Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

H13: Hormonen

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 1953 woorden
  • 16 februari 2016
  • 31 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.7
  • 31 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Biologie H13: Hormonen



Samenvatting





13.1 Hormoonklieren



Hormoonklieren zijn organen die elders in het lichaam organen en weefsels activeren. Cellen van de klier maken een hormoon en geven die af aan het bloed. Zo komt het bij alle cellen van je lichaam. Hormonen werken alleen bij hun doelwitorganen en weefsels: alleen cellen met een passende receptor voor dat hormoon reageren.





Exocriene klieren (zweet- en verteringsklieren) maken producten die in het uitwendig milieu terechtkomen. Endocriene klieren (hormoonklieren) geven hun producten af aan het bloed.





Hormoonklieren kunnen processen in meerdere weefsels en organen tegelijk aansturen. Een ontregeling van hormoonklieren heeft dus grote gevolgen voor het functioneren van mensen.





Het hormoonstelsel beïnvloedt: celdeling, groei, vorming van geslachtscellen, melkproductie van zogende vrouwen, Ca2+- en glucoseconcentratie, osmotische waarde, lichaamstemperatuur, vertering en het slaap-waakritme.





De hypofyse:



- Is een centrale hormoonklier die zich net onder de grote hersenen bevindt en een doorsnee van ongeveer één centimeter heeft.



- Zorgt voor een goede aansturing van alle processen van het hormoonstelsel.



- Verbindt het hormoonstelsel en het zenuwstelsel.



- Prikkelt veel andere hormoonklieren en activeert organen als botten, nieren en de baarmoeder.





De hypofyse bestaat uit een achterkwab en een voorkwab:



- In de achterkwab worden hormonen aangevoerd door zenuwcellen uit de hypothalamus. Deze activeren gladde spieren en de nieren.



- In de voorkwab worden zelf hormonen gemaakt. Deze zetten andere hormoonklieren tot actie.





Precies boven de hypofyse bevindt zich de hypothalamus; het onderdeel van de hersenen dat het endocriene stelsel controleert. De hypothalamus bevat neuronen die verschillende hormonen afgeven aan de hypofyse:



- Bepaalde neuronen activeren met behulp van releasing-hormonen (RH’s) de voorkwab van de hypofyse.



- Andere neuronen geven inhibiting-hormonen (IH’s) af aan de voorkwab, die de productie van hormonen door de hypofyse juist remmen.



- Weer andere neuronen produceren neurohormonen, die in de achterkwab terechtkomen. Deze hormonen zijn dus geproduceerd door de hypothalamus en de hypofyse is slechts de plaats van afgifte.





Het hormoon oestradiol zorgt voor een juiste verdeling van de chromosomen tijdens de meiose. Ook stimuleert het de ontwikkeling van borstgroei en vetafzetting en beïnvloedt het de botstructuur.





 



13.2 Reacties van cellen op hormonen



Het groeihormoon releasing hormoon (GRH) uit de hypothalamus leidt in de hypofyse tot afgifte van het groeihormoon (GH). GH stimuleert onder andere de deling van kraakbeencellen.





Uit de hypothalamus komt het corticotropine releasing hormoon (CRH) vrij. Dit hormoon zet de hypofyse aan tot de productie van het adrenocorticotroop hormoon (ACTH). ACTH stimuleert de cellen van de bijnierschors tot de productie van andere hormonen.





Hydrofobe steroidhormonen zijn gemaakt uit cholesterol en bewegen relatief makkelijk door het celmembraan. In het grondplasma van de doelwitcel vormt het hormoon met een eiwitreceptor een hormoon-receptor-complex.





Tyrosinehormonen zijn door apolaire onderdelen wel hydrofoob, maar passeren een celmembraan toch niet makkelijk. Ze binden aan een receptor op het celmembraan. Ook hydrofiele eiwithormonen binden aan eigen receptoren.





Een cascade aan reacties geeft een secundaire boodschapper. Die heeft de boodschap ‘overgenomen’ van het hormoon (de primaire boodschapper) en vormt de verbinding met het molecuul dat in de cel actie gaat uitvoeren.





Secundaire boodschappers zijn kleine moleculen die snel door het grondplasma diffunderen. Zij kunnen in een cel meerdere doelwitmoleculen hebben. Daardoor kunnen hormonen meer dan één respons opwekken in de doelwitcel.





Sommige cellen scheiden stoffen af die de buurcellen tot een bepaalde actie prikkelen. Zo kunnen kleine eiwitten, groeifactoren, buurcellen tot deling en ontwikkeling aanzetten. Je lichaam maakt verschillende groeifactoren. Ze activeren meestal meerdere doelwitcellen.





Andere stoffen die buurcellen prikkelen zijn prostaglandinen, gemaakt van vetzuren. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt voor positieve terugkoppeling.





