Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Boek 5

Beoordeling 9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 1e klas hbo | 3110 woorden
  • 17 september 2016
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 9
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!



  1. Ordening in rijken



Taxon: groep organisme. Studie van regels, wijze waarop groepen ingedeeld worden: Taxonomie.



Systematiek: indelen organismen volgens ordeningssysteem door indelingscriteria; morfologische, anatomische en biochemische kenmerken.



Autotroof: zelfvoedend (fotosynthese)



Heterotroof: ander nodig voor voedsel



AFKOrting FAMILIE GEStOORT: Afdeling, Klasse, Orde, Familie, Geslacht (genus), Soort (species)




  1. Wat is een soort?



Soort: organismen die in staat zijn zich onderling voort te planten en vruchtbare nakomelingen voort te brengen (onder natuurlijke omstandigheden) / de grootste verzameling van populaties waartussen een effectieve uitwisseling van genen plaatsvind.



Populatie: groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leven en samen een voortplantingsgemeenschap vormen. Uitwisseling van genen tussen twee populaties als tussen andere barrières zijn.



Geslachtsnaam met hoofdletter – soortaanduiding met kleine letter – hoofdletter onderzoeker



bv. Bellis perennis L.




  1. Bacteriën



Chromosoom geen eiwitmoleculen



Voorplanting door deling > onder gunstige omstandigheden snel > pathogene bacteriën ook



Conjugatie: plasmide > DNA-replicatie > plasmide naar andere bacterie > uitwisseling genen



Peptidologycaan: stof celwanden alleen bij bacteriën



Grampositief: absorberen violette kleurstof aan celwanden, gramnegatief omgekeerd



Cyanobacteriën: chlorofyl + blauwe pigmenten > waterbloei



Endospore: DNA van bacterie + cytoplasma - water. Omgeven door cyste > ongunstig omstandigheden




  1. Schimmels




  • geen chlorofyl



Gisten:




  • eencellig

  • voorplanting: knopvorming



Veelcellige:




  • mycelium: netwerk schimmeldraden / hyfen (soms tussenschoten)

  • chitine: hoornachtige stof waaruit ook uitwendig skelet geleedpotigen bestaat

  • voortplanting: sporen (haploïd)> hyfe > mycelium (paddenstoel)

    • geslachtelijk: mycelia + mycelia = 2 kernen, onderkant hoed versmelten






  1. Planten




  • celwand: cellulose



Sporenplanten: deling door sporen



Wieren:




  • geen wortels/stengels/bladeren, haploïd

  • veelcellig (spiraalwier, ulva, blaaswier) of eencellig (boomalg)

  • groenwieren, roodwieren en bruinwieren

  • thallus: ‘blad’ van wieren

  • plankton: verzamelnaam micro-organismen water

    • fytoplankton: plantaardig > groep: diatomeeën

    • zoöplankton: dierlijk



  • korstmossen: schimmels + algen

  • conjugatie



Mossen:




  • stengels/bladeren, geen wortels

  • levermossen: vochtig, schaduw, oevers

  • bladmossen: grote groepen



Paardenstaarten, varens:




  • wel wortels



Vaatplanten: hebben hout- en bastvatenpaardenstaarten, varens



Zaadplanten:




  • grootste deel cyclus diploïd, alleen geslachtscellen haploïd

  • naaktzadigen: zaden tussen schubben bv naaldbomen

  • bedektzadigen: zaden in vruchten (meestal platte bladschijf) bv gras




  1. Dieren



Bilateraal (tweezijdig) symmetrisch: lichaam slechts op één manier in twee gelijke helften te verdelen



Radiaal (straalsgewijs) symmetrisch: holtedieren, veel symmetrische vlakken



Assymetrisch: geen symmetrisch vlak



Exoskelet: uitwendig skelet (mossel, insect)



Endoskelet: inwendig skelet (inktvis, mens0




  • Eencellige dieren: zoet water, kloppende vacuolen


    • amoebe: verandert van vorm, fagocytose, voedingsvacuolen

    • pantoffeldiertje: meer organellen, trilhaartjes, voedsel celmond > celslokdarm > voedingsvacuolen. Onverteerd > celanus

    • oogdiertje: lange zweephaar, oogvlek > lichtgevoelig dan cholorofyl



  • Weekdieren: tweekleppigen: schelp uit twee delen, slakken, inktvissen

  • Geleedpotigen: duizendpoot (segmenten), kreeft, spin, insect

    • groei door vervelling > metamorfose



  • Gewervelden: vissen, amfibieën, reptielen, vogels, zoogdieren



Thema 2 Evolutie




  1. De evolutietheorie



Evolutie: ontwikkeling van levensvormen op aarde. (Neodarwinistische) evolutietheorie.




