Hoofdstuk 16

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 1119 woorden
  • 2 oktober 2014
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

16.1



Bij het uitvoeren van taken neemt elke cel stoffen uit het weefselvocht op. Je haarvaten verversen het weefselvocht. In het verteringskanaal worden grote moleculen afgebroken tot kleine opneembare moleculen. In de dunne darm gaan deze door de cellen van de darmwand naar bloed of lymfevloeistof. Via bloedvaten komen ze bij de cellen.



Monosachariden: kleinste koolhydraatmoleculen. Bijvoorbeeld glucose. Deze moleculen kunnen door de cellen van de darmwand naar het bloed. Ze zijn brandstof voor elke cel.



Disacharide = verbinding van twee monosachariden. Ze zijn te groot om de cellen van de darmwand te passeren.



Polysacharide = groot aantal dezelfde monosacharidenmoleculen aan elkaar.



Eiwitmoleculen worden afgebroken : polypeptideketens → duizenden aminozuren. Via bloed komen aminozuren in spieren, die er lichaamseigen spiereneiwitten van maken. Als een aminozuur niet in je voeding zit, maakt de lever het aminozuur van een ander aminozuur.



Essentiële aminozuren = aminozuren die in je voeding moeten zitten, omdat je lichaam ze zelf niet kan aanmaken.



Vetzuurmolecuul met glycerolkop kan worden gescheiden tot opneembare moleculen. De lengte van vetzuurmoleculen verschilt. Een vetzuur met dubbele binding is onverzadigd, meer dubbele bindingen is meervoudig onverzadigd. Vetachtige stoffen kunnen leiden tot vernauwing van de bloedvaten.



Door bepaalde prikkels gaan je speekselklieren en maagwand al voor je iets hebt gegeten aan het werk. Je zenuwcellen geven dan signalen af waardoor verteringssappen gevormd worden. Door te kauwen en te kneden verkleint voedsel. Vetten mengen moeilijk met de waterige verteringssappen. Vetmoleculen klonteren samen. Gal verdeelt de vetklonten en grote vetdruppels in kleine druppeltjes (mechanische bewerking). De verteringssappen bevatten enzymen die de grote moleculen afbreken tot kleinere(chemische bewerking).



16.2



Enzymen: helpen bij reacties in en buiten je cellen. Elk enzym heeft één taak. Elk enzym past op één substraat. Als een enzym en substraat botsen ontstaat er een enzym-substraat-complex. Dan vind er een reactie plaats (bijvoorbeeld splitsing). Daarna laat het enzym het substraat weer los en is het beschikbaar voor een volgend substraat.



Bij een hogere temperatuur is een enzym actiever. Enzymen zijn eiwitten. Bij verwarmen veranderen ze van vorm. De verandering is onomkeerbaar: door de hoge temperatuur is het eiwit gedenatureerd. Hierbij verdwijnt ook de activiteit: hoe hoger de temperatuur, hoe minder werkzame enzymen.



 Bij de optimumtemperatuur zijn er kapotte enzymen, maar de overgebleven enzymen werken sneller. Ook de PH zorgt voor verandering van enzymen.



-ase staat voor enzym. Wat ervoor staat, is meestal het substraat.



Amylase splitst zetmeel in kleinere sachariden → glucose, maltose en/of polysachariden ontstaan. Maagzuur remt de werking van speekselamylase.



Aan begin van de dunne darm is zetmeel omgezet in maltose en glucose → dunne darm geeft enzymen af, die maltose en andere disachariden splitsen in monosachariden.



In je maag splitst peptase de eiwitten in kleinere ketens.  Voor verdere vertering van polypeptiden zijn in de twaalfvingerige darm en de dunne darm enzymen actief ( typtase en pertidasen).



Lipase in de twaalfvingerige darm zorgt ervoor dat grote vetdruppels in kleine vetdruppels worden gebroken.



16.3



De wand van het verteringskanaal bestaat uit slijmvlieslaag en dubbele spierlaag.



Slijmvlieslaag: bestaat uit dekweefselcellen die dicht tegen elkaar aansluiten. Hiertussen zitten kliercellen: geven slijm af in je darmholte en produceren verteringsenzymen.



Peristaltische bewegingen: het samen kneden en leegknijpen van de darmwandspieren.



