paragraaf 1.2: Alles geordend

Systematiek is de tak van biologie die zich bezighoudt met het ordenen van soortgegevens. Taxonomie heeft is in de systematiek een belangrijk onderdeel. Taxonoom is iemand die organismen op kenmerken onderzoekt en deze plaatst in een taxon (groep). Voorbeeld voor hond:

-rijk -dieren
-hoofdafdeling -chordadieren
-afdeling -gewervelden
-klasse -zoogdieren
-orde -roofdieren
-familie -handachtigen
-geslacht -hond (canis)
-soort -huishond (canis familiaris)

Criteria is de kenmerk op grond waarvan een soort wordt ingedeeld in een taxon. Linnaeus (18e eeuw) begon met grof indelen van organismen, planten rijk en dierenrijk. Zijn ordeningsysteem werd geordend op voortplantingsorganen en niet op verwantschap (natuurlijk systeem) en is daarom een kunstmatig systeem. Er wordt uitgegaan van 4 rijken:

-bacteriën
-schimmels
-planten
-dieren

Een soort is een verzameling individuen die in staat zijn zich onderling voort te planten; de individuen van een soort komen in wezenlijk geachte kenmerken met elkaar overeen. Virussen hebben geen plaats in het ordeningssysteem van leven, want ze zijn tussen leven en niet leven in. Een binaire naamgeving is de wetenschappelijke (in Latijns) naamgeving voor de genus en soort. Het 1e deel is de genusnaam en het tweede deel de soortnaam.

paragraaf 1.3: Stambomen

Paleontologen zijn biologen die de geschiedenis van het leven bestuderen. Sporen van voorhistorisch leven noemen we fossielen. Fossielen kunnen ontstaan doordat dieren in hars worden gevangen. Afdrukken achtergelaten in afzettingsgesteenten. Gevangen in veen.
Biologen die verwantschap proberen vast te stellen houden zich bezig met fylogenetische systematiek. De tak die alleen op verwantschap gericht is is de cladistiek. Deze ontwerpt cladogrammen. Een cladogram is gebaseerd op regels:

-er wordt altijd vanuit gegaan dat een voorouder twee nieuwe soorten heeft opgeleverd
-de soort die de meeste kenmerken gemeen heeft met de andere soorten in het cladogram wordt als de oudste beschouwd
-soorten met meer uniek eigenschappen worden als moderner, later ontstaan beschouwd

Het proces dat tot analoge overeenkomsten leidt heet ook wel convergentie. Verschillen of overeenkomsten met een overeenkomstige oorsprong heet ook wel homologie. Divergentie is het proces waarbij homologe kenmerken gaan verschillen ten opzichte van elkaar.

DNA onderzoek is noodzakelijk voor een cladogram. Hierdoor kan men achterhalen in hoeverre chromosomen of mitochondria van soorten verschillen of overeenkomen.

paragraaf 1.4: Van oude naar nieuwe soorten

Een groep individuen is ook wel een soort. Soorten kunnen zeer wijd zijn verspreid of juist heel beperkt (bv zinkviooltje).
Individuen zijn erfelijk identiek als ze een ééneiige tweeling zijn, of waren gekloond.
Een groep individuen van een soort is ook wel een "populatie". Een oorzaak van het bij elkaar blijven van een populatie door fysieke barrières of groepsdruk.

Komen 2 populaties lang niet in contact met elkaar? Ze behoren dan niet meer tot dezelfde soort als ze geen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. Dit komt door mutatie gecombineerd met selectie. Ondersoorten (zijn wel verschillend van genensamenstelling) kunnen nog wel met elkaar paren, ook al komen ze van verschillende ecotypen. Een ondersoort behoort tot dezelfde soort, maar hebben andere kenmerken en paren met meer leden van hun eigen populatie (de ondersoort).
Totaal aantal verschillende genen in de populatie heet ook wel een Gene Pool.

Natuurlijke selectie ontstaat door individuen te selecteren die het best bij dat milieu past. Dit heeft als gevolg dat er een andere soort kan ontstaan. Door strenge selectie verdwijnen individuen met een zwakke genencombinatie (bijvoorbeeld door epidemie, de pest), de verscheidenheid van genencombinaties neemt dus af.

Constante selectiedruk leidt tot aangepastheid aan het milieu en als dit lang doorblijft gaan leidt dit tot grote eenzijdigheid. Een kleine verandering in de selectiedruk kan dan de soort uit doen sterven (koala's eten alleen eucalyptus, als dat er niet meer is, zitten ze met de gebakken peren).

Soortvorming is als een populatie herhaaldelijk selectiedruk ondervindt in dezelfde richting en zo veranderd ten opzichte van de moedersoort.

Fokken is kunstmatige selectie.

paragraaf 1.5: Genen komen, genen gaan

Het fenotype wordt tot stand gebracht door werking van de genen met invloeden van de omgeving. Mutatie in geslachtcellen speelt een grotere rol in de verscheidenheid van een populatie dan mutatie in "normale cellen" (tijdens volwassenheid), bijvoorbeeld een mutatie die leidt tot een moedervlek.

Mutaties: -ploide mutatie meerdere genen/chromosomen (betreft het hele erfelijk pakket)
-chromosoom mutatie deletie of insertie
-punt mutatie mutatie op kleine schaal

Bij een kruisingsproef heb je homozygote individuen nodig al wil je weten wat er gaat muteren. Dominante genen zorgen dat recessieve genen verdwijnen, maar recessieve genen kunnen muteren in dominante genen. Zo blijft het aantal dominante genen constant aan de recessieve genen. De mutatie frequentie en terugmutatie frequentie houdt elkaar in evenwicht.

Invloeden op mutatie frequentie: -straling
-temperatuur schokken
-bepaalde chemicaliën
-virus infecties
-mutatie bevorderende genen

Sommige afwijkende genen komen in uitdrukking in de fenotype (gedrag, vlekken). Dit kan leiden tot reproductieve isolatie. Dat is bijvoorbeeld dat vrouwtjes alleen nog met mannetjes willen paren met een bepaalde kleur. Zo worden andere mannetjes geïsoleerd. Zo ontstaat een subpopulatie, als dit lang duurt kan dit zorgen voor sympatrische soortvorming.

Soortvorming door fysieke barries is allopatrische soortvorming.

Selectiedruk zorgt voor het elimineren van gen-mutaties met een minder effectief fenotype. Het aantal leden met het gemuteerde gen is afhankelijk van: mutatie frequentie, selectiedruk, toeval/kansverdeling

De Hardy-Weinberg geldt als:
-grote populaties betreft
-geen mutatie
-geen immigratie of emigratie plaatsvindt
-geen selectie op het betreffende gen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.