ADVERTENTIE
Zie jij op tegen het lezen van al die boeken voor je leeslijst?

Probeer dan eens een luisterboek! Wij geven je acht tips van boeken die op je leeslijst staan en die je kunt terugvinden op Storytel. Check het blog en probeer Storytel nu 30 dagen gratis! 


Check het blog!

Samenvatting Hoofdstuk 1, Stofwisseling



· Stofwisseling: totaal van alle chemische processen in een organisme

· Assimilatie: opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen

o Doel: de vorming van organische stoffen waaruit het organisme bestaat

o Energie wordt vastgelegd als chemische energie in de organische moleculen

· Dissimilatie: afbraak van organische moleculen tot kleinere moleculen

o Doel: ver vrijmaken van energie voor processen in het organisme






o De vrijgekomen energie wordt tijdelijk opgeslagen in ATP-moleculen



· Enzymen katalyseren de chemische reacties van stofwisselingsprocessen zonder daarbij zelf te worden verbruikt

o Enzymen zijn eiwitmoleculen met een specifieke ruimtelijke vorm

o Naamgeving: in het algemeen afgeleid van de naam van het substraat met het achtervoegsel -ase

· Enzymen hebben een specifieke werking

o Door de specifieke ruimtelijke vorm past een enzymmolecuul slechts op één type substraatmolecuul

o Elk enzym kan slechts een reactie versnellen

· Enzymactiviteit kan worden uitgedrukt in:

o De hoeveelheid substraat die per tijdseenheid wordt omgezet

o De hoeveelheid reactieproduct die per tijdseenheid ontstaat

· Enzymactiviteit kan ook worden afgeleid uit de tijd die een bepaalde hoeveelheid enzym nodig heeft om een bepaalde hoeveelheid substraat om te zetten

· Temperatuur: beïnvloedt de enzymactiviteit volgens optimumkromme












· Zuurgraad: beïnvloedt de enzymactiviteit volgens optimumkromme. De zuurgraad van een vloeistof wordt aangegeven met de pH

o Zuiver water heeft een pH van 7 (neutraal)

o Zure vloeistoffen hebben een pH lager dan 7

o Basische vloeistoffen hebben een pH hoger dan 7

· Koolstofassimilatie: de vorming van glucose en zuurstof uit koolstofdioxide en water

o Alleen autotrofe organismen zijn in staat tot koolstofassimilatie

o Reactievergelijking:

Koolstofdioxide + water + energie à glucose + zuurstof

6CO2 + 6H2O + energie à C6H12O6 + 6O2

· Fotosynthese: koolstofassimilatie waarbij lichtenergie wordt benut

o Uit wit licht worden vooral de oranjerode en de violetblauwe kleuren benut

o Fotosynthese komt voor bij planten en cyanobacteriën. Deze organismen hebben bladgroen (chlorofyl)

o Bij planten bevinden zich de enzymen en pigmenten voor fotosynthese zich in bladgroenkorrels (chloroplasten)

o De glucose die bij de fotosynthese ontstaat, wordt voor een deel omgezet in zetmeel en tijdelijk in de bladeren opgeslagen



· Voortgezette assimilatie: organismen vormen uit glucose andere organische stoffen

o De hiervoor benodigde energie wordt verkregen uit dissimilatie

o Bij voortgezette assimilatie kunnen planten anorganische stoffen uit de bodem gebruiken

· Koolhydraten

o Opgebouwd uit alleen koolstof, waterstof en zuurstofatomen

o Monosachariden, bijv. glucose, fructose en désoxyribose

o Disachariden, bijv. maltose, lactose en sacharose

o Polysachariden, bijv. zetmeel, glycogeen en cellulose

· Vetten (lipiden)

o Opgebouwd uit alleen koolstof, waterstof en zuurstofatomen

o Een vetmolecuul is opgebouwd uit glycerol en drie vetzuren

· Eiwitten (proteïnen)

o Een eiwitmolecuul bestaat uit een groot aantal aan elkaar gekoppelde aminozuren

o In organismen komen twintig verschillende aminozuren voor

o Alle aminozuren bevatten naast koolstof, waterstof en zuurstofatomen ook steeds stikstof atomen. Sommige aminozuren bevatten ook zwavelatomen

o Planten kunnen aminozuren opbouwen uit glucose en stikstofhoudende ionen, vooral nitraationen Glucose + nitraat + energie à aminozuur

o Dieren krijgen aminozuren binnen met hun voedsel. Ze kunnen sommige aminozuren vormen uit andere aminozuren



· Bij dissimilatie kan chemische energie worden omgezet in:

o Kinetische energie

o Warmte

o Elektrische energie

o Chemische energie

o lichtenergie

· Aërobe dissimilatie van glucose (verbranding)

o Hierbij worden glucosemoleculen volledig afgebroken, waardoor er veel energie vrijkomt

o Reactievergelijking: glucose + zuurstof à koolstofdioxide + water + energie C6H12O6 + 6O2 à 6CO2 + 6H2O + energie

o Aërobe dissimilatie van glucose vindt voor het grootste deel plaats in mitochondriën

· Anaërobe dissimilatie van glucose (gisting)

o Hierbij worden glucose moleculen niet volledig afgebroken. De eindproducten zijn energierijk; er komt weinig energie vrij

o Alcoholgisting: C6H12O6 à 2C2H6O (ethanol) + 2CO2 + energie

o Komt voor bij kiemende zaden en gistcellen, Bij de productie van bier, wijn en brood vindt alcoholgisting plaats

o Melkzuurgisting: C6H12O6 à 2C3H6O3 (melkzuur) + energie

o Komt voor bij melkzuurbacteriën en in spieren bij mens en dier. Bij de productie van kaas, yoghurt en zuurkool vindt melkzuurgisting plaats

· Dissimilatie van vetten en eiwitten

o Vetten worden eerst gesplitst in glycerol en vetzuren, deze worden verder gedissimileerd

o Eiwitten worden eerst gesplitst in aminozuren, deze worden verder gedissimileerd. Schadelijk, stikstofhoudende stoffen die hierbij ontstaan worden met de urine uitgescheiden



· Basale stofwisseling: de stofwisseling van een organisme in rust

o In rust vindt ook voortdurend dissimilatie en assimilatie plaats

o Processen als de hartslag, de ademhalingsbewegingen en de darmperistaltiek gaan altijd door

· De intensiteit van de basale stofwisseling van een organisme is afhankelijk van:

o Het geslacht

o De leeftijd

o Het lichaamsgewicht

o De lichaamstemperatuur

o Het tijdstip van de dag of het jaargetijde



· Transport over kleine afstanden:

o Diffusie (o.a. zuurstof, koolstofdioxide)

o Osmose (water)

o Actief transport door celmembranen (o.a. ionen)

· Transport over grote afstanden:

o Anorganische sapstroom door houtvaten (water en opgenomen ionen)

o Organische sapstroom door bastvaten (water en assimilatieproducten)

· Diffusie van zuurstof en koolstofdioxide in bladeren

o Vooral via huidmondjes, luchtholten en intercellulaire ruimte naar en van de bladcellen

o Huidmondje: een opening in de opperhuid, omgeven door twee sluitcellen die bladgroenkorrels bevatten

o Bij de meeste planten bevinden de huidmondjes zich vooral aan de onderkant van de bladeren

· Transport door houtvaten

o Door verdamping van water uit de celwanden rondom bladcellen wordt water aangezogen uit de houtvaten (via de nerven)

o Door capillaire werking van de houtvaten wordt het water als een draad omhoog getrokken

o In de vaatbundels in stengels liggen houtvaten aan de binnenkant

o In de nerven in bladeren liggen houtvaten aan de bovenkant

· Transport door bastvaten

o Het tijdelijk in bladeren opgeslagen zetmeel wordt omgezet in sacharose (vooral ’s nachts)

o Sacharose wordt vervoerd naar de andere delen van de plant

o In de vaatbundels in stengels liggen bastvaten aan de buitenkant

o In de nerven in bladeren liggen de bastvaten aan de onderkant

· Opslag van reservestoffen

o In verdikte delen, vaak onder de grond (wortels, knollen, bollen)

o In zaden



· De intensiteit van de fotosynthese is afhankelijk van:

o De lichtintensiteit (en de kleur licht)

o De beschikbare hoeveelheid water

o De beschikbare hoeveelheid koolstofdioxide

o De temperatuur

o Bladgroen

· De intensiteit van de fotosynthese wordt bepaald door de beperkende factor



· Voor bepaling van de intensiteit van de fotosynthese zijn twee gegevens nodig:

o In het licht: de hoeveelheid O2 die een plant afgeeft (of de hoeveelheid CO2 die een plant opneemt

o In het donker: de hoeveelheid O2 die een plant opneemt (of de hoeveelheid CO2 die een plant afgeeft)

· Uit de O2-opname (of de CO2-afgifte) in het donker kan de intensiteit van de dissimilatie worden afgeleid

· O2-productie (bij fotosynthese) à O2-afgifte + O2-verbruik (bij dissimilatie)

· CO2-verbruik (bij fotosynthese) à CO2-opname + CO2-productie (bij dissimilatie)

· Voor de volgende grafiek geldt:

o In het stijgende deel van de grafiek is licht de beperkende factor

o In het horizontale deel is een andere factor beperkend

o Tussen A en B is de intensiteit van de dissimilatie hoger dan die van de fotosynthese, in B is de intensiteit van de dissimilatie van de fotosynthese, tussen B en D is de intensiteit van de dissimilatie lager dan die van de fotosynthese



