Samenvatting Biologie havo 4 boek

Thema 1 Inleiding in de biologie

Basisstof 1 Wat is biologie?
Biologie is het bestuderen van organismes. Die vertonen levensverschijnselen (stofwisseling, groei, ontwikkeling, voortplanting). Als een organisme stopt met levensverschijnselen vertonen is het dood, als die dat nooit heeft gedaan is het levenloos. Elk individueel dier heeft een levenloop (geboorte t/m dood). Elk soort dier heeft een levenscyclus, het soort blijft zich voortplanten en als het goed is houdt het niet op met leven.

Basisstof 2 Natuurwetenschappelijk onderzoek.
Het ontstaan van leven, eerst dacht men aan de theorie genertio spontanea. Maar later bedacht men dat ze beter met een natuurwetenschappelijk onderzoek aan de gang konden.

Observatie

Probleemstelling

Hypothese

Nieuwe hypothese → Experiment

Resultaten
↑ ↓
Verwerping v/d hypothese ← conclusie → bevestiging v/d hypothese

Basisstof 7 Stoffentransport tussen cellen en hun omgeving.
Concentratie: hoeveelheid opgeloste deeltjes per volume eenheid. In volume procenten of in gram per liter.

Diffusie: de verplaatsing v/e stof met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie (ranja en water)

Homogeen: als de concentratie in een oplossing overal gelijk is.

De diffusie snelheid is afhankelijk van: het diffusie oppervlak, afstand, druk of concentratie verschil. Er kan alleen diffusie optreden bij gassen en vloeistoffen, omdat daar de moleculen vrij kunnen bewegen.

Permeabel: doorlatend, alle moleculen kunnen er doorheen.

Semipermeabel: Half doorlatend, alleen water moleculen kunnen er doorheen.

Osmose: diffusie door een semipermeabel membraan. De weefselvloeistof v/e organisme vormt één geheel, het interne milieu.

Basisstof 8 Osmose bij planten.
Als er osmose water door de celwand (ß permeabel) in de cel stroomt, wordt de volume van de cel groter, waardoor de cel druk gaat uitoefenen op de celwand (turgor). Deze zorgt weer voor een tegendruk. Zo wordt het geheel steviger. De cel neemt water op uit de celwand, dus de osmotische waarde daalt iets. Door de tegendruk van de celwand beperkt de waterstroom naar binnen de cel, nog voor de osmotische waarde binnen en buiten de cel gelijk zijn. Er ontstaat een evenwicht er gaat even veel water uit de cel als in. Het tegenovergestelde van turgor is plasmolyse. De cel verliest zijn stevigheid, omdat de cel loslaat van de celwand. Bij langdurige plasmolyse sterven de cellen.

Thema 2 Voortplanting

Basisstof 3 Hormonale regeling van de voortplanting
Je hebt de hormonen FSH en LH, die worden gemaakt in de hypofyse. Verder heb je testosteron (mannelijk geslachtshormoon) en dat wordt gemaakt in de teelballen en bij de vrouwen wordt oestrogeen aangemaakt in de wand van de rijpende follikel en in de eierstokken à oestradiol en oestron. Het gele lichaam produceert progesteron (zwangerschapshormoon.) zie tabel 75 b!

Door doe hormonen vinden in de puberteit veranderingen plaats. Primaire geslachtskenmerken heb je al vanaf je geboorte secundaire geslachtskenmerken komen pas in je puberteit.

De menstruatie cyclus duurt 4 weken. De eerste dag van de menstruatie is de eerste dag van de cyclus. De eerste 12 dagen wordt de follikel steeds rijper en na de menstruatie worst het baarmoederslijmvlies dikker en gaat meer klieren bevatten. Op de 14de dag vindt de ovulatie plaats, als het niet wordt bevrucht begint het gele lichaam na 11 dagen af te sterven, dus er is niet genoeg progesteron om het slijmvlies in stand te houden. Een groot gedeelte van het slijmvlies wordt dan afgestoten (menstruatie) en de cyclus begint weer op nieuw.

Tabel 82 f! Bij bevruchting blijft het gele lichaam 3 maanden progesteron produceren dan heeft het lichaam een placenta aangemaakt die het van het gele lichaam overneemt. Progesteron zorgt ervoor dat er geen menstruatie optreed, het baarmoederslijmvlies dik blijft en de klieren in de borsten gaan ontwikkelen. De FSH en LH worden geremd, zodat er geen follikels worden gerijpt.

Thema 3 Erfelijkheid

Basisstof 1 Chromosomen
Chromosomen komen in paren voor. Chromosomenparen worden volgens bepaalde regels gegroepeerd. Dat noemen we een karyogram of een chromosomenportret. Wanneer de chromosomen in de kern van de cel voorkomen als paren, wordt de cel diploïd. Chromosomen in geslachtscellen, een geslachtscel is haploïd, bij de voortplanting versmelten twee geslachtscellen. Hierdoor ontstaat een zygote (bevruchte eicel)

Basisstof 2 Fenotype en genotype
Je fenotype is hoe je eruit ziet aan de buitenkant, je fenotype kan ook veranderen, bv. Haar verven. Een gen, ook wel een erffactor, bevat de informatie voor een erfelijke eigenschap. Het totale pakketje genen is jouw genotype. Het fenotype wordt bepaald door het genotype en milieufactoren.

Basisstof 3 Genenparen
In lichaamscellen ligt de informatie voor een erfelijke eigenschap in een genenpaar. Een ander woord voor gen is allel en voor genenpaar, allelenpaar. Bij iemand met homozygote genen, zijn beide genen hetzelfde. Iemand die heterozygoot is zijn de genen verschillend. Slechts één van de twee komt dan tot uiting. Dit is het dominante gen. Het andere is recessief. Als het recessieve gen toch iets tot uiting komt noemen we het onvolledig dominant. Intermediair is 50/50. In de erfelijkheidsleer of genetica worden genen met letters aangegeven. Een dominant gen met een hoofdletter en een recessief gen met een kleine letter.

Basisstof 4 Monohybride kruisingen
In de erfelijkheidsleer worden kruisingen gebruikt om de overerving te bestuderen,

kruisingsschema:
P AA x aa
geslachtscellen A a

F1 Aa

Aa x Aa

geslachtscellen A of a A of a

F2

A A

A AA Aa

a Aa Aa

Een terugkruising is dat je uit de verhouding waarin het fenotype in de nakomelingen voorkomen het fenotype van de ouders kunt afleiden. Dit is alleen betrouwbaar als F1 uit een groot aantal nakomelingen bestaat.

Basisstof 5 Geslachtschromosomen
22 van de 23 chromosomenparen worden autosomen genoemd. Het 23e paar is bij een vrouw gelijk en bij een man ongelijk. Bij hem bestaat het uit een X-chromosoom en een Y-chromosoom. Het 23e chromosomenpaar bepaald het geslacht, de geslachtschromosomen. Sommige genen liggen wel op X-chromosomen maar niet op Y-chromosomen, deze genen noemen we X-chromosomaal.

Basisstof 6 Meerdere genen en letale factoren
Bij sommige erfelijke eigenschappen komen letale factoren voor. Er is dan bij de overerving een gen betrokken dat in homozygote toestand geen levensvatbaar individu zal opleveren.

Basisstof 7 Dihybride kruisingen
Bij een dihybride kruising zijn twee genenparen betrokken. Als de twee genenparen in verschillende chromosomenparen liggen, spreken we van onafhankelijke overerving. Liggen de twee genenparen in hetzelfde chromosomenpaar, dan spreken we van gekoppelde overerving.

Dihybride kruising:

P AABB x aabb

geslachtcellen AB ab

F1 AaBb

AaBa x AaBb

geslachtscellen AB,Ab,aB,ab AB,Ab,aB,ab

F2

AB Ab aB ab

AB AABB AABb AaBB AaBb

Ab AABb AAbb AaBb Aabb

aB AaBB AaBb aaBB aaBb

ab AaBb Aabb aaBb aabb

Thema 4 DNA

Basisstof 1 Van genotype tot fenotype
Enzymen zijn eiwitten. Een eiwitmolecuul bestaat uit een groot aantal aangekoppelde aminozuren. Een chromosoom bevat één zeer lang molecuul van de stof DNA. Het DNA-molecuul ligt opgerold om de eiwitmoleculen. Dit geheel ligt spiraalsgewijs opgevouwen. Een DNA-molecuul bestaat uit twee ketens, die in een dubbele spiraal om elkaar heen gewonden liggen. Elke keten bestaat uit vele duizenden aan elkaar gekoppelde nucleotiden. Een nucleotide bestaat uit een fosfaatgroep, desoxyribose en een stikstofbase. In een DNA-molecuul komen vier verschillende stikstofbase voor: Adenine (A), Thymine (T), Cytosine (C) en Guanine (G). De stikstofbasen van de twee ketens zijn met elkaar verbonden. Ze vormen vaste paren (basenparing). Adenine gaat altijd met thymine en cytosine gaat altijd met guanine.

Basisstof 2 Mitose en celdeling
Nieuwe cellen ontstaan door mitose (kerndeling) en celdeling. Bij mitose deelt een celkern zich in tweeën. Door plasmagroei worden de twee dochtercellen elk net zo groot als de moedercel. Na een tijdje kunnen de dochtercellen dit ook. De periode tussen twee mitosen in word de interfase genoemd. De mitose en interfase vormen samen de celcyclus. Voordat een mitose begint, wordt elk chromosoom gekopieerd. Dit heet DNA-replicatie. Na DNA-replicatie bestaat een chromosoom uit twee identieke delen, de chromatiden. De plaats waar de chromatiden aan elkaar vast zitten, heet centromeer.

Basisstof 3 Ongeslachtelijke voortplanting
Bij ongeslachtelijke voortplanting groeit een deel van een individu uit tot een nieuw individu. Dit kan op verschillende manieren deling, knollen, uitlopers, bollen en bijvoorbeeld stekken. Blz. 124+125

Basisstof 4 Meiose
Bij de vorming van geslachtscellen vindt meiose plaats, een deling waarbij de chromosomen van een paar uit elkaar gaan. Bij meiose 1 ontstaan uit één diploïde cel, twee haploïde cellen, ook wel reductie deling. Bij meiose 2 ontstaan uit twee diploïde cellen, vier haploïde cellen.

Basisstof 5 Geslachtelijke voortplanting
Het ontstaan van nieuwe combinaties van genen wordt recombinatie genoemd. Door recombinatie ontstaat een grote verscheidenheid (diversiteit) in genotypen binnen een soort.

Geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten
De meeldraden en de stamper zijn de voortplantingsorganen. In de helmknoppen van de meeldraden vindt meiose plaats. De haploïde cellen die hierbij ontstaan, ontwikkelen zich tot stuifmeelkorrels (pollenkorrels). In het vruchtbeginsel van een stamper bevinden zich één of meerdere zaadbeginsels. In elk zaadbeginsel ontstaat één eicel na meiose. Bestuiving is wanneer de stuifmeelkorrels worden overgebracht naar stempels van dezelfde plantensoort. Zelfbestuiving spreekt voor zich. Bij ‘bestuiving’ wanneer het op een andere plant terecht komt noemen we dat kruisbestuiving. Na bestuiving groeit er uit de stuifmeelkorrel een stuifmeelbuis naar het zaadbeginsel.

Het vermijden van genetische variatie
Bij veredeling tracht men door kruisingen en selectie een combinatie van gunstige eigenschappen in één nakomeling te verkrijgen. Verder wordt er ook genetische modificatie gebruikt. Als dit gunstige genotype bereikt is, mag dit niet door recombinatie worden verstoord. Daarom wordt er bij landbouwgewassen klonering toegepast. Een zuivere lijn is als een groep planten door geslachtelijke voortplanting is ontstaan en homozygoot is voor één of meer eigenschappen. Als er steeds nakomelingen komen met hetzelfde gewenste genotype. Deze planten noemt men zaadvast. Rashonden zijn fokzuiver. Een dier is fokzuiver wanneer hij homozygoot is voor de gewenste eigenschappen. Een heterozygote hond is een bastaard.

Basisstof 6 Mutaties
Wanneer de volgorde van stikstofbase in het DNA blijvend is gewijzigd noemen we dat mutatie.

RNA
RNA brengt de informatie voor de eiwitsynthese over van het DNA in de celkern naar de ribosomen in het cytoplasma.

De uitwerking van mutaties
Een individu bij wie de mutatie tot uiting komt in het fenotype, noemen we een mutant. Het fenotype waarbij geen enkele mutatie waarneembaar is word een wildtype genoemd. Mutageen is bijvoorbeeld; sigarettenrook, straling etc.

Kanker
Als cellen zich ongeremd gaan delen ontstaat er een gezwel/tumor. Je hebt goedaardige en kwaadaardige tumoren. Kanker kan in veel vormen voorkomen. Dit wordt vaak veroorzaakt door mutaties in de cel. De cel wordt ongevoelig voor de stoffen die de celdeling remmen. De primaire tumor alleen is meestal niet dodelijk. De tumor kan dan operatief worden verwijderd of door radiotherapie. De meeste patiënten overlijden aan metastase: uitzaaiingen. In andere organen kunnen ze het ontstaan van secundaire tumoren veroorzaken. De genezing word dan bemoeilijkt. Vaak wordt er dan chemotherapie toegepast. Hierbij krijgt de patient toegepast. Hierbij krijgt de patient cytostatica, stoffen die de celdeling remmen. Alle invloeden op het milieu die mutageen zijn, zijn in principe ook carcinogeen: kanker verwekkend.

Basisstof 7 Erfelijkheidsonderzoek
Bij prenatale diagnostiek wordt er onderzoek verricht voor de geboorte om eventuele afwijkingen vast te stellen. De meest gebruikte methoden van prenataal onderzoek zijn echoscopie, een vlokkentest en een vruchtwaterpunctie. Bij echoscopie worden de groei en de ligging van de embryo of de foetus gecontroleerd. De echoscoop zendt hoogfrequente trillingen uit die op verschillende mate worden teruggekaatst, deze worden zichtbaar gemaakt op een scherm (echo). Zo kunnen eventuele afwijkingen in de embryonale ontwikkeling worden opgespoord. Dit kan vanaf de zesde week van de zwangerschap. Vanaf de achtste week kan er een vlokkentest worden gedaan. Bij dit onderzoek wordt een klein beetje vlokkenweefsel uit de groeiende placenta weggehaald. Deze vlokken bevatten celkernen met dezelfde genotype als de embryo. Door cellen tijdens de mitose te doden en te kleuren, kan een karyogram worden gemaakt. Met behulp van het karyogram kunnen afwijkingen in de chromosomen worden geconstateerd, ook het geslacht kan worden vastgesteld. Door biochemisch onderzoek kan een aantal stofwisselingsziekten worden opgespoord. Bij een vruchtwaterpunctie wordt er een beetje vruchtwater weggezogen via de buikwand. In het vruchtwater bevinden zich cellen van de foetus. Deze cellen worden gebruikt voor chromosomenonderzoek en voor het opsporen van stofwisselingsziekten. Een vruchtwaterpunctie kan worden uitgevoerd vanaf de zestiende week. Door een erfelijkheidsadvies kunnen een man en vrouw beslissen over een eventuele zwangerschap. Als een vrouw al zwanger is, en de ziekte of afwijking is ernstig kan er voor abortus provocatus worden gekozen.