Dunne darmwand is sterk geplooid. De darmplooien bevatten darmvlokken. Door deze oppervlaktevergroting is het aantal dekweefselcellen dat voedingsstoffen kan opnemen en doorgeven groter. Doordat de membranen van de dekweefselcellen ook microvilli bezitten, is het oppervlak van de dunne darm erg groot. De dikke darm is ook geplooid, maar heeft geen darmvlokken en microvilli.



Resorptie= voedingsstoffen uit de darmholte komen in bloedplasma of lymfevat terecht. Verschillende transportprocessen, zoals diffusie en osmose(passief) en actieve processen, spelen een rol.



Onverteerde voedingsstoffen komen in de dikke darm. Bacteriën breken niet verteerde voedingsstoffen en voedingsvezels af. Hierdoor ontstaan vitamines B en K, die via de darmwand in de poortader komen. Voedingsvezels lossen niet op en zijn slecht verteerbaar, waardoor schadelijke stoffen sneller door de dikke darm gaan. Een van de belangrijkste taken van de dikke darm is de resorptie van water naar bloed. Hoe verder in de dikke darm, hoe vaster de brij.



In je ontlasting zitten dode bacteriën, afgestorven darmcellen, zouten en onverteerd voedsel.



16.4



Lever regelt glucose concentratie in je bloed.



Lever verwerkt glucose die na een maaltijd via poortader binnen komt → hormonen in alvleesklier zorgt ervoor dat je lever het goede aantal glucose doorgeeft aan je lichaam. → overige glucose wordt in de lever opgeslagen als glycogeen (polysacharide).



Wanneer de glucose in je bloed daalt, haalt je lever glucose uit de glycogeen voorraad en geeft ze af aan de leverader. Spieren hebben ook een glycogeen voorraad.



Bij een teveel aan glycogeen wordt de glucose omgezet in vetmoleculen. Deze komen via het bloed bij de organen ( je wordt dikker).



De lever geeft ook een deel van de aminozuren dat het krijgt af aan de leverader. De aminozuren bereiken de cellen via de bloedsomloop. Je lever gebruikt zelf ook aminozuren voor de opbouw van bloedeiwitten (fibrinogeen). De lever heeft geen voorraad van aminozuren, hij breekt de niet bruikbare aminozuren af, er ontstaat ureum. Ureum komt via het bloed en de nieren in de urine terecht.



De lever verwerkt afvalstoffen van je cellen en maakt giftige stoffen onschadelijk. De lever produceert gal die via de galblaas in het darmkanaal komt. De geel groene kleurstof is een afbraakproduct van hemoglobine.



16.5



Nieren = zorgen de hoeveelheid afvalstof in je bloed. Liggen in buikholte aan rugzijde. Nierslagaders brengen zuurstofrijk bloed met opgeloste afvalstoffen naar je nieren, het gezuiverde bloed komt via nieraders en onderste holle ader weer in transport.



Urine → urineleiders → urineblaas → urinebuis → naar buiten



Nierschors= buitenste laag van je nier



Niermerg= ligt binnen in de nier



Nierbekken= ligt nog dieper in de nier en is verzamelplaats voor urine



Elek nier eenheid bestaat uit een kapsel van Bowman (nierschors) en een lang nierkanaaltje(nier merg).



Bloed door kapseltjes deel van bloedplasma verlaat de bloedbaan, afvalstoffen en bruikbare stoffen komen bij het nierkanaaltje. Via wand van nierkanaaltje bruikbare stoffen weer terug naar bloed. Rest afgevoerd als urine naar nierbekken.



Kapsel van Bowman= bestaat uit kluwen haarvaten (glomerulus), wanden daarvan zijn opgebouwd uit dekweefsel. Dit dekweefsel is een soort van vergiet.



Ultrafiltratie= door hoge bloeddruk in glomerulushaarvaten perst een deel van het bloedplasma door de gaatjes naar buiten. (vloeistof is voorurine)



Komt terecht in holte, bevat veel stoffen die nog bruikbaar zijn, bloedcellen en eiwitten kunnen de gaatjes van de haarvaten niet passeren en stromen met het bloed verder.



Voorurine → nierkanaaltje naar verzamelbuisje → mondt uit in nierbekken.



Terugresorpie= niet alle voorurine gaat naar de nierbekken bruikbare stoffen gaan naar het bloed (water, glucose, aminozuren). Dit gebeurd door actief en passief transport proces, moeten door wand van nierkanaaltjes en haarvat.



Na terugresorptie = urine 


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.