  •  Jean de Lamarck > geleidelijke verandering soorten.

  • Charles Darwin > diversiteit in genotypen, natuurlijke selectie en soortvorming door reproductieve isolatie

    • draagkracht: hoeveelheid organismen er in een groep kunnen

    • selectiedruk: grote draagkracht > weinig druk

    • geëvolueerde soort: mutanten blijven leven door grotere overlevingskans





Creationisme: theorie van de schepping (religie)




  1. Fossielen



Fossielen: versteende overblijfselen van organismen of afdrukken in gesteenten door sedimenten. Paleontologie: wetenschap.




  • Radio-isotopen: meting dmv halfwaardetijd

  • Gidsfossielen: tonen leeftijd gesteente aan ipv andersom




  1. Argumenten voor evolutie



Vergelijkende anatomie:




  • homologe organen: dezelfde grondvorm, gelijke embryonale ontstaanswijze > verschillende functies. verwantschap

  • analoge organen: niet dezelfde grondvorm >zelfde functies ontstaan. geen verwantschap

  • rudimentaire organen: niet meer tot ontwikkeling, geen functie



Embryologie: bv. kieuwspleten bij een embryo van de mens



Biochemie: samenstelling stoffen (bv DNA en eiwitten)




  • Cytochroom c: enzym voor verbranding > alle dieren en planten > grote verwantschap




  1. Het evolueren van een soort



Regelvan Hardy-Weinberg: genfrequentie blijft gelijk als er geen beïnvloedende factoren zijn



p2 + 2pq + q2  = 1



p2 = AA



2pq = Aa



q2 = aa



Overlevingskans: allel met hoogste overlevingskans neemt toe in populatie > micro-evolutie: verandering in genfrequentie.



Macro-evolutie: ontstaan nieuwe groepen en soorten organismen



Co-evolutie: mee-evolueren van andere soort



Kleine groep met recessief gemuteerde genen > tot uiting in volgende generaties



Sikkel-celanemie: afwijkende aminozuursamenstelling hemoglobine. Valine ipv glutamine > rode bloedcellen veranderen van vorm > snellere afbraak, minder zuurstoftransport. Homozygoot: dodelijk, heterozygoot: lichte anemie (bloedarmoede) (hoge weerstand malaria)



Genetische drift: verandering genfrequentie door toevallige gebeurtenissen zonder selectievoordeel allelen.




  • Migratie > allel met frequentie weg > verandering in samenstelling > afwijkende organismen




  1. Ontstaan nieuwe soorten



Reproductieve isolatie: lange tijd geen voorplanting tussen individuen twee of meer populaties  > geen genenuitwisseling




  • geografische isolatie

  • gedrag: ‘vreemd’ baltsgedrag, in natuur sociaal / asociaal gedrag (alleen kunstmatig nakomelingen)

  • tijd: geen zelfde seizoenen/ ritmes

  • darwinvinken: verschillende snavels door verschillend voedsel na separatie eilanden




  1. De eerste levensvormen



Oeratmosfeer: zonder zuurstof (net als nu uit vulkaanuitbarstingen). Organische stoffen door bliksem, UV, lava en botsing meteorieten.



Biogenese: ontstaan leven uit levenloze materie > oersoep: door indikking na verdamping uit binnenzeeën > DNA



Prokaryoten: alle fossielen ouder dan 1,4 miljard jaar. De eerste: anaëroob > energie door afbraak stoffen oersoep.



Autotrofe organismen: geen stoffen meer nodig. Produceerden zuurstof > giftig > aëroob. Fotosynthese door nu cyanobacteriën.



