Deze samenvatting staat ook als 'nette' versie in de bijlage. Op de webversie zien sommige dingen er niet helemaal uit zoals ze zouden moeten zijn...
Geslachtelijke voortplanting
Meeldraad = meeldraad + helmknop -> meiose -> vorming stuifmeelkorrels
Stamper = stempel + stijl + vruchtbeginsel -> vorming zaadbeginsels
Stuifmeelkorrel + zaadbeginsel -> vorming stuifmeelbuis naar zaadbeginsel -> bevruchting -> een zygote is ontstaan -> de zygote wordt een embryo (kiem) -> het zaadbeginsel wordt een zaad, het vruchtbeginsel een vrucht
Ontkieming, groei en ontwikkeling
Groei embryo -> reservevoedsel uit de zaadlobben wordt verbruikt (zetmeel -> glucose m.b.v. amylum)-> wortels worden gevormd -> chlorofyl wordt gevormd -> zaadlobben vallen af als ze zijn gebruikt
Bruine boon = tot de groep van de dicotylen (tweezaadlobbigen)
Groei vindt alleen plaats in de meristemen (deelweefsels), die zitten in
-
Toppen wortels en stengels (groeipunten)
-
Knoppen
-
Jonge bladeren
-
Cambium
Na mitose, celdeling en plasmagroei blijft één van de dochtercellen in het meristeem liggen -> de andere heeft celstrekking doordat de vacuolen veel water opnemen
Wortelmutsje: dode, verslijmde cellen die de worteltop beschermen
Diktegroei mogelijk door het cambium, na elke deling komt één cel buiten het cambium te liggen.
-
Naar binnen toe ontstaan houtcellen
-
Naar buiten toe ontstaan bastcellen
In de stam zit
- (buitenkant stam, vervoert water met stoffen)< > (binnenkant stam, stevigheid)
Cambium maakt ook cellen om zijn eigen diktegroei bij te houden
- verbinding door mergstralen -> radiaal transport (van buitenkant <-> binnenkant)
Bevordert de lengtegroei door celstrekking door de rekbaarheid van de celwanden te verhogen
-
Wordt geproduceerd in de uiterste top van de stengel
-
Concentratie is lager aan de belichte zijde -> andere kant groei sneller -> fototropie
fototropie: groeit naar het licht toe< > geotropie: groeit tegen de zwaartekracht in< > (waslaagje)
Voorkomen dat de plant uitdroogt
- (opperhuid)
Beschermen tegen uitdroging en infecties
-
Bevat veel bladgroen
-
Zorgt voor fotosynthese en tijdelijke opslag van zetmeel
Direct achter de huidmondjes -> bevat dus veel intercellulaire ruimtes
-
Zorgt ook voor fotosynthese en tijdelijke opslag van zetmeel
-
Bevat houtvaten (bovenkant) en bastvaten (onderkant) en vaatbundelschede (vezels)
-
Zorgt voor transport en stevigheid
Bladeren diffunderen stoffen die binnenkomen door de huidmondjes -> luchtholtes / intercellulaire ruimtes
Houtvaten ontstaan doordat houtcellen secundaire celwanden (cellulose en houtstof (lignine)) afzetten en de dwarswanden verdwijnen
- of spiraalvormige secundaire celwanden bij groeiende plantendelen< > secundaire celwanden bij later gevormde houtvaten -> stippels zorgen voor zijwaarts transport
De endodermiscellen zorgen voor actief transport van de zouten naar de centrale cilinder
-
Hogere osmotische waarde centrale cilinder
-
Water diffundeert door osmose naar centrale cilinder
-
Kurkbandjes verhinderen dat het water terugstroomt
-
Waterdruk in wortels stijgt -> worteldruk
Glucose wordt omgezet in koolhydraten (vooral zetmeel), vetten en eiwitten
-
Deze stoffen worden tijdelijk opgeslagen in het palissade- en Sponsparenchym
-
’s nachts wordt het zetmeel omgezet in sacharose (suiker) en via bastvaten afgevoerd naar alle delen plant
-
Glucose, fructose en sacharose worden in het vacuolevocht opgeslagen
-
Zetmeel wordt opgeslagen in amyloplasten (zetmeelkorrels) in bijv. knollen
-
Vetten worden opgeslagen als druppels in het cytoplasma
-
Eiwitten worden opgeslagen in het vacuolevocht of als aleuronkorrels in het cytoplasma
Stevigheid wordt verkregen door
- (druk van de cel op de celwand) en houtvaten bij kruidachtige planten
Lagen houtvaten (jaarringen) bij houtachtige planten
-
Speciale steunweefsels bestaande uit vezels (sklerenchymcellen)
-
Gemaakt door sklerenchymcellen
-
REACTIES
1 seconde geleden