· Producenten nemen koolstofdioxide uit de lucht op en produceren hiermee organische stoffen

o Planten en cyanobacteriën zijn producenten

· Consumenten nemen de organische stoffen van andere organismen als voedsel op

o Dieren zijn consumenten

· Reducenten breken organische resten af tot anorganische stoffen

o Schimmels en heterotrofe bacteriën zijn reducenten

· Door verbranding van fossiele brandstoffen komt extra koolstof (CO2) in de koolstofkringloop



· Producenten nemen stikstof vooral op in nitraationen

o Stikstofassimilatie: uit nitraationen en glucose worden stikstofhoudende organische verbindingen (bijv. eiwitten) opgebouwd

· Consumenten scheiden stikstof uit met hun urine

· Reducenten breken organische stikstofhoudende verbindingen af tot o.a. ammoniak

· Nitrificerende bacteriën zijn actief in een zuurstofrijke bodem

o Nitrietbacteriën zetten ammoniak en ammoniumionen om in nitrietionen

o Nitraatbacteriën zetten nitrietionen om in nitraationen

· Denitrificerende bacteriën zetten nitraationen om in gasvormige stikstof (N2)

o Denitrificerende bacteriën zijn actief in een zuurstofarme bodem

· Stikstofbindende bacteriën zetten gasvormige stikstof om in ammoniak. Met ammoniak kunnen aminozuren worden gesynthetiseerd

o Stikstofbinding (stikstoffixatie) kan alleen plaatsvinden onder anaërobe omstandigheden

o Stikstofbindende bacteriën komen vrij levend in de bodem voor en in de wortelknolletjes van vlinderbloemige planten

o Groenbemesting: het verbouwen van vlinderbloemige planten op grond die arm is aan nitraationen



Hoofdstuk 2, Ecologie



· Biotische factoren: invloeden afkomstig van de levende natuur

o Bijv. soortgenoten, predatoren, prooidieren, ziekteverwekkers

· Abiotische factoren: invloeden afkomstig van de levenloze natuur

o Voor landorganismen o.a. klimaat en bodemgesteldheid

o Voor waterorganismen o.a. temperatuur, zuurstofgehalte, zoutgehalte, licht en stroming

· Biosfeer: het gedeelte van de aarde en de atmosfeer (dampkring) dat door organismen wordt bewoond

· Ecosysteem: een min of meer natuurlijk begrensd deel van de biosfeer. Bijv. een duingebied of een heideveld

o Ieder ecosysteem heeft kenmerkende biotische en abiotische factoren

· Levensgemeenschap: alle biotische factoren (alle organismen) in een ecosysteem

· Populatie: een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die samen een voortplantingsgemeenschap vormen

· Individu: één enkel organisme





· Voedselketen: een reeks soorten, waarbij elk soort voedselbron is voor de volgende soort

o De eerste schakel van een voedselketen bestaat uit autotrofe organismen

· Voedselweb: het geheel van voedselrelaties in een levensgemeenschap

o Producenten leveren de organische stoffen waar de gehele levensgemeenschap van leeft

o Consumenten van de eerste orde worden gegeten door consumenten van de tweede orde, die weer door consumenten van de derde orde enz. enz.

Tot de consumenten behoren o.a. herbivoren, carnivoren, omnivoren, predatoren en afvaleters

o Reducenten zorgen voor mineralisatie, hierdoor komen er nieuwe anorganische stoffen beschikbaar voor de producenten

· De voedselrelaties in een ecosysteem kunnen worden weergegeven in ecologische piramides

o Piramide van aantallen: geeft van elke schakel van een voedselketen het aantal individuen weer

o Piramide van biomassa: geeft van elke schakel van een voedselketen de biomassa (het totale gewicht aan organische stoffen) weer

o Piramide van energie: geeft van elke schakel van een voedselketen de hoeveelheid energie weer, die is vastgelegd in de biomassa

· Productiviteit: de hoeveelheid energie die wordt vastgelegd in organische stoffen





· Populatiedichtheid: gemiddeld aantal individuen per oppervlakte eenheid (op het land) of per volume eenheid (in het water)

· Biologisch evenwicht: een toestand waarin de populatiedichtheid van elk soort in een ecosysteem schommelt om een bepaalde waarde

· Een biologisch evenwicht wordt gehandhaafd door negatieve terugkoppeling

o Als de populatiedichtheid groter wordt, nemen predatie, parasitisme en ziekten toe en neemt de hoeveelheid voedsel af. Hierdoor daalt de populatiedichtheid weer

o Als de populatiedichtheid kleiner wordt, nemen predatie, parasitisme en ziekten af en neemt de hoeveelheid voedsel toe. Hierdoor stijgt de populatiedichtheid weer

· Veranderingen in de populatiedichtheid kunnen worden geanalyseerd door middel van:

o Het geboortecijfer: het aantal individuen dat per tijdseenheid door voortplanting ontstaat (meestal 1000 individuen per jaar)

o Het sterftecijfer: het aantal individuen dat per tijdseenheid sterft (meestal 1000 individuen per jaar)

o Immigratie: het aantal binnentrekkende individuen

o Emigratie: het aantal wegtrekkende individuen

· Als een soort zich nieuw in een ecosysteem vestigt, kan populatiegroei plaats vinden

o Als de soort is aangepast aan het nieuwe milieu vindt in de beginfase exponentiële groei plaats

o Als de hulpbronnen (bijv. voedsel) beperkt zij en/of als er natuurlijke vijanden aanwezig zijn, stelt zich na de beginfase een biologisch evenwicht in

o Als de hulpbronnen onbeperkt zijn en als natuurlijke vijanden ontbreken, gaat de exponentiële groei na de beginfase door. Er kan dan een plaag ontstaan

· Draagkracht: de maximale populatiegrootte die over langere tijd in een ecosysteem kan worden gehandhaafd

o Als na exponentiële groei de draagkracht wordt overschreden, stort de populatie in

o Na het instorten kan zich een nieuw biologisch evenwicht instellen, meestal met een lagere draagkracht



· Successie: verandering van de soortsamenstelling van een levensgemeenschap, zodat deze geleidelijk in een andere overgaat

· Pionierecosysteem: ecosysteem dat als eerste ontstaat in een onbegroeid terrein

· Climaxecosysteem: laatste stadia in de successie

o Bijv. tropische regenwouden, koraalriffen en loofbossen



· Primaire successie: successie op een kale grond

o Stadia: verwering en vermenging met aangevoerd bodemmateriaal – pionierecosysteem – bodemvorming – successie tot climaxecosysteem

o Bijv. de successie op een kaal rotsblok

· Secundaire successie: successie als er een humusbevattende bodem aanwezig is

o Humus: een mengsel van organische en anorganische stoffen en micro-organismen (reducenten)

o Bijv. de successie na het kappen van bos

· Duinen zijn door de wind aangewaaide zandheuvels. De vegetatie in de verschillende stadia van successie:

o Biestarwegras en helm (in het pionierecosysteem)

o Andere soorten kruidachtige planten

o Duinstruweel met o.a. duindoornstruiken

o Duinbos (in het climaxecosysteem)

· Loofbos is het natuurlijke climaxecosysteem in het grootste deel van Nederland. De vegetatie groeit in lagen:

o Moslaag, bijv. mossen en paddestoelen

o Kruidlaag, bijv. varens en bosbes

o Struiklaag, bijv. vlier

o Boomlaag, bijv. eik, beuk

· Naaldbos is in Nederland aangeplant voor de houtwinning

o soortenarm

· Heide is een tussenstadium in de successie

o Vroeger werd dit tussenstadium in stand gehouden door schapen, tegenwoordig vaak door bepaalde soorten runderen

o Zonder ingrijpen door de mens vindt successie plaats naar loofbos

· In een plas vindt langzaam verlanding plaats. De vegetatie in de verschillende stadia van successie:

o Drijvende planten en water lelies (in het pionierecosysteem)

o Oeverplanten, bijv. riet

o Moerasplanten

o Broekbos (in het climaxecosysteem)



· Competitie (concurrentie) binnen een populatie

o Competitie om het beschikbare voedsel: te sterke competitie wordt vaak tegengegaan door het vormen van een territorium

o Competitie om de voortplanting (bijv, bij kuddedieren met één mannetje als leider)

o Natuurlijke selectie: de individuen die het zwakst zijn of het minst aangepast aan het milieu, hebben de minste overlevingskans



· Coöperatie (samenwerking) binnen een populatie

o Coöperatie bij het verkrijgen van voedsel: individuen kunnen samenwerken in paren, in groepen of in staten (groepen met sterke taakverdeling). Coöperatie biedt ook vaak bescherming tegen predatoren

o Coöperatie bij voortplanting: bij de balts en de paring

· Competitie tussen populaties

o Competitie om het beschikbare voedsel: te sterke competitie wordt tegengegaan door specialisatie

o Competitie bij de voortplanting (bijv. zaden die ontkiemen)

· Coöperatie tussen populaties

o Coöperatie bij het verkrijgen van voedsel: vooral bij mutualisme

o Coöperatie bij de voortplanting (bijv. bij bittervoorn en mossel)

· Symbiose: langdurige samenleving van individuen van verschillende soort

o Mutualisme: de individuen van beide soorten hebben voordeel (bijv. bij korstmossen)

o Commensalisme: de individuen van de ene soort hebben voordeel en de individuen van de andere soort hebben geen voordeel en geen nadeel (bijv. boomalgen op een boom)

o Parasitisme: een parasiet leeft op of in een individu van een andere soort en onttrekt er voedsel aan (bijv. vlooien, luizen, spoelwormen, maretak en duivelsnaaigaren)



· Tolerantie: het vermogen van organismen om schommelingen in een abiotische factor te kunnen verdragen

· Verspreidingsgebied: het gebied op aarde waar individuen van een bepaalde soort voorkomen

o Soorten met een grote tolerantie hebben een groot verspreidingsgebied

· Een optimumkromme voor een abiotische factor geeft weer:

o De tolerantiegrenzen (het minimum en het maximum)

o Het tolerantiegebied (het traject tussen minimum en maximum)

o Het optimum (de meest gunstige waarde)

