Hoofdstuk 17

Beoordeling 10
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 791 woorden
  • 2 oktober 2014
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 10
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Regelkring= beweging die je lichaam moet maken met behulp van stappen.



Norm= de beweging die wil maken, dit doe je door je spieren en hersenen te gebruiken.



Effectoren= je spieren



Receptoren= die meten de afwijking van de norm.



Negatieve terugkoppeling= als de norm afwijkt (tegen actie) probeer je weer bij de norm te komen.



Interne milieu= je lichaam van binnen ( weefselvloeistof).



Homeostase= als je interne milieu afwijkt van de normale norm (zintuigen, zenuwstelsel en hormoonstelsel).



17.2



Gezichtsbedrog= onbewust ervaring gebruiken voor het gene dat je nu ziet.



Pupilreflex= het aanpassen van de iris aan een nieuwe situatie ( licht: kringspieren in de iris trekken samen, pupil verkleint).



Je iris heeft wel een maximale reflex, bij te veel licht knijp je je ogen dicht.



Licht wordt gebroken als het in je oog terecht komt,  lichtbreking is het sterkst al licht vanuit de lucht het traanvocht op je hoornvlies passeert. Je ooglens breekt ook het licht. Je ogen kunnen op maar één afstand tegelijk scherp stellen. Je oog stelt scherp oor boller en platter te worden, dichbij boller, veraf platter. Als je ver kijkt ontspannen de kringspiertjes het straalvormige dia wordt met behulp van lesbandjes plat. Als je naar iets van dichtbij kijkt trekken de spiertjes en straalvormige dia samen en verslappen de lensbandjes. Dit heet accommodatie.



Bijziend = veraf wazig zien, lichtbreking te sterk of oogbol te lang.



Verziend= dichtbij wazig zien, lichtbreking te zwak of oogbol te klein.



Bij veel oude mensen gaat de elasticiteit weg, ze moeten een leesbril. Bij staar hebben mensen een oogles die troebel is, kan door kunstlens worden vervangen.



Gele vlek= recht achter beeld op netvlies, bevat kegeltjes ( receptorcellen met lichtgevoelig pigment).



Kegeltjes= drie soorten met pigment voor: rood, groen of blauw licht. De kegeltjes geven signalen naar de hersenen en die zetten het om in kleur.



Staafjes= buiten de gele vlek, vertalen in grijstinten. Werken in groepen en sturen impulsen gezamenlijk naar hersenen, daardoor krijg je een minder scherp beeld.



Blinde vlek= de plek waar je oogzenuw het oog verlaat en bloedvaten door het netvlies gaan (geen lichtreceptoren).





17.3



Impulsen= omgezette prikkels in elektrische signalen. Zenuw voert impuls naar de hersenen, en die zet een spier in beweging.



Centraal zenuwstelsel= hersenen en ruggenmerg.



Perifeer zenuw= aan en afvoerende zenuwen.



Zintuigen zijn gespecialiseerd in het registeren van één bepaalde verandering (adequate pikkel). Onder de drempelwaarde reageren de zintuigen niet en verandert de receptor niet.



Sensorische zenuwcellen leiden impulsen naar de hersenen à schakelcellen leiden de impulsen naar bepaalde hersengebieden à schakelcellen geven impulsen door naar motorische zenuwcellen à via lange uitlopers naar spieren.



Zenuwcellen bestaan uit een cellichaam (met celkern) waaraan twee uitlopers zitten. De uitlopers (dendriet) ontvangen impulsen en geven ze door aan het cellichaam. De uitloper die de impuls doorgeeft aan andere zenuwcellen heet en axon.



Om de zenuw zit een isolerende en voedende laag de mergschede.



Synaps= plaats waar twee zenuwcellen contact met elkaar maken. Aan het einde van een axon zit in de zenuwcel een overdrachtstof in kleine blaasjes, als een impuls bij een synaps is dan loost de cel de stof (neurotransmitter), in de synapsspleet. Aan de andere kant van de synapsspleet, door de neurotransmitter worden receptoren (op het membraan) aan een ontvangende zenuwcel of effector gekoppeld. Zo kan in een ontvangende cel een impuls ontstaan.



17.4



Autonome zenuwstelsel= onbewust stemmen de organen in je lichaam zich op activiteiten af.



Orthosympathische zenuwen= coördineren de werking van je organen tijdens de actie.



Pathische zenuwen= stimuleren processen die zorgen voor rust,herstel en opbouw. (hersenstam)



Animale zenuwstelsel= bewuste zenuwstelsel.



Motorprogramma’s = ontstaan door herhalen van een reeks opeenvolgende handelingen



Reflexen= onbewust vaste reactie op een prikkel, hersenen zijn net betrokken (gaat vanzelf).



Alle signalen gaan naar de sensorische hersencentra (buitenste laag hersenen, hersenschors). Bestaat uit primaire (zien van vormen en kleuren) en motorische centra (impulsen van de vingers), secundaire motorische centra (motorisch geheugen).



17.5



De hormonale regeling verloopt in twee stappen: het hormoon TSH van de hypofyse zet de schildklier aan tot het maken van thyroxine à thyroxine verhoogt de snelheid van de stofwisseling in je cellen. De hypofyse regelt de hormonen en krijgt zelf signalen uit de hypothalamus (koppelt zenuwstelsel en hormoonstelsel).



Glucose is nodig om te functioneren, glucose wordt gehaald uit weefselvloeistof die in verbinding staat met je bloed. Hormoonkliercellen in de eilandjes van langerhans in de alvleesklier maken glucagon. Daling van glucose gehalte in bloed à stijging van glucagon. Dit stimuleert levercellen en spiercellen om glycogeen af te breken waarbij glucose ontstaat. Glycogeen voorraad is niet oneindig.



Als je veel glucose binnen krijgt wordt er veel insuline vrij gegeven die ervoor zorgt dat glucose weer in je weefselcellen terecht komt en dan wordt glucose omgezet in glycogeen. Adrenaline verhoogt de afbraak van leverglycogeen tot glucose.






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.