Elke cel heeft een eigen eiwitsamenstelling: zijn eigen proteoom. Daardoor kan hetzelfde hormoon in verschillende cellen tot verschillende reacties leiden.





 



13.3 Veranderende hormoonconcentraties



1. Ca2+-receptoren op de celmembranen van (bij)schildkliercellen nemen de Ca2+-concentratie waar. Zij geven de informatie via een serie chemische omzettingen door.



2. Het DNA van de cel raakt geactiveerd. De cel brengt een hormon in de bloedbaan, waarop onder andere botcellen reageren (effectoren).



3. In de Ca2+-regelkring vindt een negatieve terugkoppeling plaats.





Neemt de concentratie Ca2+-ionen in het bloed af, dan reageren de vier bijschildklieren. Zij scheiden het parathormoon (PTH) af; een eiwit van 84 aminozuren.





Door PTH:



- Komen Ca2+-ionen vrij uit de botten.



- Nemen de niercellen meer Ca2+-ionen op uit de voorurine.



- Worden de niercellen geprikkeld tot de vorming van actief vitamine D. Deze stof stimuleert de darmcellen tot extra opname van Ca2+-ionen uit het voedsel.





Komt de concentratie Ca2+ in het bloed boven de norm, dan geven de schildklieren calcitonine (CT) af. Het werkt tegengesteld aan PTH.





Door calcitonine:



- Worden botcellen geprikkeld om Ca2+-ionen op te nemen uit het bloedplasma.



- Worden niercellen gestimuleerd om minder Ca2+-ionen uit de voorurine te halen.





De hormonen PTH en calcitonine werken als antagonisten: effectoren met een tegengestelde werking.





Om een bot zijn nieuwe vorm te geven, gaan eerst de osteoclasten aan de slag, die een deel van het bestaande bot afbreken. Daarna komen de osteoblasten in actie, die nieuw botweefsel vormen. Groeihormoon en groeifactoren regelen de activiteit van deze cellen.





Een osteoblast komt na een tijdje in het bot te liggen omringd door het door hemzelf gemaakte botmateriaal. De cel heet nu botcel (osteocyt) en is niet erg actief meer.





Zowel testosteron als oestrogenen stimuleren de groei van botten. Oestrogenen zijn een groep steroïdhormonen gemaakt in de eierstokken. Zij spelen een rol in de menstruatiecyclus, maar zijn ook van invloed op de groei en het vrouwelijk gedrag.





Hoeveelheid oestrogenen tijdens het leven van een vrouw:



- Voor de pubertijd vrijwel nul



- In de pubertijd schiet de productie met schommelingen omhoog



- Bij volwassen vrouwen varieert de hoeveelheid tijdens elke menstruatiecyclus



- In de menopauze daalt de productie met grote schommelingen



- Vrijwel nul bij oudere vrouwen





 



Oestrogenen gaan op twee manieren de botafbraak tegen, indirect en direct.



- Indirect: Ze remmen de productie van groeifactoren die de ontwikkeling van osteoclasten stimuleren. Het gevolg is dat er minder actieve osteoclasten zijn.



- Direct: Ze remmen de activiteit van de osteoclasten en kunnen hen zelfs aanzetten tot celdood (apoptose).





Bevat het bloed veel oestrogenen, dan is de botgroei groter dan de botafbraak. Zijn er weinig oestrogenen, dan treedt osteoporose (botafbraak) op. Testosteron heeft een vergelijkbare werking, behalve dat de hoeveelheid op latere leeftijd niet zo sterkt afneemt als bij oestrogenen. Daarom komt osteoporose minder vaak voor bij mannen.





De productie van moedermelk komt op gang door het eiwithormoon prolactine, gemaakt door de hypofyse. Tijdens de zwangerschap neemt de concentratie van prolactine enorm toe, maar pas na de bevalling komt de melkproductie op gang. Dat komt omdat de hoge concentraties oestrogenen en progesteron tijdens de zwangerschap de werking van prolactine remmen.





 



13.4 Terugkoppeling



Cellen functioneren het best in een waterige omgeving met voldoende voedingsstoffen en een geschikte temperatuur.





Alle alarmsignalen, zoals honger, kou, psychische belasting en fysieke belasting, komen bij de hypothalamus binnen.





De reactie van je lichaam op kou is als volgt:



1. Zenuwcellen in de hypothalamus geven TRH af; een hormoon van slechts drie aminozuren groot.



2. TRH stimuleert de hypofyse tot afgifte van het thyroïdstimulerend hormoon (TSH).



3. TSH zet de schildklier aan tot de afgifte van het schildklierhormoon. Dit is vooral thyroxine (T4) en wat minder trijoodthyronine (T3).



4. Transporteiwitten in het bloed brengen ze naar de weefsels.



5. In de cel zet een enzym thyroxine om in T3, waardoor de cel eiwitten gaat maken die de glucose- en vetverbranding in de mitochondriën stimuleren.