· Temperatuur

o De enzymactiviteit is afhankelijk van de temperatuur

o Bij lage temperatuur kunnen dieren met een wisselende lichaamstemperatuur (koudbloedig) niet actief zijn

o In warme gebieden zijn de lichaamsuitsteeksels bij dieren met een constante lichaamstemperatuur (warmbloedig) groter dan in koude gebieden



· Licht

o Zonplanten groeien het best bij hoge lichtintensiteit (bijv. in het open veld), schaduwplanten het best bij een lage lichtintensiteit (bijv. op de bodem van een loofbos)

o Licht remt de lengtegroei van de stengels van planten. Hierdoor groeien stengels naar het licht

o Kiemplantjes in het donker krijgen lange, slappe stengels met weinig steunweefsel en bleekgele bladeren

o De daglengte heeft bij veel organismen invloed op het tijdstip van voortplanting (bijv. de bloemvorming bij planten en de paring en eilegging bij dieren

o In zeeën en oceanen dringt het licht alleen in de bovenste waterlagen door

· Lucht

o Bij planten kan de wind voor de bestuiving zorgen

o Bij planten kan de wind voor de verspreiding van zaden zorgen. De zaden bezitten hiervoor aanpassingen (bijv. vleugels, pluis)

o De wind bevorderd de verdamping van water uit de bladeren. Planten kunnen aanpassingen bezitten om te sterke verdamping tegen te gaan (dikke waslaag om bladeren, huidmondjes alleen aan de onderzijde van bladeren, verzonken huidmondjes, behaarde bladeren, omkrullen van de bladeren)

· Water

o Waterplanten hebben kleine of geen wortelstelsels, vaak luchtkanalen in de stengels, grote en slappe bladeren en huidmondjes aan de bovenkant van de bladeren

o Landplanten in een vochtig milieu hebben zwak ontwikkelde wortelstelsels, bladeren met een dikke waslaag en weinig huidmondjes (alleen aan de onderkant van de bladeren)

o Dieren in een vochtig milieu hebben een huid die doordringbaar is voor water en een sterk verdunde urine

o Dieren in een droog milieu hebben een huid die ondoordringbaar is voor water en een sterk geconcentreerde urine



· Bodemgesteldheid

o Zand heeft grote bodemdeeltjes, bevat veel lucht en weinig water en kan water niet goed vasthouden

o Klei heeft kleine bodemdeeltjes, bevat weinig lucht en veel water en kan water goed vasthouden

o Humus verbetert de structuur van de bodem en gaat uitspoeling van zouten naar diepere bodemlagen tegen

o De pH van de bodem is van invloed op de plantengroei

o Sommige planten hebben hoge concentraties van bepaalde zouten nodig (bijv. het zinkviooltje)



Hoofdstuk 3, Mens en Milieu



· Oorzaken van milieuproblemen:

o De enorme bevolkingstoename

o De veranderde wijze van leven, o.a.grote industriële productie, chemische en technische ontwikkeling, veranderde infrastructuur en welvaartsgroei

· Gevolgen van milieuproblemen:

o Vervuiling van lucht, water en bodem door afvalstoffen

o Uitputting van de natuurlijke energiereserves en grondstoffen

o Aantasting van het landschap o.a. door de omzetting van natuurlijke ecosystemen in kunstmatige ecosystemen (bijv. weilanden)

o Sterke vermindering van het aantal soorten planten en dieren (veel soorten worden met uitsterven bedreigd)



Manieren waarop optimale productie van voedsel wordt verkregen:

· Door bemesting van de bodem met stalmest of kunstmest

o Door het oogsten van voedingsgewassen en uitspoeling worden mineralen aan de kringloop van stoffen op landbouwgrond onttrokken

o Door te bemesten worden mineralen (vooral stikstofhoudende mineralen en fosfaat) toegevoegd

· Door bodembewerking (ploegen, eggen)

o Plantenwortels kunnen beter in de bodem doordringen

o Meer lucht in de bodem bevordert de mineralisatie

· Door bescherming van voedingsgewassen tegen ziekten en plagen door chemische of biologische bestrijding

· Chemische bestrijding door middel van pesticiden

· Voordeel pesticiden: effectieve bestrijdingsmethode

· Nadelen pesticiden:

o Veel pesticiden zijn niet soortspecifiek

o Er ontstaan resistente populaties (de individuen zijn ongevoelig voor een bepaald soort pesticide of voor de gebruikte concentratie)

o Sommige pesticiden zijn persistent (ze worden zeer langzaam afgebroken): er vindt accumulatie plaats

· Biologische bestrijding

o Door gebruik van natuurlijke vijanden: bijv. de bestrijding van witte vliegen met sluipwespen

o Door lokken met geuren (bijv. sekslokstoffen) en geluiden: de gelokte dieren worden gedood of onvruchtbaar gemaakt

o Door vruchtwisseling (wisselteelt): plantenziekten worden voorkomen door nooit twee jaar achter elkaar hetzelfde gewas op een bepaald stuk grond te verbouwen

· Door verandering van erfelijke eigenschappen van voedingsgewassen en landbouwhuisdieren

o Door veredeling ontstaan voedingsgewassen met een combinatie van gunstige eigenschappen

o Door recombinant-DNA-technieken ontstaan voedingsgewassen met gunstige eigenschappen

o Door kunstmatige inseminatie (KI): sperma van een stier met gunstige eigenschappen wordt ingebracht in de baarmoeder van koeien

o Door in-vitrofertilisatie (IVF) worden bevruchte eicellen verkregen afkomstig van ouderdieren met gunstige eigenschappen. De klompjes cellen die zich uit de bevruchte eicellen ontwikkelen worden ingebracht in de baarmoeder van draagkoeien

· Door voeding van landbouwhuisdieren met krachtvoer

o Krachtvoer bevat energierijke stoffen, mineralen (o.a. stikstofhoudende mineralen en fosfaat) en eventueel geneesmiddelen en hormonen



Verschillen tussen gangbare landbouw en biologische landbouw:

· Gangbare landbouw

o Monoculturen: op grote landbouwarealen wordt een soort gewas verbouwd

o Er worden veel pesticiden gebruikt omdat monoculturen de kans op plagen en op uitbreiding van ziekten vergroten

o Er wordt veel kunstmest gebruikt

o Een belangrijk deel van de veeteelt vindt plaats in intensieve veehouderijen (bio-industrie)

· Biologische landbouw

o Er zijn geen monoculturen: kleine arealen grond met verschillende soorten voedingsgewassen wisselen elkaar af

o Er worden geen pesticiden gebruikt: ziekten en plagen worden bestreden met natuurlijke vijanden

o Er wordt geen kunstmest gebruikt: alleen stalmest van de biologische landbouw

o Geen intensieve veeteelt: scharrelkippen en scharrelvarkens

o Producten van de biologische landbouw heten ecologische voedingsmiddelen



Oorzaken en gevolgen van luchtvervuiling:

· Luchtvervuiling door industrie, elektriciteitscentrales en verkeer

o Uitstoot van zwaveldioxide en stikstofoxiden (NO en NO2) door verbranding van fossiele brandstoffen (steenkool, aardolie en benzine). Samen met waterdamp en zuurstof ontstaat zwavelzuur en salpeterzuur: deze stoffen veroorzaken zure regen

o Een deel van het SO2 en de N0x slaat onveranderd neer (droge zuurdepositie): in de bodem ontstaan H2SO4 en HNO3

o Uitstoot van vluchtige koolwaterstoffen en koolstofmono-oxide: ozonvorming (fotochemische luchtverontreiniging)

o Uitstoot van chemische gassen

· Luchtvervuiling door de bio-industrie

o Emissie van ammoniak (o.a. als gevolg van mestoverschot): met zwaveldioxide ontstaat ammoniumsulfaat. Nitrificerende bacteriën in de bodem zetten ammoniumsulfaat om in nitraat en salpeterzuur: verzuring van de bodem

· Gevolgen van zuurdepositie

o Door verzuring van de bodem komen mineralen vrij en spoelen ze uit

o Door verzuring lossen bepaalde giftige metalen (o.a. aluminium en cadmium) in de bodem op en komen dan in hoge concentraties voor in het grondwater

o Doordat wortelharen worden beschadigd kunnen planten minder goed water en mineralen op nemen. Doordat huidmondjes worden beschadigd neemt de verdamping uit de bladeren toe. Doordat de fotosynthese wordt geremd groeien planten minder goed. Planten verzwakken, zodat ze minder weerstand hebben tegen ziekteverwekkers

o In meren en vennen komt (bijna) geen leven meer voor

o Gebouwen en beeldhouwwerken worden aangetast

· Gevolgen van ozon en zwaveldioxide

o Aantasting van longweefsel bij dieren en mensen, o.a. door vorming van smog (vettige mist die ozon, zwaveldioxide en roet bevat)

o Ozon beschadigt bladeren en remt de groei van planten



· Broeikaseffect: een deel van de warmte-uitstraling van de aarde wordt tegengehouden door gassen in de dampkring (broeikasgassen)

o Zonder dit broeikaseffect zou de temperatuur op aarde ruim 30 graden lager zijn

o De belangrijkste natuurlijke broeikasgassen zijn koolstofdioxide, waterdamp en methaan