Eukaryoten: 1,5 miljard jaar geleden door endosymbiosetheorie > door instulpingen DNA/ER naar binnen, cyanobacteriën > chloroplasten, aërobe bacteriën > mitochondriën




  1. De verdere geschiedenis van het leven op aarde



Kwastvinnigen: hieruit amfibieën ontwikkeld



Naaktzadige planten: 250 jaar geleden



hema 3 Energie




  1. Vrije en gebonden energie



Vrije energie: kinetische energie



Gebonden (potentiële) energie: opgeslagen energie



Endotherm: vrije energie > chemische energie



Exotherm: energie vrij



Organische stoffen: grote moleculen, anorganische stoffen: kleine moleculen



Stofwisseling (metabolisme): geheel van chemische processen in cellen individu



Assimilatie: klein > groot = endotherm




  • koolstofassimilatie: CO2 + H2O > glucose door autotrofe organismen

  • fosforylering: vrije energie + ADP + P > ATP



Dissimilatie: groot > klein =exotherm




  • ATP > ADP + P + energie



ATP: nucleotide




  1. Enzymen



Enzym (katalyseert stofwisselingreacties, verlaagt drempel) op substraat (achtervoegsel –ase) > product




  • reactiespecifiek: elk enzym op één (groep) stof

  • enzymactiviteit: snelheid waarmee enzym reactie versneld

  • co-enzym: benodigde ander organisch molecuul. Apo-enzym: eigenlijke enzymmolecuul



Activeringsenergie: nodig voor overschrijden energiedrempel



Enzym-substraatcomplex: substraat op actieve centrum  molecuul > benodigde activeringsenergie verlaagd.

Optimumkromme: verband tussen temperatuur en enzymactiviteit (nettoresultaat)



Activator: verhoging enzymactiviteit door stoffen bindingen met molecuul. Complex wordt makkelijker gevormd



Remstoffen (inhibitors): verlagen enzymactiviteit




  • Concurrerende remming: remstof zelfde vorm als enzym, neemt plaats in. Reversebel

  • Niet-concurrerende remming: remstof bindt buiten actieve centra, verandert ruimtelijke structuur. Terug wanneer weg



Negatieve terugkoppeling bij omzetting threonine in isoleucine




  1. Aërobe dissimilatie van glucose



Drie voorwaardes aërobe dissimilatie van glucose




  1. geleidelijk vrijkomen van energie

  2. vrijgekomen elektronen overgedragen op acceptormoleculen

  3. moet worden benut ATP-moleculen te bouwen



2NAD+ +e- + H+ > 2NADH



Elektronentransportketen: elektronen doorgegeven in keten van reacties (bij oxidatieve fosforylering)






  1. Fotosynthese



Fotosynthese: koolstofassimilatie door licht in bladgroen (fotosynthetische pigmenten, liggend in chloroplast) in foto-autotrofe organismen




  • glucose > zetmeel

  • zetmeel + joodoplossing > blauw

  • chlorofyl: a en b. Belangrijkste pigment

  • NADP+: elektronenacceptor in chloroplast



6CO2 + 12H2O + lichtenergie > C6H12O6 +6 O2 + 6 H2O




  1. Andere assimilatie- en dissimilatieprocessen




  • Overige assimilatieprocessen:



Chemosynthese: koolstofassimilatie door energie vrijgekomen bij verbanding van anorganische stof (vastgelegd in ATP)




  • voortgezette assimilatie: vorming van organische stoffen door vrijgekomen glucose

  • door chemo-autotrofe bacteriën als zwavel, nitrificerende bacteriën (nitraat, nitraat)



Koolhydraten:




  • polymerisatie: monosachariden > polysachariden (zetmeel; opslag amyloplasten, cellulose, glycogeen)



Eiwitten: glucose + stikstofhoudende ionen > aminozuur (energie door ATP) > proteïnen (polymeer aminozuren)



Vetten: 1 glycerol + 3 vetzuren/fosforzuren > lipiden/fosfolipiden



Anaërobe dissimilatie van glucose: dmv gisten




  • Alcoholgisting: pyrodruivenzuur > ethanol

  • Melkzuurgisting: pyrodruivenzuur > melkzuur



Eiwitturnover: ‘recycling’ eiwitturnover




  • Het respiratoir quotiënt: verbruikt aantal zuurstof bij dissimilatie en ontstaan zuurstof