6. Het lichaam warmt op.





T4 en T3 zijn vetachtig en hebben respectievelijk vier en drie joodatomen. De joodatomen verhinderen dat de hormonen passief de celmembranen kunnen passeren. Je cellen gebruiken daar speciale receptor- en transportmoleculen voor.





Ook de cellen van de hypothalamus en de hypofyse hebben receptor- en transportmoleculen voor thyroxine. Stijgt de concentratie thyroxine, dan geeft de hypothalamus minder TRH en de hypofysevoorkwab minder TSH af. Dit betekent dat de schildklier minder thyroxine af zal geven. Dit is negatieve terugkoppeling.





Bij een verhoging van de concentratie thyroxine stijgt de stofwisselingssnelheid. Daardoor loopt de kerntemperatuur van je lichaam op. Ook hierop reageert de hypothalamus met een lagere TRH-productie, en dus een lagere TSH- en thyroxineproductie.





Bij een tekort aan water is de osmotische waarde van het bloed te hoog en daalt de bloeddruk. De reactie van je lichaam op watertekort is als volgt:



1. Zenuwcellen in de hypothalamus geven via de hypofyseachterkwab het antidiuretisch hormoon (ADH) af.



2. Onder invloed van ADH reageren je niercellen door extra water uit de voorurine op te nemen. Ook trekken de gladde spieren in de wanden van de bloedvaten samen zodat de bloeddruk weer stijgt.



3. Het toenemen van de (osmotische) problemen wordt voorkomen.





Het hormoon ghreline stimuleert het hongergevoel. Vlak voor de maaltijd komt het vrij. Leptine is één van de hormonen die de eetlust laat afnemen. Dit is een eiwithormoon gemaakt door de cellen van het vetweefsel. Beide hormonen werken op de cellen van



de hypothalamus.





Binnen het verteringsstelsel zijn vele verteringshormonen actief. Het eiwithormoon gastrine stimuleert maagcellen tot de afscheiding van maagzuur. De antagonist van gastrine is somatostatine, die de vertering juist remt.





Bij de aanmaak van nieuwe rode bloedcellen is het hormoon epo betrokken, gemaakt door je niercellen. Epo bereikt via het bloed de stamcellen in het rode beenmerg. Na activering van het DNA produceren de stamcellen groeifactoren, waardoor ze delen. Dochtercellen van de stamcellen differentiëren tot rode bloedcellen.





 



13.5 Energierijke stoffen in het bloed



De lever neemt grote hoeveelheden glucose op uit het bloed. Ook spieren zijn in staat om glucose op te slaan. Zowel lever als spieren doen dit in de vorm van glycogeen. Dit is een molecuul dat bestaat uit groot aantal glucosemoleculen, als een lange vertakte keten.





In de alvleesklier bevinden zich groepjes cellen met een endocriene werking: de eilandjes van Langerhans. Zij bestaan uit een aantal typen cellen:



- De β-cellen (ongeveer 80%) produceren het hormoon insuline. Insuline bevordert de opname van glucose in cellen en de vorming van glycogeen in lever- en spiercellen Bij hoge concentraties glucose in het bloed geven de β-cellen veel insuline af, waardoor de concentratie daalt. Ook stimuleert het de opname van vetzuren in de vetcellen en de vorming van vetten. Zo regelt insuline het aanleggen van voorraden brandstof.



- De α-cellen (ongeveer 15%) maken glucagon. Dit hormoon bevordert in de levercellen de omzetting van glycogeen in glucose. Ook stimuleert het de afbraak van vetten en eiwitten. Uit de afbraakproducten maken cellen glucose. Hierdoor stijgt de concentratie glucose in het bloed.



- De overige 5% van de cellen maken andere hormonen, zoals somatostatine.



Adrenaline is een tyrosinehormoon afkomstig uit het bijniermerg dat de glucosespiegel snel omhoog brengt. Door adrenaline:



- Zetten je spiercellen hun glycogeen om in glucose.



- Verslappen de spiertjes in de wand van de slagaders naar je skeletspieren en trekken ze samen in de slagaderwanden naar de darmen. Het bloed stroomt dan vooral naar je spieren.



- Klopt je hart sneller en verdiept je ademhaling. Het resultaat is dat er sneller bloed met extra zuurstof naar je spieren gaat; je bent klaar voor actie.





Bij een patiënt met suikerziekte (diabetes) maken de β-cellen weinig of geen insuline (diabetes type 1) of werken de receptoren voor insuline niet goed (diabetes type 2). Hierdoor kunnen de cellen te weinig of geen glucose opnemen en bevat het bloed hoge concentraties glucose.





Oestradiol is niet alleen een geslachtshormoon. Het stimuleert de β-cellen tot de afgifte van insuline. Het glucosegehalte in het bloed daalt daardoor.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.