Het syndroom van Down
Uit een karyogram kan ook blijken dat er extra chromosomen zijn of dat er chromosomen ontbreken. Bij extra chromosomen spreken we van trisomie. Bij het syndroom van Down komt in de celkernen het 21e chromosoom in drievoud voor, dit wordt ook wel trisomie 21 genoemd. Ze denken dat dit komt door een foutje in de meiose. Soms gaat bij meiose 1 het chromosomen delen fout. Dan blijven de chromosomenparen bij elkaar. Beide chromosomen gaan dan naar dezelfde pool en komen dan samen in de dochtercellen terecht. Dit wordt non-disjunctie genoemd. Na de bevruchting is een geslachtscel of zygote waarin een chromosoom te veel of te weinig is vaak wel levensvatbaar. (blz.136)

Basisstof 8 Biotechnologie
Biotechnologie is de tak van de biologie waarbij organisme worden gebruikt om producten te vervaardigen voor de mens. Naast het fokken en veredelen van gewenste eigenschappen voor planten en dieren bleek dat men bij veel cultuurgewassen de opbrengst sterk kon verhogen door polyploïde. De stof colchicine beïnvloed de cel zo dat de chromatiden wel delen maar de cel zelf niet. Hierdoor ontstaan tetraploïde cellen of ployploïde cellen.

Recombinant-DNA-techniek
Technisch is het mogelijk erfelijk materiaal (een stukje DNA) uit cellen weg te halen, eventueel te veranderen en daarna in te brengen bij cellen van een ander individu. Dit wordt recombinant-DNA-techniek genoemd. De individuen hoeven niet tot dezelfde soort te behoren. De verandering die wordt aangebracht de genetische modificatie, ook wel genetische manipulatie. Zo’n genetisch gemodificeerd individu wordt een transgeen genoemd.

Andere nieuwe technieken
Bij de celfusietechniek laat men twee typen cellen versmelten tot één cel (de hybridecel).

Thema 5 Ordening en evolutie

Basisstof 2 Wat is een soort?
Organisme welke tot dezelfde soort horen kunnen onderling vruchtbare nakomelingen voortbrengen. Al zijn ze van verschillende rassen. Vaak is het moeilijk te bepalen of organisme tot één soort behoren. Soms is slechts een deel van de nakomelingen vruchtbaar. Een soort bestaat uit één of meer populaties. Onder een populatie verstaan we een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied die samen een voortplantingsgemeenschap vormen.

De binaire naamgeving
Soorten worden aangeduid met een wetenschappelijke naam. De Zweedse bioloog Linnaeus heeft de wetenschappelijke naamgeving opgezet. Hij voerde de binaire (tweedelige) naamgeving in.

Basisstof 6 Evolutie
In de loop van miljarden jaren zijn uit eenvoudig gebouwde organismen steeds ingewikkelder gebouwde organismen ontstaan. Deze ontwikkeling wordt evolutie genoemd. Creationisten geloven in het scheppingsverhaal van god. De grondgedachten van Darwin zijn in de huidige evolutietheorie terug te vinden. We spreken dan ook van de neodarwinistische evolutietheorie of het neodarwinisme. Deze theorie gaat uit van verscheidenheid in genotype, natuurlijke selectie en soortvorming door isolatie.

Basisstof 7 Argumenten voor Evolutie
Fossielen zijn versteende overblijfselen van organismen of afdrukken van organisme in gesteenten. De wetenschap die zich bezig houd met het bestuderen en verzamelen van fossielen heet de paleontologie. Fossielen kunnen ontstaan als dode organismen niet vergaan, bijvoorbeeld als ze bedekt worden door sedimenten. Homologie duid op verwantschap van organismen: de organismen hebben dezelfde gemeenschappelijke voorouder. Homologe organen zijn organen die overeenkomsten vertonen in de bouw en hebben een gelijke embryonale ontstaanswijze. Homologe organen zijn ontstaan uit dezelfde grondvorm, door invloeden uit het milieu hebben ze verschillende functies gekregen. Analoge organen zijn niet ontstaan uit dezelfde grondvorm. Door aanpassing aan het milieu zijn bij niet verwante organismen organen met vergelijkbare functie ontstaan. Rudimentaire organen of rudimenten zijn ‘resten’ van organen die voorouders wel hadden, de rudimenten ontstaan op dezelfde manier als homologe organen maar nu verliezen ze hun functie. Andere overeenkomsten hebben te maken met mitose, meiose, DNA en eiwitten.

Basisstof 8 De geschiedenis van het leven op aarde
Geologen hebben de periode sinds het ontstaan van de aarde verdeeld in tijdperken en perioden.

Het ontstaan van het leven
De eerste eenvoudige vormen van leven zijn moeten ontstaan uit anorganische stoffen. Deze levensvormen leefden in water omdat de lucht toen nog geen zuurstof bevatte. We veronderstellen dat de eerste cellen met organellen zijn ontstaan volgens de endosymbiosetheorie (endo = binnen en symbiose = samenleven) afbeelding 49, blz. 184.

Van zee naar land
Het ontstaan van veelcellige organimse was in het Precambrium. Al het leven speelde toen nog in zee af. Reptielen worden de eerste gewervelde landdieren genoemd, omdat ze voor de voortplanting niet meer van het water afhankelijk waren. Er ontstond een grote verscheidenheid aan sauriës (sauros = hagedis). Tijdens de bloeitijd van de sauriës ontstonden de eerste zoogdieren en vogels. De eerste primitieve mensen verschenen ongeveer een miljoen jaar geleden. De huidige mensenrassen zijn ongeveer 30.000 jaar geleden ontstaan.

Thema 6 Regeling

Basisstof 1 Het zenuwstelsel
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en het ruggenmerg. Het perifere zenuwstelsel bestaat uit de zenuwen. Lichstralen en geuren zijn voorbeelden van prikkels. Een prikkel is een invloed uit het milieu op een oranisme. Onder invloed van prikkels ontstaan in de zintuigcellen impulsen. Impulsen zijn een soort elektrische signalen die door zenuwen kunnen worden geleid. Zintuigcellen worden receptoren genoemd, zenuwcellen worden conductoren genoemd en spier- en kliercellen effectoren.

Zenuwcellen
Het zenuwstelsel bestaat uit zenuwcellen (neuronen). Elke zenuwcel is opgebouwd uit een cellichaam en uitlopers. In het cellichaam bevinden zich de kern en het grootste deel van het cytoplasma met de mitochondriën, ribosomen en endoplasmatisch reticulum. De cellichamen van vrijwel zenuwcellen liggen in of vlakbij het centrale zenuwstelsel. Door de uitlopers worden de impulsen voortgeleid. Een uitloper die impulsen naar het cellichaam leidt, heet een dendriet. Een uitloper die impulsen van het cellichaam af leidt, heet een axon of neuriet. Bij bepaalde zenuwcellen zijn de uitlopers omgeven door myelineschede (of mergschede). Dit bestaat uit cellen van Schwann. Tussen de twee cellen is een kleine ruimte, een insnoering. Er zijn drie typen zenuwcellen. Sensoriche zenuwcellen (gevoelszenuwcellen) geleiden implsen van receptoren naar het centrale zenuwstelsel. De cellichamen liggen vaak dichtbij het centrale zenuwstelsel. Deze zenuwcel heeft één lange dendriet en een korte axon. Motorische zenuwcellen (bewegingszenuwcellen) geleiden impulsen van het centrale zenuwstelsel naar effectoren. De cellichamen liggen in het centrle zenuwstelsel. Ze hebben vaak meerdere korte dendrieten en één lange axon. Schakelcellen geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel. Ze kunnen impulsen ontvangen van sensorische zenuwcellen en doorgeven aan motorische zenuwcellen. Dit kunnen ze ook onderling. Schakelcellen liggen geheel binnen het centrale zenuwstelsel. Plaatsen waar impulsen doorgegeven noemen we synapsen. De uiteinden van dendrieten en axons zijn vaak sterk vertakt, aan het eind van deze vertakking bevinden zich veel synapsen.

Zenuwen
De uitlopers van sensoriche en motorische zenuwcellen liggen bij elkaar in zenuwen. De myelineschede isoleert de uitlopersvan elkaar. Om de zenuw ligt een laag bindweefsel voor bescherming. Een gevoelszenuw bevat alleen uitlopers van sensorische zenuwcellen. Een bewegingszenuw alleen van motorrische zenuwcellen en een gemengde zenuw bevat uitlopers van beide.

Basisstof 2 Impusgeleiding
Als een zenuwcel geen impuls voortgeleidt, is de ionenconcentratie van het cytoplasma niet gelijk aan die van de vloeistof rondom de cel. De binnenkant van het celmembraan heeft een negatieve elektrische lading ten opzichte van de buitenkant. Dit verschil in elektrische lading is even groot bij alle zenuwcellen die gaan impulsen geleiden (zenuwcellen ‘in rust’). Het verschil in ionenconcentratie blijft gehandhaafd doordat actief transport van deze ionen plaatsvindt. Een impuls komt tot stand doordat op een bepaalde plaats de doorlaatbaarheid van het celmembraan van een zenuwcel verandert. Er vindt dan ionentransport plaats, waardoor de elektrische lading van het celmembraan verandert. Heel even krijgt de binnenkant ten opzichte van de buitenkant een positieve lading. We noemen dit de actiefase van een impuls. Na de actiefase kan het celmembraan voor korte tijs geen impulsen geleiden deze periode noemen we de herstelfase. Dit wordt verduidelijkt met afbeelding 7 op blz 205 in je boek. De impulssterkte is de grootte van de verandering die optreedt in de elektrische lading van het celmembraan. Bij de mens is de impulssterkte van alle zenuwcellen gelijk. Zintuigcellen daarintegen kunnen impulsen van verschillende sterktes opvangen, bijvoorbeeld hard of zacht geluid. Bij verschillende prikkelsterkte verschilt de impulsfrequentie in de sensorische zenuwcellen. De impulsfrequentie van een zenuwcel is het aantal impulsen dat per tijdseenheid door deze zenuwcel wordt voortgeleid. Ook in motorische zenuwcellen kan de impulsfrequentie variëren. Hoe hoger de impulsfrequentie in de motorische zenuwcellen, des te krachtiger is de samentrkking van de spieren of des te groter de afgifte van kliersappen.

Sprongsgewijze impulsgeleiding
Een myelineschede vormt een isoltatielaag om de uitloper van een zenuwcel. Daardoor kunnen bij zenuwceluitlopers met een myelineschede alleen bij de insnoeringen ionen de cel in- en uitgaan. Alleen bij de insnoeringen kan de elektrische lading van het celmembraan veranderen. Daardoor ‘springt’ een impuls van insnoering naar insnoering. Dit noemen we sprongsgewijze impulsgeleideing. Dit verloopt veel sneller dan de impulsgeleiding in een uitloper zonder myelineschede.

Kunstmatige prikkeling van de zenuwcel
De elektrische lading van het celmembraan van een zenuwcel ‘in rust’ kan op verschillende manieren kunstmatig worden verstoord. Men kan een zenuwcel mechanisch prikkelen, elektrisch prikkelen en chemische prikkelen. De toegediende prikkel kan sterk of minder sterk zijn. Bij een zwakke prikkel kan de zenuwcel de ‘in rust’ stand handhaven. De prikkelsterkte ligt dan onder de drempelwaarde. We noemen deze drempelwaarde de prikkeldrempel. Het omzetten van een prikkel naar een impuls gebeurt volgens de ‘alles-of-nietswet’. Bij een prikkel onder de prikkeldrempel ontstaat geen impuls, bij een prikkelsterkte boven de prikkeldrempel ontstaat altijd een even sterke impuls. De prikkelsterkte heeft wel invloed op de impulsfrequentie, hoe sterker de prikkel is, des te hoger is de impulsfrequentie.

Impulsoverdracht
Wanneer een uitloper van een zenuwcel kunstmatig wordt geprikkeld, worden in twee richtingen impulsen voortgeleid: naar het uiteinde van de uitloper en naar het cellichaam. De impulsen kunnen slechts in één richting worden doorgegeven aan andere cellen. Dit komt omdat de synaps ze maar in één richting doorlaat. Sensorische zenuwcelle kunnen impulsen doorgeven aan schakelcellen, maar niet aan zintuigcellen. Motorische zenuwcellen kunnen impulsen doorgeven aan spier- of kliercellen, maar niet aan schakelcellen.

Basisstof 3 Het ruggenmerg
Van de halswervels tot aan het staartbeen verlaten 31 paar ruggenmergzenuwen het wervelkanaal, door openingen links en rechts tussen de wervels. Het ruggenmerg bestaat uit twee dingen, de schors aan de buiten rand, hierin ligt de witte stof, waarin zich veel uitlopers van schakelcellen bevinden. De witte kleur wordt veroorzaakt door de myelinescheden. En het merg het vlindervormige midden waarin de grijze stof ligt, hierin liggen de cellichamen van de motorische zenuwcellen en van de schakelcellen. Ruggenmergzenuwen zijn gemengde zenuwen, valkbij de romp splitsen de ruggenmergzenuwen zich. De uitlopers van sensorische zenuwcellen liggen bij elkaar in de gevoelszenuwen, die aan de rugzijde van het ruggenmerg binnenkomen. De verdikkingen in deze zenuwen heten ruggenmergszenuwknopen of spinale ganglia. Een zenuwknoop of ganglion is een opeenhoping van zenuwcellichamen buiten het centrale zenuwstelsel. In de spinale ganglia liggen de cellichamen van sensorische zenuwcellen. Deze cellichamen zijn verbonden met de grijze stof door uitlopers. In de grijze stof liggen aan de rugzijde de cellichamen van de schakelcellen en aan de buikzijde de cellichamen van de motorische zenuwcellen. Uitlopers van motorische zenuwcellen verlaten het ruggenmerg via de buikzijde in bewegingszenuwen. De bewegingszenuwen komen uit in de ruggenmergzenuwen. Het ruggenmerg is omgeven door drie ruggenmergsvliezen. Hierdoor word het ruggenmerg beschermd en van bloed voorzien. In het midden van het merg is een holte, het centrale kanaal. Dit kanaal is gevuld met vocht en staat rechtstreeks in verbinding met de hersenholten (basisstof 4).

Basisstof 4 De hersenen
Twaalf paar hersenzenuwen verbinden de hersenen (voornamelijk de hersenstam) met receptoren en effectoren in hoofd en hals. De hersenstam ligt in het verlengde van het ruggenmerg. De hersenstam geleid impulsen van het ruggenmerg naar de grote en kleine hersenen en omgekeerd. In de grote hersenen komen zeer veel impulsen aan, afkomstig van receptoren die prikkels hebben opvangen. Pas als deze impulsen in de grote hersenen zijn verwerkt, word je je bewust van een prikkel. De plaats waar de impulsen in de grote hersenen aankomen en worden verwerkt, bepaalt de aard van de waarnemingen die je doet. De hersencentra zijn bij elkaar liggende groepen schakelcellen. We onderscheiden sensorische en motorische centra. De meeste sensorische centra liggen bij elkaar in de hersenschors achter de centrale groeve. De sensorische centra voor reuk, gehoor en gezicht liggen apart in de hersenschors. Hier worden binnenkomende impulsen verwerkt. De meeste motorische centra liggen bij elkaar in de hersenschors voor de centrale groeve. De motorische centra voor schrijven en spreken liggen apart in de hersenschors. In de motorische centra kunnen impulsen ontstaan. Deze gaan via de hersenstam en motorische zenuwcellen naar spieren in je hoofd en hals worden geleid of via het ruggenmerg naar spieren in de romp of ledenmaten. Deze impulsen veroorzaken bewegingen die je bewust maakt (gewilde bewegingen). Vaak voer je vele van deze bewegingen tegelijkertijd uit. De kleine hersenen coördineren alle bewegingen in je lichaam. De hersenen zijn omgeven door drie hersenvliezen. Hierdoor worden de hersenen beschermd en van bloed voorzien. In de hersenen bevinden zich holten gevuld met hersenvocht. Deze hersenholten staan in verbinding met het cenntrale kanaal van het ruggenmerg.

Basisstof 5 De weg die impulsen afleggen
Bij het reageren op prikkels kunnen impulsen op verschillende manieren door het zenuwstelsel worden voortgeleid. Hierbij onderscheiden we bewuste reacties en reflexen.