· Oorzaken van versterking van het broeikaseffect

o Toename van de verbranding van fossiele brandstoffen: stijging van de CO2 –concentratie in de atmosfeer

o Ontbossing: o.a. platbranden van tropische regenwouden

o Bio-industrie: emissie van methaan

o Uitstoot van chloorfluorkoolwaterstoffen: CFK’s werken als broeikasgassen

· Gevolgen van versterking van het broeikaseffect

o Klimaatverandering: stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde

o Stijging van de zeespiegel doordat zeewater zal uitzetten en een deel van het poolijs en het ijs op gletsjers zal smelten: laaggelegen gebieden lopen het gevaar onder water te verdwijnen

o Droogte in bepaalde gebieden (woestijnvorming) en grote kans op hitte golven, orkanen en overstromingen

o Stijging van de waterdampconcentratie in de atmosfeer door toename van de verdamping uit oceanen: versterking van het broeikaseffect



Oorzaken en gevolgen van aantasting van de ozonlaag

· Oorzaak: uitstoot van chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK’s)

o CFK’s worden o.a. gebruikt als koelmiddel in (oudere) koel en vrieskasten en in koelinstallaties van bedrijven

· Gevolgen:

o Toename van huidkanker doordat meer ultraviolette straling doordringt tot de aarde

o Versterking van het broeikaseffect doordat meer warmtestraling doordringt tot de aarde (o.a. door het gat in de ozonlaag)



· Zelfreinigend vermogen van water: mineralisatie van organische afvalstoffen door reducenten

· Eutrofiëring: sterke toename van de hoeveelheid mineralen (vooral fosfaat en nitraat) in oppervlaktewater, waardoor voedselrijk (eutroof) water ontstaat

· Oorzaken van eutrofiëring:

o Overbemesting met stalmest: een deel van de mest spoelt van het land af en komt terecht in oppervlakte water waarna mineralisatie volgt. Op het land spoelt na mineralisatie van de stalmest een deel van de mineralen uit naar het grondwater en komt vervolgens terecht in oppervlaktewater

o Bemesting met kunstmest: een deel van de mineralen komt rechtstreeks door afspoeling of door uitspoeling via het grondwater terecht in oppervlaktewater

· Gevolgen van eutrofiëring

o Omzetting van voedselarme wateren en bodems in voedselrijke: verandering van de soortensamenstelling in ecosystemen

o Sterke toename van sommige soorten waterplanten, o.a. kroos en bepaalde soorten algen waardoor waterbloei ontstaat

· Gevolgen van waterbloei

o Door de algengroei wordt het water troebel

o Ondergedoken waterplanten sterven, doordat ze minder licht ontvangen: grote hoeveelheden organische afvalstoffen

o Bepaalde soorten roofvissen zoals snoeken verdwijnen, doordat ze hun prooi niet meer kunnen vinden

o Bepaalde witvissoorten zoals brasem breiden zich daardoor sterk uit. Deze soorten vissen eten zoöplankton (vooral watervlooien)

o Watervlooien voeden zich met algen. Doordat veel watervlooien verdwijnen vindt nog meer algengroei plaats

o De algen sterven na enige tijd. Dit leidt tot grote hoeveelheden organische afvalstoffen in het water, waardoor reducenten zich snel vermeerderen

o Doordat de reducenten veel zuurstof gebruiken, ontstaat zuurstofgebrek. Daardoor sterven veel dieren, wat leidt tot nog meer organische afvalstoffen

o Uiteindelijk kan stinkend dood water ontstaan



Oorzaken en gevolgen van vervuiling van water met chemische afvalstoffen

· Oorzaken

o Lozing van zuurstofarm industrieel afvalwater met chemische afvalstoffen (o.a. giftige zware metalen zoals cadmium, kwik, lood en zink)

o Doorspoelen van huishoudelijk afvalwater met chemische afvalstoffen (bijv. terpentine) via het riool

o Gebruik van pesticiden (een deel komt terecht in het oppervlaktewater en grondwater)

· Gevolgen

o Vermindering van het zelfreinigend vermogen van het water

o Accumulatie van giftige stoffen voedselketens

o Bedreiging van de kwaliteit van het drinkwater

o Versterking van algengroei doordat watervlooien sterven

· Rioolwaterzuivering

o Mechanische zuivering: filtering en voor en nabezinking

o Biologische zuivering: afbraak van organisch afval door reducenten

o Chemische zuivering: o.a. defosfatisering



· Oorzaken van ontbossing

o De behoefte aan brandhout, hardhout en landbouwgrond

· Gevolgen van ontbossing

o Door erosie en overstromingen verlies van vruchtbare grond en woestijnvorming

o Vernietiging van genetische informatie

· Oorzaken van verdroging

o Daling van de grondwaterstand door kanalisering en toenemend waterverbruik (waarvoor grondwater wordt opgepompt)

· Gevolgen van verdroging

o Verandering van de soortensamenstelling van ecosystemen door verandering in mineralisatie

o Vermindering van de gezondheidstoestand van bomen

· Oorzaken van bodemvervuiling

o Storten van industrieel chemisch afval of klein chemisch afval

o Uitstoot van lood door het wegverkeer

· Gevolgen van bodemvervuiling

o Een bodem waarop niet meer kan worden geleefd door mensen zodat bodemafgraving (bodemsanering) noodzakelijk is

o Vervuiling van het grondwater

o Accumulatie van o.a. lood in voedselketens





· Gescheiden inzameling van afval maakt milieuvriendelijke verwerking nodig

· Recycling: afvalproducten gebruiken als grondstoffen voor nieuwe producten (glas, papier, blik, plastic en andere kunststoffen)

o Milieuvriendelijk door besparing van grondstoffen

· Composteren: reducenten breken GFT-afval af tot compost. Compost wordt gebruikt om de bodem te verbeteren

o Alleen biologisch afbreekbaar afval is te composteren

· Storten op een vuilnisbelt

o Voordelen: gemakkelijk en goedkoop

o Nadelen: bodem en grondwatervervuiling, verstoring van het landschap en verspilling van grondstoffen

· Verbranden in afvalverbrandingsinstallaties

o Voordelen: kost weinig ruimte en er komt energie vrij

o Nadelen: verspilling van grondstoffen, luchtvervuiling (o.a. stikstofoxiden, dioxine en andere kankerverwekkende stoffen) en er blijven giftige verbrandingsresten over (slakken)



· Uitgangspunt: duurzame ontwikkeling van de relatie tussen mens en milieu

· Maatregelen om de uitstoot van koolstofdioxide, zwaveldioxide en andere afvalgassen te beperken:

o Industrie, elektriciteitscentrales en huishoudens moeten zuiniger omgaan met energie

o Ontwikkeling van alternatieve energiebronnen (zonne-energie en windenergie

o Rookgasreiniging (o.a. rookgasontzwavelingsinstallaties)

o Terugdringen van het autogebruik en bevorderen van het openbaar vervoer

o Reiniging van uitlaatgassen door gebruik van een katalysator

· Maatregelen om het mestoverschot (mineralenoverschot) en de emissie van ammoniak en methaan te verminderen:

o Via mineralenboekhouding komen tot evenwichtsbemesting: de aanvoer van mineralen gelijk houden aan de afvoer plus een acceptabel verlies aan het milieu ( de verliesnorm)

o Oprichting van mestbanken (transport van mest naar gebieden met een mesttekort)

o Verwerking van mest (bijv. tot biogas of mestkorrels)

o Verbod op het uitrijden van mest in bepaalde perioden

o Afdekken van mestopslag

o Bouw van emissiearme stallen

o Mestinjectie

o Reductie van het aantal varkens

· Maatregelen ter bescherming van natuur en landschap

o Areaalvergroting van natuurgebied

o Beheer van natuurgebieden door de overheid en organisaties (o.a. vereniging tot behoud van natuurmonumenten)



Samenvatting Hoofdstuk 4, Voeding en Vertering



· Voedingsmiddelen: alles wat je eet of drinkt

· Voedingsstoffen: de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen

- Bouwstoffen: worden gebruikt bij de vorming van cellen en weefsels. Bouwstoffen zijn nodig voor groei en ontwikkeling, vervanging van cellen en herstel van verwondingen

- Brandstoffen: worden gedissimileerd om energie te leveren. Brandstoffen zijn nodig voor het verrichten van arbeid, op peil houden van de lichaamstemperatuur en groei, ontwikkeling en herstel.

· Voedingsvezel (ballaststoffen): stoffen in plantaardige voedingsmiddelen, die niet door de enzymen van de mens kunnen worden verteerd

- Functie: bevorderen van de darmperistaltiek



· Eiwitten

- Functie: vooral bouwstoffen, ook brandstoffen

- Een teveel aan opgenomen eiwitten wordt in het lichaam van de mens niet opgeslagen; de aminozuren worden als brandstof verbruikt

- Niet-essentiële aminozuren: kunnen in de lever worden gevormd uit andere aminozuren

· Koolhydraten

- Functie: vooral brandstoffen ook bouwstoffen

- Een teveel aan opgenomen koolhydraten wordt omgezet in glycogeen of vet en opgeslagen.