RQ = aantal afgegeven koolstofdioxidemoleculen (voor pijl) / aantal opgenomen zuurstofmoleculen



RQ aërobe diss : 1 =  koolhydraten, 0.7 = vetten, 0.8 = eiwitten. Gem = 0.85




  • Basale metabolisme: stofwisselingsprocessen in rust doorgaand > O2-gehalte rust meten



Homoiotherm: constante lichaamstemperatuur (vogels + zoogdieren)



Poikilotherm: lichaamstemperatuur gelijk aan omgeving (meeste andere dieren)




  1. Kringlopen



Producenten: autotrofe organismen



Consumenten: heterotrofe organismen



Reducenten: schimmels en heterotrofe bacteriën



Thema 4 Planten




  1. Geslachtelijke voortplanting



Geslachtelijke voorplanting zaadplanten via bloem:




  • Meeldraad + stamper(s): voortplantingsorganen

  • Helmknoppen: meiose > haploïde cellen > stuifmeelkorrels

  • Zaadbeginsels: in vruchtbeginsel stamper. Hieruit ontstaan eicellen na meiose

  • Kruisbestuiving: bestuiving van stuifmeel op andere plant van dezelfde soort

  • Stuifmeelbuis: komt uit stuifmeelkorrel (na bestuiving) richting zaadbeginsel.

  • Zaad: zaadbeginsel met zygote

  • Vrucht: tijdens ontwikkeling zaadbeginsel > zaden




  1. Ontkieming, groei en ontwikkeling



Kiemplant: reservevoedsel uit zaadlobben (verschrompelen wanneer op), door enzymen amylum (zetmeel) > glucose. Plant boven grond > chlorofyl.



Dicotylen: tweezaadlobbigen (bruine boon). Monocotylen: eenzaadlobbigen (maïs)



Meristemen: enige plaats deling plant. Bevindt in groeipunten (toppen wortels en stengels) en in cambium



Celstrekking:  als cel buiten groeipunt komt. langwerpige groei door opname water in vacuolen (kleine > centrale) > wandstandig plasma > celdifferentiatie + celspecialisatie.



Cambium: ringvormig meristeem zorgt voor diktegroei. Deling:




  • 1 dochtercel in cambium > naar binnen toe bijgevormd > houtcellen (meer dan bast) > houtvaten

  • 1 doochtercel buiten cambium > naar buiten bijgevormd > bastcellen > bastvaten



Jaargrens: donkere zomerhout – lichte voorjaarshout (geen groei winter). Jaarring: al hout in één jaar. Mergparenchum in midden samengedrukt door houtcellen > moeilijke onderscheiden jaarringen oudere jaren.



Spinthout: houtvaten jonge jaarringen > vervoering water met opgeloste stoffen



Kernhout: samengedrukte houtvaten > stevigheid



Parenchymchellen: ipv houtvaten. Mergstralen in hout > radiaal transport (buitenkant naar midden van stam  en andersom)




  • deling mergstralen bast > kurkcambium > kurk (scheuren bast en schors)



Auxinen: plantenhormonen voor lengtegroei




  • licht invloed op concentratieverdeling > verlichte kant lager auxine > positieve fototropie (groei richting licht)

  • geotropie: zwaartekracht als invloed groeirichting > negatieve geotropie: stengeltop tegen zwaartekracht in



postieve geotropie: worteltop (concentratie boven optimum: verhoging > remming, stengel omgekeerd)



Geïtoleerde planten: onvolledig ontwikkeld door te weinig licht, bleke stengels en bladeren




  1. Opname, afgifte, transport en opslag  van stoffen



Pallisadeparenchym: vooral hier fotosynthese



Huidmondjes (’s nachts gesloten) + luchtholtes (intercellulaire ruimten): opname + afgifte CO2 en O2 door middel van diffusie.