Bewuste reacties
Er gaan impulsen van receptoren via de sensorische zenuwcellen naar schakelcellen in het ruggenmerg. Door de schakelcellen worden impulsen via de uitlopers in de witte stof van het ruggenmerg en de hersenstam naar de grote hersenen geleid. De impulsen komen aan in sensorische centra en worden daar verwerkt. Dan word je bewust van de actie, je kan nu kiezen een reactie geven of negeren. Als je voor reageren kiest ontstaan op dat moment impulsen in het motorische centra. Deze impulsen worden via uitlopers naar schakelcellen in de kleine hersenen, de hersenstam en het ruggenmerg geleid. Vanuit je hersenstam gaan er impulsen naar de spieren in je nek. En vanuit je ruggenmerg gaan impulsen via je motorische zenuwcellen naar de spieren in je romp en ledenmaten. Je kleine hersenen coördineren de bewegingen zodat je je evenwicht niet verliest. Overigens leiden heel veel impulsen van receptoren niet tot bewustwording. Je zintuigen verwerken voordurend allerlei prikkels uit de omgeving die je je niet bewust wordt.

Reflexen
Bij de meeste reflexen ontstaan vanuit de zintuigcellen impulsen deze worden via de sensorische zenuwcellen naar het ruggenmerg geleid dan via schakelcellen naar de motorische zenuwcellen. Deze zorgen voor het reflex. Ook worden er impulsen naar de hersenen geleid. Hierdoor word je na de actie en reactie bewust van wat er is gebeurd. De weg die impulsen afleggen bij een reflex noemen we een reflexboog. Een reflexboog bestaat uit een receptor, een deel van het zenuwstelsel en een effector. De reflexbogen van hoofd en hals lopen via de hersenstam. De reflexbogen van de romp en ledenmaten verlopen via het ruggenmerg. De grote hersenen maken geen deel uit van de reflexbogen, toch komen bij veel reflexen ook impulsen uit de grote hersenen. Reflexen zijn betrokken bij het beschermen van je lichaam en bij bepaalde houdingen van je lichaam.

Basisstof 6 Het autonome zenuwstelsel
De indeling van het perifere en centrale zenuwstelsel is gebaseerd op de bouw van het zenuwstelsel. Het zenuwstelsel kan ook worden ingedeeld op basis van functie. Het animale zenuwstelsel regelt vooral de bewuste reacties en reflexen, daarbij zijn zintuigen en skeletspieren betrokken. Door het animale zenuwstelsel worden houding en beweging van je lichaam geregeld. Daarnaast heb je het autonome (of vegetatieve) zenuwstelsel dat regelt vooral de werking van inwendige organen. Het autonome zenuwstelsel staat NIET onder invloed van de wil. Het autonome zenuwstelsel wordt ook weer onderverdeeld in twee delen. Het orthosympathische deel beïnvloed de organen zodanig, dat het lichaam arbeid kan verrichten. Hiervoor is energie nodig. Een belangrijk deel van die energie komt vrij met verbranding van glucose. Maar ook op andere manieren word energie vrij gemaakt. Het orthosympatische deel bevorderd dus de dissimilatie. Bij het orthosympatische deel worden impulsen vanuit het ruggenmerg via de grensstrengen naar de organen geleid. Grensstrengen zijn twee reeksen van ganglia links en rechts van de wervelkolom. Vanuit de ganglia lopen deze zenuwen naar de organen. Het tweede deel is het parasympatische deel dit beïnvloed de organen zo danig, dat het lichaam in een toestand van rust en herstel kan komen. Het parasympatische deel bevordert de assimilatie. Bij het parasympatische deel worden impulsen vooral via de linker en rechter zwervende zenuw voortgeleid. Deze zenuwen vinden hun oorsprong in de hersenstam. Vertakkingen ervan lopen naar de organen. Het autonome zenuwstelsel is in je binas te vinden op blz. 88 tabel K. Een orgaan dat door een bepaald deel van het centrale zenuwstelsel word beïnvloed, word een doelwitorgaan genoemd. De voorziening van een orgaan met zenuwen word innervatie genoemd. Elk doelwitorgaan wordt geïnnerveerd door twee zenuwen van het autonome zenuwstelsel: een orthosympatische en een parasympathische zenuw. We noemen dit dubbele innervatie. Centra in de hersenstam coördineren de activiteiten van het autonome zenuwstelsel. Beide delen zijn altijd actief, het hangt alleen van de omstandigheden af welke er actiever is.

Basisstof 7 Spieren en beweging
Glad spierweefsel bestaat uit langwerpige spiercellen, elk met een celkren. Dit weefsel komt voor in de huis en in de wand van buisvormige of holle organen. Glad spierweefsel wordt geïnnerveerd door het autonome zenuwstelsel. De samentrekking verloopt relatief traagm maar de spiercellen raken niet snel vermoeid. Dwarsgestreept spierweefsel bestaat uit spiervezels. Elke spiervezel is ontstaan door versmelting van vele spiercellen. Een spiervezel bevat meerdere celkernen. Veel dwarsgestreepte spieren zijn skeletspieren. Sommige dwarsgestreepte spieren zitten met één of beide uiteinden vast aan de huid, huidspieren. Dwarsgestreept spierweefsel wordt geïnnerveerd door het animale zenuwstelsel, de samentrekking verloopt snel, maar de spieren zijn snel vermoeid.

De bouw en de werking van skeletspieren
Een skeletspier is omgeven door bindweefsel: de spierschede. Aan de uiteinden gaat het spierschede over in bindweefsel van pezen. Een skeletspier bestaat uit een aantal spierbundels, elk omgeven door een laag bindweefsel. Een spierbundel bestaat uit een aantal spiervezels. Het axon van een motorische zenuwcel is aan het eind vertakt. Een vertakking eindigt in een motorische eindplaatje. De vertakkingen van een axon kunnen naar verschilende spiervezels lopen. Bij het motorische eindplaatje worden impulsen van de motorische zenuwcel overgebracht op een spiervezel. Alle spiervezels die via motorische eindplaatjes in verbinding staan met één motorische zenuwcel vormen samen een motorische eenheid. In een spiervezel zijn een groot aantal spierfibrillen te zien, dat zijn de vezels waar je spieren uit opgebouwd zijn. Tussen de spierfibrillen bevinden zich mitochondriën en glycogeenkorrels, daarin zit de reservestof glycogeen opgeslagen. Elke spierfibril bestaat uit eiwitdraden, de filamenten. Dunne filamenten zijn opgebouwd uit het eiwit actine en de dikke uit myosine. De actine- en myosinefilamenten liggen in een regelmatig patroon.

De samentrekking
Als impulsen via een motorisch eindplaatje in een spiervezel aankomen, schuiven de filamenten in elkaar. Hierdoor wordt de spiervezel korter. Voor het in elkaar schuiven van de filamenten is energie nodig. Het in de glycogeenkorrels opgeslagen glycogeen kan worden omgezet in glucose. De motorische zenuwcellen geleiden hun impulsen niet tegelijktijdig. Terwijl sommige motorische eenheden zich samentrekken ontspannen andere zich en andersom. Hierdoor word een snelle vermoeidheid van de spier tegengegaan.

Houding en beweging
In een normale ontspannen toestand is een skeletspier niet maximaal ontspannen. De spier oefent altijd een lichte kracht uit op de aanhechtingsplaatsen van de pezen. Deze kracht wordt de spierspanning genoemd. Antagonisten zijn spieren waarvan het samentrekken een tegengesteld affect hebben. Bijvoorbeeld biceps en triceps in de bovenarm. Regelmatige lichaamsbeweging houdt de spieren in een goede conditie. Ook raken de spieren daardoor minder snel geblesseerd en wordt de kans op bepaalde ziekten kleiner.

Basisstof 8 Het hormoonstelsel
Het hormoonstelsel bestaat uit een aantal hormoonklieren (endocriene klieren) die produceren hormonen. Belangrijke hormoonklieren in je lichaam zijn de hypofyse, de schildklier, de eilandjes van Langerhans, de bijnieren en de hormoonklieren in de geslachtsorganen (geslachtsklieren).

Bij veel klieren worden de producten afgevoerd via afvoerbuizen. Hormoonklieren hebben geen afvoerbuizen. Hormoonklieren geven de hormonen meestal af aan het bloed dat door de hormoonklier stroomt. Via het bloed komen de hormonen in het hele lichaam. De hormonen zijn alleen werkzaam in de organen die er gevoelig voor zijn: de doelwitorganen. De mate van de reactie van een doelwitorgaan wordt bepaald door de concentratie van het hormoon in het bloed. Deze concentratie wordt de hormoonspiegel genoemd. Één hormoon kan processen in meerdere doelwitorganen regelen. Hormonen worden door de lever afgeroken, en worden dan ook steeds opnieuw geproduceerd.Het hormoonstelsel werkt nauw samen met het autonome zenuwstelsel. Het zenuwstelsel regelt snelle, kort durende processen, het hormoonstelsel vooral langzame, langdurige processen.Gecastreerd is de testes verwijderd.

De hypofyse
De hypofyse ligt tussen de beide hersenhelften. De hypofyse bestaat uit twee gedeelten: de voorkwab en de achterkwab. De hypofyse produceert enkele hormonen die de werking van andere hormoonklieren beïnvloeden. De ovaria en testes worden beïnvloed door FSH en LHU. TSH beïnvloed de schildklier. Onder invloed van oxytocine ontstaan bij de geboorte weeën. Het antidiurtisch hormoon (ADH) regelt de productie van urine door de nieren. Met urine kan de osmotische waarde van het bloed constant worden gehouden. Het groeihormoon (GH) regelt de groei en ontwikkeling. De secretie van hormonen door de hypofyse wordt geregeld door de hypothalamus, die ligt boven de hypofyse. De hypothalamus produceert verschillende hormonen die de secretie van hormonen door de hypofyse stimuleren of remmen.

De schildklier
De schildklier ligt in de hals, voor het strottenhoofd, tegen de luchtpijp. De schildklier produceert het hormoon thyroxine, dat beïnvloedt de stofwisseling en de groei en ontwikkeling. Als de schildklier te veel thyroxine produceert dan wordt de intensiteit van de stofwisseling verhoogd dan wordt die gene rusteloos en vermagerd, als er te weinig wordt geproduceerd dan krijgt zon iemand het gauw koud en wordt snel moe, bij kinderen ontstaat dan een stilstand in de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling. Struma (kropgezwel): als bij een volwassene te weinig thyroxine wordt geproduceerd dan kan de schildklier zich sterk vergroten. Dit kan komen doordat er te weinig jood in het eten zit, jood is noodzakelijk voor vorming van thyroxine. TSH uit hypofyse stimuleert de vorming van schildklierweefsel en de secretie van thyroxine. Thyroxine remt de secretie van TSH. Als bijv. de concentratie van thyroxine in het bloed daalt, wordt de secretie van TSH minder geremd. Doordat de concentratie van TSH in het bloed stijgt, wordt de secretie van thyroxine gestimuleerd, daardoor stijgt de concentratie van thyroxine in het bloed weer. Dit regelmechanisme wordt negatieve terugkoppeling genoemd.

De eilandjes van Langerhans
De eilandjes van Langerhans zijn groepjes cellen die tussen de cellen van de alvleesklier liggen. De alvleesklier is een verteringsklier. De eilandjes van Langerhans produceren de hormonen insuline en glucagon. Deze hormonen regelen het glucosegehalte van het bloed. In voedsel vrijwel altijd koolhydraten voor, die worden verteerd tot o.a. glucose, dat wordt door de wand van de dunne darm heen opgenomen in het bloed. Bloed bevat gemiddeld 0,1% glucose, glucosegehalte van het bloed wordt ook wel bloedsuikerspiegel genoemd. Onder invloed van insuline en glucagon wordt de bloedsuikerspiegel constant gehouden. Als glucosegehalte van bloed stijgt, produceren de eilandjes van Langerhans meer insuline en minder glucagon. Onder invloed van insuline wordt in de lever en in spieren glucose omgezet in glycogeen, dit wordt daar opgeslagen. Als er te weinig insuline wordt gevormd, kan glucosegehalte van het bloed tot max 0,16% stijgen deze concentratie noemt men de nierdrempel. Bij overschrijding van deze concentratie verlaat glucose met de urine het lichaam, wat bij suikerziekte (diabetes mellitus) het geval is. Om het insulinetekort aan te vullen kan insuline worden toegediend, door insuline in te spuiten. Die insuline wordt verkregen door bacteriën te kweken.

Bijnieren
De bijnieren liggen als kapjes boven op de nieren. Het bijniermerg (het binnenste gedeelte van de bijnieren) produceer het hormoon adrenaline. Adrenaline wordt geproduceerd als je woedend of angstig of schrikt. Het hormoon heeft een snelle korte werking. Onder invloed van dadrenaline wordt in de lever en in spieren glycogeen omgeet in glucose, verder wordt de hartslag- en ademfrequentie verhoogd en verwijden de bloedvaten naar de skeletspieren en naar de hersenen zich. De verteringsorganen worden in hun werking geremd.

Thema 7 Zintuigelijke waarnemingen

Basisstof 1 Het zintuigenstelsel
Het zintuigenstelsel bestaat uit zintuigen (receptoren). Zintuigen bevatten zintuigcellen. De gezichtszintuigen liggen in je ogen, het reukzintuig in je neus, smaakzintuigen in je tang en in je oren liggen de gehoorzintuigen en de evenwichtszintuigen. In je huid liggen verschillende zintuigen waarmee je iets kunt voelen. Vaak worden dan ook drukzintuigen, warmtezintuigen, koudezintuigen en pijnzintuigen onderscheiden. Aanrakingen worden waargenomen doordat de huid een vormverandering ondergaat. Een vormverandering over een groot oppervlak (druk) wordt waargenomen door gespecialiseerde drukzintuigen die diep in de huid liggen. Bij deze waarnemingen spelen vrije zenuwuiteinden en mogelijk ook tastknopjes een rol. Pijn wordt waargenomen door vrije zenuwuiteinden. Deze zenuwuiteinden worden ook wel pijnpunten genoemd. Ze komen overal in het lichaam voor, ook in dieper gelegen organen.

Het ontstaan van impulsen
in zintuigcellen ontstaan impulsen als een prikkel sterker is dan de drempelwaarde. We noemen deze drempelwaarde de prikkeldrempel. Elk type zintuigcel heeft voor elke soort prikkel een bepaalde prikkeldrempel. De prikkel waarvoor de prikkeldrempel van een zintuigcel het laagst is word ook wel een adequate prikkel genoemd. De prikkeldrempel van deze zintuigcellen, voor andere niet-adequate prikkels is veel hoger. De impulsfrequentie is hoger naarmate de prikkel sterker is. Wanneer een prikkel enige tijd aanhoudt, neemt bij veel type zintuigcellen de impulsfrequentie af, dit noemen we gewenning. Als gevolg van gewenning voel je bijvoorbeeld na enige tijd de druk van je kleding op je lichaam niet meer.

Basisstof 2 De bouw van de ogen
Je gezichtszintuigen liggen in je ogen, ze liggen goed beschermd in je oogkassen, je wenkbrauwen zorgen ervoor dat zweet of ander vocht er niet in komt en je wimpers beschermen ze tegen vuil en te fel licht.

De uitwendige bouw van de ogen
Het witte gedeelte van een oog is het harde oogvlies. Het geeft je oog bescherming. Het gekleurde gedeelte heet de iris of regenboogvlies. In de iris zit een opening, de pupil. Over de iris en de pupil ligt het hoornvlies. Onder de huid van de ogen liggen traanklieren. Deze produceren traanvocht. Door te knipperen, verspreiden de oogleden het traanvocht over de ogen.

