Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 1 $1,2,3,5

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas vwo | 1510 woorden
  • 29 januari 2009
  • 17 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 17 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Biologie hoofdstuk 1 paragraaf 1,2,3,4,5
Basisstof 1
Alles wat je eet of drinkt  voedingsmiddelen: - plantaardig
- dierlijk
plantaardig voedsel  komt van bijv. stengels,bladeren,wortels,vruchten,zaden
dierlijke producten  komen af van dieren of van producten van dieren.
Met turflijst bijhouden wat je eet.
In voedingsmiddelen zitten voedingsstoffen; de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen
In voedsel kan ook voedingsvezel zitten  verzamelnaam voor alle onverteerbare stoffen in plantaardige voeding
Voedingsstoffen kunnen functie hebben van: - bouwstof

- brandstof
- beschermstof
- reservestof
Bouwstoffen:
Nodig voor groei en ontwikkeling & herstel bij verwondingen
d.m.v. bouwstoffen nieuwe cellen en weefsels maken
brandstoffen:
leveren energie; 1) voor organen
2) voor bewegingen te maken
3) voor lichaamstemperatuur
4) groei en ontwikkeling
5) herstel
Reservestoffen:
Worden opgeslagen in bepaalde delen van je lichaam
Hoeft geen bouw of brandstof te zijn.
Beschermende stoffen:
Mineralen of vitamines  belangrijke voedingsstoffen
6 groepen voedingsstoffen: (alle 6 nodig om gezond te blijven)

1) eiwitten
2) koolhydraten
3) vetten
4) mineralen
5) vitamines
6) water
Eiwitten:
Belangrijke eiwitten  bij vorming van nieuwe cellen
Eiwitten die niet worden gebruikt als bouwstof zijn brandstof
Geen reservestof
(bijv vis,melk,kaas)
Koolhydraten:
o.a. suiker,glucose,zetmeel
dienen als brandstof,bouwstof of reservestof
(bijv jam,aardapppel,suiker)
Vetten:
Brandstoffen,bouwstoffen en reservestoffen
Meer vetten dan nodig  reservevoedsel  opslaan onder huid  dik worden
Bijv. friet,mayonaise,kroket
Water
Bouwstof  lichaam 60 % uit water  bloed bestaat voor groot deel uit water, ook grote rol bij rondbrengen van voedingsstoffen.
Alle dranken en sommige groenten bevatten water
(bijv. frisdranken en tomaat en komkommer)