  • bij jonge planten en stengels door opperhuid (bij kruidachtige huidmondjes in opperhuid)

  • kurkporiën: in schors houtige stengels. Diffusie naar en van centrale delen stengel



Intensiteit fotosynthese afhankelijk van: bepaald door beperkende factor. Afleiden: hoeveelheid O2 opgenomen in licht – in donker




  • hoeveelheid en kleur licht

  • CO2 en H2O

  • temperatuur

  • chlorofyl



Houtvaten. Secundaire celwanden: door houtcellen . Cellulose en houtstof (lignine) tegen primaire celwanden (+middenlamel: transport).




  • Dwarswanden verdwijnen

  • Ringvormige / spiraalvormige: groeiende plantendelen

  • Netvormige: later gevormde houtvaten / hele primaire celwand bedekt > nodig voor zijwaarts transport

  • Anorganische sapstroom: H2O + zouten van wortels > stengels > bladeren



Bastvaten:




  • Organische sapstroom: H2O + assimilatieproducten van bladeren > alle andere delen planten

  • Dwarswanden blijven > openingen > celkernen verdwijnen > dode bastvaten dichtgedrukt



Transport via celwanden wortel – centrale cilinder:




  • Capillaire werking poriën: water + opgeloste stoffen van bodem > wortels

  • Actief transport door endodermiscellen > osmotische waarde centrale cilinder groter dan schors > osmose; water > centrale cilinder > kurkbandjes verhinderen terugstroming > worteldruk (water met opgeloste stoffen stijgt)



Transport houtvaten:




  • Verdamping water uit bladeren: huidmondjes open, buitenlucht geen waterdamp (voornamelijk uit celwanden) > capillaire werking vult water aan (uiteindelijk vanuit houtvaten in stengels) als soort draad


    • capillaire werking door cohesiekrachten (H2O bij elkaar) + adhesiekrachten (H2O aan houtvvatwand)





Waterstroom wortels > bladeren: passief transport



Waterporiën: speciale orgaantjes die water naar buiten persen



Watercultuur: onderzoeken welke mineralen plant nodig heeft. Spoorelementen nodig voor werking enzymen



Zetmeel > sacharose: vooral ’s nachts, via bastvaten > andere delen plant



Zaden + cellen verdikte delen: opslag reservestoffen.




  • Amyloplasten: zetmeel

  • Vacuolevocht: glucose, fructose en sacharose, eiwitten

  • Druppels in cytoplasma: vetten, aleuronkorrels (eiwitten)




  1. Stevigheid en bescherming



Stevigheid:




  • Turgor

  • Steunweefsels: skelerenchymvezels onstaan uit skelernchymcellen



Tegengaan uitdroging:




  • Cuticula

  • Kurklaag

  • Huidmondjes (onderkant) gesloten (’s nachts + droge omstandigheden) > sluitcellen > afname turgor > kleinere opening

    • Turgor afhankelijk osmotische waarde. Verdamping, licht, CO2 gehalte



  • Droge omgeving bladeren: klein oppervlak, dikke cuticula, weinig huidmondjes (diep verzonken), behaard



Thema 5 Ecologie




  1. Organisatieniveaus van de ecologie



Biotische factoren: invloeden levende natuur



Abiotische factoren: invloeden levenloze natuur



Organisatieniveaus: bestudering relaties organismen en milieu




  • individu > populatie > levensgemeenschappen

  • ecosystemen: natuurlijk begrensde gebieden > biotisch: levensgemeenschap, abiotisch: biotoop

  • biomen (vegetatiegordels): grote gebieden met bepalend klimaat voor soorten organismen (regenwouden, woestijnen etc.)

  • biosfeer:  gedeelte van aarde en dampkring bewoond door organismen




  1. Individuen



Tolerantie: vermogen van organismen om schommelingen abiotische factor te kunnen verdragen



Tolerantiegrens: uiterste waarde waarbij individuen van soort overleven. Werkt als beperkende factor buiten verspreidingsgebied



Marcroklimaat: grote gebieden vrijwel zelfde klimaat (combinatie verschillende abiotische factoren), elk plekje ecosysteem: microklimaat



- Poikilotherme dieren: 0—45 graden, homoiotherme: ook onder 0 graden’



Daglengte: zon boven horizon. Grote invloed, vooral voortplanting                                                                                                                                                                                                                                                     



Koolzuur: CO2 in water



Waterplanten: weinig stevige delen, huidmondjes bovenkant. 