De inwendige bouw van de ogen
In de oogkassen zitten links, rechts, boven en onder verschillende oogspieren aan de harde oogvliezen bevestigd. Deze spieren zorgen ervoor dat je alle kanten op kunt kijken. Een oog is voor het grootste deel gevul met geleiachtige massa, het glasachtig lichaam. De wand van een oog bestaat uit drie lagen, de buitenste laag is het harde oogvlies, aan de voorkant gaat dit over in het hoornvlies, dit is doorzichtig, waardoor er ligt in het oog kan vallen. De tweede laag is het vaatvlies. Deze laag bevat veel bloedvaten en zorgt voor de voeding van een groot deel van het oog. Aan de voor kant gaat het vaatvlies over in de iris, regenboogvlies. Tussen het hoornvlies en de iris is de voorste oogkamer, deze is met vocht gevuld. De iris regelt de hoeveelheid licht die door de pupil gaat. De binnenste laag van de wand heet netvlies. Hierin liggen de zintuigcellen. Via de oogzenuw worden de impulsen naar de hersenen geleid. In het centrum van het netvlies ligt de gele vlek, daar kun je het scherpste zien. De plaats van het netvlies waar de oogzenuw het oog verlaat het de blinde vlek. Achter de iris en de pupil bevind zich de lens. Rondom de lens zit het straalvormig lichaam. Deze en de lens zorgen ervoor dat op het netvlies een scherp beeld ontstaat van wat je wil zien.

Basisstof 3 De werking van de ooglenzen
Lichtbreking door lenzen
Bolle(positieve)lens > stralen worden gebundeld

Holle(negatieve)lens > stralen worden gespreid

b > beeldafstand

v > voorwerpsafstand

F > brandpunt(focus)

f > brandpuntsafstand

Lenzenformule > 1/b + 1/v = 1/f

Wanneer v heel groot is, is b = f

Het zien in de verte
- rusttoestand, kringspieren zijn ontspannen

Door de druk in de oogbollen blijft de diameter van het straalvormig lichaam groot. De lensbandjes zijn strak gespannen en de ooglenzen van uitgerekt(zo plat mogelijk)

Het zien van dichtbij
- gespannen, kringspieren trekken zich samen en de diameter wordt kleiner. De lensbandjes worden daardoor minder strak gespannen, zodat de kenzen minder worden uitgerekt (ze worden boller)(accommoderen: de vorm van vorm van de lens wordt aangepast wanneer het waargenomen voorwerp zicht op minder dan 5 meter bevindt

We noemen de kringspieren in de straalvormig lichaam accommodatiespieren

Het samentrekken of ontspannen van de accommodatiespieren vindt reflexmatig plaats als reactie op een onscherp beeld op het netvlies

De zenuwcellen van deze reflexbof behoren tot het autonome zenuwstelsel

Oogafwijkingen

Bijziend:

  • Scherp dichtbij, wazig veraf
  • Afwijkende vorm van de oogbol(te lang), zodat de afstand van de lens tot het netvlies te groot is
  • Of dat de ooglenzen in rusttoestand niet plat genoeg zijn
  • Kan verholpen worden met holle(negatieve)lenzen, dan worden de lichtstralen verspreid

Veraf:

  • Scherp veraf, wazig dichtbij
  • Afwijkende vorm van de oogbollen(te kort), zodat de afstand van de lens tot het netvlies te kort is
  • Of dat de ooglenzen in maximaal geaccommodeerde toestand niet bol genoeg zijn
  • Kan verholpen worden met bolle(positieve)lenzen, de bolle lenzen versterken de lichtbreking

Nabijheidpunt: de kleinste afstand waarop een voorwerp kan worden waargenomen

Ouderdomsverziendheid: als de elasticiteit van de ooglenzen afneemt, de ogen kunnen daarom minder sterk accommoderen, je kan dus minder goed vanaf dichtbij zien

Basisstof 4 De bouw en werking van het netvlies
Het netvlies bestaat uit drie lagen:

  1. Een laag zenuwcellen (tegen het glasachtig lichaam aan): geleiden impulsen naar het centrale zenuwstelsel;
  2. Een laag zintuigcellen (staafjes en kegeltjes): hier ontstaan impulsen;
  3. Een laag pigmentcellen: pigment absorbeert licht.

Gele vlek: het centrum van het netvlies.

  • Bij het kijken naar een voorwerp worden de ogen zo gericht (gefixeerd), dat het beeld van dat voorwerp op de gele vlek valt.
  • In de gele vlek wordt het scherpste beeld waargenomen.

Blinde vlek: de plaats waar de oogzenuw het oog verlaat.

  • De uitlopers van zenuwcellen gaan door het netvlies, het vaatvlies en het harde oogvlies heen.
  • De blinde vlek bevat geen zintuigcellen.

Staafjes en kegeltjes bevatten lichtgevoelige pigmenten.

  • Onder invloed van licht wordt pigment (bijv. staafjesrood) afgebroken: hierdoor ontstaan impulsen.
  • Het pigment wordt weer teruggevormd. Tijdens deze terugvorming is een staafje of kegeltje tijdelijk ongevoelig voor licht.

Staafjes zijn gevoelig voor bijna alle kleuren licht, maar vrijwel ongevoelig voor rood licht.

Kegeltjes zijn (afhankelijk van het type) gevoelig voor rood licht, voor groen licht of voor blauw licht.

  • Wanneer meerdere typen kegeltjes tegelijkertijd worden geprikkeld, worden mengkleuren waargenomen.
  • Wanneer de drie typen kegeltjes even sterk worden geprikkeld, wordt wit licht waargenomen.

Basisstof 5 Diepte zien (stereoscopie)

De pupilreflex beschermt de zintuigcellen in het netvlies tegen een te hoge lichtintensiteit.

Reflexboog van de pupilreflex: zintuigcellen in het netvlies – sensorische zenuwcellen – hersenstam – motorische zenuwcellen – kringspieren en straalsgewijs lopende spieren in de iris.

  • Als er een fel licht op het netvlies valt, trekken de kringspieren zich samen en ontspannen de straalsgewijs lopende spieren zich. Hierdoor wordt de pupil kleiner.
  • Als er een zwak licht op het netvlies valt, ontspannen de kringspieren zich en trekken de straalsgewijs lopende spieren zich samen. Hierdoor wordt de pupil groter.

Thema 8 Gedrag

Basisstof 1 De studie van gedrag
Gedrag: alle waarneembare activiteiten van een dier of mens.

Gedrag is opgebouwd uit handelingen.

Ethologie: studie van gedrag.

Ethogram: een beschrijving van de verschillende typen handelingen van een diersoort.

Protocol: een lijst van achtereenvolgens waargenomen handelingen van een dier.

Basisstof 2 De organisatie van gedrag
Gedrag is georganiseerd in gedragssystemen.

Gedragssysteem: een groep samenhangende handelingen.

Basisstof 3 Hoe wordt gedrag veroorzaakt?
Uitwendige factoren en inwendige factoren spelen een rol bij het tot stand komen van gedrag.

Inwendige factoren = motiverende factoren.

Sleutelprikkel: een prikkel die een doorslaggevende rol speelt bij het veroorzaken van een bepaald gedrag. Supranormale prikkel: is effectiever dan de normale prikkel.

Basisstof 4 Hoe wordt gedrag bepaald?
Erfelijke factoren: dingen die een dier doet die bepaald worden via genen.

Leerprocessen:door leren kunnen dieren zich aanpassen aan hun omgeving.

Inprenting: een bepaalde korte periode waar in een dier iets leert. (gevoelige periode)

Gewenning: reactie op een prikkel neemt af na het herhaaldelijk toedienen.

Conditionering: leren via beloning of straf ( trial and error).

Dresseren gebeurt door conditionering.

Basisstof 5 Sociaal gedrag
Sociaal gedrag: het gedrag van soortgenoten ten opzichte van elkaar.

Handelingen bij sociaal gedrag heten signalen.

Communicatie tussen dieren is mogelijk door signalen.

Pikorde: rangorde bij kippen.

Imponeergedrag: het dier maakt zich zo groot mogelijk.

Verzoeningsgedrag: het goedmaken van iets op een bepaalde manier.

Als dieren in staten leven heerst er een sterke taakverdeling.

Balt: bestaat uit aan aantal karakteristieke signalen die een gedragsketen vormen. De signalen die dan worden gegeven zijn soortspecifiek.

Geritualiseerd gedrag: handelingen bij de balts die overdreven, omgevormd en of versneld worden uitgevoerd.

Ambivalent gedrag: gedrag dat is samengesteld uit handelingen van 2 of meer gedragssystemen.

Conflictgedrag:gedrag dat wordt veroorzaakt door een conflict tussen gedragssystemen.

Oversprong gedrag: (zinloos gedrag) het gedrag bestaat dan niet meer uit ambivalent gedrag maar uit gedragselementen uit een ander gedragssysteem.

Omgerichtgedrag: het gedrag wordt niet meer gericht op de soortgenoot maar op iets anders.

Basisstof 6 Gedrag bij de mens
Gedrag van mensen wordt ook bepaald door erfelijke factoren en door leerprocessen.

Normen:gedragsregels waarvan veel mensen vinden dat je je er aan moet houden.

Waarden: uitgangspunten die mensen gebruiken bij het inrichten van hun leven.

Rolgedrag: gedrag dat andere van iemand verwachten in een bepaalde situatie.

Samenvatting Biologie havo 5 boek

Thema 1 Stofwisseling

Basisstof 1 Wat is stofwisseling?
Alle veranderingen van stoffen in cellen van je lichaam worden bij elkaar stofwisselingsprocessen genoemd. Stofwisseling is het totaal van alle chemische processen in de cellen van een individu.

Organische en anorganische stoffen
De moleculen van organische stoffen bevatten altijd één of meer atomen van de elementen, koolstof (C) waterstof (H) en zuurstof (O). Organische: alle levende stoffen.

De moleculen van anorganische stoffen kunnen veel verschillende atomen bevatten. Anorganisch: alle levenloze stoffen

Assimilatie en dissimilatie
Assimilatie is de opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen, anorganische en/of organisch, er worden organische stoffen gevormd waar het individu uit bestaat. Hierbij word altijd energie gebruikt, de energie word opgeslagen in de gevormde moleculen. De energie in de moleculen noemen we chemische energie. Assimilatie: aankoppelen van energie.

Dissimilatie is de omzetting van organische moleculen tot kleinere moleculen. Hierbij komt chemische energie vrij in andere vormen van energie. Het doel is dan ook het gebruiken van de chemische energie voor andere doeleinden. Dissimilatie: er komt energie vrij.

De andere energievormen zijn bijvoorbeeld: kinetische energie, warmte. De vrijgekomen energie kan ook weer worden geassimileerd. Zenuwcellen kunnen chemische energie omzetten in elektrische energie, impulsen.

ATP
Dissimilatie gaat stap voor stap, de energie die daar bij vrij komt wordt eerst gebruikt bij de vorming van ATP (adenosinetrifosfaat) Wanneer de fosfaatgroep wordt gesplitst komt de chamische energie vrij en ontstaat ADP (adenosinedifosfaat)

Basisstof 2 Enzymen

Enzymen zijn katalysatoren en zijn eiwitten. De stoffen waar een enzym op inwerkt noemen we een substraat. De naam van een enzym is vaak afgeleid van het substraat met het achtervoegsel –ase. De stof die na de reactie ontstaat noemen we een product van de reactie. Een enzym heeft een ingewikkelde ruimtelijke vorm, die substraatspecifiek is (sleutel-slot principe). Het substraatmolecuul wordt aan het enzymmolecuul gebonden. Hierdoor ontstaat: enzym-substraatcomplex.

Enzymactiviteit
Enzymactiviteit is de snelheid waarmee een enzym een reactie uitvoert. Her verband van enzymactiviteit en de tempratuur wordt weergegeven in een optimumkromme. Beneden de minimumtemperatuur is er geen enzymactiviteit. Bij de optimumtemperatuur werken de enzymen het best. Wanneer de temperatuur dan stijgt worden de enzymmoleculen onwerkzaam, doordat ze niet meer op de substraatmoleculen passen. Dit is onomkeerbaar. Boven de maximumtemperatuur hebben alle enzymmoleculen hun specifieke ruimtelijke vorm verloren. De enzymactiviteit is ook afhankelijk van de zuurgraad.

Basisstof 7 Koolstofkringloop

Binas tabel 93G

  • In de natuur gaat er geen stof verloren, alles wordt benut in een kringloop.
  • Lucht bestaat voor 0,03% uit CO2. Dit is voldoende voor organismen om uit de lucht te halen en te assimileren.
  • Autotrofe organismen worden ook producenten genoemd, omdat ze anorganische stoffen organisch maken.
  • Als heterotrofe organismen(mensen) autotrofe organismen(planten) eten, worden ze consumenten genoemd.

Basisstof 8 Stikstofkringloop

Binas tabel 93H

  • Stikstof komt vooral in eiwitten voor, maar ook in DNA. Ook komt het in gasvormen voor in de lucht, en in de grond komen amminiumionen, nitrietionen en nitraationen voor.
  • Lucht bestaat voor ongeveer 79% uit stikstof.
  • Planten nemen de stikstof op uit de grond omdat de concentratie in de lucht te hoog is.
  • Uit de stikstofassimilatie worden vooral aminozuren en eiwitten gevormd.
  • Als een plant word gegeten door een dier, worden plantaardige eiwitten in het dier in dierlijke omgezet.

Thema 2 Ecologie

Basisstof 1 De organisatie niveaus van de ecologie
De biotische factoren zijn de invloeden afkomstig zijn van de levende natuur. Abiotische factoren zijn de invloeden van de levenloze natuur. Een organisatienieveau is de betrekking van het individu op de populatie en de populatie op de levensgemeenschap. Alle populaties binnen een gebied zijn samen de levensgemeenschap. Daarbinnen beinvloeden al deze populaties elkaar. In elk gebied vormt de levensgemeenschap samen met de abiotische factoren een eenheid, ecosysteem.

Basisstof 2 Voedselrelaties
In een ecosysteem zijn vooral de voedselrelaties belangrijk. Een voedselketen is een reeks soorten waar elke soort de voedselbron is van de volgende soort, in een ecosysteem lopen meerdere voedselketens door elkaar, dat geheel van voedselrelaties in een levensgemeenschap wordt een voedselweb of net genoemd. De soorten aan het begin van de voedselketen zijn autotroof (producenten). Consumenten bevinden zich in alle daarop volgende schakels. Alle dode resten uit elke schakel vormen organisch afval (detritus) dat wordt gegeten door de afvaleters (detritivoren). Daarna worden de overgebleven dode resten door reducenten afgebroken tot anorganische stoffen. Dit proces heet mineralisatie. Dit is de kringloop van stoffen.

Ecologische piramides
In de voedselketens van een levensgemeenschap telt elke schakel meestal minder individuen dan de vorige schakel. Dit word weergegeven in een piramide van aantallen. Het totale gewicht van alle organische stoffen word biomassa genoemd. De hoeveelheid biomassa is de maat voor de productiviteit van het ecosysteem. In een piramide van biomassa wordt de biomassa van elke schakel van de voedselketen grafisch weergegeven. Een piramide van energie geeft van elke schakel van een voedselketen weer hoeveel enerdie in deze schakel is vastgelegd in moleculen can organische stoffen, de energie-inhoud. Een deel van de energie wordt doorgegeven aan de volgende schakel in de voedselketen. Zo onstaat er een energie stroom. In de piramide heeft elke schakel z’n eigen productiviteit, dat is de hoeveelheid energie die wordt vastgelegd in organische stoffen.

In elke schakel van een voedselketen verdwijnt er energie uit de voedselketen.