Mineralen/zouten:
Bouwstoffen,beschermende stoffen
Voor opbouw beenderen bijv. kalk nodig
Per dag ,aar beetje mineralen nodig
Bijv. vis,ei,boursin,kaas
Vitamines:
Bouwstoffen,beschermende stoffen:
Te weinig  ziek worden te veel  ziek worden
Vitamines aangegeven met letters; belangrijkste: A,B,C,D
Bijv. kiwi,sla,paprika,aardappel
Basisstof 2
Gezonde voeding  gezond leven
Help bij gezonde voeding  voedingswijzer  4 groepen
Grote groepen meer kleine groepen minder
Vier groepen v.d. voedingswijzer:
Groep 1:
Brood en aardappelen (macaroni rijst etc.)
Donkere producten het beste (volkorenbrood enz)
Leveren: voedingsvezel,vitamines,zetmeel,plantaardige eiwitten,mineralen
Groep2:
Groente en fruit
Leveren: Vitamine C en voedingsvezel
Groep 3:
Melk en kaas (o.i.d.) vleeswaren,vis,ei,tahoe,tempeh (van sojabonen)
Minder vette soorten nemen magere yoghurt halfvolle melk
Leveren: dierlijke eiwitten,mineralen,vitamines
Groep 4:
Margarine,olie,halvarine
Leveren: vetten en vitamines
Verder 1,5 liter drinken per dag.
Basisstof 3
Grootste deel voedsel  brandstoffen
Energie wordt aangegeven met  J (=joule)  KJ (=kilojoule) is 1000 J
4 factoren waar van af hangt hoeveel energie een mens nodigt heeft zijn:
1) geslacht
2) lichaamsbouw
3) leeftijd
4) lichamelijke inspanning
Mannen meer eten dan vrouwen
Groeien meer eten – 65+ eetlust afnemen
Groot lichaam meer dan klein lichaam
Bij lichamelijke inspanning meer honger dan bij slapen
Lichte arbeid minder eten zware arbeid
Grootste deel energie binnenkrijgen via maatlijden en tussendoortjes
Meer eten en drinken dan nodig  brandstoffen worden reservestoffen  dik worden
Lijnen niet doen door maaltijden overslaan van brood,aardappelen,vlees en groente  dik worden van tussendoortjes
Basisstof 4
Aantoonstof  indicator
Joodoplossing  indicator  zetmeel
Basisstof 5
Ontwikkelingslanden  ondervoeding  te weinig voedsel;niet kunnen kopen of niet genoeg voedsel is.
Minimale hoeveelheid voedsel volwassenen  7000 KJ p.dag  genoeg voor iemand die de hele dag ligt
Volwassenen die bezig is  14000 KJ
Vooral in ontwikkelingslanden mensen zwaar werk verrichten  geen machines
Voedsel en landbouworganisatie (FAO) en wereldgezondheidsorganisatie (WHO)  9500 KJ per dag nodig normaal kunnen leven.
In ontwikkelingslanden  mensen (vooral kinderen) dood van honger  op wereld genoeg voedsel om iedereen te voeden  niet eerlijk verdeeld  soms vernietigd of voor dieren
Ontwikkelingslanden  mensen heel erg afhankelijk van natuur  oogst vaak mislukken  door droogte
Nederland nooit  kassen,graansilo’s,diepvrieskasten  desnoods uit andere landen voedsel halen.
Veel acties  maar ontwikkelingslanden voor zichzelf zorgen.
Ondervoeding niet alleen te weinig voedsel ook te weinig van bepaalde voedingsstoffen  vooral eiwit te kort
Mensen worden slap en moe en worden ziek.
Kinderen te weinig voedsel groei en ontwikkeling gaat minder  hersenen worden aangetast  buikjes zwollen op.
Nederland te veel vet eten  overvoeding  overgewicht  hart en vaatziekten
Feit  staat vast
Mening  voor iedereen anders
Basisstof 6
Verteringsstelsel  grootste deel darmkanaal
In verteringsstelsel  voedingsstoffen opnemen in bloed
Sommige voedingsstoffen  vanzelf in bloed  glucose,water,mineralen en vitamines
Sommige voedingsstoffen  eiwitten,koolhydraten en vetten  eerst verteren  verteringsproducten maken
Vertering = het omzetten van voedingsstoffen die niet door de darmwand heen in het bloed kunnen worden opgenomen,in verteringsproducten die wel door de darmwand heen in het bloed kunnen worden opgenomen
Vertering  met verteringssappen  gemaakt door verteringsklieren  lever, alvleesklier, darmsapklieren, maagsapklieren, speekselklieren
Stoffen uit verteringssappen die de vertering sneller laten verlopen  enzymen
Onverteerbare resten (voedingsvezel)  via anus
In wand darmkanaal  kring en lengtespieren  afwisselend samentrekken  peristaltische beweging  darmperistaltiek
3 taken darmperistaltiek:
1) Voedselbrij kneden
2) voedselbrij voortduwen
3) voedselbrij goed mengen met verteringssappen
Darmperistaltiek: vlak voor voedselbrok kringspieren ontspannen lengtespieren samentrekken
Voedingsvezel  zorgt voor een goede stoelgang
Basisstof 8
Gebit  voedsel kauwen  kleinere stukjes verdelen  beter inslikken & functie bij verteren
Enzymen (in verteringssappen)  alleen aan buitenkant  door kauwen  oppervlakte vergroting  enzymen beter op voedsel inwerken  sneller verteren
Bouw van ’t gebit:
Gebit bestaat uit  tanden en kiezen  bevestigd met wortels in onder en bovenkaak
Deel v. kies/tand  buiten kaak  kroon
 grootste deel  tandbeen  tandbeen v. kroon bedekt met glazuur (=hele hard)
Tandbeen v. wortels  bedekt met cement
In tandbeen  tandholte  bloedvaten en zenuwen
Om wortels  wortelvlies  zorgt voor bevestiging in kaak
Kaak bedekt met  tandvlees
Gebit  stukken afbijten en fijnmalen  snijtanden,hoektanden,kiezen.
Snijtanden  voorkant in je mond  stukken van voedsel afbijten
Plaats tand Functie tand Vorm tand
snijtanden Voorkant mond Stukken voedsel afbijten Beitelvormig
hoektanden Zijkanten v. voorkant Bij roofdieren: vangen van prooi
Bij mens: zelfde als snijtanden Boven puntiger dan snijtanden
kiezen Achterin gebit Fijnmalen van voedsel Boven bobbelig

Samenstelling gebit  tandformule
Compleet gebit  32 tanden en kiezen (512-215 bovenkaak 512-215 = onderkaak)
512 215
512 215
= bovenkaak
= onderkaak | = midden van het gebit
Links  rechterkaakhelften
Rechts  linkerkaakhelften
Baby  geen gebit
½ - 2 jaar  komen 1e tanden  melkgebit
6 jaar  melkgebit wordt blijvend gebit (komen ook kiezen bij)  wisselen
+/- 13 jaar  elke kant 4 kiezen  kan aan elke kant nog 1 kies bij  verstandskiezen
Verstandskiezen  achter in kaak  te klein om voedselmee te kauwen
 soms geen verstandskiezen  of direct trekken
Gezond gebit  minstens 1 keer per dag poetsen  tandplak verwijderen
tandplak  dun laagje aanslag met bacteriën,etensresten en speeksel
1 gr. Tandplak  1 miljard bacteriën
Goed poetsen: - tanden borstel met lange steel en zachte haren
- liever 1 keer grondig dan 3 keer snel
- met tandzijde,tandenstokers  moeilijke hoekjes
L: blz. 26 afb. 41
Bacteriën  tasten glazuur tanden en kiezen aan.
In voedsel  suiker aanwezig  bacteriën zetten suiker om in zuur  in zuur lost glazuur op
Bacteriën vormen dit zuur  vlak na eten of tijdens eten
Gezond gebit  6/7 keer eten mogelijk  glazuur kan herstellen

Bacteriën in tandplak kunnen tandvleesontsteking veroorzaken. Daardoor kunnen de wortelvliezen ontstoken raken, zodat de tanden en kiezen losraken.