Waterdieren: stromend water hoger zuurstofgehalte dan stilstaand



Zand ten opzichte van klei:




  • grotere bodemdeeltjes

  • water minder goed vast te houden

  • minder vruchtbaar (minder zouten)

  • makkelijker doordringen wortels



Humus: :  voedingszouten + verbetert structuur bodem (voor zowel zand als klei)




  • Uitspoeling: regenwater zakt naar diepere lagen door humusarme bodem. Humus nodig tegen uitspoeling



Overige bodemeigenschappen van invloed: grondwaterstand, pH, zouten




  1. Populaties



Competitie: concurrentie om voedsel, voortplanting, ruimte, of licht  (evt door territorium)



Coöperatie: balts/paring, voedsel, verdediging. Samenleven groepen tegen predatoren. Staten (insecten) > sterke taakverdeling



Bepalen populatiedichtheid: (individuen eigen habitat / verschillend verspreidingspatroon)




  • Kwadrantmethode: kwadrant uitgezet, aantallen geteld. Bij regelmatige verspreiding anders transect

  • Lijntransectmethode: lengte route evenredig aan oppervlakte in gehele ecosysteem

  • Merken en terugvangen: gevangen > gemerkt > 2e vangst > % gemerkte dieren tweede vangst = % totale pop



Populatiedichtheid afhankelijk factoren:




  • Dichtheidsafhankelijke factoren: predatie, parasitisme, ziekte, voedselconcurrentie > negatieve terugkoppeling > biologisch evenwicht

  • Dichtheidsonafhankelijke factoren: klimaat. Soort herstelt zich weer

  • Immigratie / emigratie



J-vormige groeicurve: groot geboortecijfer gunstige omstandigheden



S-vormige groeicurve: laag geboortecijfer gunstige omstandigheden




  1. Levensgemeenschappen



Voedselketen : reeks soorten, elk een voedselbron voor volgende




  • 1e trofische niveau: autotroof/producent

  • 2e /3e / 4e trofische niveau : heterotroof/consumenten van 1e / 2e / 3e orde

  • detritivoren: afvaleters > reducenten: mineralisatie (dode resten > anorgainsche stoffen)



Symbiose: langdurig samenleven verschillende soorten




  • mutualisme: beide soorten voordeel

  • commensalisme: één soort voordeel, ander soort egaal

  • parasitisme: één voordeel, één nadeel. Parasiet (soms soortspecifiek) leeft op gastheer




  1. Ecosystemen



Nis / niche: rol van een soort in geheel van relaties in ecosysteem



Bruto primaire productie: alle energie door producenten vastgelegd in biomassa



Netto primaire productie: organische stoffen niet benut bij dissimilatie, benut door vorming nieuw weefsel



Productiviteit: hoeveelheid energie vastgelegd in organische stoffen



Pionierecosysteem: verwering  > wind met fijne bodemdeeltjes > eerste diertjes tussen korstmossen



Bodemvorming: humus (organische + anorganische stoffen + reducenten) door dode korstmossen



Successie: verandering soortensamenstelling levensgemeenschap, zodat deze geleidelijk in andere overgaat.




  • Climaxecosystemen: netto productie = afbraak weefsel > biomassa gelijk. Kringloop gesloten.

  • Secundaire successie: humus al op bovenste laag. Kringloop stoffen open

  • Toename biodiversiteit, gelaagdheid bodem



Eenjarige planten (pionierecosysteem) > tweejarige / overblijvende planten (climaxecosysteem)



Erosie: blootstelling bodem aan regen en wind. Bovenste laag bodem weg > geen humus > primaire successie



Nederlandse ecosystemen:




  • Duinen: weinig humus. Biestarwegrad > helm > kruidachtige planten  > duinstruweel > duinbos

  • Loofbos: strooisel > moslaag > kruidlaag > struiklaag > boomlaag. Naaldbos armer aan soort, onnatuurlijk