Basisstof 3 Populaties
De grote van populaties wordt meestal weergegeven als de populatiedichtheid; het gemiddelde aantal individuen per oppervlakte-eenheid (op het land) of per volume-eenheid (in het water)

Bepaling van de populatiedichtheid

Het bepalen van populatiedichtheid:

Kwadrantmethode (tellen van planten en kruipende insecten)
In een ecosysteem een of meer plaatsen uitkiezen, waarvan de begroeiing een goede afspiegeling is voor de begroeiing in het gehele ecosysteem.

Op deze plaatsen wordt een kwadrant (vierkant) uitgezet, waarbinnen de individuen van een soort worden geteld.

Uit het aangetroffen aantal wordt berekend hoeveel individuen in het gehele ecosysteem voorkomen.

Transect: langwerpige proefstrook. De begroeiing in een ecosysteem kan bijv. een geleidelijke overgang vertonen van het ene vegetatietype naar het andere type

begroeiing onregelmatig?

Lijntransectmethode
Route uitgezet die door alle soorten vegetatie loopt. De verschillende vegetatietypen moeten op deze route in dezelfde verhouding voorkomen als in het gehele ecosysteem. Zo’n route moet zorgvuldig worden uitgestippeld.

Deze methode kan ook worden toegepast op vlinders.

Merken en terug vangen.
Wordt toegepast op diersoorten die in de natuur minder gemakkelijk zijn waar te nemen. Dieren van deze soorten worden gevangen, voorzien van een percentage gemerkt dieren merkteken en weer losgelaten. 2e vangst wordt populatiedichtheid berekend. Deze methode kan ook worden gebruikt voor onderzoek naar leeftijd en migratie(verplaatsing) van dieren.

Verandering in de populatiedichtheid
Beperkende factor: de minst gunstige factor bepaalt hoe groot de populatiedichtheid is. Het kan biotische zijn of abiotisch.

Biologisch evenwicht: bij beide populaties schommelt de populatiedichtheid om een evenwichtswaarde.

Negatieve terugkoppeling:

  • Als de populatiedichtheid groter wordt, krijgen de factoren die een afname van de populatiedichtheid veroorzaken meer invloed.
  • Als de populatiedichtheid kleiner wordt, worden de factoren belangrijker die de populatie doen groeien.

Veranderingen in de populatiedichtheid kunnen worden geanalyseerd door bepaling:

  • Geboortecijfer
    van een populatie geeft weer hoeveel individuen er per tijdeenheid door voortplanting ontstaan. Het wordt meestal weergegeven als het aantal jongen dat per jaar per 1000 individuen wordt geboren. In de natuur heeft elke soort zijn eigen geboortecijfer
  • Sterftecijfer
    van een populatie geeft weer hoeveel individuen er per tijdseenheid sterven. Het wordt meestal weergegeven als het aantal sterfgevallen per jaar per 1000 individuen. Het sterftecijfer kan variëren per leeftijd
  • Immigratie
    individuen die populatie binnen trekken
  • Emigratie
    individuen die uit populatie weg trekken

Populatiegroei
Door immigratie kan een soort zich nieuw in een ecosysteem vestigen. Als de soort niet goed aangepast is aan het nieuwe milieu, verdwijnt ze weer snel door natuurlijke selectie. Als de soort voldoende is aangepast zal de populatie groeien.

In het begin zullen de omstandigheden waarschijnlijk gunstig zijn. De populatie telt nog weinig individuen en zij zullen voldoende voedsel aantreffen.

Onbeperkte hulpbronnen: populatiegroei worden vergeleken met de groei van een kolonie bacteriën op een voedingsbodem. De groei hierbij is exponentieel en het diagram vertoont een J-vormige groeicurve.

bij exponentiële groei zullen na verloop van tijd de omstandigheden minder gunstig worden.

Beperkte hulpbronnen: bij een grote populatiedichtheid neemt de invloed toe van de factoren die de populatiegroei beperken.

Draagkracht: de maximale populatiegrootte die over langere tijd in een ecosysteem kan worden gehandhaafd.

Bij soorten met een hoog geboortecijfer treedt gemakkelijk exponentiële groei op als de omstandigheden gunstig zijn.

Het is mogelijk dat na zo´n snelle grote de draagkracht van het ecosysteem korte tijd wordt overschreden. Daarna zal de populatiedichtheid teruglopen.

Het teveel aan individuen kan sterven totdat de draagkracht van het ecosysteem is bereikt -> er stelt zich dan een biologisch evenwicht in.

Als zo’n populatie zich nieuw in een ecosysteem vestigt, zal de groei aanvankelijk exponentieel zijn. Als snel neemt de populatiegroei af, doordat allerlei factoren gaan geen biologisch evenwicht. Als alle omstandigheden?tegenwerken. optimaal zijn/blijven. Zal dit evenwicht zich instellen op het niveau van de draagkracht. In een diagram vertoont de populatiedichtheid een s-vormige groeicurve.

Vaak zijn er ook ongunstige factoren aanwezig, waardoor het evenwicht zal instellen op een niveau onder de draagkracht s-vormige groeicurve.

Basisstof 4 Ecosystemen in verandering
Door wind, regen en vorst begint de verwering van het rotsblok. In de klieren en scheurtjes ontstaat gruis. Deze ondergrond is voort korstmossen voldoende om te kunnen groeien. Al snel zullen de eerste diertjes zich tussen de pionierecosysteem (ecosysteem dat als eerst?korstmossen vestigen. ontstaat in een onbegroeid terrein) op het rotsblok ontstaan.

Korstmossen zouten vrij. Door de?scheiden soms zuren af die ondergrond aantasten. ?organische stoffen uit dode korstmossen ontstaat op de ondergrond beetje humus: mengsel van organische en anorganische stoffen en micro-organismen (reducenten) -> hierdoor treedt bodemvorming op. Op een bodem die zouten en humus bevat, kunnen mossen en sommige soorten kruidachtige planten zich vestigen.

Op een bodem die zouten en humus bevat, kunnen mossen en sommige soorten kruidachtige platen zich vestigen. Deze planten zullen korstmossen langzaam verdringen.

Als gevolg hiervan zullen er ook diersoorten zich gaan vestigen. Wortels van laten versnellen de verwering van het rotsblok. Door de dode resten van planten ontstaat er meer humus. Bovendien worden de abiotische factoren gematigder : overdag wordt het in de schaduw van de planten minder heet, ´s nachts houden de planten warmte vast. Hierdoor wordt het terrein geschikt voor steeds meet soorten planten en dieren.

Successie: verandering van de soortensamenstelling van een levensgemeenschap, zodat deze geleidelijk in en andere overgaat. Tijdens successie in het ecosysteem de productie van nieuwe weefsels groter dan de afbraak van weefsels -> met gevolg dat de biomassa toeneemt.

Successie kan uitmonden in een eindstadium, waarbij de abiotische factoren en de soortsamenstelling min of meer constant zijn -> climaxecosysteem. De productie van nieuwe weefsels is dan ongeveer even groot als de afbraak van weefsels, waardoor de biomassa nagenoeg gelijk blijft.

De kringloop van stoffen is gesloten: er vindt weinig uitwisseling plaats met de omgeving van het ecosysteem.

Als een stuk bos is gekapt, blijft een kale plek achter waar de abiotische factoren ongunstiger zijn voor de oorspronkelijke organismen

De temperatuur schommelt sterk - er ontstaat geen humus meer - de kale bodem kan gemakkelijk uitdrogen en bodemdeeltjes kunnen wegwaaien.

Ondanks deze slechte omstandigheden raakte de kale plek meestal weer snel begroeid -> dit komt doordat de successie niet helemaal van voren af aan hoeft te beginnen (secundaire successie).

De bodem beval al humus en zaden, vooral in de bovenste laag. Soorten kunnen zich er snel en makkelijk vestigen.

De kringloop van stoffen is hierbij open: er kan gemakkelijk bodemmateriaal worden afgevoerd, maar er kunnen ook gemakkleijk populaties immigreren.

De successie naar het climaxecosysteem verloopt snel.

Verscheidenheid aan soorten(biodiversiteit): dit neemt toe tijdens successie.

De vegetatie gaat gelaagdheid vertonen: laag bij bodem groeien onder andere mossen en kruidachtige zaadplanten, daarboven struiken en bomen.

In het climaxecosysteem bereikt de soortenrijkdom zijn maximale waarde. Deze is onder andere afhankelijk van het klimaat.

Climaxecosystemen kunnen kwetsbaar zijn voor veranderingen van buitenaf. De rijkdom aan afvaleters en reducenten is er groot, waardoor de mineralisatie van dode planten en dieren snel verloopt.

De vrijkomende mineralen(korte tijd in bodem) worden door de planten opgenomen. Als bomen worden gekapt, de bovenste? erosie. ?komt de bodem los te staan aan regen en wind. laag van de bodem spoelt of waait weg. In gebieden waar erosie ontstaat,

bevat de bodem bijna geen humus meer. De successie moet dan helemaal van voren af aan beginnen (primaire successie).

Basisstof 5 Ecosystemen in Nederland
Nederland: Duingebieden, loofbossen, naaldbossen, heidevelden en plassen.

Duinen
Dit zijn zandheuvels die door de wind zijn aangewaaid. In duinen zijn vaak verschillende stadia van de successie te zien. Onderscheiden d.m.v. plantengroei.

De eerste planten moeten bestand zijn tegen

  • Barre omstandigheden. Als ze worden ondergeschoven moeten ze er weer bovenuitgroeien. Als ze worden blootgewaaid en losgerukt, moeten ze zich opnieuw vastzetten.
  • Ze moeten ook genoeg hebben aan een zeer laag gehalte aan humus in de bodem.

Doordat deze planten zich hebben gevestigd, stuift het zand minder vaak weg en komt er langzaam meer humus in de bodem.

Dit duurt een tijdje. Na verloop van tijd beginnen er struiken te groeien. Daarna vestigt zich er een duinbos met berken, wilgen en vlierstruiken.

Loofbos
Is veel door de mens geplant. Daardoor?een natuurlijke climaxecosysteem. kunnen ze een andere soortensamenstelling hebben dan het loofbos dat van nature in Nederland thuishoort. In een loofbos groeien de planten in verschillende lagen.

  1. Op de bodem van een bos ligt strooisel = bestaat ui afgevallen takjes en bladeren. Er komen vele kleine dieren in voor.
  2. Vlak boven het strooisel bevindt zich de moslaag. Hierin groeien onder andere mossen en paddenstoelen.
  3. Boven de moslaag ligt de kruidlaag. hierin groeien varens, de bosbes en allerlei ander kruidachtige planten.
  4. Daarboven bevindt zich de struiklaag
  5. Boven aan de boomlaag met kruien van de bomen.

Tussen de vier lagen vindt concurrentie plaats om het zonlicht en om op de bodem zoveel mogelijk zaden te kunnen laten ontkiemen.

Naaldbos
In Nederland komt het niet echt voor. Voor de houtwinning aangeplant. Naaldbomen groeien sneller dan loofbomen. In een naaldbos komen niet dezelfde lagen voor als in een loofbos. Een naaldbos is veel armer aan soorten dan loofbos.

Heide
Op de grens tussen bos en hei vindt een zware concurrentie plaats tussen bosplanten en heideplanten. Zaden van berken, eiken en dennen ontkiemen op de naburige heide. Als een heidegebied aan zijn lot zou worden overgelaten, zouden deze bomen de aanwezige struikhei verdringen.

Plassen
Als de mens niet ingrijpt, vindt er in plassen langzaam verlanding plaats. Bij deze successie kunnen we vier stadia in de plantengroei onderscheiden:

  1. In het begin groeien er waterplanten onder moeilijke omstandigheden. Deze moeten drijvend kunnen leven of met lange stengels vanaf de bodem naar de oppervlakte kunnen groeien.
  2. Wanneer dode plantenresten ?naar de bodem zinken, vormt zich daar ene laag modder of slib. hierdoor wordt de bodem van de plas opgehoogd. Vanaf de kant kunnen oeverplanten de plas in groeien.
  3. De plas wordt kleiner. De oeverplanten zorgen ervoor, dat de bodem aan de rand van de plas verder Hierdoor kunnen moerasplanten zich er vestigen.?wordt opgehoogd.
  4. Ten slotte zal de bodem zover zijn opgehoogd, dat er een broekbos kan groeien met onder andere wilgen en elzen.

Deze fases: verlanding

Basisstof 6 Competitie en coöperatie
Binnen een populatie heeft elk individu relaties met een groot aantal soortgenoten. In een ecosysteem heeft elke populatie relaties met een voeding + voortplanting. Hierin kunnen?groot aantal andere populaties. we competitie (concurrentie) en coöperatie (samenwerking).

Relaties binnen een populatie

Tussen de individuen vindt competitie plaats om voedsel, voortplanting, ruimte of licht (bij planten). Individuen die het best zijn aangepast grootste overlevingskans = natuurlijke selectie.?aan het milieu

Bij mannetjes bakenen in de voortplanting een eigen gebied?veel vogels ?af: territorium = dient als jachtgebied en als ruimte voor de jongen. voedsel veiliggesteld.

Coöperatie tussen individuen van dezelfde populatie gebeurt onder andere bij de balts en bij de paring. Een paar kan ook samenwerken bij de verdediging en bij het zoeken naar voedsel.

Dieren kunnen ook in groepen samenleven. Bv: school biedt bescherming tegen?haringen, zwerm spreeuwen, kudde zebra’s. predatoren = dieren en organismen dat zijn prooi actief bejaagt om deze te doden. Taken: sommige individuen zorgen voor de verdediging, andere voor het zoeken naar voedsel en weer andere voor de voortplanting.

Relaties tussen populaties

Tussen populaties vindt ook competitie plaats voor voedsel, ruimte of hoeveelheid licht (bij planten). Meestal wordt te sterke competitie om het beschikbare voedsel tegengegaan, doordat de soorten zich specialiseren.

Symbiose: het langdurig samenleven van individuen van verschillende soorten. De samenleving kan voor elk van de individuen voordelig, neutraal of nadelig zijn. De kleinste van beide individuen heeft altijd voordeel. 3 vormen:

  1. Vb: mutualisme: beide populaties voordeel. Bij korstmossen allebei voordelen van de samenleving.
  2. Vb: commensalisme: als het andere individu geen voordeel en geen nadeel heeft.
  3. Vb: Parasitisme: leeft een individu (de parasiet) op of in een individu van een andere soort (de gastheer) en onttrekt er voedsel aan.

Bij andere vormen van symbiose heeft één van beide individuen voordeel.

Parasieten komen aan voedsel door bloed van de gastheer op te zuigen.

Maretak en duivelsnaaigaren zijn plantaardige parasieten. Maretak onttrekt alleen water en voedingszouten aan de gastheer.

Sommige parasieten zijn soortspecifiek: ze leven op of in een gastheer van één bepaalde soort. Ze zijn sterk aangepast aan het leven po of in deze gastheer. Vb: lintworm

Basisstof 7 Abiotische factoren
erfelijk bepaald.?Elk individu is aangepast aan het milieu waarin het voorkomt

Tolerantie: het vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische factor te kunnen verdragen.

Ieder soort heeft op aarde een bepaald verspreidingsgebied waar de soort voorkomt. Dieren kunnen zich tot buiten het verspreidingsgebied verplaatsen.

Tolerantiegrens: een uiterste waarde waarbij individuen van de soort kunnen overleven.

Werkt als beperkende factor.

Guppy’s tolerantiegebied. Als?kunnen niet leven beneden 5 °C of boven 38 °C. het aantal guppy’s in een diagram wordt uitgezet tegen de milieutemperatuur, ontstaat een optimumkromme.

Het verspreidingsgebied van een soort die op het land leeft, hangt samen met het klimaat in dat gebied. Klimaat: is een combinatie van verschillende abiotische factoren: temperatuur, licht, lucht (wind) en water (neerslag).

macroklimaat.?Er zijn op aarde grote gebieden waarbinnen (vrijwel) hetzelfde klimaat heerst.