· Vetten

- Functie: vooral brandstoffen ook bouwstoffen

- Een teveel aan opgenomen vetten wordt opgeslagen onder de huid en rondom organen

- Verzadigde vetzuren: bevorderen de afzetting van cholesterol tegen de binnenwand van de bloedvaten

- Onverzadigde vetzuren: breken het cholesterol in de bloedvaten weer af

- Essentiële vetzuren: moeten in het voedsel aanwezig zijn

· Water

- Functie: bouwstof

- Organismen bestaan voor het grootste deel uit water

· Mineralen

- Functie: bouwstoffen

- Spoorelementen: moeten in geringe hoeveelheden in het voedsel aanwezig zijn



· Vitamines

- Functie: bouwstoffen

- Bij een tekort aan vitamines in het voedsel ontstaan gebreksziekten. Een teveel kan ook schadelijk zijn

- Sommige vitamines moeten in het voedsel aanwezig zijn; andere kunnen worden gevormd uit pro-vitamines (die in het voedsel aanwezig moeten zijn)



· Zorg voor goede variatie in de voeding

- Gebruik iedere dag iets uit elk vak van de voedingswijzer



· Eet niet meer dan je lichaam nodig heeft

- De energiebehoefte van een mens is o.a. afhankelijk van het geslacht, de leeftijd, het lichaamsgewicht en de lichamelijke inspanning

- Als je wilt vermageren, moet je een vermageringsdieet volgen (opgesteld door een diëtist)



· Bacteriën en schimmels kunnen voedselbederf veroorzaken

o Vooral dierlijke voedingsmiddelen bederven snel. Bij hogere temperaturen kunnen ze worden besmet met salmonellabacteriën

o Ook door slechte hygiënekan dierlijk voedsel worden besmet met o.a. salmonellabacteriën

· Conserveringsmethoden en hun werking

o Invriezen: bij lage temperatuur zijn de enzymen van micro-organismen niet actief

o Steriliseren (verhitten tot 130 a 140 graden en naverhitten): bij hoge temperaturen zijn de enzymen van micro-organismen definitief onwerkzaam

o Pasteuriseren (verhitten tot 72 graden)

o Inblikken of vacuüm verpakken: direct na verhitten wordt het voedsel luchtdicht verpakt, zodat er geen micro-organismen op kunnen komen

· Het voedsel mag niet te veel additieven bevatten

o Natuurlijke stoffen kunnen het voedingsmiddel langer houdbaar maken: zuur, zout, suiker

o Onnatuurlijke stoffen kunnen het voedingsmiddel langer houdbaar maken: conserveermiddelen, antioxidanten en emulgatoren

o Sommige additieven kunnen het voedingsmiddel aantrekkelijker maken: kleur-, geur- en smaakstoffen

· Het voedsel mag geen ongewilde stoffen bevatten

o Residuen en pesticiden (in landbouwgewassen)

o Zware metalen ( vooral in orgaanvlees en vis)

o Antibiotica en hormonen (vlees of kip)

· In Nederland wordt het voedsel streng gecontroleerd

o De rijksdienst voor Keuring van Vee en Vlees controleert slachthuizen en fabrikanten van vlees en vleeswaren

o De keuringsdienst van Waren controleert fabrikanten van andere voedingsmiddelen, restaurants, winkels, snackbars



· Mondholte

o Speekselklieren produceren speeksel

o Gebit: door kauwen wordt het oppervlak van het voedsel vergroot, zodat de verteringssappen beter op het voedsel kunnen inwerken (mechanische bewerking)

· Keelholte

o Slikreflex: de huig sluit de neusholte af en het strotklepje sluit de luchtpijp af

· Slokdarm

o Tussen slokdarm en maag bevindt zich een kringspier

· Maag

o Functie: tijdelijke opslag plaats van voedsel

o Maagsapklieren produceren maagsap

· Maagportier

o Bij een laag pH in de twaalfvingerige darm is de kringspier samengetrokken

o Bij een licht basische pH in de twaalfvingerige darm is de kringspier ontspannen

· Lever

o Functie: produceert gal

o Gal wordt tijdelijk opgeslagen en afgevoerd via de galbuis

· Alvleesklier

o Functie: produceert alvleessap

· Twaalfvingerige darm

o Functie: gal en alvleessap vermengen met de voedselbrij

· Dunne darm

o Darmsapklieren produceren darmsap

o Darmwand: groot oppervlak door darmplooien, darmvlokken en microvilli

o Darmepitheel: de buitenste laag cellen van de darmvlokken. Functie: resorptie van water, voedingsstoffen en verteringssappen

· Blinde darm met appendix

o Bij blindedarmontsteking is de appendix ontstoken

· Dikke darm

o Functie: resorptie van water, mineralen, glucose en vitamine K

o Bij diarree wordt niet voldoende water uit de brij van onverteerde voedselresten geresorbeerd

o Bacteriën verteren cellulose in de celwanden van plantaardige voedselresten. Hierbij ontstaat glucose

o Bacteriën produceren o.a. vitamine K

· Endeldarm met anus

o Functie: verzamelen en tijdelijk opslaan van onverteerde voedselresten (ontlasting)

o Anus: kringspier die de endeldarm afsluit

· Van de slokdarm tot aan de endeldarm vinden peristaltische bewegingen plaats

o Kringspieren en lengtespieren in de wand van het darmkanaal trekken zich afwisselend samen

o Functie: de voedselbrij doorduwen, kneden en mengen met verteringssappen



· Speeksel: bevat slijm en amylase

o Slijm: maakt het voedsel glad, waardoor het inslikken gemakkelijker gaat

o Amylase: verteert zetmeel tot maltose

o De speekselproductie wordt geregeld door het autonome zenuwstelsel

· Maagsap: bevat zoutzuur, slijm en pepsinogeen

o Zoutzuur: zorgt voor een sterk zuur milieu waardoor bacteriën in het voedsel worden gedood

o Slijm: beschermt de maagwand tegen het maagsap

o Pepsinogeen wordt in de maag geactiveerd tot pepsine, onder invloed van zoutzuur en pepsine

o Pepsine: verteert eiwitten tot lange polypeptiden (vrij lange aminozuurketens)

· Gal: bevat galkleurstoffen en galzure zouten

o Galkleurstoffen: afbraakproducten van dode rode bloedcellen

o Galzure zouten: emulgeren vetten, waardoor het oppervlak van de vetdruppels wordt vergroot

o De galblaas geeft gal af als de pH in de twaalfvingerige laag is

· Alvleessap: de alvleesklier geeft alvleessap af als de pH in de twaalfvingerige darm laag is

o Bevat een basische stof die de pH in de twaalfvingerige darm doet stijgen (pH 8 a 9)

o Amylase: verteert zetmeel tot maltose

o Trypsine: verteert lange polypeptiden tot kortere polypeptiden

o Peptidasen: verteren polypeptiden tot di- en tripeptiden

o Lipase: verteert vetten tot glycerol en vetzuren. Door de vrijgekomen vetzuren daalt de pH van de voedselbrij

· Darmsap: bevat enzymen die de vertering van eiwitten en koolhydraten voltooien

o Maltase verteert maltose tot glucose

o Sacharase verteert sacharose tot glucose en fructose

o Lactase verteert lactose tot glucose en galactose

o Peptidasen verteren di- en tripeptiden tot afzonderlijke aminozuren

· Resorptie: het opnemen van stoffen door darmepitheel cellen

o Resorptie kan plaatsvinden in het hele darmkanaal

o In de dunne darm vindt door het grote oppervlak de meeste resorptie plaats

· Resorptie is een actief proces. Dat blijkt o.a. uit:

o Er kunnen stoffen worden geresorbeerd tegen het concentratieverval in

o Stoffen worden selectief geresorbeerd

o Bij resorptie vindt in de darmepitheel cellen een intensieve dissimilatie plaats

o Door dood darmepitheel kunnen geen stoffen worden geresorbeerd

· In de darmepitheel cellen worden vetten gevormd uit glycerol en vetzuren

· Hierna vindt opname plaats in bloed en lymfe

o Aminozuren, monosacchariden, vetten met kleine vetzuren, water, mineralen en vitamines worden opgenomen in het bloed

o Vetten met grote vetzuren worden opgenomen in de lymfe

o Het bloed uit de haarvaten van een groot deel van het darmkanaal (van maag tot dikke darm) stroomt door de poortader naar de lever



Samenvatting Hoofdstuk 5, Transport



· Bloedplasma: water met opgeloste stoffen en plasma-eiwitten

o Het bloedplasma vervoert zuurstof, voedingsstoffen, afvalstoffen, regelende stoffen en beschermende stoffen

o Het bloedplasma houdt het interne milieu bestand

o Veel plasma-eiwitten spelen een rol bij het transport van stoffen, het handhaven van de osmotische waarde van het bloed en de bloeddruk. Fibrinogeen speelt een rol bij de bloedstolling

o Bloedserum is bloedplasma zonder fibrinogeen

· Rode bloedcellen

o Kleine ronde schijfjes, die in het midden dunner zijn dan aan de rand

o Cellen zonder kern (daardoor betrekkelijk korte levensduur)

o Worden gevormd in het rode beenmerg uit stamcellen, onder invloed van het hormoon EPO uit de nieren

o Worden afgebroken in het rode beenmerg, in de milt en in de lever

o Bevatten hemoglobine dat zuurstof en koolstofdioxide kan binden

o Functie: transport van zuurstof en koolstofdioxide

· Witte bloedcellen

o Cellen met kern

o Worden vooral gevormd in het rode beenmerg uit stamcellen

o Functie: vernietigen van ziekteverwekkers door fagocytose en opruimen van dode celresten

· Bloedplaatjes

o Delen (zonder kern) van uiteengevallen cellen

o Worden gevormd in het rode beenmerg

o Functie: bloedstolling

· Bloedstolling

o Bloedplaatjes kleven aan de beschadigde bloedvatwand en vormen een bloedpropje

o Uit het beschadigde weefsel en uit de bloedplaatjes komen stoffen vrij. Deze stoffen brengen met behulp van stollingsfactoren uit het bloedplasma een keten van reacties op gang. Uiteindelijk leidt dit er toe dat fibrinogeen wordt omgezet in fibrine

o Fibrine vormt een netwerk van draden dat de wond afsluit (bloedstolsel)



Delen van het hart Kenmerken en functies

Rechterboezem · Ontvangt zuurstofarm bloed uit de onderste en bovenste holle ader en voert dit door naar de rechterkamer· Weinig gespierde wand

Rechterkamer · Pompt zuurstofarm bloed in de longslagaders· Gespierde wand

Linkerboezem · Ontvangt zuurstofrijk bloed uit de longaders en voert dit door naar de linkerkamer· Weinig gespierde wand

