100 000 keer en kan je op een computer bekijken. Je hebt 2 soorten een TEM die lijkt op een lichtmicroscoop en een SEM met een 3D beeld.
3. Plantaardige en dierlijke cellen
Cellen zijn omringd door een celmembraan die de cel afscheid van de omgeving, het selecteert ook de op en afname van stoffen. Andere cellen kunnen zich eraan hechten en zo vindt er een chemische reactie plaats. Dierlijke en plantaardige cellen hebben beide een celkern en zijn eukaryoten maar hebben wel verschillen. Het celmembraan is het grootste gedeelte vetmoleculen het cytoplasma wordt erdoor gescheiden met de buitenkant. Cytoplasma bestaat uit opgeloste stoffen en organellen dat zijn structuren in een cel een eigen biologische eenheid alleen in de eukaryoten. De celwand bij planten ligt om het celmembraan heen het is geen deel van de cel en ligt er niet aan vast  ertussen liggen intercellulaire ruimtes vaak water. De celkern zit in het cytoplasma omringt door kernmembraan. Veel plantencellen hebben veel vacuole die het cytoplasma naar buiten drukt het wordt omringd door een vacuolemembraan. In het cytoplasma kunnen plastiden voorkomen die in 3 soorten zijn chloroplasten (bladgroenkorrels), chromoplasten (kleurstofkorrels) en leukoplasten.
4. Weefsels en organen
Stamcellen zijn nog niet ontwikkeld tot een soort cel en kunnen veranderen in het geen dat nodig is. Stamcellen uit een embryo zijn embryonale stamcellen en uit het beenmerg adulte stamcellen. Weefsel is een groep cellen die samenwerken zoals het dekweefsel deze ontsluiten delen of hele organismen en houden ze samen. Tussen de cellen in de weefsels zit tussencelstof. Organen zijn meerdere weefsels met een of meet functies organenstelsel is een groep organen die samenwerkt.


5. Celorganellen
Chromosomen bevatten allemaal processen en een belangrijke rol bij zelfregulatie. Bij celdeling worden ze zichtbaar, de meeste bevatten twee DNA-moleculen kernporiën regelen alle transport dus ook deze. De molecuul aan het DNA wordt via het cytoplasma vervoerd in het cytoplasma zit een uitgebreid membranenstelsel het endoplasmatisch reticulum de membranen liggen dicht op elkaar waardoor het op holten en kanaaltjes lijken. Op de membranen liggen kleine rondjes ribosomen deze maken eiwitten en komen voor in de celkern en het cytoplasma. Van het endoplasmatisch reticulum komen blaasjes af deze versmelten met het golgisysteem. Dit zijn stappels platte blaasjes, de blaasjes (eiwitmoleculen) krijgen hier hun vorm en gaan weer weg dit wordt secretie genoemd het afgeven van stoffen door cellen ze komen bij het celmembraan en geven eiwitten erbuiten af. Stoffen zoals lysosomen maken ook gebruik van dit systeem maar blijven in de cel.
Mitochondriën zijn bolvormige organellen bestaan uit een buiten en binnenmembraan erin vindt met zuurstof een reactie waarbij energie vrijkomt plaats. Dit wordt opgeslagen in een ATP-molecuul deze geeft het af waarneer nodig. Chloroplasten zijn alleen bij planten en hebben ook een buiten en binnenmembraan en zijn gevuld met enzymen.
Membranen zitten overal, celmembranen bestaan uit een dubbele laag fosfolipiden dit is een vetachtige stof met een waterafstotende (hydrofoob) en een water oplosbare (hydrofiel) kant. Membranen bevatten veel stoffen zoals als koolhydraatketen, eiwitten en cholesterol. Celmembranen zijn selectief permeabel dus kieskeurig in wat ze wel en niet doorlaten
6. Diffusie en osmose
De concentratie is de hoeveelheid opgeloste stoffen een oplossing bestaat uit een oplosmiddel en opgeloste stoffen. Lage concentraties kan je ook uitdrukken in PPM ( 1 PPM is 0,0001%).
Diffusie is de verplaatsing van de stof van een plek met een hoge concentratie naar een lage, het ontstaat door de beweging van moleculen. Diffusie kan ook optreden als een wand tussen staat ook wel een permeabel. Membranen hebben deze ook en zijn daarom ook selectief permeabel. Osmose is dus diffusie door een semi-permeabel membraan. Bij osmose bewegen de opgeloste stoffen niet de watermoleculen. De osmotische waarde is de hoeveelheid opgeloste deeltjes.
7. Membranen en het transport van stoffen
Eiwitten in membranen hebben verschillende functies. Het externe milieu is de omgeving van de organisme als deze door minstens 1 membraan gaat is het interne milieu. Het transport van ene hoge naar lage concentratie zoals osmose en diffusie wordt passief transsport genoemd. Porie-eiwitten zijn eiwitten die op en dicht gaan voor transport een cel kan dit regelen, gaat ook van laag naar hoog. Transsport waarbij energie (ATP) nodig is is actief transsport. Fagocytose is het opnemen van voedingsstoffen via blaasjes. Cytoskelet is een netwerk van vezelige eiwitten geeft vorm aan cellen en hierlangs kunne organellen en stoffen vervoerd worden.
8. Stevigheid door osmose
Normaal is osmotische waarde van het cytoplasma hoger dan die van de vocht in de celwanden. Turgor is de druk tegen de celwanden waardoor de osmotische waarde zo hoog is en de planten stevig zijn. Plasmolyse is het waarneer de vocht in de wanden hoger is dan de die van het cytoplasma en de het water eruit stroomt de osmotische waarde neemt af en de cellen krimpen waardoor de plant kan overlijden.
9. Celdeling
Bij celdeling  (mitose) ontstaan uit 1 moedercel 2 dochtercellen deze groeien weer verder door plasmagroei. Verdubbeling van het DNA eerst die dan meegaat met de dochtercellen. De chromosomen worden ook verdeeld onder de dochtercellen. 4 fase: g1-fase: periode tussen mitose en DNA-synthese, de plasmagroei. S-fase: DNA-synthese (verdubbeling). G2-fase: periode tussen s-fase en mitose. M-fase: mitose en celdeling. De moeder en dochtercellen bevatten zelfde DNA.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.