Elk plekje van een ecosysteem heeft zijn eigen microklimaat.

Temperatuur
De temperatuur bepaalt de verspreiding van planten en dieren over de wereld. Het leven van de meeste planten en van dieren met een wisselende lichaamstemperatuur (koudbloedige dieren) speelt zich af bij milieutemperaturen tussen 0 en 45°C. Warmbloedige dieren (vogels en zoogdieren) kunnen milieutemperaturen beneden 0°C verdragen.

Chemische processen in organismen worden geregeld door enzymen dat de enzymactiviteit afhankelijk is van de temperatuur. Bij lage milieutemperaturen kunnen dieren met een wisselende lichaamstemperatuur niet actief zijn, doordat er geen enzymactiviteit bij deze dieren aanwezig is.

De tolerantiegrenzen voor de temperatuur kunnen bij verschillende soorten sterk uiteenlopen.

Dieren met een constante lichaamstemperatuur moeten bij hoge gemakkelijker als de? warmte kwijtraken. ?milieutemperaturen lichaamsuitsteeksel groot zijn. Dieren met koude omgeving hebben kleine weinig lichaamswarmte verliezen.?uitsteeksel

Licht
fotosynthese.?Planten licht nodig

  • Zonplanten groeien het best bij hoge lichtintensiteit. Weinig of geen schaduw.
  • Schaduwplanten groeien het best bij een beperkte lichtintensiteit. Ze komen op schaduwrijke plaatsen voor. Vb: bodembegroeiing.

Schaduwplanten grotere bladeren dan zonplanten. De bladeren bevatten meer bladgroen. Planten in het licht groeien langzamer dan planten in het donker. In het langer ontwikkelen ze meer harde?licht ontstaan stevige stengels. steunweefsels. Donker: lange, slappe stengels met weinig of geen steunweefsels.

Daglengte (de tijd dat de zon boven de horizon staat) heeft grote invloed op planten en dieren, vooral op de voorplanting. Daglengte bepaald het tijdstip waarop veel planten in het voorjaar bloemen vormen.

In zeeën en oceanen dringt licht alleen door in de bovenste waterlagen waar veel plankton voorkomt. Plankton: is de verzamelnaam voor micro-organismen die in water drijven.

fotosynthese.?Plantaardig plankton

Lucht
De beweging van lucht(wind) is vooral van invloed op planten. Bij veel planten (windbloemen) zorgt de wind voor bestuiving. Bij planten met licht zaden of sporen zorgt de wind voor verspreiding.

Waslaagje: gaat verdamping van water via de opperhuidcellen tegen. Ze liggen vooral aan de onderzijde van de bladeren. Hierdoor kan de wind de waterdamp minder goed afvoeren. Dit is vooral het geval als de huidmondjes diep verzonken in de opperhuid liggen of als de stengels en bladeren behaard zijn.

Water
Organismen in oppervlaktewater kunnen te maken krijgen met sterke schommelingen in de temperatuur of in de samenstelling van het water.

Waterplanten: weinig stevige delen. Wortelstelsel is klein of afwezig.

Waterlelie: zeer grote, slappe bladeren die op water drijven. Huidmondjes bevinden zich aan bovenkant bladeren. In stengels bevinden zich luchtkanalen waardoor de delen onder water van zuurstof worden voorzien.

Waterdieren: zuurstof- en zoutgehalte van water belangrijk. Stromend water heeft hoger zuurstofgehalte dan stilstaand water.

zoeken vochtige plekken op.?Landdieren: in vochtig milieu.

zo weinig mogelijk water kwijt te raken.? aanpassingen?In droog milieu

Bij sommige dieren is het waterverlies zo klein dat ze geen water hoeven te drinken.

Bodemgesteldheid
Elke bodem bestaat uit mengsel van boekdeeltjes van verschillende grootte. Elk bodemdeeltjes is omgeven door dun watervliesje.

Zand heeft grotere bodemdeeltjes dan klei.

Bij klei zijn de holtes tussen bodemdeeltjes klein, waardoor klei goed water vasthoudt. Water loopt sneller door zand dan door klei.

Klei is vruchtbaarder dan zand, doordat zouten beter vasthoudt. Maar door de kleine holtes tussen de bodemdeeltjes is het voor de wortels van planten moeilijker om erin door te dringen.

Voor planten is humus in bodem belangrijk. Door activiteiten van reducenten levert humus voedingszouten voor planten en humus verbetert structuur van bodem.

hoe beter zand water vasthoudt.Hoe meer humus in zand

hoe beter wortels van planten erin doordringen.Hoe meer humus in klei

Uitspoeling: in humusarme bodem zakt het regenwater snel weg naar diepere lagen. De bovenste bodemlagen worden daardoor voedselarm.

In humus rijke bodem wordt het regenwater beter in de bovenste bodemlagen vastgehouden. Humus gaat uitspoeling tegen. De meeste humus zit in de bovenste laag van de bodem.

Meer eigenschappen van de bodem van invloed op de soortensamenstelling van ecosysteem.

Grondwaterstand: is in veel landbouwgebeden door ingrijpen van de mens lager geworden.

PH van bodem: op plaatsen is pH van bodem oiv. de mens lager geworden (zure regen)

Thema 3 Mens en milieu

Termen:

  • Resistentie
  • Persistent
  • Accumulatie
  • Biologische bestrijding
  • Veredelen
  • (Gevolgen van) Verzuring
  • Versterkte broeikaseffect
  • Eutrofiering

Thema 4 Voeding en vertering

Basisstof 1 Voedingsmiddelen en voedingstoffen
Voedingsmiddel = alles wat je eet of drinkt

Voedingsstof = de bruikbare bestandsdelen van een voedingsmiddel

Voedingsvezel = een verzameling stoffen die niet door de enzymen ui het verteringsstelsel kunnen worden verteerd.

Ballaststoffen = voedingsvezels

Voedingsvezel houdt de darmbeweging en de stoelgang in orde.

Een voedingsmiddel heeft een hoge voedingswaarde als er veel verschillende voedingsstoffen in zitten.

Belangrijkste voedingstoffen in groepen:

  • Eiwitten
  • Koolhydraten
  • Vetten
  • Water
  • Mineralen
  • Vitamines

Je eten moet veel van deze voedingstoffen bevatten om gezond te blijven. Je eten moet:

  • gevarieerd zijn
  • hoeveelheid moet voldoende zijn
  • goed verwerkbaar zijn

Bouwstoffen worden in je lichaam gebruikt bij de vorming van cellen en weefsels.

Brandstoffen worden gedissimileerd om energie te leveren. Ze zijn nodig voor het verrichten van arbeid

Eiwitten (proteïnen)
Eiwitmoleculen zijn opgebouwd uit een groot aantal aan elkaar gekoppelde aminozuren. Mensen hebben 20 aminozuren, waarvan een paar ingenomen moeten worden, omdat ze niet te maken zijn door de mens zelf.

Eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen en sommige eiwitten zorgen voor het transport van dingen in het bloed.

Eiwitten worden niet in je bloed opgeslagen.

Koolhydraten
Koolhydraten worden ingedeeld in monosachariden (fructose), disachariden (lactose, sacharose) en polysachariden (zetmeel).

Koolhydraten zijn brandstoffen, maar soms zijn het ook bouwstoffen.

Vetten (lipiden)
Vetten zijn opgebouwd uit 1 glycerol en 3 vetzuren moleculen.

Een verzadigd vetzuur bevat het maximale aantal waterstofatomen en heeft een rechte vorm.

Een onverzadigd vetzuur bevat niet het maximale aantal waterstofatomen en de vorm is niet recht.

Dierlijke vetten bevatten vaak ook nog cholesterol. Cholesterol is een vetachtige die onder andere in je bloed voorkomt.

Vetten dienen als brandstoffen.

Water
Alle organismen bestaan voor het grote deel uit water. Het is dan ook een belangrijke bouwstof.

  • oplosmiddel
  • transportmiddel

Mineralen (zouten)

Mineralen zijn zouten en bouwstoffen die je nodig hebt om je lichaam gezond te houden. Mineralen zijn altijd anorganisch. Hier wat tekorten en hun ziektes.

  • IJzer --> bloedarmoede
  • Kalk --> slap geraamte/osteoporose
  • Jodium --> schildklierproblemen
  • Kalium --> zenuwstelselproblemen

Vitamines
Organische stoffen die zorgen dat je lichaam gezond blijft.

Niet alle vitamines kun je zelf aan maken, die zal je moeten in nemen met je maaltijden.

Vitamines worden met een letter aangegeven.

  • kleine hoeveelheden
  • hypovitaminose (gebrek aan een bepaalde vitamine)
  • hupervitaminose (overschot aan bepaald vitamine

Basisstof 3 Gezonde voeding
De basis van een gezonde voeding is variatie. Ook moet het op een goede manier bewaard en bereid worden. Er mogen ook niet teveel additieven (toegevoegde stoffen) in je eten voorkomen.

Behalve de variatie is de hoeveelheid ook belangrijk. De hoeveelheid is afhankelijk van het geslacht, de leeftijd en het lichaamsgewicht. Bij activiteit ook de lichamelijke inspanning.

Als je teveel eet wordt je te dik en te zwaar. In je lichaam is dan teveel vet opgeslagen, vooral in het onderhuidse bindweefsel en rondom de organen.

Om dan opeens minder te gaan eten is niet al te verstandig, je moet zorgen dat je genoeg voedingsstoffen binnenkrijgt.

Het beste is om dit te doen via een vermageringsdieet.

Het conserveren van voedsel
Door het conserveren van voedsel worden omstandigheden voor micro-organismen ongunstig gemaakt.

Manieren van conserveren:

  • Invriezen (temperatuur heel laag maken, micro-organismen niet actief)
  • Pasteuriseren (door te verhitten (72 gr.), worden de bacteriën gedood)
  • Steriliseren (erg verhit en meteen verpakt. 130 tot 140 gr.)
  • Vacuüm verpakken

Additieven (toegevoegde stoffen)
Antioxidanten = bepaalde onnatuurlijke stoffen die worden toegevoegd aan voedingsmiddelen die ervoor moeten zorgen dat het ranzig worden wordt tegengegaan

Emulgatoren = worden aan bepaalde voedingsmiddelen toegevoegd om ze in de juiste toestand te houden.

Kleurstoffen = worden aan voedingsmiddelen toegevoegd om ze aantrekkelijker te maken.

LD50 = hoe lager de LD50, des te gevaarlijker de stof.

ADI = aantal wat je per dag kan innemen zonder gevaar te lopen.

Basisstof 4Het verteringsstelsel van de mens
De bedoeling van vertering = zorgen dat de moleculen zo klein worden dat ze in je bloed kunnen.

Mondholte.

  • Speekselklieren produceren speeksel.
  • Gebit: door kauwen wordt het oppervlak van het voedsel vergroot, zodat de verteringssappen beter op het voedsel kunnen inwerken (mechanische bewerking).

Keelholte.

  • Slikreflex: de huig sluit de neusholte af en het strotklepje sluit de luchtpijp af.

Slokdarm.

  • Tussen slokdarm en maag bevindt zich een kringspier.

Maag.

  • Functie: tijdelijke opslagplaats van voedsel.
  • Maagsapklieren produceren maagsap.

Maagportier: kringspier tussen maag en twaalfvingerige darm.

  • Bij een lage pH in de twaalfvingerige darm is de kringspier samengetrokken.
  • Bij een licht basische pH in de twaalfvingerige darm is de kringspier ontspannen.

Lever.

  • Functie: produceert gal.
  • Gal wordt tijdelijk opgeslagen in de galblaas en afgevoerd via de galbuis.

Alvleesklier.

  • Functie: produceert alvleessap.

Twaalfvingerige darm (eerste deel van de dunne darm).

  • Functie: gal en alvleessap vermengen met de voedselbrij.

Dunne darm.

  • Darmsapklieren produceren darmsap.
  • Darmwand: groot oppervlak door darmplooien, darmvlokken en microvilli (uitstulpingen van darmepitheelcellen).
  • Darmepitheel: de buitenste laag cellen van de darmvlokken. Functie: resorptie van water, voedingsstof en en verteringsproducten.

Blindedarm met appendix (wormvormig aanhangsel): rudimentair orgaan.

  • Bij blindedarmontsteking is de appendix ontstoken.

Dikke darm.

  • Functie: resorptie van water, mineralen, glucose en vitamine K.
  • Bij diarree wordt niet voldoende water uit de brij van onverteerde voedselresten geresorbeerd.
  • Bacteriën verteren cellulose in de celwanden van plantaardige voedselresten. Hierbij ontstaat glucose.
  • Bacteriën produceren o.a.vitamine K.

Endeldarm met anus.

  • Functie: verzamelen en tijdelijk opslaan van onverteerde voedselresten (ontlasting of aeces).
  • Anus: kringspier die de endeldarm afsluit.

Van de slokdarm tot aan de endeldarm vinden peristaltische bewegingen plaats (darmperistaltiek).

  • Kringspieren en lengtespieren in de wand van het darmkanaal trekken zich afwisselend samen.
  • Functie: de voedselbrij voortduwen, kneden en mengen met verteringssappen.

Functies en kenmerken van verteringssappen
Speeksel: bevat slijm en amylase.

  • Slijm: maakt het voedsel glad, waardoor het inslikken gemakkelijker gaat.
  • Amylase: verteert zetmeel tot maltose.
  • De speekselproductie wordt geregeld door het autonome zenuwstelsel.

Maagsap: bevat zoutzuur, slijm en pepsinogeen (een inactief pro-enzym).

  • Zoutzuur (HCl): zorgt voor een sterk zuur milieu waardoor bacteriën in het voedsel worden gedood.
  • Slijm: beschermt de maagwand tegen het maagsap.
  • Pepsinogeen wordt in de maag geactiveerd tot pepsine,onder invloed van zoutzuur en pepsine (positieve terugkoppeling).
  • Pepsine (peptase): verteert eiwitten tot lange polypeptiden (vrij lange aminozuurketens).

Gal: bevat galkleurstoffen en galzure zouten.

  • Galkleurstoffen: afbraakproducten van dode rode bloedcellen.
  • Galzure zouten: emulgeren vetten, waardoor het oppervlak van de vetdruppels wordt vergroot.
  • De galblaas geeft gal af als de pH in de twaalfvingerige darm laag is.

Alvleessap: de alvleesklier geeft alvleessap af als de pH in de twaalfvingerige darm laag is.

  • Bevat een basische stof die de pH in de twaalfvingerige darm doet stijgen (pH 8 à 9).
  • Amylase: verteert zetmeel tot maltose.
  • Trypsine (tryptase): verteert lange polypeptiden tot kortere polypeptiden.
  • Peptidasen: verteren polypeptiden tot di- en tripeptiden.
  • Lipase: verteert vetten tot glycerol en vetzuren. Door de vrijgekomen vetzuren daalt de pH van de voedselbrij.

Darmsap: bevat enzymen die de vertering van eiwitten en koolhydraten voltooien.

  • Maltase verteert maltose tot glucose.
  • Sacharase verteert sacharose tot glucose en fructose.
  • Lactase verteert lactose tot glucose en galactose.
  • Peptidasen verteren di-en tripeptiden tot afzonderlijke aminozuren.

Zie samengevat bladzijde 112 en 113

Basisstof 5
Even doorlezen in het boek.
Veel staat de in de Biodata/Binas en hoeft dus niet te worden onthouden.

Basisstof 6
Kijk in het boek voor een overzicht van de darmen.

Resorptie= het opnemen van stoffen door de darmepitheelcellen. (ACTIEF)

Het kan door het hele darmkanaal plaats vinden, maar het gebeurt vooral in de dunne darm.

Resorptie = water opnemen in de blinde, dikke en endeldarm (PASSIEF)

Resorptie: het opnemen van stof en door darmepitheelcellen.