Linkerkamer · Pompt zuurstofrijk bloed in de aorta· Zeer gespierde wand

Harttussenwand · Scheidt de linker- en rechterhart helft

Hartkleppen · Verhinderen het terugstromen van bloed van kamers naar boezems

Halvemaanvormige kleppen (slagaderkleppen) · Verhinderen het terugstromen van bloed van longslagaders en aorta naar de kamers

Kransslagaders · Hierdoor stroomt zuurstofrijk bloed naar de hartspier

Kransaders · Hierdoor stroomt zuurstofarm bloed weg uit de hartspier



· Systole (samentrekking) van de boezems

o De sinusknoop in de wand van de rechterboezem geeft impulsen af

o Spieren in de wand van de boezems trekken zich samen. In de kamers vindt diastole (ontspanning) plaats

o Bloed stroomt van de boezems naar de kamers

o De hartkleppen zijn open, de halvemaanvormige kleppen dicht

· Systole van de kamers

o Spieren in de wand van de kamers trekken zich samen. In de boezems vindt diastole plaats

o Bloed stroomt van de kamers naar de longslagaders en de aorta

o De hartkleppen zijn dicht, de halvemaanvormige kleppen open

o Papillairspieren trekken zich samen en verhinderen dat de hartkleppen doorslaan

· Hartpauze

o Zowel in de boezems als in de kamers vindt diastole plaats

o Bloed stroomt van de holle aders en longaders naar de boezems en kamers

o De hartkleppen zijn open, de halvemaanvormige kleppen dicht

· Hartritme: de snelheid waarmee de sinusknoop impulsen afgeeft

o Het hartritme wordt beïnvloed door de bloeddruk en door hormonen

o Het hartritme is afhankelijk van de lichaamsgrootte

· Slagvolume: de hoeveelheid bloed die per hartslag door de linkerkamer in de aorta wordt gepompt

o Het slagvolume is afhankelijk van de hoeveelheid bloed die vanuit de holle aders de rechterboezem instroomt

o De linkerkamer pompt per hartslag ongeveer evenveel bloed weg als de rechterkamer



· Slagaders

o Hierdoor stroomt bloed van het hart weg

o Hoge bloeddruk

o Dikke, stevige en elastische wand

o ‘slag’ merkbaar, o.a. in de polsen

o meestal diep in het lichaam gelegen

o alleen halvemaanvormige kleppen

· Haarvaten

o Wand van een cellaag dik

o Vocht met opgeloste stoffen en witte bloedcellen kunnen door de wand heen de haarvaten verlaten

· Aders

o Hierdoor stroomt bloed naar het hart toe

o Lage bloeddruk

o Dunne wand

o Geen ‘slag’ merkbaar

o Meestal ondiep in het lichaam gelegen

o Kleppen verhinderen dat het bloed terugstroomt



· Dubbele bloedsomloop: per omloop stroomt het bloed twee keer door het hart

o Kleine bloedsomloop: rechterkamer – longslagaders – longaders - linkerboezem

o Grote bloedsomloop: linkerkamer – aorta – armslagaders – armaders – halsslagaders – halsaders – leverslagaders – leverader – darmslagader – poortader – nierslagaders – nieraders – beenslagaders – beenaders – onderste holle ader – bovenste holle ader - rechterboezem



· Zuurstofgehalte van het bloed

o Door de slagaders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofarm bloed

o Door de aders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed

o Door de slagaders van de grote bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed

o Door de aders van de grote bloedsomloop stroomt zuurstofarm bloed

· Glucosegehalte van het bloed

o In de poortader treden de grootste schommelingen op

o Van de overige bloedvaten is het glucosegehalte van het bloed in de leverader het hoogst

o Waar het bloed uit de leverader wordt gemengd met bloed afkomstig van andere organen, daalt het glucosegehalte van het bloed



· Van slagaders naar aders neemt de bloeddruk voortdurend af

o De bloeddruk is het hoogst in de linkerkamer en de aorta tijdens het samentrekken van de kamers

o In de slagaders gaat de bloeddruk sterk op en neer als gevolg van de hartslag

o In de aders is de bloeddruk vaak te laag om de bloedstroom op gang te houden

· In de aders helpen andere krachten mee om de bloedstroom op gang te houden

o De stootsgewijze druk van de slagaders die naast de aders liggen

o De samentrekking van de skeletspieren

· De bloeddruk wordt min of meer constant gehouden door aanpassing van het hartritme (negatieve terugkoppeling)

o Als de bloeddruk daalt onder de normwaarde, zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme stijgt. Hierdoor stijgt de bloeddruk

o Als de bloeddruk stijgt boven de normwaarde, zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme daalt. Hierdoor daalt de bloeddruk

o De bloeddruk kan verhoogd zijn doordat aan de binnenwand van bloedvaten cholesterol is afgezet ( arteriosclerose)

· Bloeddrukmeting

o De arts pompt een manchet om de arm op, tot de armslagader geheel is dichtgedrukt

o De arts laat lucht uit de manchet ontsnappen, tot de druk aan de manchet gelijk is aan de hoogste druk in de armslagader

o De arts hoort vaatgeruis, doordat na elke samentrekking van de hartkamers de armslagader heel even wordt opengedrukt en een klein beetje bloed doorlaat

o De arts laat lucht uit de manchet ontsnappen, tot de druk in de manchet gelijk is aan de laagste druk in de armslagader

o De arts hoort geen vaatgeruis meer, doordat het bloed weer onafgebroken door de armslagader stroomt

· De stroomsnelheid van het bloed is het grootst in de aorta en het laagst in de haarvaten

o De vertakkingen van slagaders kunnen zich vernauwen of verwijden. Hierdoor kan de hoeveelheid bloed worden geregeld die door een bepaald weefsel stroomt

o Als de slagaders naar een skeletspier zich verwijden, stijgt de stroomsnelheid van het bloed dat door die skeletspier stroomt



· Weefselvloeistof ontstaat doordat aan het begin van de haarvaten vocht uittreedt

o Plasma-eiwitten met relatief grote moleculen kunnen de haarvaten niet verlaten. Hierdoor ontstaat een verschil in osmotische waarde tussen de weefselvloeistof en het bloedplasma

o Weefselvloeistof bevat o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen, hormonen en plasma-eiwitten met kleine moleculen. Weefselvloeistof kan witte bloedcellen bevatten

o Functie weefselvloeistof: zuurstof en voedingstoffen naar de cellen toevoeren en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren

· Een deel van de weefselvloeistof keert aan het eind van de haarvaten terug in het bloed

o Aan het begin van de haarvaten is de bloeddruk zo hoog, dat vocht de haarvaten verlaat

o Aan het eind van de haarvaten is de bloeddruk sterk gedaald. Door het verschil in osmotische waarde tussen weefselvloeistof en bloedplasma wordt er weer vocht in de haarvaten opgenomen

· Een deel van de weefselvloeistof wordt opgenomen in fijne lymfevaten

o Lymfevaten verenigen zich tot grotere lymfevaten. In de lymfevaten komen kleppen voor

o Het lymfevatenstelsel voert de lymfe weer terug naar het bloedvatenstelsel

o Lymfeknopen (lymfeklieren) zuiveren de lymfe van o.a. ziekteverwekkers



Samenvatting Hoofdstuk 6, Gaswisseling en Uitscheiding



· Neusholte met reukzintuig

o Neusharen houden grote stofdeeltjes tegen

o Het neusslijmvlies is bekleed met trilhaarepitheel

o Het slijm bevochtigt de binnenstromende lucht

o Aan het slijm blijven stofdeeltjes en ziekteverwekkers kleven

o Door de beweging van trilharen wordt het slijm naar de keelholte verplaatst

o Het bloed in de bloedvaten in het neusslijmvlies verwarmt de binnenstromende lucht

o Het reukzintuig keurt de binnenstromende lucht

· Luchtpijp

o De binnenwand is bekleed met trilhaarepitheel

o Door hoefijzervormige kraakbeenringen in de wand blijft de luchtpijp altijd openstaan

· Bronchiën

o De binnenwand is bekleed met trilhaarepitheel

o De wand bevat kraakbeenringen

· Bronchiolen

o De wand van de fijne bronchiolen bevat spierweefsel. Hierdoor kunnen de bronchiolen zich verwijden of vernauwen

· Longblaasjes met longhaarvaten

o De binnenkant is bedekt met een laagje vocht

o Groot gaswisselingsoppervlak: veel longblaasjes

o Kleine diffusieafstand: dunne wand van longblaasjes en longhaarvaten

o Groot verschil in zuurstof en koolstofdioxide spanning: o.a. door ventileren van de lucht in de longblaasjes en door stroming van het bloed in de longhaarvaten

o Zuurstof uit de lucht lost op in het vocht in de longblaasjes; van daaruit vindt diffusie plaatst naar het bloedplasma in de longhaarvaten

o Koolstofdioxide diffundeert in omgekeerde richting en wordt door het vocht in de longblaasjes afgegeven aan de lucht



· In de longhaarvaten worden O2 moleculen gebonden aan hemoglobine in rode bloedcellen

o Hemoglobine (Hb) + O2 à oxyhemoglobine (HbO2)

o Door de binding van O2 aan Hb blijft er een verschil bestaan tussen de pO2 in het vocht in de longblaasjes en de pO2 in het bloedplasma

o Hierdoor blijft zuurstof het bloedplasma in diffunderen en wordt de hemoglobine vrijwel geheel verzadigd met zuurstof

· In de weefsels vindt door het spanningsverschil diffusie van O2 uit de haarvaten plaats

o In de haarvaten laten de O2 moleculen los van hemoglobine

· In de weefsels vindt door het spanningsverschil diffusie van CO2 naar het bloed in de haarvaten plaats

o Een deel van dit CO2 wordt door het bloedplasma vervoerd; een ander deel wordt gebonden aan hemoglobine