  • Heide: door schapen in stand gehouden, boomstampjes geknabbeld

  • Plassen: verlanding




  1. waterplanten > dode plantenresten bodem > bodem opgehoogd

  2. oeverplanten vanaf kant > plas kleiner

  3. moerasplanten

  4. broekbos



Thema 6 Mens en milieu




  1.  Voedselproductie



Optimale omstandigheden door: bemesting, bodembewerking en bescherming tegen ziekte en plagen




  • uitspoeling: mineralen met regenwater naar diepere lagen

  • kunstmest: mineralen uit bodem toegevoegd (stikstofhoudende en fosfaat). Stalmest: uitwerpselen + urine via gier > afgebroken door reducenten > mineralen vrij

  • monocultuur : vergrote kans op plagen > chemische bestrijdingsmiddelen (pesticiden), vaak niet soortspecifiek

    • insecticiden: insectenbestrijdingsmiddelen

    • herbiciden: onkruidbestrijdingsmmiddelen

    • resistentie

    • accumulatie: opstapeling persistentie (natuurlijke afbraak) > doorgegeven voedselketen



  • biologische bestrijding: natuurlijke vijanden, lokken, vruchtwisseling/wisselteelt (bv aardappelcystenaaltjes)

  • veredeling: gunstige eigenschappen geselecteerd voor kruising

  • krachtvoer: energierijke stoffen + mineralen (+ geneesmiddelen + hormonen)




  1. De lucht



Emissie: uitstoot van gassen (SO2 + NO na fossiele brandstoffen)



Natte zuurdepositie: neerslag stoffen op aardoppervlak door regen. Onveranderd: door droge zuurdepositie.



Verzuring: giftige stoffen opgelost in bodem > schaden wortels (opname) + bladeren > huidmondjes langer open > verdamping



Stikstofarme bodem > soortenrijk



Veroorzakers zure regen:




  • industrie: olieraffinaderijen

  • elektriciteitscentrales: stoken kolen of olie, radioactief afval (mutaties)

  • verkeer

  • bio-industrie: ammoniak (mestovershot)



Ozon: reactie koolwaterstoffen en CO met NO



Smog: vettige mist met O3 (ozon), SO2 en roet > korstmossenwoestijnen



Broeikaseffect:




  • atmosfeer/dampkring: broeikasgassen (CH4, H2O, CO2)  zonnestraling doorlaten daarna tegenhouden > verwarming aarde


    • stijging CO2 concentratie door verbranden fossiele brandstoffen en ontbossing

    • ozonlaag: absorberen UV-straling, aangetast door (nu zachte) cfk’s (koelinstallaties, blaasmiddel, drijfgassen). Gat ozonlaag: dun boven zuidpool.






  1. Water



Eutrofiëring: hoeveelheid mineralen (door zelfreinigend vermogen) neemt sterk toe. Voedselrijk/eutroof water > verdwijning planten:




  • alleen in voedselarm milieu leven

  • overwoekerd door beter aangepaste soorten

  • waterbloei: kroos + algen nemen toe > troebel > minder licht > planten onder water sterven > detritus neemt toe > overvloed witvissoorten (brasem) > eten zoöplankton (kleine dierlijke organismen als watervlooien) > nog meer algengroei > sterfte algen grote hoeveelheid detritus > reducenten vermeerderen > O2 gebrek > stinkend water vrijwel geen leven



Waterzuivering:




  • mechanische zuivering > voorbezinking > biologische zuivering > nabezinking > chemische zuivering rioolslib




  1. De bodem



Zwerfbouw: bodem onvoldoende, van plaats veranderen



Erosie: grond plantengroei verdwenen (bv door overbeweiden) bovenste laag humus weg > onvruchtbare grond



Tropische regenwoud: genenpool. Verdroging: dalende grondwaterstand



Bodemsanering: reiniging vervuilde bodem



Katalysator: voor loodvrije benzine zodat geen lood meer langs weg is



Methoden afvalverwerking: recycling, compost, storten, verbranden: slakken als overblijfsel tegenhouden chemische stoffen




  1. Milieubeleid en milieubeheer



Rookgasontzwavelingsinstallaties (giftige resten), evenwichtsbemesting, mineraalaangifte, mestinjectie, mestbank, areaalvergroting


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.