  • Resorptie kan plaatsvinden in het hele darmkanaal.
  • In de dunne darm vindt door het grote oppervlak de meeste resorptie plaats.

Resorptie is een actief proces.Dat blijkt o.a. uit:

  • er kunnen stoffen worden geresorbeerd tegen het concentratieverval in;
  • stof en worden selectief geresorbeerd;
  • bij resorptie vindt in de darmepitheelcellen een intensieve dissimilatie plaats;
  • door dood darmepitheel kunnen geen stoffen worden geresorbeerd.

In de darmepitheelcellen worden vetten gevormd uit glycerol en vetzuren.

Hierna vindt opname plaats in bloed of lymfe.

  • Aminozuren, monosacchariden (o.a.glucose), vetten met kleine vetzuren, water, mineralen en vitamines worden opgenomen in het bloed.
  • Vetten met grote vetzuren worden opgenomen in de lymfe.
  • Het bloed uit de haarvaten van een groot deel van het darmkanaal (van de maag tot aan de dikke darm) stroomt door de poortader naar de lever.

Thema 5 Transport

Basisstof 1 De bloedsomloop
De bloedsomloop
Eencellige dieren en dieren die uit enkele cellagen zijn opgebouwd, vindt transport van stoffen plaats over kleine afstanden. Zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen worden door diffusie voldoende getransporteerd om elke cel te voorzien. Grotere dieren hebben bloedsomloop. Het hart (de kracht) pompt bloed door bloedvaten.

Behalve het transport van stoffen kan het bloed ook andere functies vervullen:

  • Het bloed verdeelt de warmte over het gehele lichaam
  • Het bloed zorgt voor een homogeen en constant intern milieu
  • Het bloed bevat antistoffen die zorgen voor afweer voor o.a. ziekteverwekkers

Kleine bloedsomloop - De rechterhelft van het hart pompt het bloed naar de longen, vanuit de longen stroomt het bloed naar de linker harthelft. Grote bloedsomloop - De linkerhelft van het hart pompt het bloed het lichaam door, vanuit de organen stroomt het bloed terug naar de rechter harthelft. Dubbele bloedsomloop - De mens heeft een dubbele bloedsomloop, dat

wil zeggen dat per omloop het bloed twee keer door het hart wordt gepompt.

Basisstof 2 Het bloed
Bloedplasma
Water met opgeloste stoffen en plasma-eiwitten (o.a. fibrinogeen).

Functie bloedplasma - Vervoert zuurstof

  • Voedingsstoffen (o.a. glucose)
  • Afvalstoffen (o.a. koolstofdioxide)
  • Regelende stoffen (o.a. hormonen)
  • Beschermende stoffen (o.a. antistoffen).

Het bloedplasma houdt het interne milieu constant. Veel plasma-eiwitten spelen een rol bij het transport van stoffen, het handhaven van de osmotische waarde van het bloed en de bloeddruk. Fibrinogeen speelt een rol bij de bloedstolling.

Fysiologische zoutoplossing - Een oplossing met de juiste osmotische waarde.

Rode Bloedcellen
Kleine ronde schijfjes, zijn in het midden dunner dan aan de rand. Het zijn cellen zonder een

Celkern en hebben daardoor maar een korte levensduur.

Functie rode bloedcellen - Het transport van zuurstof en koolstofdioxide.

Aanmaak - In de stamcellen van het rode beenmerg, onder

invloed van het hormoon EPO dat komt vanuit de nieren.

Afbraak - In het rode beenmerg in de lever en milt.

Hemoglobine geeft een rode kleur aan het bloed, en zorgt er voor dat zuurstof en koolstofdioxide makkelijk kan binden. Iemand met bloedarmoede heeft een tekort aan hemoglobine.

Witte bloedcellen
Hebben geen vaste vorm, en zijn instaat om door de want van de haarvaten te verplaatsen. Deze cellen hebben wel een celkern.

Functie witte bloedcellen - Vernietigen van ziekteverwekkers door fagocytose en opruimen van dode celresten.

Functie lymfocyten - Vorming van antistoffen.

Aanmaak - In het rode beenmerg uit stamcellen. En in lymfeknopen en in de milt.

Bloedplaatjes
Zijn deeltje die geen kern bezitten, het zijn meer deeltjes van uitgevallen cellen.

Functie bloedplaatjes - Zorgen voor bloedstolling

Aanmaak - In het rode beenmerg, hele lichaam

Bloedstolling - Bloedplaatjes kleven aan de beschadigde bloedvatwand en vormen een bloedpropje. Uit het beschadigde weefsel en uit de bloedplaatjes komen stoffen vrij. Deze stoffen brengen met behulp van stollingsfactoren in het bloedplasma (o.a. calciumionen) een keten van reacties op gang. Dit leidt ertoe dat fibrinogeen wordt omgezet in fibrine. En het wondje dus kan stollen.

In het kort:
Rode bloedcellen:

  • Geen celkern;
  • Plaats van vorming: rode beenmerg;
  • 5 x 109 per ml bloed;
  • Transport van zuurstof.

Witte bloedcellen:

  • Wel een celkern;
  • Plaats van vorming: rode beenmerg;
  • 5 x 106 per ml bloed;
  • Bescherming tegen ziekteverwekkers.

Bloedplaatjes:

  • Geen celkern;
    Plaats van vorming: hele lichaam, rode beenmerg;
  • 5 x 108 per ml bloed;
  • Bloedstolling.

Basisstof 3 Het hart
Het hart bevindt zich in de borstkas, iets links onder het borstbeen. Het hart is ongeveer even groot als een vuist.

  • Alle blauwe delen bevatten zuurstof arm bloed.
  • Alle rode delen bevatten zuurstof rijk bloed.

In het hart bevinden zich de volgende delen:

  1. Aorta
  2. Bovenste holle ader
  3. Rechter boezem
  4. Onderste holle ader
  5. Rechterkamer
  6. Longslagader
  7. Longader
  8. Linkerboezem
  9. Halve maanvormige kleppen
  10. Hartkleppen
  11. Linkerkamer
  12. Harttussenwand

Over het algemeen bevind zich in de aders zuurstof arm bloed en in de slagaders zuurstof rijk bloed. Er is echter één uitzondering en dat is de longslagader, deze bevat zuurstof arm bloed, dit omdat deze slagader eerst naar de longen gaat om zuurstof te halen.

Rechterboezem

  • Ontvangt zuurstofarm bloed uit de onderste en bovenste holle ader en voert dit door naar de rechter kamer.
  • Weinig gespierde wand.

Rechterkamer

  • Pompt zuurstofarm bloed in de longslagader(s)
  • Gespierde wand.

Linkerboezem

  • Ontvangt zuurstof rijk bloed uit de longaders en voert dit door naar de linker kamer.
  • Weinig gespierde wand.

Linkerkamer

  • Pompt zuurstof rijk bloed in de aorta. En zo dus door het hele lichaam.
  • Zeer gespierde wand

Harttussenwand

  • Scheidt de linker- en rechter harthelft

Hartkleppen

  • Verhinderen het terugstromen van het bloed van kamers naar de boezems

Halvemaanvormige kleppen

  • Verhinderen het terugstromen van bloed van longslagader(s) en aorta.
  • Ook wel slagaderkleppen genoemd.

Kransslagader

  • Hierdoor stroomt zuurstofrijk bloed naar de hartspier.

Kransaders

  • Hierdoor stroomt zuurstof arm bloed weg uit de hartspier.

Werking van het hart
De werking van het hart zijn in drie fase te onderscheiden die elkaar steeds opvolgen. De hartslag begint

1. Systole van de boezems De sinusknoop in de wand van de rechterboezem geeft impulsen af. Spieren in de wand van de boezems trekken zich samen. In de kamers vindt diastole plaats. Bloed stroomt van de boezems naar de kamers. De hartkleppen zij open, de halvemaanvormige kleppen dicht.

2. Systole van de kamers - Spieren in de wand van de kamers trekken zich samen, in de boezems vindt diastole plaats. Bloed stroomt van de kamers naar de longslagader en de aorta. De hartkleppen zijn dicht, de halvemaanvormige kleppen open. Papillairspieren trekken zich samen en verhinderen dat de hartkleppen doorslaan.

3. Hartpauze - Zowel in de boezems als in de kamers vindt diastole plaats. Bloed stroomt van de holle aders en longaders naar de boezems en kamers. De hartkleppen zijn open, de halvemaanvormige kleppen dicht.

Systole - Samentrekkingen van hartspierweefsel.

Diastole - Ontspanning van hartspierweefsel.

Het hartritme
Het hartritme wordt bepaald door de snelheid waarmee de sinusknoop impulsen afgeeft.

Het hartritme wordt beïnvloed door:

  • De bloeddruk (wanneer de bloeddruk s
  • Hormonen (o.a. adrenaline)
  • Emoties

Het hartritme is afhankelijk van:

  • De lichaamsgrootte
  • Het slagvolume
  • De hoeveelheid bloed die per hartslag door de linkerkamer in de aorta wordt gepompt.

Het slagvolume is afhankelijk van: - De hoeveelheid bloed die vanuit de holle aders de rechterboezem in stroomt.

De linkerkamer pompt per hartslag ongeveer evenveel bloed weg als de rechterkamer.

Basisstof 4 De bloedvaten
De bloedvaten
Slagaders en gewone aders verschillen in sommige opzichten van elkaar. Behalve dat een slagader zuurstof rijk bloed vervoert en een ader zuurstof arm bloed vervoert.

Slagaders

  • Bloed stroomt van het hart weg;
  • Bloeddruk is hoog;
  • Wand is dik, stevig en elastisch;
  • Bloedstroom is stootsgewijs (kloppend);
  • Liggen meestal diep in het lichaam;
  • Kleppen zijn alleen halvemaanvormige kleppen (aan het begin);
  • Hebben meestal de naam van het orgaan waar ze naartoe lopen.
    - VB: longslagader loopt naar de longen toe.

Aders

  • Bloed stroomt naar het hart toe;
  • Bloeddruk is laag;
  • Wand is dun en weinig elastisch;
  • Bloedstroom is regelmatig;
  • Liggen meestal ondiep in het lichaam;
  • Kleppen zijn aanwezig, vooral in de armen en benen;
  • Hebben meestal de naam van het orgaan waar ze vandaan komen.
    - VB: longader loopt van de longen af.

Haarvaten
Hebben een wand van één cellaag dik, vocht met daarin opgeloste stoffen en witte bloedcellen kunnen door de wand heen de haarvaten verlaten.

Basisstof 5 De bloeddruk
De bloeddruk
De belangrijkste oorzaak van de bloeddruk is het samentrekken van de hartkamers, vooral van de linkerkamer. De bloeddruk in de slagaders is hoger dan de bloeddruk in de aders.

De bloeddruk is het hoogst in de linkerkamer en de aorta tijdens het samen trekken van de kamers.

In de slagaders gaat de bloeddruk sterk op en neer als gevolg van de hartslag. In de aders is de bloeddruk vaak te laag om de bloedstroom op gang te houden. In de aders helpen andere krachten mee de bloedsomloop op gang te houden:

  • De stootsgewijze druk van de slagaders die naast de aders liggen.
  • De samentrekking van skeletspieren.

De vertakkingen van slagaders kunnen zich vernauwen of verwijden. Hierdoor kan de hoeveelheid bloed worden geregeld die door een bepaald weefsel stroomt.

Als de slagaders naar een skeletspier zich verwijden, stijgt de stroomsnelheid van het bloed dat door die skeletspier stroomt.

Regeling van de bloeddruk
De bloeddruk wordt min of meer constant gehouden door aanpassingen van het hartritme (negatieve terugkoppeling):

  • Als de bloeddruk daalt onder de normwaarde, zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme stijgt, hierdoor stijgt de bloeddruk
  • Als de bloeddruk stijgt boven de normwaarde, zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme daalt, hierdoor daalt de bloeddruk

De bloeddruk kan verhoogd zijn doordat aan de binnenwand van bloedvaten cholesterol is afgezet (atherosclerose, (slag)aders worden nauwer en minder elastisch).

Meten van de bloeddruk
Het meten van de bloeddruk wordt gedaan door een arts het gaat als volgt:

  1. De arts pompt een manchet om de arm op, tot de armslagader geheel is dichtgedrukt
  2. De arts laat lucht uit de manchet ontsnappen, tot de druk in de manchet gelijk is aan de hoogste druk in de armslagader (de bovendruk)
  3. De arts hoort vaatgeruis, doordat na elke samentrekking van de hartkamers de armslagader heel even wordt open gedrukt en een klein beetje bloed doorlaat
  4. De arts laat lucht uit de manchet ontsnappen, tot de druk in de manchet gelijk is aan de laagste druk in de armslagader (onderdruk)
  5. De arts hoort geen vaatgeruis meer, doordat het bloed weer onafgebroken door de armslagader stroomt

De stroomsnelheid van het bloed is het grootst in de aorta en het laagst in de haarvaten.

Cholesterol
Aan de binnenwand van de bloedvaten kan cholesterol worden afgezet, de bloedvaten worden nauwer. In een later stadium kan ook kalk worden afgezet, waardoor de wanden van de slagaders stijver en minder elastisch worden (atherosclerose). Door het nauwer worden van de bloedvaten stijgt de bloeddruk. Het hart moet een grotere kracht leveren om het bloed door de vernauwde bloedvaten te pompen.

Een sterk verkalkte bloedwand kan gemakkelijk kapot gaan. Er ontstaat een inwendige bloeding (in hersenen: hersenbloeding of beroerte). Er kunnen bloedstolsels ontstaan.

Hart- en vaatziekten
Trombose - Als door een bloedstolsel een bloedvat verstopt raakt.

Hartinfarct - Als een of meer vertakkingen van een kransslagader verstop raken en een deel van de hartspier geen zuurstof en voedingsstoffen meer krijgt en afsterft.

Oplossingen
De beste oplossing tegen hart- en vaatziekten is verkomen dat je ze krijgt. Dit kun je het beste doen door gezond te leven bijvoorbeeld, niet roken, en genoeg lichaamsbeweging.

Als het nou toch allemaal niet zo goed loopt zijn er ook nog operaties die een uitkomst kunnen bieden:

Bypassoperatie - Een stukje bloedvat (uit been) wordt als een omweg aangelegd om het vernauwde deel van de kransslagader.

Dotteren - De vernauwing in de kransslagader wordt opgerekt met een soort ballonnetje, via een sneetje in de lies kan de arts via een bloedvat een buisje naar het hart van de patiënt schuiven.

Basisstof 6 Weefselvloeistof en lymfe
Weefselvloeistof
Weefselvloeistof ontstaat doordat aan het begin van de haarvaten vocht uittreedt.

Plasma-eiwitten met relatief grote moleculen kunnen de haarvaten niet verlaten. Hierdoor ontstaat een verschil in osmotische waarde tussen de weefselvloeistof en het bloedplasma.

Weefselvloeistof bevat o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen, hormonen en plasma-eiwitten met kleine moleculen. Weefselvloeistof kan witten bloedcellen bevatten.

Functie weefselvloeistof

  • Zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen toevoeren en koolstofdioxide en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren.
  • Een deel van de weefselvloeistof keert aan het eind van de haarvaten terug in het bloed.
  • Een deel van de weefselvloeistof keert aan het eind van de haarvaten terug in het bloed.
  • Aan het begin van de haarvaten is de bloeddruk zo hoog dat vocht de haarvaten verlaat.
  • Aan het eind van de haarvaten is de bloeddruk sterk gedaald. Door het verschil in osmotische waarde tussen weefselvloeistof en bloedplasma wordt er weer vocht in de haarvaten opgenomen.

Lymfe
Een deel van de weefselvloeistof wordt opgenomen in fijne lymfevaten.