· In de longhaarvaten vindt door het spanningsverschil diffusie van CO2 plaats naar het vocht in de longblaasjes

o In de longhaarvaten laten de CO2 moleculen los van hemoglobine



· Ademhalingsspieren

o De buitenste tussenribspieren kunnen de ribben en het borstbeen omhoog en naar voren trekken

o De binnenste tussenribspieren kunnen de ribben en het borstbeen omlaag trekken

o de middenrifspieren kunnen het middenrif afplatten

· Borstvlies en longvlies

o Borstvlies: vergroeid met ribben, tussenribspieren en middenrif

o Longvlies: vergroeid met longen

o De ruimte tussen borstvlies en longvlies is gevuld met vocht. Hierdoor kunnen ze niet van elkaar afgaan

· Longweefsel: is elastisch en verkeert in een uitgerekte toestand

o Hierdoor is de druk in de ruimte tussen borstvlies en longvlies lager dan de druk van de buitenlucht

· Rustige inademing

o De buitenste tussenribspieren trekken de ribben en het borstbeen omhoog en naar voren

o De middenrifspieren platten het middenrif af. De druk in de buikholte stijgt, waardoor de buikwand iets naar voren gaat

o Door deze bewegingen wordt het volume van de borstholte vergroot

o Het longvlies volgt de bewegingen van het borstvlies

o De longen ondergaan een volumevergroting

o De luchtdruk in de longblaasjes wordt lager dan de druk van de buitenlucht

o Lucht stroomt de longen in

· Rustige uitademing

o De buitenste tussenribspieren en de middenrifspieren ontspannen zich

o Door de veerkracht van de zijwanden van de borstholte en de elasticiteit van het longweefsel keren de ribben en het borstbeen terug naar hun oorspronkelijke stand

o Door de druk in de buikholte keert het middenrif terug naar zijn koepelvormige stand

o De longen ondergaan een volumeverkleining

o De luchtdruk in de longblaasjes wordt hoger dan de druk van de buitenlucht

o Lucht stroomt de longen uit

· Diepe inademing

o Spieren in de hals trekken zich ook samen, waardoor de ribben en het borstbeen nog verder omhoog en naar voren komen

· Diepe uitademing

o De binnenste tussenribspieren trekken de ribben en het borstbeen omlaag

o Spieren van de buikwand trekken zich samen. Door de hoge druk in de buikholte wordt het middenrif omhooggeduwd



· Ademvolume: de hoeveelheid lucht die bij een rustige ademhaling wordt in en uitgeademd

o Een deel van de ingeademde lucht blijft in de luchtwegen (de dode ruimte). Deze lucht wordt ongebruikt weer uitgeademd

· Vitale capaciteit: de hoeveelheid lucht die maximaal per ademhaling kan worden ververst. De vitale capaciteit omvat:

o Het ademvolume

o Het inspiratoir reservevolume: wordt bij een maximale inademing extra ingeademd

o Het expiratoir reservevolume: wordt bij een maximale uitademing extra uitgeademd

· Totale longvolume (totale longcapaciteit): vitale capaciteit + restvolume

o Restvolume: blijft na een maximale uitademing achter in de longen



· Het ademcentrum in de hersenstam regelt de ademfrequentie

· Chemoreceptoren in de wand van de halsslagaders en aorta nemen de pCO2 van het bloed waar

o Vanuit de chemoreceptoren gaan impulsen via zenuwen naar het ademcentrum

o Vanuit het ademcentrum gaan impulsen via zenuwen naar de ademhalingsspieren

o De snelheid en de diepte van de ventilatie worden aangepast

· De chemoreceptoren worden beïnvloed door de pO2 van het bloed

o Bij een lagere pO2 van het bloed worden de chemoreceptoren gevoeliger voor de pCO2 van het bloed

· De grote hersenen kunnen de snelheid en diepte van de ademhaling bewust veranderen

· Hyperventilatie: door emoties kan te snel en te diep worden geademd

o Hierdoor is de pCO2 van het bloed lager dan normaal. Dit veroorzaakt klachten

o De pCO2 van het bloed kan worden verhoogd door in een plastic zak of via een stuk slang te ademen



· Cara is een verzamelnaam voor astma, bronchitis en longemfyseem

o De symptomen van deze ziekten lijken veel op elkaar

· Astma: het spierweefsel van de wand van de bronchiolen trekt zich onbewust samen. Vaak is bovendien het slijmvlies in de bronchiolen verdikt

o Bij astma heb je last van aanvallen van benauwdheid, die plotseling kunnen opzetten

· Bronchitis: een ontsteking van de luchtpijp, bronchiën of bronchiolen

o Bij bronchitis moet je veel hoesten

· Longemfyseem: de uiteinden van de bronchiolen en de longblaasjes zijn minder elastisch geworden

o Bij longemfyseem heb je het voortdurend benauwd

· Carapatiënten zijn erg gevoelig voor stofdeeltjes in de lucht. Ze moeten rokerige en stoffige ruimtes en contact met dieren vermijden



· Koolhydraatstofwisseling: het glucosegehalte van het bloed wordt constant gehouden onder invloed van insuline en glucagon uit de alvleesklier

o Glucose kan worden omgezet in glycogeen. Glycogeen wordt onder andere in de lever opgeslagen

· Eiwitstofwisseling

o Vorming van niet-essentiële aminozuren uit andere aminozuren

o Afbraak van overtollige aminozuren. Hierbij ontstaat onder andere ureum, dat aan het bloed wordt afgegeven

o Vorming van plasma-eiwitten

· Vetstofwisseling

o Vorming van niet-essentiële vetzuren uit andere vetzuren, aminozuren of monosachariden

· Vorming en afbraak van cholesterol

o Bij de afbraak worden galzure zouten gevormd

· Afbraak van dode rode bloedcellen

o Galkleurstoffen worden met de gal uitgescheiden

o IJzer wordt opgeslagen

· Ontgifting

o Alcohol, drugs en medicijnen worden onwerkzaam gemaakt

o Gifstoffen die niet onwerkzaam kunnen worden gemaakt, kunnen in de lever worden opgeslagen (bijv. kwik)



· Leverlobje

o Centraal licht een vertakking van de leverader

o In de hoekpunten liggen vertakkingen van de galgang, de leverslagader en de poortader

o Bloed komt van de hoekpunten terecht in ruimten tussen de levercellen en stroomt dan naar het midden van een leverlobje

o Gal stroomt van de levercellen naar de hoekpunten van een leverlobje



· Functies van de nieren

o Uitscheiding van afvalstoffen, lichaamsvreemde stoffen en overtollige stoffen uit het bloed. De verwijderde stoffen worden samen urine genoemd

o Constant houden van de osmotische waarde van het interne milieu

· Delen van een nier

o Nierschors: vorming van vormurine

o Niermerg: vorming van urine

o Nierbekken: verzamelen van urine

o Niereenheden liggen in nierschors en niermerg: ongeveer 1 miljoen per nier

· Niereenheid

o Aanvoerend nierslagadertje: vertakt zich tot haarvatenkluwen (glomerulus) binnen het nierkapseltje

o Nierkapseltje (kapsel van Bowman); ultrafiltratie. Onder invloed van de bloeddruk verlaat een deel van het bloedplasma met opgeloste stoffen de haarvaten. Dit vocht komt via het nierkapseltje terecht in het nierbuisje (voorurine)

o Afvoerend nierslagadertje: vertakt zich tot een haarvatennet om het nierbuisje en voorziet de cellen van het nierbuisje van voedingsstoffen en zuurstof

o Nierbuisje: terugresorptie. Door actief transport worden opgeloste nuttige stoffen uit de voorurine in het bloed en het omringende mergweefsel opgenomen. Hierdoor wordt de osmotische waarde van het niermergweefsel hoger dan die van het nierschorsweefsel



o Verzamelbuisjes: door de hoge osmotische waarde in het niermergweefsel wordt 99% van het water aan de (voor)urine onttrokken, tijdens het transport naar de nierbekken

o Nieradertje: voert o.a. de teruggeresorbeerde stoffen af

· Bij de terugresorptie worden nuttige stoffen aan de voorurine onttrokken

o Voorurine bevat veel water met o.a. glucose, ionen en ureum ( in een lage concentratie)

o Urine bevat (minder) water met o.a. ionen en ureum (in een relatief hoge concentratie)

o Het hormoon ADH uit de hypofyse stimuleert de terugresorptie van water uit de voorurine. ADH zorgt ervoor dat de osmotische waarde van het interne milieu constant wordt gehouden

· Urinewegen

o Urineleiders: afvoer van urine naar urineblaas

o Urineblaas: tijdelijke opslag van urine

o Urinebuis: afvoer van urine naar buiten



Samenvatting Hoofdstuk 7, Bescherming



· De huid bestaat uit opperhuid en lederhuid

· Opperhuid: hoornlaag en slijmlaag. In de opperhuis liggen geen bloedvaten

o Hoornlaag (dode, verhoornde epitheelcellen): bescherming tegen beschadiging, uitdroging en infecties

o Slijmlaag (levende epitheelcellen): melanocyten produceren pigment dat bescherming geeft tegen ultraviolette straling. De onderste laag cellen (kiemlaag) deelt zich voortdurend

o Haar met haarzakje (uitstulping van de kiemlaag) en talgklieren. Talg houdt het haar en de hoornlaag soepel

· Lederhuid: bindweefsel met zintuigen, zenuwen, haarspiertjes, bloedvaten en zweetklieren

· In de huid wordt vitamine D gevormd onder invloed van de ultraviolette straling in zonlicht

· Onderhuidse bindweefsel

o Opslag van vet in vetcellen: het vet heeft een warmte-isolerende werking



· Min of meer constante lichaamstemperatuur door evenwicht tussen warmteproductie en warmteafgifte (warmtebalans)

o Warmteproductie door dissimilatie, vooral in het binnenste deel van het lichaam en in actieve (skelet) spieren

o Warmteafgifte via bloed dat door de huid stroomt en via zweet dat verdampt

· Het temperatuurcentrum in de hypothalamus regelt de warmteproductie en warmteafgifte van het lichaam

o Koude en warmte zintuigen in de hypothalamus registreren de temperatuur van het bloed

· Bescherming tegen stijging van de lichaamstemperatuur

o Bloedvaten in de huid worden wijder (de huid wordt roder)

o Zweetklieren produceren meer zweet (water en zouten)

· Bescherming tegen daling van de lichaamstemperatuur

o Bloedvaten in de huid worden nauwer (de huid wordt bleker)

o Zweetklieren produceren minder zweet

o Warmteproductie neemt toe (rillen en klappertanden)



· Aspecifieke afweer: werkzaam tegen vele verschillende ziekteverwekkers

· Mechanische afweer: de huid en de slijmvliezen van de luchtwegen, het verteringsstelsel, het uitscheidingsstelsel en het voortplantingsstelsel bemoeilijken het binnendringen van ziekteverwekkers en schadelijke stoffen

· Chemische afweer: zoutzuur in maagsap doodt bacteriën

· Koorts: verhoogde lichaamstemperatuur gaat de ontwikkeling van ziekteverwekkers tegen en versnelt de afweer reacties van het lichaam

· Fagocytose: insluiting en vertering van ziekteverwekkers door fagocyten

o Fagocyten bestaan uit stamcellen in het rode beenmerg en komen daarna in het bloed terecht

o Monocyten verplaatsen zich naar de weefsels en veranderen van vorm: macrofagen

· Antibiotica versterken tijdelijk de afweer van het lichaam

o Antibiotica zijn werkzaam tegen bacteriële infecties, niet tegen infecties door virussen



· Specifieke afweer: werkzaam tegen een type ziekteverwekker

· Specifieke afweer reacties worden opgewekt door antigenen

o Antigenen zijn grote moleculen, meestal eiwitten

o Antigenen bevinden zich meestal op celmembranen, maar kunnen ook geïsoleerd in een organisme voor komen

· Receptoreiwitten herkennen lichaamsvreemde antigenen

o Receptoreiwitten komen voor op alle lichaamscellen

o Receptoreiwitten zijn specifiek: elk receptoreiwit kan slechts een type antigeen binden

· Macrofagen en andere cellen plaatsen lichaamsvreemd antigeen op hun celmembraan: antigeenpresenterende cellen

· Lymfocyten zorgen voor specifieke afweerreacties

o Lymfocyten ontstaan uit stamcellen van het rode beenmerg

o In het beenmerg ontwikkelen zich B-lymfocyten: in de thymus t-lymfocyten. Hierna verspreiden de lymfocyten zich en komen vooral in de lymfeknopen en milt terecht

o T-lymfocyten delen zich na antigeenpresentatie veelvuldig. Er ontwikkelen zich drie typen dochtercellen: T-helpercellen, cytotoxische T-cellen en T-geheugencellen

· Cellulaire afweer: gericht tegen lichaamscellen die met virussen zijn geïnfecteerd, tegen kankercellen en tegen cellen van getransplanteerde weefsels of organen

o T-helpercellen geven cytokinen af die de ontwikkeling van cytotoxische T-cellen stimuleren

o Cytotoxische T-cellen vernietigen de geïnfecteerde lichaamscellen, de kankercellen of getransplanteerde cellen



· Humorale afweer: door antistoffen die terechtkomen in alle lichaamsvochten

o Onder invloed van cytokinen uit T-helpercellen ontwikkelen B-lymfocyten zich tot twee typen dochtercellen: plasmacellen en B-geheugencellen

o Plasmacellen vormen antistoffen tegen antigenen

o Tegen een antigeen kunnen meerdere verschillende antistoffen worden gevormd

o Een antigeenmolecuul en een antistofmolecuul vormen een antigeen-antistofcomplex

o Door de complexvorming wordt de ziekteverwekker onschadelijk gemaakt, bijv, doordat het celmembraan van een lichaamsvreemde cel wordt aangetast, waardoor de cel uiteenvalt. Vaak wordt door complexvorming de fagocytose van een ziekteverwekker door macrofagen bevorderd

· T-geheugencellen en B-geheugencellen blijven inactief bij een eerste infectie. Bij een volgende infectie herkennen ze het antigeen, waardoor er een snellere afweerreactie volgt



· Natuurlijke immuniteit: ontstaat doordat een persoon wordt geïnfecteerd door een ziekteverwekker

o Primaire reactie: de antistofvorming na de eerste besmetting met het antigeen van de ziekteverwekker

o Secundaire reactie: de antistofvorming na de tweede of volgende besmetting met hetzelfde antigeen. Doordat geheugencellen het antigeen herkennen wordt de antistof sneller gevormd en wordt er een grotere hoeveelheid antistof gevormd. Er treden geen symptomen meer op

· Incubatietijd: de tijd tussen besmetting en de eerste ziekteverschijnselen

· Kunstmatige immuniteit: ontstaat door immunisatie

o Actieve immunisatie (vaccinatie): door inenting met een vaccin (dode of verzwakte ziekteverwekker). De persoon vormt zelf antistof. De immuniteit is van langere duur, doordat er geheugencellen worden gevormd



· Transplantaties

o Eiwitten op celmembranen van getransplanteerde weefsels of organen worden door het afweersysteem van de acceptor herkend als lichaamsvreemde antigenen. Vooral antigenen van het HLA-systeem spelen een rol. Het HLA-systeem is voor iedereen uniek

o Afstotingsreacties treden vooral op door cellulaire afweer. Cytotoxische T-cellen van de acceptor herkennen lichaamsvreemde HLA-antigenen en vernietigen donorcellen

o In sommige gevallen leidt antistofvorming tot zeer snelle afstoting (acute afstoting)

o Bij transplantaties worden donoren gezocht van wie het HLA-systeem zo veel mogelijk overeenkomt met dat van de acceptor (HLA-matching). Er treden dan zo min mogelijk afstotingsreacties op

o Afstotingsreacties worden onderdrukt door medicijnen, die het gehele afweersysteem onderdrukken

· Bloedgroepen van het ABO-systeem



Bloedgroep Antigeen op celmembraan van rode bloedcellen Antistof in bloedplasma

A A Anti-B

B B Anti-A

AB A en B Geen

0 geen Anti-A en anti-B



· Bloedtransfusies

o Bij voorkeur geeft men bloed van een donor met dezelfde bloedgroep als de acceptor

o Rode bloedcellen klonteren samen als antistof van de acceptor reageert met antistof van de donor. Er vindt dan hemolyse plaats: rode bloedcellen gaan te gronde, waardoor hemoglobine vrijkomt in het bloedplasma

o Mogelijke bloedtransfusies

0



A B



AB



o Bloedgroep 0 is de algemene donor

o Bloedgroep AB is de algemene acceptor

· Resusfactor

o Resuspositief bloed bevat het resusantigeen

o Resusnegatief bloed bevat geen resusfactor en kan antiresus bevatten

· Bloedtransfusies

o Bij voorkeur geeft men bloed van een donor met dezelfde resusfactor als de acceptor

o Na een eerste transfusie van resuspositief bloed naar een resusnegatieve acceptor wordt antiresus gevormd, maar treedt er geen samenklontering op. Bij tweede transfusie wel

o Transfusie van resusnegatief naar resuspositief is mogelijk

· Resusnegatieve moeder die zwanger is van een resuspositief kind

o Na de bevalling vormt de moeder antiresus

o Tijdens de tweede en volgende zwangerschappen worden rode bloedcellen van een resuspositief kind afgebroken

o Door toediening van antiresus aan de moeder onmiddellijk na de geboorte wordt de vorming van antiresus door de moeder tegengegaan

· Resuspositieve moeder die zwanger is van een resusnegatief kind

o Er zijn geen problemen doordat het kind tijdens de eerste maanden nog geen antistoffen kan maken



· Allergie: overgevoeligheid voor een of meerdere stoffen (allergenen)

o Hooikoorts: allergie voor stuifmeelkorrels of schimmelsporen

o Huisstofallergie: allergie voor uitwerpselen van huisstofmijten

o Voedingsallergie: allergie voor bijv. melk, eieren, vis, noten pinda’s of chocola

· Allergische reactie: ontstaat als het lichaam in contact komt met een allergeen

o Humorale afweer: plasmacellen produceren verschillende typen antistof tegen het allergeen

o Antistoffen van het type IgE hechten zich aan mestcellen (een bepaald type witte bloedcellen): de mestcellen worden gevoelig gemaakt voor het allergeen

o Bij een volgend contact reageert het allergeen met de IgE antistof op gesensibiliseerde mestcellen: hierdoor geven de mestcellen o.a. histamine af

o Histamine veroorzaakt o.a. opgezwollen slijmvliezen en ontstekingsreacties. Ook kunnen astma-aanvallen ontstaan (allergische astma)


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

Hallo Nienke,

Ik had een klein vraagje, klopt hd 3,4,5 met het boek? Want ik wil hem zeker gebruiken, alleen ik vroeg me gewoon af of hij goed te gebruiken was voor mijn toets.

Groeten,

Sebastiaan

11 jaar geleden

H.

H.

Ik heb het nog niet (helemaal) gelezen, maar bedankt voor je harde werk, echt goed gedaan!

9 jaar geleden

L.

L.

wouw echt super goed gemaakt. en dankje dat je het erop gezet hebt

8 jaar geleden