Te vaak iets eten  vooral veel tussendoortjes met suiker  tandglazuur niet genoeg tijd om te herstellen  gaatjes
Na gaatjes  kan tandbeen worden aangetast  en daarna zelfs de hele kies
Tandpasta met fluoride  helpt glazuur sneller te herstellen
In tandplak  ook bacteriën  tandvleesontsteking veroorzaken  rood en bloed gemakkelijk
Gezond tandvlees  strak om tanden
Ontstoken tandvlees  zit los om de tanden heen  tandplak kan indringen in ruimte tussen tandvlees en wortels  tandplak heel moeilijk wegpoetsen  tandplak kan dan wortelvlies en cement aantasten
Wortelvlies ontstoken?  tand valt uit
Speeksel helpt tandplak voorkomen  reinigt je gebit  ook bepaalt voedsel helpt (bruin brood,rauwe worteltjes en fruit)
Plakverlikker  kleurstof  helpt controleren waar tandplak zit
Tandplak  vooral op ruwe plaatsen  verkalken  tandsteen  hard niet wegpoetsen  en is ruw  dus vormt weer nieuwe tandplak op  nog meer tandsteen  alleen verwijderen door tandarts
Tanden scheef  gebitscorrectie d.m.v. beugel
Tandplak tegengaan door:
1) minstens 1 keer per dag grondig te poetsen
2) niet vaker dan 4 keer per dag een tussendoortje te eten
Basisstof 8
Meeste organen verteringsstelsel  in romp
Middenrif
Stevig gespierd vlies
Scheidt de romp in de borstholte en buikholte
De vertering:
1) mondholte  kauwen kleine stukjes verdelen  inslikken
2) speekselklieren  produceren speeksel  speeksel: enzym,slijm en water
slijm: verhoogt glijbaarheid
enzym: verteert zetmeel
3) tong duwt voedsel van mondholte naar keelholte
4) door slikken dan naar slokdarm
bij slikken luchtpijp afgesloten met: strotteklepje
neusholte afgesloten met: huig
zo kan het alleen naar de slokdarm
5) van slokdarm door darmperistaltiek naar maag (in slokdarm geen verteringssappen aan voedsel toegevoegd)
6) maag: continue in beweging: kring en lengtespieren  aan einde van maag;kringspier  maagportier
maagportier  kan maag afsluiten  laat maar kleine beetjes door  tijdelijke opslagplaats
7) maagsapklieren in wand  produceren maagsap  maagwand beweegt  voedsel mengen met maagsap
maagsap bestaat uit: water,zoutzuur en enzym
zoutzuur zorgt dat bacteriën worden gedood
enzym: verteerd eiwitten
8) twaalfvingerige darm: hierheen wordt het voedsel met kleine porties doorheen gestuurd via de maag.
Ook lever en alvleesklier monden n 12-vinger darm uit
Lever: gal  wordt opgeslagen in galblaas  via galbuis naar 12-vinger darm
 GEEN KLIER MAAR OPSLAGPLAATS
Functie gal: emulgeert vetten  maakt er kleine vetdruppeltjes van  niet verteren
Door emulgeren  oppervlakte vergroting  vetten sneller verteren
Alvleesklier  alvleessap  enzymen voor vertering van  eiwitten,koolhydraten en vetten
9) dunne darm  8 meter lang
In de wand  darmsapklieren  produceren darmsap  enzymen voor afbreken van eiwitten en koolhydraten
Daarna kunnen de veteringsproducten worden opgenomen in het bloed
In darmkanaal  verschillende verteringssappen in het bloed  verteringssappen veel water voedselbrij vele water
In dunne en dikke darm  water uit voedselbrij gehaald en in bloed overgeplaatst
Dunne darm  sterk geplooid  daar staan uitstulpingen (darmvlokken op)
In darmvlok  bloedvaten
 wand heel dun  water met opgeloste voedingsstoffen en verteringsproducten  makkelijk in bloed opnemen
Door de vele plooien  groot oppervlak  sneller opname in bloed  en naar cellen toe
10) blindedarm  vlak onder uitmonding dunne darm in dikke darm
 onderkant blinde darm  wormvormig aanhangsel/appendix
 bij ontsteking  appendix ontstoken  wordt verwijderd  blinde darm blijft zitten
11) de dikke darm  1,5 m lang  in dikke darm komen onverteerde resten  bevat nog veel water  dit wordt in de dikke darm allemaal onttrokken en opgenomen in bloed.
Brij wordt zo aangedikt  niet?  veel vocht verliezen en uitdrogen  diarree
12) naar endeldarm  aangedikte voedselresten
darmkanaal afgesloten  anus  deze kringspier ontspant af en toe  legen  ontlasting

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.