  • Lymfevaten verenigen zich tot grotere lymfevaten. In de lymfevaten komen kleppen voor.
  • Het lymfevatenstelsel voert de lymfe weer terug naar het bloedvatenstelsel.
  • Lymfeknopen (lymfeklieren) zuiveren de lymfe van o.a. ziekteverwekkers.

Thema 6 Gaswisseling en uitscheiding

Basisstof 1 Het ademhalingsstelsel van een mens
De neusholte heeft 3 paar plooien (neusschelpen). Op de bovenste neusschelp bevindt zich het reukzintuig. De neusholte is bekleed met neusslijmvlies. de buitenste laag bestaat uit trilhaarepitheel: hier komen slijm producerende cellen en trilhaarcellen voor.

Oorzaken inademen door neus is gezonder dan door de mond:

  1. Neusharen houden grote stofdeeltjes tegen.
  2. Het neusslijmvlies is bekleed met trilhaarepitheel
  3. Het slijm bevochtigt de binnenstromende lucht.
  4. Aan het slijm blijven stofdeeltjes en ziekteverwekkers kleven.
  5. Door de beweging van trilharen wordt het slijm naar de keelholte verplaatst
  6. Het bloed in de bloedvaten in het neusslijmvlies verwarmt de binnenstromende lucht
  7. Het reukzintuig keurt de binnenstromende lucht

De neusholte is door nauwe openingen verbonden met 8 holten in de schedelbeenderen.(bijholten bv, kaakholten, voorhoofdsholten, wiggebeenholte) zijn bekleed met slijmvlies.

In de neusholte en in de keelholte bevinden zich amandelen: produceren stoffen die ziekteverwekkers doden. Bij angina zijn de amandelen ontstoken. Als de amandelen zijn opgezwollen, worden ze geknipt.

In de keelholte bevinden zich de huig en het strotklepje. Tussen de keelholte en de luchtpijp bevindt zich het strottenhoofd. Hierin bevinden zich de stembanden: stevige vliezen die gaan trillen als er lucht langs strijkt -> ontstaan geluiden.

Luchtpijp:

  • De binnenwand is bekleed met trilhaarepitheel.
  • Door hoefijzervormige kraakbeenringen in de wand blijft de luchtopening altijd open staan.

Bronchiën.

  • De binnenwand is bekleed met trilhaarepitheel.
  • De wand bevat kraakbeenringen

Bronchiolen:

  • De wand van de fijne bronchiolen bevat spierweefsel. Hierdoor kunnen deze bronchiolen zich verwijden of vernauwen.
  • Onder invloed van het orthosympatische deel van het autonome zenuwstelsel en van het hormoon adrenaline de bronchiolen worden verwijd.

Longblaasjes met longhaarvaten

  • De binnenkant is bedekt met een laagje vocht
  • Groot gaswisselingsoppervlak: veel longblaasjes.
  • Kleine difussieafstand. Dunne wand van longblaasjes en longhaarvaten.
  • Grootverschil in zuurstof- en koolstofdioxidespanning: o.a. door ventileren van de lucht in de longblaasjes en door stroming van het bloed in de longhaarvaten.
  • Zuurstof uit de lucht lost op in het vocht in de longblaasjes; van daaruit vindt difussie plaats naar het bloedplasma in de longhaarvaten.
  • CO2 diffundeert in omgekeerde richting en wordt door het vocht in de longblaasjes afgegeven aan de lucht.

Het transport van zuurstof en koolstofdioxide

In de longhaarvaten worden O2 moleculen gebonden aan hemoglobine in rode bloedcellen.

  • Hemoglobine (Hb)+O2 -> oxyhemoglobine (HbO2)
  • Door de binding van O2 aan Hb blijft er een verschil bestaan tussen de pO2 in het vocht in de longblaasjes en de Po2 in het bloedplasma.
  • Hierdoor blijft zuurstof het bloedplasma in diffunderen en wordt de hemoglobine vrijwel geheel verzadigd met zuurstof.

In de weefsel vindt door het spanningsverschil diffusie van O2 uit de haarvaten plaats.

In de haarvaten laten de O2-moleculen los van de hemoglobine.

In de weefsel vindt door het spanningsverschil diffusie van CO2 naar het bloed in de haarvaten plaats.

- Een deel van dit CO2 wordt door het bloedplasma vervoerd; een ander deel wordt gebonden aan hemoglobine.

In de longhaarvaten vindt door het spanningsverschil diffusie van CO2 plaats naar het vocht in de longblaasjes.

In de longhaarvaten laten de CO2- moleculen los van de hemoglobine.

Als alle hemoglobine is omgezet in oxyhemoglobine noemen we het verzadigd.

Basisstof 2 Longventilatie
De longen liggen in de borstholte. De borstholte is aan de onderkant begrensd door het middenrif: een koepelvormige, gespierde plaat.

De zijwanden van de buikholte worden gevormd door de ribben en de binnenste en buitenste tussenribspieren. Elke long is omgeven door 2 vliezen. Het longvlies ligt tegen de longen aan en is ermee vergroeid. Het borstvlies is vergroeid met de ribben, de binnenste tussenribspieren en het middenrif.

Tussen long en borst vlies bevindt zich een dun laagje vloeistof, geen lucht. Hierdoor kunnen ze niet van elkaar af, maar wel schuiven.

Door te ademen wordt de lucht in onze longen ververst oftewel ventilatie. Bij ribademhaling (of borstademhaling) bewegen de ribben en het borstbeen. Bij middenrifademhaling (of buikademhaling) beweegt het middenrif.

Een rustige inademing komt tot stand doordat de buitenste tussenribspieren de ribben en het bortbeen omhoog en naar voren trekken.

Een rustige uitademing komt passief tot stand. De spieren die een inademing hebben veroorzaakt ontspannen zich.

Bij een diepe inademing kunnen spieren in de hals zich samentrekken. Hierdoor gaan de ribben en het borstbeen nog verder omhoog en naar voren.

Bij een diepe uitademing kunnen de binnenste tussenribspieren zich samentrekken, waardoor de borstkas met kracht kleiner wordt.

Basisstof 3 Ademvolume en ademfrequentie.
Ademvolume: het aantal lucht dat een mens per ademhaling wordt in- uitgeademd. Niet al deze lucht bereikt de longblaasjes. Ongeveer 150 ml lucht komt niet verder dan bronchiën, luchtpijp, keel- of neusholte (de dode ruimte)

Bij een maximale inademing kan gemiddeld 3.1 liter lucht extra worden ingeademd -> inspiratoir reservevolume.

Bij een maximale uitademing kan gemiddeld 1.2 liter lucht extra worden uitgeademd -> expiratoir reservevolume.

er blijft dan gemiddeld nog 1.2 liter lucht in de longen achter -> restvolume.

De hoeveelheid lucht die in een ademhaling kan worden ververst -> vitale capaciteit

De diepte en de snelheid die je ademhaalt, worden aangepast aan de omstandigheden. Dit wordt geregeld door ademcentrum.

Chemoreceptoren: zintuigcellen die het koolstofdioxide gehalten van het bloed waarnemen.

Bij sommige mensen hebben sterke emoties invloed op de ademfrequentie. Als deze mensen angstig of woedend of zenuwachtig zijn ademen ze te snel of te diep. Die hebben dan last van hyperventilatie.

Basisstof 4 gezonde longen en luchtwegen.
Door verschillende oorzaken kunnen je longen en luchtwegen minder goed functioneren. De oorzaak kan een ziekte aan het ademhalingsstelsel zijn -> astma. Of als je schadelijke stoffen hebt ingeademt zonder dat je het wilde. Er zijn ook mensen die bewust schadelijke stoffen inademen bv. Rokers.

Basisstof 5 De lever
De lever bestaat uit vele zeshoekige leverlobjes deze zijn ongeveer 1 mm doorsnede. Op driehoekpunten van een leverlobje bevinden zich aftakkingen van de poortader en van de leverslagader. En bevinden zich ook aftakkingen van de galgang. In het midden van een leverlobje bevindt zich een aftakking van de leverader.

Bloed komt van de hoekpunten terecht in ruimten tussen de levercellen en stroomt dan naar het midden van een leverlobje.

Gal stroomt van de levercellen naar de hoekpunten van een leverlobje.

In de lever worden dode rode bloedcellen afgebroken. Hierbij ontstaan als afbraakproducten o.a. galkleurstoffen, die via de galgangen worden afgevoerd naar de galblaas.

Door de opslag van glycogeen vervult de lever een belangrijke rol bij de koolhydraatstofwisseling in het lichaam. De lever vervult ook functies bij de eiwit- en de vetstofwisseling in het lichaam.

Koolhydraatstofwisseling
Het glucosegehalte van het bloed word constant gehouden onder invloed van insuline en glucagon uit de alvleesklier.

  • Glucose kan worden omgezet in glycogeen. Glycogeen wordt o.a. in de lever opgeslagen eiwitstofwisseling:
  • Vorming van niet- essentiële aminozuren uit andere aminozuren
  • Afbraak van overtollige aminozuren. Hierbij ontstaat o.a. ureum, dat aan het bloed wordt afgegeven.
  • Vorming van plasma-eiwitten

Vetstofwisseling:

  • Vorming van niet- essentiële vetzuren(o.a. fibrinogeen en enkele anderen stollingsfactoren).
  • Vorming en afbraak van cholesterol.
  • Bij de afbraak worden galzure zouten gevormd
  • Afbraak van dode rode bloedcellen.
  • Galkleurstoffen worden met de gal uitgescheiden.
  • ijzer wordt opgeslagen.

Ontgifting:

  • Alcohol, drugs medicijnen e.d worden onwerkzaam gemaakt.
  • Gifstoffen die niet werkzaam kunnen worden gemaakt, kunnen in de lever worden opgeslagen.

Basisstof 6 De nieren en urinewegen.

Door de nierslagaders stroomt zuurstofrijk bloed naar de nieren. Dit bloed bevat overtollige en schadelijke stoffen. Nieren verwijderen deze stoffen.

Een nier bestaat uit nierschors, niermerg en een nierbekken. De nieren hebben een belangrijke rol bij: uitscheiding van afvalstoffen, lichaamsvreemde stoffen, overtollig water en zouten. -> urine.

Door Uitscheiding van overtollig water en zouten kan de osmotische waarde van het interne milieu constant houden.

In de nierbekkens wordt urine verzameld. Via de urineleiders wordt de urine afgevoerd naar de urineblaas -> urine tijdelijk in opgeslagen. Van tijd tot tijd wordt de urine uit de urineblaas afgevoerd via de urinebuis. In de nierschors en het niermerg liggen per nier ongeveer een miljoen niereenheden(nefron) -> bestaat voor een grote deel uit een nierbuisje-> wordt urine gevormd. Monden uit in verzamelbuisjes-> komt de urine in de nierbekkens terecht.

Nierbuisje bestaat uit 2 gekronkelde delen en een lus(lis van henle) . aan het begin van een nierkanaaltje bevindt zich een nierkapseltje(kapsel van bowman). Een aanvoerend nierslagadertje vertakt zich in het nierkapsel tot een kluwen van haarvaten.-> noemen deze haarvaatkluwen een glomerulus. Het nierkapseltje met de haarvaatkluwen samen heet een lichaampje van malpighi.

De haarvaten van de glomerulus verenigen zich tot een haarvatennet om het nierbuisje. Daarna tot een nieradertje.

De diameter van de afvoerende nierslagadertjes is kleiner dan de aanvoerende nierslagadertjes. Hierdoor is de bloeddruk in de haarvaatkluwens zo hoog, dat vanuit de haarvaten voortdurend een deel van het bloedplasma in de nierkapsels wordt geperst. Hierbij kunnen alleen kleine moleculen door de wand van de nierkapsels heen. -> ultrafiltratie. Het vocht in de nierkapsels wordt voorurine genoemd.

De cellen van de wand van de nierbuisjes nemen de opgeloste nuttige stoffen op uit de voorurine en geven ze aan het bloed af. Dit proces vindt plaats doormiddel van actief transport en wordt terugresorptie.

Hoofdstuk 7 bescherming
Basisstof 1 de huid en de onderhuidse bindweefsel.

De huid beschermt de lichaam tegen invloeden uit het milieu.)beschadiging, infecties en ultraviolette straling. En waterverlies door verdamping. Hierdoor wordt uitdroging voorkomen.

Huid bestaat uit 2 delen: de opperhuid en de lederhuid.

De opperhuid bestaat uit 2 lagen: de hoornlaag en de slijmlaag.

De hoornlaag bestaat uit dode, verhoornde epitheelcellen. Beschermt tegen beschadiging, uitdroging en infecties, -> slijt aan buitenkant af.

De slijmlaag bestaat uit levende epitheelcellen. De onderste laag cellen deelt zich voortdurend. De epitheelcellen krijgen voedingstoffen en zuurstof via de weefselvloeistof vanuit de lederhuid. In de slijmlaag liggen pigmentvormendecellen: de melanocyten. Deze vormen het donkere pigment melanine en geven dit via uitlopers aan de nabijgelegen opperhuidcellen af. De vorming van melanine wordt gestimuleerd door blootstelling van de huid aan zonlicht. Beschermt de delende cellen in de kiemlaag tegen de schadelijke invloed van UV- straling in zonlicht.

De slijmlaag bestaat uit levende epitheelcellen. De onderste laag cellen deelt zich voortdurend. De epitheelcellen krijgen voedingstoffen en zuurstof via de weefselvloeistof vanuit de lederhuid. In de slijmlaag liggen pigmentvormendecellen: de melanocyten. Deze vormen het donkere pigment melanine en geven dit via uitlopers aan de nabijgelegen opperhuidcellen af. De vorming van melanine wordt gestimuleerd door blootstelling van de huid aan zonlicht. Beschermt de delende cellen in de kiemlaag tegen de schadelijke invloed van UV- straling in zonlicht.

Door de opperhuid heen steken haren. Haren groeien vanuit haarzakjes. Hierin bevinden zich talgklieren ->scheiden talg af ->Vettige stof die het haar en de hoornlaag soepel houdt.

De lederhuid bestaat uit bindweefselcellen en in de lederhuid liggen zintuigcellen, uitlopers van zenuwcellen, haarspiertjes, bloedvaten en zweetklieren. Onder de huid ligt het onderhuidse bindweefsel -> hierin ligt het vet opgeslagen in vetcellen.

De lichaamstemperatuur wordt min of meer constant gehouden door evenwicht tussen warmteproductie en warmteafgifte (warmtebalans).

  • Warmteproductie door dissimilatie, vooral in het binnenste deel van het lichaam en in actieve (skelet)spieren.
  • Warmteafgifte via bloed dat door de huid stroomt en via zweet dat verdampt.

Het temperatuurcentrum in de hypothalamus regelt de warmteproductie en warmteafgifte van het lichaam.

  • Koude- en warmtezintuigen in de hypothalamus registreren de temperatuur van het bloed.

Bescherming tegen stijging van de lichaamstemperatuur.

  • Bloedvaten in de huid worden wijder
  • Zweetklieren produceren meer zweet

Bescherming tegen daling van de lichaamstemperatuur.

  • Bloedvaten in de huid worden nauwer.
  • Zweetklieren produceren minder zweet
  • Warmteproductie neemt toe

De regeling van het lichaamstemperatuur is een homeostatisch regelmechanisme. ->zorgen ervoor dat allerlei omstandigheden in het interne milieu niet te veel veranderen. Schommelen om een bepaalde waarde-> de normwaarde.

De meeste processen die homeostase tot doel hebben, werken door middel van negatieve terugkoppeling.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Jamie

Jamie

Zo zie ik het graag!

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

T.

T.

Wel aan de lange kant voor een samenvatting :P

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Maikel

Maikel

Helemaal top, dank je wel! (Staat alleen in de eerste regel Havo 5 boek en dat moet 4 zijn)

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Maaike

Maaike

kijk dit soort dingen zijn echt super handig thanx :)

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast